Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Vrij verrichten van diensten ° Beoefenaars van tandheelkunde ° Erkenning van diploma' s en titels ° Richtlijn 78/686 ° Cooerdinatie van nationale bepalingen ° Richtlijn 78/687 ° In leven roepen van categorie van beoefenaars die niet in richtlijnen is genoemd ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijnen van de Raad 78/686, art. 19, en 78/687, art. 1)
Samenvatting
Een Lid-Staat die tot de werkzaamheden van beoefenaar der tandheelkunde personen toelaat die geen opleiding hebben gevolgd die voldoet aan de vereisten van artikel 1 van richtlijn 78/687 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, en die evenmin de universitaire artsenopleiding zijn begonnen vóór de datum vastgesteld in artikel 19 van richtlijn 78/686 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, en daardoor een categorie van beoefenaars der tandheelkunde ° waarvan de leden enkel bevoegd zijn op het nationale grondgebied te praktizeren ° in het leven roept die met geen van de in deze richtlijnen genoemde categorieën overeenstemt, komt de krachtens de richtlijnen 78/686 en 78/687 op hem rustende verplichtingen niet na.
Partijen
In zaak C-40/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door U. Leanza, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adelaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door bij wet nr. 471 van 31 oktober 1988 de termijn, vastgesteld in artikel 19 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1978, L 233, blz. 1), voor houders van het diploma genees- en heelkunde te verlengen tot en met het academisch jaar 1984/1985, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens dit artikel en artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB 1978, L 233, blz. 10),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, P. Jann, J. C. Moitinho de Almeida, D. A. O. Edward (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 9 februari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 maart 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 februari 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door bij wet nr. 471 van 31 oktober 1988 de termijn, vastgesteld in artikel 19 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1978, L 233, blz. 1; hierna: de "erkenningsrichtlijn"), voor houders van het diploma genees- en heelkunde te verlengen tot en met het academisch jaar 1984/1985, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens dit artikel en artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde (PB 1978, L 233, blz. 10; hierna: de "cooerdinatierichtlijn").
2 Volgens artikel 1, lid 1, van de cooerdinatierichtlijn stellen de Lid-Staten de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, die worden uitgeoefend onder de in artikel 1 van de erkenningsrichtlijn bedoelde titels, en de uitoefening van deze werkzaamheden afhankelijk van het bezit van een diploma, certificaat of andere titel als bedoeld in artikel 3 van dezelfde richtlijn, waardoor wordt gewaarborgd dat de betrokkene gedurende zijn totale opleidingstijd de door de cooerdinatierichtlijn vastgestelde passende kennis en ervaring heeft verworven.
3 Artikel 2 van de erkenningsrichtlijn bepaalt: "Elke Lid-Staat erkent de door de overige Lid-Staten aan de onderdanen van de Lid-Staten overeenkomstig artikel 1 van (de cooerdinatie)richtlijn (...) afgegeven (...) diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde door daaraan, met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde, op zijn grondgebied hetzelfde rechtsgevolg toe te kennen als aan de door hemzelf uitgereikte diploma' s, certificaten en andere titels."
4 Artikel 7, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:
"Elke Lid-Staat erkent, ten aanzien van onderdanen van de Lid-Staten welker diploma' s, certificaten en andere titels niet beantwoorden aan het geheel der minimumopleidingseisen bedoeld in artikel 1 van (de cooerdinatie)richtlijn (...), als genoegzaam bewijs de vóór de inwerkingtreding van de (cooerdinatie)richtlijn door die Lid-Staten afgegeven diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, indien deze vergezeld gaan van een verklaring waarin wordt bevestigd dat deze onderdanen de bedoelde werkzaamheden gedurende ten minste drie jaren achtereen tijdens de vijf jaren die aan de afgifte van de verklaring voorafgaan daadwerkelijk en op wettige wijze hebben verricht."
5 Naar luid van artikel 1, lid 4, laat de cooerdinatierichtlijn ten slotte "de mogelijkheid voor de Lid-Staten om op hun eigen grondgebied volgens hun eigen regeling de toegang tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde en de uitoefening ervan toe te staan aan de houders van diploma' s, certificaten en andere titels die niet in een Lid-Staat zijn behaald, geheel onverlet".
6 Overeenkomstig artikel 24, lid 1, van de erkenningsrichtlijn en artikel 8, lid 1, van de cooerdinatierichtlijn verstreek de termijn voor omzetting van beide richtlijnen in nationaal recht achttien maanden na de kennisgeving ervan, te weten op 28 januari 1980. Voor Italië verstreek deze termijn evenwel eerst zes jaar na de kennisgeving van de richtlijnen, dat wil zeggen op 28 juli 1984.
7 De reden voor dit uitstel was de omstandigheid, dat toentertijd de werkzaamheden van de tandheelkunde in Italië uitsluitend door artsen werden uitgeoefend. De cooerdinatierichtlijn verplichtte Italië dus een nieuwe categorie van beroepsbeoefenaars in het leven te roepen, waardoor een specifieke opleiding moest worden ingevoerd en een speciale structuur voor dit nieuwe beroep moest worden opgezet.
8 Teneinde met deze bijzondere situatie rekening te houden, bepaalt artikel 19 van de erkenningsrichtlijn:
"Vanaf het tijdstip dat Italië de nodige maatregelen treft om aan deze richtlijn te voldoen, erkennen de Lid-Staten (...) de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts die in Italië zijn afgegeven aan personen die hun universitaire artsenopleiding uiterlijk achttien maanden na kennisgeving van deze richtlijn (dat wil zeggen 28 januari 1980) zijn begonnen, indien deze vergezeld zijn van een door de bevoegde Italiaanse autoriteiten afgegeven bewijsstuk, waaruit blijkt dat deze personen zich in Italië gedurende ten minste drie jaar achtereen in de loop van de vijf jaar vóór de afgifte van het bewijsstuk daadwerkelijk, wettig en als hoofdwerkzaamheid hebben beziggehouden met de werkzaamheden (verband houdende met het voorkomen, de diagnose en de behandeling van, onder meer, ziekten van tanden) (...) en dat deze personen bevoegd zijn genoemde werkzaamheden uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als de houders van (het in Italië afgegeven diploma van beoefenaar der tandheelkunde) (...)"
9 Bij wet nr. 409 van 24 juli 1985 (gewoon supplement bij GURI nr. 190 van 13 augustus 1985) heeft de Italiaanse Republiek het beroep van beoefenaar der tandheelkunde ingesteld en bepaald, dat dit beroep enkel mag worden uitgeoefend door de houders van het diploma tandheelkunde en door de houders van het diploma genees- en heelkunde die in het bezit zijn van een diploma specialisatie tandheelkunde. Artikel 19 van deze wet bevatte evenwel een overgangsregeling voor de toegang tot het beroep van beoefenaar der tandheelkunde, die overeenstemde met artikel 19 van de erkenningsrichtlijn .
10 Op 31 oktober 1988 stelde de Italiaanse Republiek wet nr. 471 (GURI nr. 262 van 8.11.1988) vast, waarvan het enige artikel luidt als volgt:
"1) De houders van het diploma genees- en heelkunde die gedurende de academische jaren 1980-1981, 1981-1982, 1982-1983, 1983-1984 en 1984-1985 waren ingeschreven voor de opleiding genees- en heelkunde en die bevoegd zijn hun beroep uit te oefenen, kunnen zich laten inschrijven bij de orde van beoefenaars der tandheelkunde teneinde de in artikel 2 van wet nr. 409 van 24 juli 1985 bedoelde werkzaamheden uit te oefenen.
2) Deze inschrijving dient te geschieden vóór 31 december 1991."
11 Bij brief van 19 oktober 1990, waarmee zij de procedure van artikel 169 van het Verdrag inleidde, deelde de Commissie de Italiaanse regering mee, dat de bij wet nr. 471 van 31 oktober 1988 in het leven geroepen situatie haars inziens in strijd was met artikel 19 van de erkenningsrichtlijn en met artikel 1 van de cooerdinatierichtlijn.
12 Daar de Commissie geen enkel antwoord had ontvangen, bracht zij op 28 november 1991 een met redenen omkleed advies op grond van artikel 169 van het Verdrag uit, waarin zij de Italiaanse Republiek uitnodigde om binnen een termijn van twee maanden de nodige maatregelen te nemen om een juiste omzetting van de betrokken richtlijnen in nationaal recht te verzekeren.
13 Daar dit met redenen omkleed advies onbeantwoord bleef, heeft de Commissie het onderhavige verzoekschrift ingediend.
14 Tot staving van haar beroep stelt de Commissie dat de Italiaanse Republiek, door houders van een diploma in Italië die geen opleiding hebben gevolgd die voldoet aan de vereisten van artikel 1 van de cooerdinatierichtlijn en die evenmin hun universitaire artsenopleiding zijn begonnen vóór de in artikel 19 van de erkenningsrichtlijn bedoelde datum, tot de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde toe te laten, niet heeft voldaan aan de krachtens deze bepalingen op haar rustende verplichtingen. Door de in geding zijnde wet zou aldus immers een categorie van beoefenaars der tandheelkunde ° waarvan de leden enkel bevoegd zijn op het nationale grondgebied te praktizeren ° in het leven zijn geroepen, die met geen van de in deze richtlijnen genoemde categorieën overeenstemt. Volgens de Commissie zijn de Lid-Staten niet bevoegd een dergelijke categorie in te stellen.
15 Ter terechtzitting heeft de Italiaanse Republiek een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Volgens haar zijn deze argumenten noch in het met redenen omkleed advies, noch in het verzoekschrift aangevoerd.
16 Deze exceptie moet worden afgewezen.
17 Zowel in het met redenen omkleed advies als in het verzoekschrift heeft de Commissie als grief aangevoerd, dat de in geding zijnde wet in strijd is met de bepalingen van de richtlijnen, omdat zij tot gevolg heeft, dat tot de uitoefening van de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde personen worden toegelaten, die niet een specialisatie hebben gevolgd die verzekert dat hun opleiding in overeenstemming is met de cooerdinatierichtlijn, en die hun universitaire artsenopleiding niet uiterlijk op 28 januari 1980 zijn begonnen.
18 Wat de grond van de zaak betreft, geeft de Italiaanse Republiek toe dat de in geding zijnde wet tot gevolg heeft, dat een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven wordt geroepen, die niet in aanmerking kunnen komen voor de rechten betreffende de onderlinge erkenning in de andere Lid-Staten. Deze wet is volgens haar evenwel juist niet in strijd met de cooerdinatierichtlijn of de erkenningsrichtlijn, omdat deze beoefenaars hun beroep enkel in Italië mogen uitoefenen en de wet overigens niet in de weg staat aan de erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van beoefenaar der tandheelkunde die in andere Lid-Staten zijn behaald. De doelstellingen van deze richtlijnen die de uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten beogen te vergemakkelijken, zouden dus niet in gevaar komen.
19 Voorts wijst de Italiaanse Republiek erop, dat de Lid-Staten krachtens artikel 1, lid 4, van de cooerdinatierichtlijn op hun grondgebied de toegang tot dit beroep mogen toestaan aan de houders van in een derde land behaalde diploma' s. Aldus kunnen beoefenaars der tandheelkunde die een beroepsopleiding hebben gevolgd die niet beantwoordt aan het in de betrokken richtlijnen voorziene cooerdinatiestelsel, op grond van deze richtlijn hun beroep in een Lid-Staat uitoefenen.
20 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
21 Volgens de betrokken richtlijnen moet de beoefenaar der tandheelkunde, om zijn werkzaamheden te mogen uitoefenen, in het bezit zijn van één van de in artikel 2 van de erkenningsrichtlijn bedoelde titels. Hierop zijn slechts drie uitzonderingen mogelijk, die worden voorzien in de artikelen 7 en 19 van de erkenningsrichtlijn en artikel 1, lid 4, van de cooerdinatierichtlijn.
22 Artikel 1, lid 4, van de cooerdinatierichtlijn is evenwel uitsluitend van toepassing op de erkenning van in een derde land behaalde diploma' s, certificaten of andere titels (zie arrest van 9 februari 1994, zaak C-154/93, Tawil-Albertini, Jurispr. 1994, blz. I-451).
23 Aangaande de andere bepalingen zij opgemerkt, dat het vaste rechtspraak is, dat elke afwijking van de regels die de doeltreffendheid van de door het Verdrag erkende rechten beogen te verzekeren, strikt moet worden uitgelegd (zie arresten van 26 februari 1975, zaak 67/74, Bonsignore, Jurispr. 1975, blz. 297; 23 maart 1983, zaak 77/82, Peskeloglou, Jurispr. 1983, blz. 1085, en 14 december 1989, zaak C-3/87, Agegate, Jurispr. 1989, blz. 4459). Alleen de afwijkingen die uitdrukkelijk worden genoemd in het Verdrag of de relevante richtlijnen, zijn toegestaan.
24 Derhalve staat het de Lid-Staten niet vrij om een categorie van beoefenaars der tandheelkunde in het leven te roepen, die met geen enkele door de betrokken richtlijnen voorziene categorie overeenkomt.
25 Uit het voorgaande volgt dat de Italiaanse Republiek, door bij wet nr. 471 van 31 oktober 1988 de in artikel 19 van de erkenningsrichtlijn vastgestelde termijn voor houders van het diploma genees- en heelkunde te verlengen tot en met het academisch jaar 1984/1985, de krachtens dit artikel en artikel 1 van de cooerdinatierichtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
26 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door bij wet nr. 471 van 31 oktober 1988 de termijn, vastgesteld in artikel 19 van richtlijn 78/686/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de beoefenaar der tandheelkunde, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, voor houders van het diploma genees- en heelkunde te verlengen tot en met het academisch jaar 1984/1985, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens dit artikel en artikel 1 van richtlijn 78/687/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de beoefenaar der tandheelkunde.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy