Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Vervoer - Goederenvervoer over de weg - Uitoefening van beroep - Voorwaarde van financiële draagkracht - Nationale regeling waarbij borgstelling wordt voorgeschreven - Aard van schuldvorderingen - Beoordelingsvrijheid van Lid-Staten
(Richtlijn 74/561 van de Raad, art. 3, lid 3, in de versie van toepassing tot 31 december 1989)
Samenvatting
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, in de versie die van toepassing was tot 31 december 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet bepaalt, welke schuldvorderingen door borgstelling moeten worden gedekt, wanneer een Lid-Staat de financiële draagkracht van de ondernemers van goederenvervoer over de weg door middel van een dergelijk systeem wil waarborgen.
Partijen
In de gevoegde zaken C-20/93 en C-21/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van koophandel te Brussel, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Deutscher Kraftverkehr Ernst Grimmke & Co KG (DKV),
en
NV Generale Bank,
en tussen
Deutscher Kraftverkehr Ernst Grimmke & Co KG (DKV),
BV Mobil Oil
en
NV AG van 1824
NV Generale Bank
interveniënt: Belgische Staat,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg (PB 1974, L 308, blz. 18),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, J. C. Moitinho de Almeida en M. Diez de Velasco, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- Deutscher Kraftverkehr Ernst Grimmke GmbH & Co KG (DKV), vertegenwoordigd door A. Verriest, advocaat te Brussel,
- NV Generale Bank, vertegenwoordigd door J. P. Buyle, advocaat te Brussel,
- BV Mobil Oil, vertegenwoordigd door J. P. Walravens, advocaat te Brussel,
- NV AG van 1824, vertegenwoordigd door P. Van Ommeslaghe, advocaat bij het Belgische Hof van Cassatie,
- de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Lavalleye, directeur-generaal van de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van NV Generale Bank, vertegenwoordigd door C. Steyaert, advocaat te Brussel en Parijs, BV Mobil Oil, NV AG van 1824, vertegenwoordigd door P. Van Ommeslaghe en C. Cauwe, advocaat te Gent, en de Commissie ter terechtzitting van 21 september 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 oktober 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnissen van 11 januari 1993, ingekomen bij het Hof op 21 januari daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van koophandel te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg (PB 1974, L 308, blz. 18, hierna: "richtlijn 74/561").
2 De vraag is gerezen in gedingen tussen, in zaak 20/93, Deutscher Kraftverkehr Ernst Grimmke (hierna: "DKV") en NV Generale Bank (hierna: "GB"), en, in zaak 21/93, tussen enerzijds DKV en Mobil Oil (hierna: "Mobil") en anderzijds GB en AG van 1824, voorheen AG van 1930 (hierna: "AG van 1824"), in welke tweede zaak de Belgische Staat tot gedwongen tussenkomst is gedagvaard.
3 DKV heeft motorbrandstof geleverd aan de Belgische goederenvervoeronderneming Zelltrans (zaak 20/93). Zij heeft, evenals Mobil, ook motorbrandstof geleverd aan de vennootschap Transports Lechien et Fils (hierna: "Lechien") (zaak 21/93).
4 GB heeft zich hoofdelijk borg gesteld voor de beide vervoerondernemingen Zelltrans en Lechien; AG van 1824 heeft zich alleen borg gesteld voor Lechien.
5 Nadat de beide vervoerondernemingen door de Rechtbank van koophandel van Brussel respectievelijk Charleroi in staat van faillissement waren verklaard, hebben DKV en Mobil aan GB en AG van 1824 doen weten, schuldvorderingen te hebben - DKV op Zelltrans en Lechien, en Mobil alleen op Lechien - op grond van onbetaalde rekeningen voor de voornoemde leveringen van motorbrandstof, en hun verzocht het bedrag van hun borgstelling vrij te geven. Toen dit werd geweigerd, hebben DKV en Mobil GB en AG van 1824 voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel gedaagd.
6 De akten van borgtocht zijn opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 5 september 1978 (Belgisch Staatsblad van 19 oktober 1978, blz. 12464) - zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 juli 1982 (Belgisch Staatsblad van 18 februari 1983, blz. 2334) en koninklijk besluit van 11 september 1987 (Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1987, blz. 15301) - waarbij de omzetting van richtlijn 74/561 werd geregeld.
7 Artikel 37 van dit koninklijk besluit luidt:
"De aanvrager of houder van een vervoerbewijs of algemene vergunning voor nationaal vervoer moet ten bewijze van zijn financiële draagkracht een borgtocht stellen van 250 000 F per vervoerbewijs of algemene vergunning voor nationaal vervoer."
8 Artikel 38, § 1, van dit besluit bepaalt voorts:
"De borgtocht dient tot waarborg van de schuldvorderingen voortspruitend uit de uitoefening van werkzaamheden gedekt door een vervoerbewijs, een algemene vergunning voor nationaal vervoer of een algemene vergunning voor internationaal vervoer.
De borgtocht kan alleen door de houders van schuldvorderingen bedoeld in het eerste lid worden aangesproken (...)."
9 Verzoeksters in de hoofdgedingen betoogden op grond van artikel 3 van richtlijn 74/561, dat de volgens het koninklijk besluit verplichte borgtocht niet alleen de schuldvorderingen uit een vervoerovereenkomst dekte, doch alle schuldvorderingen die voortspruiten uit de uitoefening van de beroepsactiviteiten van de vervoerder, dus ook die voor de levering van motorbrandstof; de Rechtbank van koophandel te Brussel besloot daarop het geding te schorsen totdat het Hof van Justitie uitspraak zou hebben gedaan over de volgende prejudiciële vraag:
"Wanneer de Lid-Staten ter uitvoering van artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, de vervoerder verplichten een waarborg te stellen (in België door hoofdelijke borgtocht) ter verzekering van de vereiste financiële draagkracht, moet dan worden aangenomen dat deze waarborg alleen ten goede komt aan de schuldeisers die met de vervoerondernemer die de waarborg heeft gesteld een vervoerovereenkomst hebben gesloten, of dat de vereiste waarborg alle vorderingen dekt die voortvloeien uit de door de vervoerondernemer die de waarborg heeft gesteld verrichte beroepsactiviteiten?"
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, de toepasselijke regeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
11 Allereerst zij opgemerkt dat richtlijn 74/561 een eerste etappe is voor de harmonisatie van de regels inzake de toegang tot het beroep van goederenvervoerder over de weg. Artikel 3 onderwerpt die toegang aan verschillende voorwaarden, die met name betrekking hebben op de betrouwbaarheid, de financiële draagkracht en de vakbekwaamheid van de vervoerder. Lid 3 van dit artikel voorzag bovendien uitdrukkelijk in een latere coördinatie van de regels inzake de financiële draagkracht van de vervoerder.
12 Deze coördinatie is tot stand gebracht bij richtlijn 89/438/EEG van de Raad van 21 juni 1989 tot wijziging van richtlijn 74/561, richtlijn 74/562/EEG inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal personenvervoer over de weg, en richtlijn 77/796/EEG inzake de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels van ondernemer van goederenvervoer over de weg en ondernemer van personenvervoer over de weg en houdende maatregelen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vrije vestiging van die vervoerondernemers (PB 1989, L 212, blz. 101, hierna: "richtlijn 89/438"). Bij artikel 1, lid 5, van deze richtlijn is artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561 gewijzigd en thans bevat het nauwkeuriger regels omtrent de financiële draagkracht van de ondernemingen.
13 Deze regels zijn in de zaken in het hoofdgeding echter niet van toepassing "ratione temporis". Immers, richtlijn 89/438 is ingevolge artikel 5, lid 1, eerst van toepassing vanaf 1 januari 1990. Uit de verwijzingsvonnissen blijkt namelijk, dat de akten van borgtocht waarbij GB en AG van 1824 zich voor de betrokken vervoerondernemingen hoofdelijk borg hebben gesteld, van vóór deze datum zijn.
14 Derhalve dient uitsluitend te worden gezien naar richtlijn 74/561, in de vóór 1 januari 1990 geldende versie. Artikel 3, lid 3, van die richtlijn bepaalde toen:
"Onder financiële draagkracht wordt verstaan het beschikken over de financiële middelen die nodig zijn voor het op gang brengen en het goede beheer van de onderneming. In afwachting van een latere coördinatie bepaalt elke Lid-Staat welke bepalingen daarvoor in aanmerking komen en op welke wijze daartoe het bewijs moet worden geleverd."
15 Deze bepaling laat, luidens haar bewoordingen, aan elke Lid-Staat een ruime beoordelingsmarge ten aanzien van de wijze waarop het bewijs van de financiële draagkracht van de vervoerders wordt geleverd. In het bijzonder schrijft zij niet de invoering voor van een stelsel van borgtocht ter dekking van het gevaar van insolventie van de vervoeronderneming. Zij kan dan ook niet aldus worden uitgelegd dat zij bepaalt, welke soorten schuldvorderingen door borgstelling moeten worden gedekt, wanneer een Lid-Staat een dergelijk stelsel wil invoeren.
16 Tot staving van hun standpunt dat de waarborg alle schuldvorderingen moet dekken die voor de vervoerders uit de uitoefening van hun beroepsactiviteit voortvloeien, voeren DKV en Mobil in de eerste plaats de derde overweging van richtlijn 74/561 aan. Volgens deze overweging zijn gemeenschappelijke regels betreffende met name de financiële draagkracht van de vervoerders ingevoerd in het belang van "de gehele volkshuishouding" en niet alleen in het belang van de gebruikers en de ondernemingen in de vervoersector.
17 In de tweede plaats, zo menen deze vennootschappen, zullen de vervoerders slechts in staat zijn overeenkomstig de eis van artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561 het op gang brengen en het goede beheer van hun onderneming te verzekeren, indien zij de betaling van al hun schulden, waaronder die wegens levering van brandstoffen, kunnen garanderen.
18 Terzake volstaat de opmerking dat dergelijke door verzoeksters in het hoofdgeding ingeroepen overwegingen van algemene aard de aan de Lid-Staten in artikel 3, lid 3, uitdrukkelijk toegekende beoordelingsvrijheid bij de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van richtlijn 74/561 niet vermogen te beperken.
19 Mitsdien moet de verwijzende rechter worden geantwoord dat artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561/EEG, in de versie die van toepassing was tot 31 december 1989, aldus moet worden uitgelegd, dat het niet bepaalt, welke schuldvorderingen door borgstelling moeten worden gedekt wanneer een Lid-Staat de financiële draagkracht van de ondernemers van goederenvervoer over de weg door middel van een dergelijk systeem wil waarborgen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Rechtbank van Koophandel te Brussel bij vonnissen van 11 januari 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 3, van richtlijn 74/561/EEG van de Raad van 12 november 1974 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de weg, in de versie die van toepassing was tot 31 december 1989, moet aldus worden uitgelegd, dat het niet bepaalt, welke schuldvorderingen door borgstelling moeten worden gedekt wanneer een Lid-Staat de financiële draagkracht van de ondernemers van goederenvervoer over de weg door middel van een dergelijk systeem wil waarborgen.
Full & Egal Universal Law Academy