Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Gelijke behandeling ° Discriminatie op grond van nationaliteit ° Universitaire studie die in Lid-Staat opleidt voor specifiek beroep ° Inschrijvingsgeld of "schoolgeld" dat enkel van onderdanen van andere Lid-Staten wordt verlangd ° Weigering van universiteiten om onderdanen uit andere Lid-Staten in te schrijven wanneer zij voor financiering van universiteiten niet worden meegeteld ° Beperking van mogelijkheid voor onderdanen van andere Lid-Staten om terugbetaling van onverschuldigd betaald "schoolgeld" te verkrijgen ° Verbod
(EEG-Verdrag, art. 5 en 7)
Samenvatting
Een Lid-Staat maakt zich binnen de werkingssfeer van het Verdrag schuldig aan een bij artikel 7 van het Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit en miskent de ingevolge artikel 5 van het Verdrag op hem rustende verplichtingen, wanneer hij
° de toegang tot de universitaire instellingen van onderdanen van andere Lid-Staten die uitsluitend naar dat land zijn gekomen met het oog op een universitaire studie, afhankelijk stelt van de betaling van een aanvullend inschrijvingsgeld of "schoolgeld", behoudens wanneer zij in hun land van herkomst reeds tot de studie zijn toegelaten en aldaar het inschrijvingsgeld hebben betaald, terwijl deze voorwaarde niet geldt voor zijn eigen onderdanen,
° de rectoren van de universitaire instellingen het recht toekent, de inschrijving van onderdanen van andere Lid-Staten te weigeren, wanneer zij niet worden meegerekend voor de financiering van die instellingen,
° de mogelijkheden voor de studenten uit andere Lid-Staten beperkt om het uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende recht op terugbetaling van het onverschuldigd betaalde schoolgeld te doen gelden.
Partijen
In zaak C-47/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, en T. Margellos, advocaat, lector aan de Université de Picardie, gedetacheerd bij de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door een onderwijswetgeving in stand te houden die discriminerend is ten opzichte van studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat dan België, zowel op het gebied van de toegang tot de instellingen voor beroepsonderwijs als op dat van de voorwaarden voor terugbetaling van het door deze studenten onverschuldigd betaalde bijkomend inschrijvingsgeld, de krachtens de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, J. C. Moitinho de Almeida en D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresidenten, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg, en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 15 december 1993,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 februari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 februari 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door in artikel 16 van de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs, niet van het schoolgeld voor buitenlandse studenten vrij te stellen de onderdanen van de andere Lid-Staten die naar België zijn gekomen uitsluitend met het doel er onderwijs te volgen aan de Belgische universitaire instellingen, door de rectoren van de universitaire instellingen het recht toe te kennen de inschrijving van die studenten te weigeren, door de mogelijkheid om het uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht onverschuldigd betaalde schoolgeld te doen terugbetalen, ad hoc te beperken tot de gemeenschapsonderdanen die vóór 13 februari 1985 beroep in rechte hebben ingesteld, en door de afwijkingen ten gunste van de werknemers en hun echtgenoot, en ten gunste van gewone studenten, onderdanen van andere Lid-Staten, in werking te laten treden op 1 oktober 1983 voor universitair en op 1 januari 1985 voor niet-universitair onderwijs, overeenkomstig de artikelen 63, 69 en 71 van voormelde wet, de krachtens de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 In verband met het universitair onderwijs bepaalt artikel 25 van de Belgische wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen (Belgisch Staatsblad van 17.9.1971), dat de Belgische Staat met jaarlijkse uitkeringen bijdraagt in de financiering van de werkingsuitgaven van de universitaire instellingen. Deze bijdrage wordt berekend op basis van onder meer het aantal regelmatig ingeschreven studenten. Artikel 27 van deze wet, zoals gewijzigd bij artikel 85 van de wet van 5 januari 1976 (Belgisch Staatsblad van 6.1.1976), bepaalt, dat de gewone werkingsuitgaven van de universitaire instellingen worden gedekt op grond van het aantal studenten die regelmatig ten laste zijn van de begrotingen van Nationale Opvoeding, wat betreft met name de studenten van Belgische of Luxemburgse nationaliteit. Sommige buitenlandse studenten worden eveneens meegerekend voor de financiering van de universitaire instellingen, met name die wier ouders in België gevestigd zijn en er beroepsactiviteiten uitoefenen of hebben uitgeoefend, en die welke zelf in België verblijven en wier ouders gemeenschapsonderdanen zijn en in België werken of hebben gewerkt. Het aantal andere buitenlandse studenten mag niet hoger zijn dan 2 % van het totale aantal Belgische studenten. De buitenlandse studenten die niet ten laste zijn van de begrotingen van Nationale Opvoeding, dragen bij in de gewone werkingsuitgaven van de universitaire instelling waar zij zijn ingeschreven. Zij moeten met name een bijkomend inschrijvingsgeld, het schoolgeld, betalen.
3 Bij wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs (Belgisch Staatsblad van 6.7.1985; hierna: "wet van 1985") zijn de wettelijke bepalingen betreffende de financiering van de universitaire instellingen en het schoolgeld gewijzigd. Ingevolge artikel 16, punt 1, van deze wet zijn tot de categorie der buitenlandse studenten die ten laste van de Belgische Staat komen, voortaan ook te rekenen de studenten, onderdaan van een Lid-Staat van de Gemeenschap, die op regelmatige wijze op het Belgisch grondgebied gevestigd zijn en er een beroepsactiviteit uitoefenen of hebben uitgeoefend, en voorts de studenten waarvan de echtgenoot of echtgenote aan dezelfde voorwaarden voldoet. In de tweede plaats bepaalt artikel 16, punt 2, van deze wet, dat de rectoren van de universitaire instellingen vanaf het academiejaar 1985/1986 de inschrijving kunnen weigeren van studenten die niet in aanmerking komen voor de financiering van de universitaire instellingen.
4 Koninklijk besluit nr. 543 van 31 maart 1987 (Belgisch Staatsblad van 16.4.1987) bepaalde, dat de gewone werkingsuitgaven van de universitaire instellingen eveneens door de Belgische Staat zouden worden gedekt op grond van het aantal studenten, onderdanen van een Lid-Staat van de Gemeenschap, die in België een studiejaar aanvangen, op voorwaarde dat zij het bewijs leveren dat zij in hun land tot dezelfde studies toegelaten zijn en er het inschrijvingsgeld hebben betaald.
5 Wat het niet-universitair onderwijs betreft, bepaalt artikel 59 van de wet van 1985, dat een specifiek inschrijvingsgeld wordt gevraagd voor studenten van vreemde nationaliteit wier ouders of wettelijke voogd geen Belg zijn en niet in België verblijven. Het koninklijk besluit van 30 augustus 1985 (Belgisch Staatsblad van 12.9.1985) tot uitvoering van de wet van 1985, bepaalt evenwel, dat bepaalde categorieën buitenlandse studenten worden vrijgesteld van het betalen van het specifieke inschrijvingsgeld.
6 Wat de terugbetaling van het schoolgeld betreft, bepaalt artikel 63 van de wet van 1985, dat het schoolgeld of bijkomend inschrijvingsgeld dat is betaald door de leerlingen en studenten die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Gemeenschap en een beroepsopleiding hebben gevolgd, wordt terugbetaald op basis van rechterlijke beslissingen ten gevolge van een vordering tot terugbetaling ingeleid voor de Belgische rechterlijke instanties vóór 13 februari 1985. Ingevolge artikel 69 van de wet van 1985 heeft artikel 16 uitwerking met ingang van 1 oktober 1983.
7 Van mening dat voormelde bepalingen van de wet van 1985 in strijd waren met het gemeenschapsrecht, heeft de Commissie, bij brief van 21 november 1989, overeenkomstig artikel 169 EEG-Verdrag de Belgische autoriteiten verzocht binnen twee maanden hun opmerkingen mede te delen. Deze brief is onbeantwoord gebleven. Daarop heeft de Commissie hun een met redenen omkleed advies van 21 maart 1991 laten toekomen en het Koninkrijk België uitgenodigd de nodige maatregelen te nemen om het advies binnen twee maanden op te volgen. Bij brief van 19 oktober 1992 hebben de Belgische autoriteiten op dit met redenen omkleed advies geantwoord. Van mening dat dit antwoord geen voldoening gaf, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
8 Ter terechtzitting heeft de Commissie verklaard, dat zij van de vier tot staving van haar beroep aangevoerde grieven er drie handhaaft; deze zullen hierna worden onderzocht.
9 De Belgische regering betwist de haar bij deze drie grieven verweten niet-nakoming niet, doch doet opmerken, dat wijzigingen worden voorbereid ten einde de Belgische wettelijke regeling in overeenstemming te brengen met het gemeenschapsrecht.
De eerste grief
10 Volgens de Commissie vormt de bij artikel 16 van de wet van 1985 ingevoerde regeling inzake het schoolgeld een discriminatie op grond van nationaliteit, nu de studenten die onderdaan zijn van een Lid-Staat en naar België komen uitsluitend met het oog op universitaire studies, het schoolgeld wel moeten betalen en Belgische studenten niet. De Commissie stelt zich op het standpunt, dat de wijziging bij voormeld koninklijk besluit nr. 543 van 1987, dat een nieuwe categorie van schoolgeld vrijstelde studenten invoert, namelijk de gemeenschapsonderdanen die in België een studie aanvangen, op voorwaarde dat zij het bewijs leveren dat zij in hun land tot dezelfde studies toegelaten zijn, geen einde aan de niet-nakoming heeft gemaakt, aangezien het onwaarschijnlijk lijkt, dat een student die reeds aan een universiteit in zijn land van oorsprong is ingeschreven, naar België komt om er hetzelfde onderwijs te volgen.
11 Vastgesteld moet worden, dat de bij artikel 16 van de wet van 1985 ingevoerde schoolgeldregeling een discriminatie op grond van nationaliteit vormt op een gebied dat onder het EEG-Verdrag valt, voor zover studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat dan België en uitsluitend naar België komen met het oog op een universitaire studie, schoolgeld moeten betalen om tot deze studie te worden toegelaten, terwijl dit van Belgische studenten niet wordt verlangd (arrest van 2 februari 1988, zaak 24/86, Blaizot, Jurispr. 1988, blz. 398).
12 De bij artikel 1 van koninklijk besluit nr. 543 ingevoerde wijziging, waarbij een nieuwe categorie van schoolgeld vrijgestelde studenten is ingevoerd, namelijk de gemeenschapsonderdanen die in hun land tot de studie zijn toegelaten en er het inschrijvingsgeld hebben betaald, heeft deze discriminatie niet opgeheven.
De tweede grief
13 De Commissie voert aan, dat artikel 16 van de wet van 1985 een discriminatie op grond van nationaliteit in het leven roept, nu de inschrijving aan een universitaire instelling van studenten uit de andere Lid-Staten wel, en die van Belgische studenten niet kan worden geweigerd. De Commissie stelt bovendien vast, dat de rectoren van de universitaire instellingen de inschrijving van een student uit de Gemeenschap kunnen weigeren, ook wanneer hij aanbiedt het schoolgeld te betalen, indien de betrokken student niet tot de 2 % buitenlandse studenten behoort waarvoor de universitaire instellingen aanspraak hebben op financiering. Volgens de Commissie is deze grens van 2 % een financiële belemmering voor de toegang tot het onderwijs. Tot staving van deze grief wijst de Commissie erop, dat het Hof, in verband met het hoger niet-universitair onderwijs, over deze vraag reeds uitspraak heeft gedaan in zijn arrest van 27 september 1988 (zaak 42/87, Commissie/België, Jurispr. 1988, blz. 5445). Het Hof oordeelde immers, dat de betrokken wettelijke regeling, voor zover zij de financiering van de instellingen voor hoger beroepsonderwijs beperkte, in feite tot gevolg had dat studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, werden uitgesloten zodra het maximum van 2 % was bereikt. Nu een dergelijke beperking niet gold voor Belgische studenten, vormde deze grens dus een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit.
14 Vastgesteld moet worden, dat de aan de rectoren van de universitaire instellingen verleende bevoegdheid om de inschrijving te weigeren van studenten uit andere Lid-Staten die voor de financiering van deze instellingen niet in aanmerking worden genomen, eveneens een discriminatie op grond van nationaliteit vormt, nu de inschrijving van Belgische studenten niet kan worden geweigerd (arrest Commissie/België, reeds aangehaald).
De derde grief
15 De derde grief die de Commissie handhaaft, betreft de bepalingen van de wet van 1985 die de mogelijkheid beperken om terugbetaling te verkrijgen van schoolgeld dat onverschuldigd is betaald.
16 De Commissie wijst er in de eerste plaats op, dat artikel 63 van de wet van 1985 bepaalt, dat het schoolgeld slechts kan worden terugbetaald aan een buitenlands student, wanneer hij vóór 13 februari 1985, datum van het arrest Gravier (zaak 293/83, Jurispr. 1985, blz. 593), een vordering heeft ingesteld; in dit arrest verklaarde het Hof, dat het heffen van een vergoeding, inschrijvingsgeld of schoolgeld van studenten die onderdaan zijn van een andere Lid-Staat, als voorwaarde voor toelating tot het beroepsonderwijs, terwijl een dergelijke last niet wordt opgelegd aan eigen onderdanen, een door artikel 7 EEG-Verdrag verboden discriminatie op grond van nationaliteit vormt. Wat nu het niet-universitair onderwijs betreft, heeft het Hof geweigerd de strekking ratione temporis van het arrest Gravier te beperken (arrest van 2 februari 1988, zaak 309/85, Barra, Jurispr. 1988, blz. 355). Wat het universitair onderwijs betreft, wijst de Commissie erop, dat het Hof een beperking heeft gesteld aan de gevolgen in de tijd van het arrest Blaizot, waarbij de uitspraak in de zaak Gravier werd uitgebreid tot het universitair onderwijs, met dien verstande evenwel dat deze beperking niet gold voor studenten die vóór die datum een beroep in rechte hadden ingesteld. De Commissie is dan ook van mening, dat artikel 63 de studenten het recht ontzegt op terugbetaling van vóór 2 februari 1988 onverschuldigd betaald schoolgeld, zelfs indien met betrekking tot dit schoolgeld tussen 13 februari 1985 en 2 februari 1988 beroep in rechte is ingesteld.
17 De Commissie voert in de tweede plaats aan, dat artikel 69 van de wet van 1985, bepalende dat artikel 16 van die wet op 1 oktober 1983 in werking treedt, de vrijstelling van het schoolgeld dat voor universitaire studies moet worden betaald door de in artikel 16, punt 1, bedoelde studenten, te weten onderdanen van Lid-Staten die op regelmatige wijze in België zijn gevestigd en er een beroepsactiviteit uitoefenen of hebben uitgeoefend, beperkt tot de periode na 1 oktober 1983, terwijl het Hof in zijn arrest van 13 juli 1983 (zaak 152/82, Forcheri, Jurispr. 1983, blz. 2323) heeft geoordeeld, dat de omstandigheid dat deze categorie studenten een inschrijvingsgeld moet betalen dat niet wordt gevorderd van Belgische onderdanen, in strijd is met artikel 7 EEG-Verdrag.
18 Vastgesteld moet worden, dat de artikelen 63 en 69 van de wet van 1985 een discriminatie op grond van nationaliteit vormen, nu zij beperkingen stellen aan de mogelijkheid voor studenten uit andere Lid-Staten om terugbetaling te verkrijgen van uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht onverschuldigd betaald schoolgeld (arresten Gravier, Barra, Blaizot, Forcheri, reeds aangehaald).
19 Vastgesteld moet dus worden, dat het Koninkrijk België, door in de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs, niet van het schoolgeld voor buitenlandse studenten vrij te stellen de onderdanen van de andere Lid-Staten die naar België zijn gekomen uitsluitend met het doel er onderwijs te volgen aan de Belgische universitaire instellingen, door de rectoren van de universitaire instellingen het recht toe te kennen de inschrijving van die studenten te weigeren, door de mogelijkheid om het uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht onverschuldigd betaalde schoolgeld te doen terugbetalen, ad hoc te beperken tot de gemeenschapsonderdanen die vóór 13 februari 1985 beroep in rechte hebben ingesteld, en door de afwijkingen ten gunste van de werknemers en hun echtgenoot, onderdanen van andere Lid-Staten, in werking te laten treden op 1 oktober 1983, overeenkomstig de artikelen 63 en 69 van voormelde wet, de krachtens de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door in de wet van 21 juni 1985 betreffende het onderwijs, niet van het schoolgeld voor buitenlandse studenten vrij te stellen de onderdanen van de andere Lid-Staten die naar België zijn gekomen uitsluitend met het doel er onderwijs te volgen aan de Belgische universitaire instellingen, door de rectoren van de universitaire instellingen het recht toe te kennen de inschrijving van die studenten te weigeren, door de mogelijkheid om het uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht onverschuldigd betaalde schoolgeld te doen terugbetalen, ad hoc te beperken tot de gemeenschapsonderdanen die vóór 13 februari 1985 beroep in rechte hebben ingesteld, en door de afwijkingen ten gunste van de werknemers en hun echtgenoot, onderdanen van andere Lid-Staten, in werking te laten treden op 1 oktober 1983, overeenkomstig de artikelen 63 en 69 van voormelde wet, is het Koninkrijk België de krachtens de artikelen 5 en 7 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy