Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-betwiste niet-nakoming
(EEG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-61/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier en door V. Melgar, bij de juridische dienst van de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door J. W. de Zwaan en T. Heukels, assistent-juridisch adviseurs bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade, Rue C. M. Spoo 5,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, door de besluiten van 16 januari 1989 inzake kilowattuurmeters, van 24 augustus 1988 inzake sterkte-eisen frisdrankflessen, en van 21 oktober 1988 inzake samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen te hebben vastgesteld zonder deze in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Diez de Velasco (rapporteur), C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 april 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 maart 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld tot vaststelling dat het Koninkrijk der Nederlanden, door de besluiten van 16 januari 1989 inzake kilowattuurmeters, van 24 augustus 1988 inzake sterkte-eisen frisdrankflessen, en van 21 oktober 1988 inzake samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen te hebben vastgesteld zonder deze in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 8 en 9 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB 1983, L 109, blz. 8; hierna: "richtlijn 83/189").
2 Artikel 8, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 83/189 luidt als volgt:
"De Lid-Staten delen de Commissie onmiddellijk ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede, tenzij het een volledige omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval met een eenvoudige vermelding van de betrokken internationale of Europese norm kan worden volstaan; zij doen de Commissie tevens in beknopte vorm mededeling van de redenen die de vaststelling van een dergelijk technisch voorschrift noodzakelijk maken, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp blijken."
3 Artikel 9, leden 1 en 2, luidt als volgt:
"1. Onverminderd lid 2, stellen de Lid-Staten de goedkeuring van een ontwerp van technisch voorschrift zes maanden uit, te rekenen vanaf de datum van de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling, indien de Commissie of een andere Lid-Staat binnen een termijn van drie maanden na die datum de uitvoerig gemotiveerde mening te kennen geeft, dat de beoogde maatregel moet worden gewijzigd teneinde eventuele belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die uit die maatregel kunnen voortvloeien op te heffen of te beperken.
2. De termijn bedoeld in lid 1 bedraagt twaalf maanden indien de Commissie binnen een termijn van drie maanden na de in artikel 8, lid 1, bedoelde mededeling haar voornemen te kennen geeft een richtlijn over dit ontwerp voor te stellen of vast te stellen."
4 Na te hebben vernomen, dat de Nederlandse autoriteiten bovengenoemde besluiten van 16 januari 1989, 24 augustus 1988 en 21 oktober 1988 hadden vastgesteld, besloot de Commissie tegen het Koninkrijk der Nederlanden de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden. Zij was namelijk van oordeel, dat deze besluiten technische voorschriften waren die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 83/189 vielen, en dat zij haar bijgevolg in het ontwerpstadium hadden moeten worden meegedeeld.
5 Bij brieven van respectievelijk 16 oktober 1989, 27 oktober 1989 en 9 februari 1990 verzocht de Commissie de Nederlandse regering, haar opmerkingen over deze besluiten kenbaar te maken. Volgens haar ging het hier om duidelijke gevallen van niet-nakoming van de uit de richtlijn voor de Lid-Staten voortvloeiende verplichtingen, op grond waarvan de betrokken maatregelen onverwijld moesten worden opgeschort. In deze brieven gaf de Commissie tevens te kennen, dat deze schendingen van richtlijn 83/189 ten gevolge hadden, dat de betrokken technische voorschriften niet aan derden konden worden tegengeworpen.
6 In een brief van 17 november 1989 erkenden de Nederlandse autoriteiten, dat het besluit van 16 januari 1989 technische voorschriften bevatte die binnen het toepassingsgebied van richtlijn 83/189 vielen, en dat zij hadden verzuimd dit besluit in het ontwerpstadium aan de Commissie mee te delen. Zij wezen er echter op, dat dit besluit de Commissie was toegezonden in bijlage bij een brief van 22 mei 1989, waarin zij over de privatisering van de dienst van het IJkwezen werd geïnformeerd.
7 Van oordeel dat nog steeds geen uitvoering was gegeven aan richtlijn 83/189, deed de Commissie de Nederlandse regering bij brief van 30 oktober 1991 voor het besluit van 16 januari 1989 en bij brieven van 2 april 1991 voor de twee andere besluiten, met redenen omklede adviezen toekomen, waarbij zij de regering verzocht haar deze besluiten in het ontwerpstadium mee te delen en de goedkeuring ervan op te schorten gedurende de in deze richtlijn genoemde termijnen. In deze adviezen wees de Commissie er tevens op, dat de betrokken technische voorschriften niet tegenover derden konden worden toegepast.
8 Bij brieven van 13 januari 1992 en 9 juli 1991 antwoordde de Nederlandse regering, dat van de betrokken technische voorschriften inderdaad mededeling aan de Commissie had moeten worden gedaan, en dat de nationale autoriteiten ernaar streefden, dergelijke verzuimen in de toekomst te voorkomen.
9 Bij verzoekschrift van 9 maart 1993 heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
10 Vaststaat, dat de besluiten van 16 januari 1989, 24 augustus 1988 en 21 oktober 1988 krachtens artikel 8 van de richtlijn in het ontwerpstadium onmiddellijk aan de Commissie hadden moeten worden meegedeeld, en dat een dergelijke mededeling niet heeft plaatsgevonden.
11 Bovendien heeft de Nederlandse regering de niet-nakoming reeds bij de aanvang van de administratieve fase van de onderhavige procedure erkend.
12 Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het Koninkrijk der Nederlanden, door het besluit van 16 januari 1989 inzake kilowattuurmeters, het besluit van 24 augustus 1988 inzake sterkte-eisen frisdrankflessen, en het besluit van 21 oktober 1988 inzake samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen te hebben vastgesteld zonder deze in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, de krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk der Nederlanden in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door het besluit van 16 januari 1989 inzake kilowattuurmeters, het besluit van 24 augustus 1988 inzake sterkte-eisen frisdrankflessen, en het besluit van 21 oktober 1988 inzake samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen te hebben vastgesteld zonder deze in het ontwerpstadium aan de Commissie te hebben meegedeeld, is het Koninkrijk der Nederlanden de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 8 van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften.
2) Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy