Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
Lid-Staten - Verplichtingen - Niet-betwiste niet-nakoming
(EG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-37/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door P. Duray, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door in de Belgische wetgeving bepalingen te laten voortbestaan krachtens welke bepaalde betrekkingen van zeeman, uitgezonderd die van kapitein en van eerste assistent, voorbehouden zijn aan Belgische onderdanen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens artikel 48 EEG-Verdrag en de artikelen 1 en 4 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2) op hem rusten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 november 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 5 februari 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk België, door in de Belgische wetgeving bepalingen te laten voortbestaan krachtens welke bepaalde betrekkingen van zeeman, uitgezonderd die van kapitein en van eerste assistent, voorbehouden zijn aan Belgische onderdanen, de verplichtingen niet is nagekomen die krachtens artikel 48 EEG-Verdrag en de artikelen 1 en 4 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2) op hem rusten.
2 Artikel 3 van de Belgische wet van 25 februari 1964 houdende inrichting van een Pool van de zeelieden ter koopvaardij, zoals gewijzigd bij wet van 8 juli 1975, bepaalt, dat slechts de personen die zijn ingeschreven in de bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid opgerichte Pool, mogen worden aangeworven als personeel dat op Belgische koopvaardijschepen vaart. Volgens dit artikel mogen alleen in België verblijvende personen voor de inschrijving bij de Pool in aanmerking komen. Voorts bepaalt artikel 12, tweede alinea, van het koninklijk besluit van 9 april 1965 betreffende de Pool van de zeelieden ter koopvaardij, dat vreemdelingen alleen worden ingeschreven in de Pool bij tekort aan toelaatbare kandidaten van Belgische nationaliteit.
3 De Belgische regering betwist niet, dat de gewraakte nationale bepalingen onverenigbaar zijn met de gemeenschappelijke regels. Zij brengt slechts naar voren, dat de voorontwerpen van wet en van koninklijk besluit tot wijziging van de betrokken wettelijke bepalingen aan de Commissie zijn toegezonden en dat zij de opmerkingen van deze laatste afwacht, alvorens die ontwerpen aan het parlement en de koning ter goedkeuring voor te leggen.
4 De Commissie merkt op, dat de Belgische regering hiermee toegeeft dat de in geding zijnde wetgeving nog niet in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht, en handhaaft haar verzoek.
5 Uit het voorgaande volgt, dat verweerder bij de afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn zijn wetgeving nog niet in overeenstemming met de communautaire voorschriften had gebracht.
6 Mitsdien moet de niet-nakoming bewezen worden geacht in de termen waarin zij in de conclusies van het verzoekschrift is geformuleerd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
7 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, moet het in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door in zijn wetgeving bepalingen te laten voortbestaan krachtens welke bepaalde betrekkingen van zeeman, uitgezonderd die van kapitein en van eerste assistent, voorbehouden zijn aan Belgische onderdanen, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die krachtens artikel 48 EEG-Verdrag en de artikelen 1 en 4 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, op hem rusten.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy