Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Gelijke behandeling ° Discriminatie op grond van nationaliteit ° Verbod ° Niet-toepasselijkheid in volledig binnen interne sfeer van Lid-Staat gelegen situatie ° Toepassing van in nationaal recht neergelegd discriminatieverbod ° Toelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 7)
Samenvatting
Het gemeenschapsrecht belet een nationale rechter niet te toetsen, of een nationale wettelijke bepaling die eigen werknemers die zich in een situatie bevinden die geen aanknopingspunten heeft met een van de in het gemeenschapsrecht geregelde situaties, ten opzichte van de onderdanen van andere Lid-Staten benadeelt, verenigbaar is met de grondwet van de betrokken Lid-Staat.
Partijen
In zaak C-132/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeitsgericht Elmshorn (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
V. Steen
en
Deutsche Bundespost,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het arrest van het Hof van 28 januari 1992 (zaak C-322/90, Steen, Jurispr. 1992, blz. I-341),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident (rapporteur), F. A. Schockweiler en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder en C.-D. Quassowski, Ministerialrat respectievelijk Regierungsdirektor bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigden;
° de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato;
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en H. Kreppel, een bij de juridische dienst van de Commissie gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden;
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 maart 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 16 maart 1993, ingekomen bij het Hof op 31 maart daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht Elmshorn krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het arrest van het Hof van 28 januari 1992 (zaak C-322/90, Steen, Jurispr. 1992, blz. I-341, hierna: "arrest Steen").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen V. Steen, Duits onderdaan, en de Deutsche Bundespost over een functie, omschreven als Dp A7 Pt/M ° "onderhoudswerkzaamheden voor het technisch middenkader, toezicht, magazijnbeheer".
3 In 1985 begon Steen als arbeidscontractant met een tweejarige praktijkopleiding voor deze functie en verklaarde hij zich overeenkomstig een besluit van de Bundesminister fuer das Post- und Fernmeldewesen van 14 mei 1985 ermee akkoord, dat hij aan het einde van deze opleiding en na voor het examen te zijn geslaagd, als ambtenaar werd aangesteld. Na het einde van de opleiding herriep Steen zijn verklaring en verzocht hij, de betrokken functie als arbeidscontractant te mogen uitoefenen. Ten tijde van de feiten ontving Steen in de functie Dp A7 Pt/M een salaris dat hoger was dan de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen, indien hij als ambtenaar zou zijn aangesteld.
4 Na afwijzing van zijn verzoek werd Steen overgeplaatst naar een functie met inschaling in een lagere loongroep. Daarop stelde hij tegen deze overplaatsing beroep in bij het Arbeitsgericht Elmshorn. Hij betoogde dat, aangezien enkel Duitse onderdanen als ambtenaar konden worden aangesteld, zij de enigen waren die een functie als de onderhavige niet voor onbepaalde tijd op arbeidscontract konden uitoefenen en daardoor tegenover onderdanen van andere Lid-Staten werden gediscrimineerd in de zin van de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag.
5 In het arrest Steen antwoordde het Hof het Arbeitsgericht Elsmhorn, dat in verband hiermee vragen over bovengenoemde verdragsbepalingen had gesteld, dat een onderdaan van een Lid-Staat, die nooit het recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap heeft uitgeoefend, zich met betrekking tot een zuiver interne situatie niet op de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag kan beroepen.
6 Het Arbeitsgericht, bij wie dit antwoord twijfel opriep, is in zijn beschikking van 16 maart 1993 van oordeel, dat ter zake van de voorwaarden voor met name de toegang tot en de bezoldiging van de betrokken functie Duitse onderdanen worden gediscrimineerd ten opzichte van de onderdanen van de andere Lid-Staten.
7 Van oordeel dat deze situatie in strijd is met artikel 3, lid 1, van het Grundgesetz van de Bondsrepubliek Duitsland, bepalende: "Allen zijn gelijk voor de wet", heeft het Arbeitsgericht Elmshorn opnieuw de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag ter prejudiciële beslissing voorgelegd:
"Moet het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1992 in zaak C-332/90 aldus worden uitgelegd, dat de nationale rechter in geval van een zuiver interne situatie het gemeenschapsrecht niet mag toepassen, of blijft hij, wanneer het Hof van Justitie van de EG niet bevoegd is, als door de wet aangewezen rechter in de zin van artikel 101, lid 1, tweede volzin, Grundgesetz van de Bondsrepubliek Duitsland in zoverre bevoegd om in het kader van een gestelde inbreuk op artikel 3, lid 1, Grundgesetz de prealabele vraag te onderzoeken, of er sprake is van omgekeerde discriminatie op grond dat het gemeenschapsrecht uiteindelijk tot gevolg heeft, dat Duitse onderdanen worden benadeeld ten opzichte van onderdanen van andere Lid-Staten?"
8 Met deze vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of hij, ondanks het feit dat het gemeenschapsrecht volgens het arrest Steen op het onderhavige geval niet van toepassing is, de door Steen gestelde discriminatie aan het nationale recht kan toetsen en de daaruit voortvloeiende consequenties kan trekken.
9 Dienaangaande volstaat het vast te stellen, dat het arrest Steen geen ander gevolg kan hebben dan uit te sluiten, dat in geval van een zuiver interne situatie een beroep kan worden gedaan op het gemeenschapsrecht.
10 Het staat daarentegen aan de nationale rechter, bij wie een vraag van nationaal recht wordt opgeworpen, te beoordelen of er in het kader van dit recht sprake is van discriminatie, en of en hoe zij moet worden opgeheven.
11 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht een nationale rechter niet belet te toetsen, of een nationale wettelijke bepaling die eigen werknemers die zich in een situatie bevinden die geen aanknopingspunten heeft met een van de in het gemeenschapsrecht geregelde situaties, ten opzichte van de onderdanen van andere Lid-Staten benadeelt, verenigbaar is met de grondwet van de betrokken Lid-Staat.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 De kosten door de Duitse en de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht Elmshorn bij beschikking van 16 maart 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht belet een nationale rechter niet te toetsen, of een nationale wettelijke bepaling die eigen werknemers die zich in een situatie bevinden die geen aanknopingspunten heeft met een van de in het gemeenschapsrecht geregelde situaties, ten opzichte van de onderdanen van andere Lid-Staten benadeelt, verenigbaar is met de grondwet van de betrokken Lid-Staat.
Full & Egal Universal Law Academy