Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen ° Ontvankelijkheid ° Summiere verwijzingsbeschikking die twijfels van verwijzende rechter inzake geldigheid van verordening tot uiting doet komen ° Juridische en feitelijke context wegens eerdere prejudiciële verwijzing reeds bekend ° Vraag die voor beantwoording in aanmerking komt
(EEG-Verdrag, art. 177)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Doelstellingen ° Afweging ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Stabilisatie van markt voor ruwe tabak ° Stelsel van gegarandeerde maximumhoeveelheden ° Wettigheid
(EEG-Verdrag, art. 39; verordening nr. 1114/88 van de Raad)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Ruwe tabak ° Stelsel van gegarandeerde maximumhoeveelheden ° Toetsing aan evenredigheidsbeginsel ° Rechterlijke toetsing beperkt door discretionaire bevoegdheid van gemeenschapswetgever op gebied van gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Achteraf vastgestelde relatieve ondoeltreffendheid van maatregelen niet ter zake dienend ° Wettigheid bij gebreke van kennelijke fout bij toetsing aan nagestreefd doel
(EEG-Verdrag, art. 39, lid 2, sub b, en 40-43; verordening nr. 1114/88 van de Raad)
4. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Discriminatie tussen producenten of verbruikers ° Stelsel van gegarandeerde maximumhoeveelheden voor gehele gemeenschapsmarkt in sector ruwe tabak ° Beperking van produktiesteun bij overschrijding ° Toepassing van beperking op alle producenten, ongeacht hun bijdrage aan overschrijding ° Geen discriminatie
(EEG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr. 1114/88 van de Raad)
5. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Bescherming van gewettigd vertrouwen ° Grenzen ° Wijziging van regeling inzake gemeenschappelijke ordening der markten ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen
6. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Ruwe tabak ° Stelsel van gegarandeerde maximumhoeveelheden ° Vaststelling voor bepaalde oogst ° Tijdig vastgesteld, gelet op teeltkalender ° Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen ° Schending ° Afwezigheid
(Verordeningen nrs. 1331/90 en 1738/91 van de Raad)
Samenvatting
1. Wanneer de verwijzingsbeschikking duidelijk de twijfels van de verwijzende rechter inzake de geldigheid van een verordening tot uiting doet komen, en moet worden beschouwd tegen de achtergrond van een juridische en feitelijke context die wegens een eerdere prejudiciële verwijzing van dezelfde rechter met betrekking tot dezelfde producent in ruime mate bekend was, kan het summiere karakter ervan niet worden geacht de betrokkenen, en meer in het bijzonder de instelling die de verordening heeft vastgesteld, de gelegenheid te hebben ontnomen voor de beantwoording van de prejudiciële vraag relevante opmerkingen in te dienen. Hieruit volgt, dat een niet-ontvankelijkverklaring onverenigbaar zou zijn met de geest van samenwerking die inzake prejudiciële verwijzingen dient te heersen.
2. Bij het toewerken naar de in artikel 39 EEG-Verdrag opgesomde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moeten de gemeenschapsinstellingen er voortdurend voor zorgen, mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen en, in voorkomend geval, aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang verlenen overeenkomstig de eisen van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen. Deze afweging laat evenwel niet toe, dat één dezer doelstellingen afzonderlijk wordt nagestreefd, waardoor andere niet meer kunnen worden verwezenlijkt.
Zo gezien, kan verordening nr. 1114/88 tot wijziging van verordening nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak, niet worden geacht onverenigbaar te zijn met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Waar deze verordening namelijk een stelsel van gegarandeerde maximumhoeveelheden invoert, bedoeld om de markt voor ruwe tabak, die gekenmerkt wordt door overproduktie, te stabiliseren, wordt een van deze doelstellingen nagestreefd; zou integendeel de voorkeur zijn gegeven aan een andere doelstelling, namelijk de producenten en verwerkers van ruwe tabak een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door hun hoofdelijk inkomen te verhogen, dan zou dit in een sector die wordt gekenmerkt door overproduktie, waarschijnlijk tot de onmogelijkheid hebben geleid om de noodzakelijke stabilisatie van de markten te verwezenlijken.
3. Bij de rechterlijke toetsing van de eerbiediging door de gemeenschapswetgever van het evenredigheidsbeginsel op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moet rekening worden gehouden met de discretionaire bevoegdheid waarover hij op dit gebied, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 EEG-Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid, beschikt. Aan de wettigheid van een maatregel kan dus slechts afbreuk worden gedaan, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel. Bovendien kan de wettigheid van een gemeenschapshandeling niet afhangen van overwegingen die men achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid ervan kan doen gelden. Wanneer de gemeenschapswetgever met het oog op de vaststelling van een regeling de toekomstige gevolgen ervan dient te beoordelen en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, kan zijn beoordeling slechts worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de regeling beschikte, kennelijk onjuist is.
Van een dergelijke kennelijke beoordelingsfout kan geen sprake zijn voor zover de Raad voor de sector ruwe tabak bij verordening nr. 1114/88 een regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden heeft ingevoerd, bij overschrijding waarvan de interventieprijs voor alle producenten met ten hoogste een bepaald maximumpercentage wordt verlaagd, hoewel deze regeling onvoldoende doeltreffend is gebleken en later is vervangen door een stelsel van individuele quota, waarbij de producent die zijn quotum overschrijdt, voor het gedeelte van zijn produktie waarmee hij dit quotum heeft overschreden geen enkele steun meer ontvangt. Waar de Raad aanvankelijk heeft geopteerd voor een maatregel die niet kennelijk ongeschikt was ter bereiking van het nagestreefde doel en die geen te grote dwang meebracht, heeft hij niet alleen het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd, doch bovendien gehandeld in overeenstemming met de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen, zoals artikel 39, lid 2, sub b, EEG-Verdrag verlangt.
4. Het discriminatieverbod verzet zich niet tegen een gemeenschapsregeling zoals die welke bij verordening nr. 1114/88 voor de sector ruwe tabak is ingevoerd, die een systeem van garantiedrempels omvat voor de gehele gemeenschapsmarkt, welke regeling een verlaging teweegbrengt van de produktiesteun die de betrokken ondernemers in alle Lid-Staten ontvangen, ook al is de overschrijding van deze drempels niet terug te voeren op een stijging van de produktie in al deze landen. In het kader van een gemeenschappelijke ordening der markten die geen stelsel van nationale quota kent, moeten namelijk alle producenten van de Gemeenschap, ongeacht de Lid-Staat waarin zij zijn gevestigd, op gelijke en solidaire wijze de consequenties aanvaarden van de besluiten die de gemeenschapsinstellingen binnen het kader van hun bevoegdheden moeten nemen als reactie op het risico van een mogelijke verstoring van het evenwicht op de markt tussen de produktie en de afzetmogelijkheden.
5. Ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, toch mogen de marktdeelnemers niet vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd, met name op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie. Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet kunnen beroepen op een verkregen recht om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden. Een eventuele inkomensverlaging kan dus geen schending vormen van het vertrouwensbeginsel.
6. Dat in het kader van het stelsel van gegarandeerde maximumhoeveelheden voor de sector ruwe tabak, de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de soort Burley I is vastgesteld bij verordening nr. 1738/91, die is gepubliceerd toen de producenten hun produktiebeslissingen reeds hadden vastgesteld, vormt geen schending van het vertrouwensbeginsel, nu bij deze verordening voor de betrokken soort de gegarandeerde maximumhoeveelheid niet is gewijzigd die voordien en tijdig, gelet op de teeltkalender, voor het betrokken jaar was vastgesteld bij verordening nr. 1331/90.
Partijen
In de gevoegde zaken C-133/93, C-300/93 en C-362/93,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Pretura circondariale di Perugia (Italië) in zaak C-133/93, en de Pretura circondariale di Caserta (Italië) in zaken C-300/93 en C-362/93, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
A. Crispoltoni
en
Fattoria Autonoma Tabacchi,
en tussen
G. Natale
en
Donatab Srl,
en tussen
A. Pontillo
en
Donatab Srl,
om een prejudiciële beslissing, in zaak C-133/93, over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1988, L 110, blz. 35) en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, en in de zaken C-300/93 en C-362/93, over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, produktiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90 (PB 1991, L 163, blz. 13), en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
in zaak C-133/93
° A. Crispoltoni, vertegenwoordigd door E. Cappelli, P. De Caterini, advocaten te Rome, en F. Nisi, advocaat te Perugia,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door Prof. L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de Juridische dienst van de staat, en F. Dedoussi, juridisch medewerkster van deze dienst, als gemachtigden,
° de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseurs B. Schloh en T. Gallas, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde, bijgestaan door A. Carnelutti, advocaat te Parijs,
in zaak C-300/93:
° G. Natale, vertegenwoordigd door E. Cappelli en P. De Caterini,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos en C. Sitara, juridisch medewerkster van de Juridische dienst van de Staat, als gemachtigden,
° de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Schloh en T. Gallas als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde,
in zaak C-362/93:
° A. Pontillo, vertegenwoordigd door E. Cappelli en P. De Caterini,
° de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door B. Schloh en T. Gallas als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van A. Crispoltoni, G. Natale en A. Pontillo, vertegenwoordigd door E. Cappelli, advocaat, de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos als gemachtigde, de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door O. Fiumara, avvocato dello Stato, de Raad, vertegenwoordigd door B. Schloh en T. Gallas als gemachtigden, de Commissie, vertegenwoordigd door E. de March als gemachtigde, bijgestaan door A. Carnelutti, ter terechtzitting van 24 maart 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 mei 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 18 maart 1993, ingekomen bij het Hof op 31 maart daaraanvolgend (zaak C-133/93), heeft de Pretura circondariale di Perugia (Italië) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1988, L 110, blz. 35), en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.
2 Bij beschikkingen van 28 april 1993 en 14 mei 1993, bij het Hof ingekomen op respectievelijk 28 mei 1993 (zaak C-300/93) en 22 juli 1993 (zaak C-362/93), heeft de Pretura circondariale di Caserta (Italië) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, produktiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90 (PB 1991, L 163, blz. 13), en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.
3 In de hoofdgedingen is de terugbetaling aan de orde ° naar aanleiding van de vaststelling door de Commissie dat voor de oogst van 1991 de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor tabaksbladeren van de soort Bright (zaak C-133/93) en van de soort Burley I (zaken C-300/93 en C-362/93) was overschreden ° van een deel van de premie die aan verzoekers in de hoofdgedingen vooraf was betaald overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening (EEG) nr. 727/70 van de Raad van 21 april 1970 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1970, L 94, blz. 1).
4 Verordening nr. 727/70 voorzag in een steunregeling waarbij de Raad voor tabaksbladeren uit de Gemeenschap jaarlijks streefprijzen en interventieprijzen vaststelde voor de oogst van het volgende kalenderjaar. De tabakstelers konden hun produktie verkopen aan de interventiebureaus die verplicht waren ze tegen de interventieprijs te kopen, dan wel ze op de markt verkopen.
5 Ter bevordering van de aankopen bij de tabakstelers tegen een produktieprijs die zo dicht mogelijk bij de streefprijs lag, bepaalde artikel 3, lid 1, van deze verordening, dat onder bepaalde voorwaarden een premie zou worden toegekend aan kopers die de tabaksbladeren rechtstreeks van producenten van de Gemeenschap kochten en het aldus gekochte produkt de eerste bewerking deden ondergaan en verpakten. Ingevolge artikel 3, lid 2, werd deze premie eveneens toegekend aan de producenten die hun eigen produktie de eerste bewerking deden ondergaan en verpakten.
6 Om de toeneming van de tabaksproduktie in de Gemeenschap binnen de perken te houden en terzelfder tijd de produktie van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan tegen te gaan, is bij verordening nr. 1114/88 (reeds aangehaald) aan artikel 4 van verordening nr. 727/70 een vijfde lid toegevoegd:
"5. Elk jaar stelt de Raad volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap worden geteeld en waarvoor de prijzen en premies worden vastgesteld een gegarandeerde maximumhoeveelheid vast aan de hand van met name de eisen van de markt en de sociaal-economische en landbouwkundige omstandigheden van de betrokken gebieden. De totale maximumhoeveelheid voor de Gemeenschap wordt voor de oogst van 1988, 1989 en 1990 op telkens 385 000 ton tabaksbladeren vastgesteld.
Onverminderd de artikelen 12 bis en 13 wordt per procent waarmede de produktie van een soort of van een groep soorten de gegarandeerde maximumhoeveelheid overschrijdt, op de interventieprijs en de premie voor de betrokken soort of groep soorten een verlaging met 1 % toegepast. Een correctie die overeenkomt met de verlaging van de premie wordt toegepast op de streefprijs van de betrokken oogst.
De in de tweede alinea bedoelde verlaging bedraagt maximaal 5 % voor de oogst van 1988 en maximaal 15 % voor die van 1989 en 1990.
(...)."
7 De eerste alinea van bedoeld lid 5, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1329/90 van de Raad van 14 mei 1990 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1990, L 132, blz. 25), luidt:
"Elk jaar stelt de Raad voor de oogst van het volgende jaar volgens de procedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap wordt geteeld en waarvoor de prijzen en premies worden vastgesteld, een gegarandeerde maximumhoeveelheid vast aan de hand van met name de marktverhoudingen, de sociaal-economische situatie en de situatie in de landbouw in de betrokken gebieden. De Raad stelt deze gegarandeerde hoeveelheden voor de oogst van 1990 gelijktijdig met die voor de oogst van 1989 vast. De totale gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de Gemeenschap wordt voor de oogst van 1988 tot en met de oogst van 1993 op telkens 385 000 ton tabaksbladeren vastgesteld."
8 Bij verordening (EEG) nr. 2075/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1992, L 215, blz. 70), is de tot dan voor de betrokken markt geldende gemeenschapsregeling grondig gewijzigd, en bij artikel 9 daarvan is de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden vervangen door een regeling inzake bewerkingsquota, die de Lid-Staten bij wijze van overgangsregeling voor de oogsten 1993 en 1994 moeten toewijzen aan de bedrijven voor eerste bewerking, of, indien zij over de nodige gegevens beschikken, rechtstreeks aan de producenten.
Zaak C-133/93
9 A. Crispoltoni, tabaksteler te Lerchi (provincie Perugia), had een bepaalde hoeveelheid tabaksbladeren van de soort Bright van de oogst 1991 geleverd aan Fattoria Autonoma Tabacchi di Città di Castello (een producentenorganisatie waarbij hij aangesloten is, en die de eerste bewerking verricht en de tabaksbladeren verpakt, hierna: "Fattoria").
10 Naderhand vorderde Fattoria de terugbetaling van een bedrag overeenkomend met een verlaging van 15 % van de krachtens artikel 3 van verordening nr. 727/70 aan Crispoltoni betaalde premies, nadat de Commissie bij verordening (EEG) nr. 2178/92 van 30 juli 1992 tot bepaling van de werkelijke produktie voor tabakssoorten van de oogst 1991 en tot vaststelling van de geldende prijzen en premies in het kader van de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden (PB 1992, L 217, blz. 75) had vastgesteld dat voor de oogst 1991 de voor de betrokken soort vastgestelde gegarandeerde maximumhoeveelheid was overschreden.
11 Voor de Pretura circondariale di Perugia voert Crispoltoni aan, dat deze aanspraken ongegrond zijn wegens de ongeldigheid van verordening nr. 1114/88.
12 De verwijzende rechter zet uiteen, dat de regeling inzake de gegarandeerde maximumhoeveelheden ertoe strekt de tabaksproduktie te verminderen en aldus de financiële gevolgen van de interventiemaatregelen te beperken, wat in de onderhavige context evenwel de aantasting tot gevolg heeft van een situatie die in het kader van het gemeenschapsrecht voor rechtsbescherming in aanmerking komt, namelijk die van de marktdeelnemers die geen schuld treft voor de overproduktie van tabak. Wil men uitsluitend de handelaars treffen die de overproduktie hebben veroorzaakt, dan moeten individuele quota worden vastgesteld.
13 De Raad zou dus buiten de grenzen van zijn bevoegdheid zijn getreden, respectievelijk misbruik van zijn bevoegdheid hebben gemaakt, voor zover de regeling inzake de gegarandeerde maximumhoeveelheden niet geschikt is ter verwezenlijking van het beoogde doel.
14 In die omstandigheden heeft de Pretura circondariale di Perugia besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de geldigheid van verordening nr. 1114/88 en van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.
De ontvankelijkheid
15 Volgens de Commissie is in de verwijzingsbeschikking niet eens gepreciseerd over welk oogstjaar of over welke tabakssoort het in het hoofdgeding gaat, en evenmin of het geding al dan niet betrekking heeft op de toekenning van de premie.
16 De Raad stelt zich op het standpunt, dat in deze omstandigheden over de prejudiciële vraag geen uitspraak behoeft te worden gedaan, nu de verwijzende rechter volledig heeft nagelaten informatie mee te delen over de feitelijke context waarin de prejudiciële vraag is te zien, wat in strijd is met zijn plicht tot medewerking met het Hof, die ten grondslag ligt van de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag.
17 Deze argumenten kunnen niet slagen.
18 In dit verband kan worden volstaan met erop te wijzen, dat de verwijzingsbeschikking duidelijk de twijfels van de verwijzende rechter inzake de geldigheid van verordening nr. 1114/88 tot uiting doet komen, en moet worden beschouwd tegen de achtergrond van een juridische en feitelijke context die wegens een eerdere prejudiciële verwijzing (arrest van 11 juli 1991, zaak C-368/89, Crispoltoni, Jurispr. 1991, blz. I-3695) van dezelfde rechter met betrekking tot dezelfde producent, in ruime mate bekend was.
19 Hoe summier de verwijzingsbeschikking ook is, toch kan zij in deze omstandigheden niet worden geacht de betrokkenen, en meer in het bijzonder de Raad, de gelegenheid te hebben ontnomen voor de beantwoording van de prejudiciële vraag relevante opmerkingen in te dienen.
20 Uit een en ander volgt, dat een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek geenszins gerechtvaardigd is, en onverenigbaar zou zijn met de geest van samenwerking die inzake prejudiciële verwijzingen dient te heersen.
Ten gronde
21 Crispoltoni stelt, dat verordening nr. 1114/88 (hierna: "de verordening") ongeldig is wegens misbruik van bevoegdheid. De Griekse regering deelt deze zienswijze, en is overigens van mening dat de verordening in strijd is met het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. De Italiaanse regering ten slotte stelt zich op het standpunt dat de verordening in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
22 De Raad en de Commissie betwisten de gegrondheid van deze standpunten.
A ° Misbruik van bevoegdheid
23 Crispoltoni stelt vooraf, dat er in wezen twee vormen van misbruik van bevoegdheid zijn, en dat in het eerste geval een ander doel wordt nagestreefd dan het doel dat degene die de bestreden maatregel heeft vastgesteld volgens recht had moeten nastreven, terwijl in het tweede geval, dat zich thans voordoet, de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het nagestreefde doel.
24 Zijn bezwaren zijn niet gericht tegen het doel dat erin bestaat de tabaksproduktie te beperken, en evenmin tegen de regeling die voorziet in een premieverlaging in geval van overschrijding van de gewaarborgde maximumhoeveelheden, doch wel tegen de onvolledigheid van de regeling, die niet voorziet in de vaststelling van individuele produktiequota. De overschrijding van de gegarandeerde maximumhoeveelheden brengt namelijk een sanctie mee ° in de vorm van een verlaging van de prijzen en van de premies ° die alle producenten treft, ook die welke hun produktie niet hebben verhoogd, op een tijdstip dat de produktiebeslissingen reeds vaststaan.
25 Crispoltoni voegt hieraan toe, dat de recente hervorming, bij voormelde verordening nr. 2075/92, van de regeling inzake de tabakssector wel in een dergelijk stelsel van individuele quota voorziet.
26 Ook de Griekse regering is van mening dat de onregelmatigheden waardoor de bestreden regeling is aangetast, als misbruik van bevoegdheid zijn aan te merken. Het streven om de doelstellingen van de verordening te verwezenlijken, namelijk de toeneming van de tabaksproduktie binnen de perken houden en de produktie aanmoedigen van soorten waarvoor geen afzetmoeilijkheden bestaan, mag, anders dan in casu het geval is, niet in strijd zijn met het in artikel 39, lid 1, sub b, EEG-Verdrag geformuleerd wezenlijk oogmerk van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door de verhoging van het hoofdelijk inkomen van hen die in de landbouw werkzaam zijn, en met het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod.
27 Volgens de rechtspraak van het Hof kan ter zake van een handeling slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid, wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat zij uitsluitend althans hoofdzakelijk is vastgesteld ter bereiking van andere doeleinden dan gesteld, dan wel ter omzeiling van een speciale procedure waarin het Verdrag heeft voorzien om aan de betrokken omstandigheden het hoofd te bieden (arrest van 13 november 1990, zaak C-331/88, Fedesa e.a., Jurispr. 1990, blz. I-4023, r.o. 24).
28 Volgens de eerste overweging van de considerans van de verordening strekt de regeling inzake de gegarandeerde maximumhoeveelheden ertoe, de toeneming van de tabaksproduktie in de Gemeenschap binnen de perken te houden en terzelfder tijd de produktie van soorten waarvoor afzetmoeilijkheden bestaan tegen te gaan. In de tweede overweging wordt hieraan toegevoegd, dat de richtlijn ertoe strekt de omschakeling aan te moedigen op de kwaliteiten die het best in de markt liggen en rekening te houden met de specifieke sociaal-economische en regionale kenmerken van de tabaksproduktie.
29 Niet is gesteld, dat de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden andere doelstellingen op het oog had dan die welke de Raad eraan heeft gegeven en die in de considerans van de verordening zijn vermeld.
30 Wat nu de zienswijze van de Griekse regering betreft, dat de verordening onverenigbaar is met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zoals uiteengezet in artikel 39 EEG-Verdrag, moet worden vastgesteld dat deze ongegrond is.
31 De gemeenschapsinstellingen beschikken op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid namelijk over een ruime discretionaire bevoegdheid, in overeenstemming met de verantwoordelijkheid die hun bij het Verdrag is opgelegd (arrest van 14 februari 1990, zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395, r.o. 32).
32 Bij het toewerken naar de in artikel 39 EEG-Verdrag opgesomde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moeten de instellingen er voortdurend voor zorgen mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen en, in voorkomend geval, aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang verlenen overeenkomstig de eisen van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen (arrest van 24 oktober 1973, zaak 5/73, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1973, blz. 1091, r.o. 24). Deze afweging laat evenwel niet toe dat één dezer doelstellingen afzonderlijk wordt nagestreefd waardoor andere niet meer kunnen worden verwezenlijkt (arrest van 17 december 1981, gevoegde zaken 197/80, 198/80, 199/80, 200/80, 243/80, 245/80 en 247/80, Ludwigshafener Walzmuehle e.a., Jurispr. 1981, blz. 3211, r.o. 41).
33 Zoals evenwel blijkt uit de eerste overweging van de considerans van de verordening, was de regeling inzake de gegarandeerde maximumhoeveelheden, overeenkomstig een van de in artikel 39 EEG-Verdrag geformuleerde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, bedoeld om de markt voor ruwe tabak te stabiliseren door de overproduktie tegen te gaan.
34 Daarbij komt nog dat, ware het uitsluitend de bedoeling geweest de producenten en verwerkers van ruwe tabak een redelijke levensstandaard te verzekeren, met name door hun hoofdelijk inkomen te verhogen, dit in een sector die wordt gekenmerkt door een overproduktie zeer waarschijnlijk tot de onmogelijkheid zou hebben geleid om voormelde doelstelling, namelijk het stabiliseren van de markten, te verwezenlijken.
35 Wat nu de redenering van Crispoltoni betreft, deze is hierop gebaseerd, dat de kennelijke ongeschiktheid van een maatregel om het nagestreefde doel te bereiken, een misbruik van bevoegdheid kan opleveren; op dit punt wordt hierna ingegaan.
36 Uit een en ander volgt, dat het gestelde misbruik van bevoegdheid niet bewezen is.
B ° Schending van het evenredigheidsbeginsel
37 Crispoltoni en de Italiaanse regering zijn van mening, dat de regeling inzake gegarandeerde maximumhoeveelheden niet geschikt was ter bereiking van het nagestreefde doel, wat volgens hen trouwens bevestigd wordt door de bij voormelde verordening nr. 2075/92 uitgevoerde hervorming.
38 Volgens hen heeft de bij de verordening ingestelde regeling in feite voor geen enkele oogst de naleving van de gegarandeerde maximumhoeveelheden verzekerd, en is in de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 2075/92 uitdrukkelijk gesteld dat, "om de inachtneming van de garantiedrempels te garanderen", een regeling met individuele quota moet worden ingesteld.
39 Volgens de Italiaanse regering heeft de gemeenschapsregeling een niet-gedifferentieerde forfaitaire verlaging van de premie voor alle begunstigden teweeggebracht, ongeacht hun ° eventueel onberispelijke ° handelwijze, en dus ook voor producenten die hun produktie ten opzichte van die van de vorige jaren niet hebben verhoogd. Een dergelijke regeling, die meebracht dat de producenten en verwerkers een deel van hun verantwoordelijkheid verloren, zou in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel.
40 Om de gegrondheid van deze argumenten te kunnen beoordelen, moeten bepaalde, in de rechtspraak ontwikkelde beginselen in herinnering worden gebracht.
41 Volgens het evenredigheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, mogen handelingen van gemeenschapsinstellingen niet buiten de grenzen treden van wat geschikt en noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd, met dien verstande dat, wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich brengt en dat de veroorzaakte nadelen niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel (arrest Fedesa e.a., reeds aangehaald, r.o. 13).
42 Wat de rechterlijke toetsing van voormelde voorwaarden betreft, beschikt de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een discretionaire bevoegdheid, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 EEG-Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid. Derhalve kan aan de wettigheid van een op dit gebied vastgestelde maatregel slechts afbreuk worden gedaan, wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel (zelfde arrest, r.o. 14).
43 De wettigheid van een gemeenschapshandeling kan niet afhangen van overwegingen die men achteraf met betrekking tot de doeltreffendheid van zodanige handeling kan doen gelden (arrest van 7 februari 1973, zaak 40/72, Schroeder, Jurispr. 1973, blz. 125, r.o. 14). Wanneer de gemeenschapswetgever met het oog op de vaststelling van een regeling de toekomstige gevolgen ervan dient te beoordelen en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, kan zijn beoordeling slechts worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de regeling beschikte, kennelijk onjuist is (arrest van 21 februari 1990, gevoegde zaken C-267/88 tot C-285/88, Wuidart e.a., Jurispr. 1990, blz. I-435, r.o. 14).
44 In casu volgt uit een vergelijking van de gegarandeerde maximumhoeveelheden die voor elke tabakssoort voor de oogsten in 1989, 1990 en 1991 zijn vastgesteld, met de werkelijk geproduceerde hoeveelheden van deze soorten, dat de gegarandeerde maximumhoeveelheden voor de meeste soorten niet zijn overschreden, zodat in ieder geval niet kan worden gesteld, dat de bestreden regeling kennelijk ongeschikt was ter bereiking van het gestelde doel.
45 Ten slotte, en zoals de advocaat-generaal in de punten 49 tot 52 van zijn conclusie heeft aangetoond, wijst niets erop, dat de gemeenschapswetgever ten tijde van de vaststelling van de regeling de gevolgen ervan kennelijk onjuist heeft ingeschat.
46 Zoals de Commissie heeft opgemerkt, kon de Raad ten tijde van de vaststelling van de verordening namelijk, zonder een kennelijke beoordelingsfout te begaan, menen dat de regeling inzake de gegarandeerde maximumhoeveelheden voor de tabaksproducenten minder dwang zou meebrengen dan een stelsel van individuele quota, nu in het eerste geval de produktie van de betrokkenen niet beperkt was, en zij hun produkten steeds aan de interventiebureau' s konden verkopen, zij het tegen een met maximaal 15 % verlaagde prijs of premie, terwijl in het andere geval de producenten geen enkele steun zouden hebben ontvangen voor het gedeelte van de produktie dat hun individuele quota overschrijdt. Het enkele feit, dat de regeling onvoldoende doeltreffend is gebleken, volstaat niet om de onregelmatigheid van de betrokken verordening vast te stellen.
47 De conclusie dient dus te luiden dat, zoals de Commissie heeft gesteld, de Raad in de onderhavige zaak niet alleen het evenredigheidsbeginsel heeft geëerbiedigd, nu hij niet heeft geopteerd voor een ter bereiking van het nagestreefde doel kennelijk ongeschikte maatregel, doch bovendien heeft gehandeld in overeenstemming met de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen, zoals artikel 39, lid 2, sub b, EEG-Verdrag verlangt.
48 De gestelde schending van het evenredigheidsbeginsel is dus niet bewezen.
C ° Discriminatie
49 De Griekse regering stelt zich op het standpunt, dat de litigieuze regeling in strijd is met het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet, nu zij tot gevolg heeft gehad dat alle producenten en bewerkingsbedrijven zonder onderscheid door de verlaging van prijzen en premies werden geraakt, dus ook die welke het volume van hun produktie of hun transacties niet hadden opgedreven. Alleen een stelsel van individuele quota had zulke onbillijke gevolgen kunnen voorkomen.
50 Volgens de rechtspraak van het Hof is het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, enkel een bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat een der grondbeginselen van het gemeenschapsrecht is (arrest Wuidart e.a., reeds aangehaald, r.o. 13).
51 Van discriminatie is niet alleen sprake wanneer vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld, doch ook wanneer verschillende situaties gelijk worden behandeld, behoudens wanneer een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (arrest van 13 december 1984, zaak 106/83, Sermide, Jurispr. 1984, blz. 4209, r.o. 28).
52 Het Hof nu heeft reeds verklaard, dat het discriminatieverbod zich niet verzet tegen een gemeenschapsregeling die een systeem van garantiedrempels heeft ingevoerd voor de gehele gemeenschapsmarkt, welke regeling een verlaging heeft teweeggebracht van de produktiesteun die de betrokken ondernemers in alle Lid-Staten ontvangen, ook al was de overschrijding van deze drempels niet terug te voeren op een stijging van de produktie in al deze landen. Het Hof heeft verklaard, dat in het kader van een gemeenschappelijke ordening der markten die geen stelsel van nationale quota kent, alle producenten van de Gemeenschap, ongeacht de Lid-Staat waarin zij zijn gevestigd, op gelijke en solidaire wijze de consequenties moeten aanvaarden van de besluiten die de gemeenschapsinstellingen binnen het kader van hun bevoegdheden moeten nemen als reactie op het risico van een mogelijke verstoring van het evenwicht op de markt tussen de produktie en de afzetmogelijkheden (arrest van 24 januari 1991, zaak C-27/90, SITPA, Jurispr. 1991, blz. I-133, r.o. 20).
53 Dezelfde redenering geldt voor de regeling die thans aan de orde is.
54 Ook de gestelde schending van artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag is dus niet aangetoond.
D ° Schending van het vertrouwensbeginsel
55 Volgens de Griekse regering is de litigieuze regeling eveneens in strijd met het vertrouwensbeginsel.
56 In de eerste plaats mag de nieuwe regeling niet tot doel of tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan het fundamentele oogmerk van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, dat erin bestaat de producenten een billijk inkomen te verzekeren.
57 Er zij aan herinnerd dat, ook al is het vertrouwensbeginsel een van de fundamentele beginselen van de Gemeenschap, de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (arrest Delacre, reeds aangehaald, r.o. 33).
58 Hieruit volgt, dat de marktdeelnemers zich niet kunnen beroepen op een verkregen recht om een uit een gemeenschappelijke marktordening voortvloeiend voordeel, dat hun op een bepaald ogenblik is toegekend, te behouden (zelfde arrest, r.o. 34).
59 Een eventuele inkomensverlaging kan dus geen schending vormen van het vertrouwensbeginsel.
60 Voorts is de Griekse regering van mening, dat dit beginsel is geschonden doordat geen individuele quota zijn vastgesteld zodat het voor de producenten onmogelijk zou zijn geweest hun produktie te plannen.
61 De bestreden regeling houdt evenwel in, dat voor een bepaalde soort gegarandeerde maximumhoeveelheden worden vastgesteld waarvan de producenten vooraf op de hoogte zijn, dat steun voor hun gehele produktie verzekerd is, en dat inzake de beperking van de prijzen en premies een maximum is vastgesteld, zodat zij voldoet aan de eisen die voortvloeien uit het beginsel van het gewettigd vertrouwen.
62 De gestelde schending van het vertrouwensbeginsel is dus niet bewezen.
63 Op deze gronden dient aan de verwijzende rechter te worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden welke de rechtsgeldigheid van verordening nr. 1114/88, en dus van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, aantasten.
Zaken C-300/93 en C-362/93
64 G. Natale (C-300/93) en A. Pontillo (C-362/93) hebben elk een landbouwbedrijf in de provincie Caserta. Zij hebben hun tabaksoogst 1991 van de soort Burley I verkocht aan het tabaksverwerkend bedrijf Donatab Srl te Caserta (hierna: "Donatab"), dat van de Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo ° Settore tabacco ° (interventiebureau in de betrokken sector, hierna: "AIMA") de betaling tegen zekerheidstelling heeft gevraagd en verkregen van de in artikel 3 van verordening nr. 727/70 bedoelde premie.
65 Toen bij verordening nr. 2178/92 (reeds aangehaald) de overschrijding werd vastgesteld van de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst 1991 voor tabak van de soort Burley I, zag Donatab zich genoodzaakt de bedragen terug te betalen die overeenkwamen met de verlaging van de premie. Daarop verzocht zij Natale en Pontillo haar hun aandeel in de premieverlaging terug te betalen.
66 Van mening dat de premieverlaging onregelmatig was wegens de onwettigheid van de verordeningen betreffende de vaststelling van de prijzen, premies en gegarandeerde maximumhoeveelheden voor het oogstjaar 1991, dagvaardden Natali en Pontillo Donatab voor de Pretura circondariale di Caserta, teneinde voor recht te doen verklaren, dat Donatab de betrokken verlaging niet aan hen mocht doorberekenen.
67 De Pretura circondariale di Caserta wijst erop, dat verordening nr. 1738/91 ° waarbij de gegarandeerde maximumhoeveelheden, prijzen en premies voor de tabakssoorten of groepen tabakssoorten voor de oogst van 1991 zijn vastgesteld ° gepubliceerd is op 26 juni 1991, dit wil zeggen voor tabak van de soort Burley I, nadat de tabak in februari 1991 in de daarvoor bestemde zaadbedden was uitgezaaid, en nadat de tabaksplanten in de volle grond waren uitgeplant, wat vóór april 1991 diende te geschieden. Op de datum van publikatie van de verordening waren de contracten met de bedrijven die de eerste bewerking ° een voorwaarde voor de toekenning van de premie ° verrichten, reeds gesloten en door AIMA geregistreerd.
68 De vaststelling van de gegarandeerde maximumhoeveelheden voor de oogst van 1991 van de soort Burley I had dus terugwerkende kracht, nu zij betrekking had op een produktie die reeds was begonnen, en de desbetreffende beslissingen onomkeerbaar waren.
69 De verwijzende rechter voegt hieraan toe, dat overigens uit de tekst van artikel 4, lid 5, eerste alinea, van verordening nr. 727/70, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1251/89 van de Raad van 3 mei 1989 (PB 1989, L 129, blz. 16), volgt, dat de Raad elk jaar voor de oogst van het volgend jaar de gegarandeerde maximumhoeveelheden moet vaststellen voor elke tabakssoort of groep tabakssoorten die in de Gemeenschap worden geteeld.
70 Op deze gronden heeft de Pretura circondariale di Caserta besloten de behandeling van de twee voormelde zaken te schorsen en het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de geldigheid van verordening nr. 1738/91.
71 In antwoord op de uiteenzetting van de verwijzende rechter kan worden volstaan met erop te wijzen dat, zoals de Raad en de Commissie hebben benadrukt, de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de soort Burley I reeds was vastgesteld bij bijlage V bij verordening (EEG) nr. 1331/90 van de Raad van 14 mei 1990 tot vaststelling van de voor de oogst van 1990 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, produktiegebieden en van de voor de oogst van 1991 gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1252/89 (PB 1990, L 132, blz. 28).
72 Ingevolge artikel 4 van verordening nr. 1738/91 is bijlage V bij deze verordening inmiddels namelijk in de plaats gekomen van bijlage V bij verordening nr. 1331/90, doch zij heeft de gegarandeerde maximumhoeveelheid voor de oogst van 1991 van de soort Burley I niet gewijzigd.
73 Deze laatste verordening nu is gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 23 mei 1990, dit wil zeggen lang voordat de betrokken telers een beslissing voor de oogst van 1991 dienden te nemen.
74 De gestelde schending van het vertrouwensbeginsel is dus niet bewezen.
75 Mitsdien moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de rechtsgeldigheid van verordening nr. 1738/91, en dus van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen, kunnen aantasten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
76 De kosten door de Griekse en de Italiaanse regering, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Perugia (zaak C-133/93) bij beschikking van 18 maart 1993, en op de door de Pretura circondariale di Caserta (zaken C-300/93 en C-362/93) bij beschikkingen van 28 april en 14 mei 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Bij onderzoek van de in zaak C-133/93 gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de rechtsgeldigheid kunnen aantasten van verordening (EEG) nr. 1114/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 727/70 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak, en dus van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.
2) Bij onderzoek van de in de zaken C-300/93 en C-362/93 gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de rechtsgeldigheid kunnen aantasten van verordening (EEG) nr. 1738/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van de voor de oogst van 1991 geldende streefprijzen, interventieprijzen, premiebedragen voor kopers van tabaksbladeren, afgeleide interventieprijzen voor verpakte tabak, referentiekwaliteiten, produktiegebieden en van de gegarandeerde maximumhoeveelheden, en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1331/90, en dus van de ter uitvoering daarvan vastgestelde verordeningen.
Full & Egal Universal Law Academy