Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Harmonisatie van wetgevingen ° Etikettering en presentatie van levensmiddelen ° Verplichte vermelding van ingrediënten van produkten ° Afwijking ten gunste van additieven die geen technologische functie vervullen ° Strekking
(Richtlijn 79/112 van de Raad, art. 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje)
Samenvatting
Artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van richtlijn 79/112/EEG betreffende de etikettering en presentatie van levensmiddelen, volgens hetwelk niet als ingrediënten worden beschouwd en dus niet op de lijst van ingrediënten op de etikettering van produkten moeten worden vermeld, additieven waarvan de aanwezigheid in een levensmiddel uitsluitend berust op het feit dat zij verwerkt waren in een of meer ingrediënten van dit produkt, mits zij geen technologische functie meer vervullen in het eindprodukt, moet aldus worden uitgelegd, dat een additief dat gedurende de produktie van een ingrediënt de verkleuring hiervan voorkomt, in het eindprodukt geen technologische functie meer vervult, wanneer de aanwezigheid van het additief in dit eindprodukt niet langer noodzakelijk is om verkleuring van het produkt tegen te gaan.
De richtlijn vereist immers, dat de consument doeltreffend wordt geïnformeerd op een voor hem begrijpelijke wijze, maar kan, juist door de in artikel 6 voorziene afwijking, niet aldus worden uitgelegd, dat alle in het produktieproces van bedoelde produkten gebruikte ingrediënten uitputtend moeten worden opgesomd.
Partijen
In zaak C-144/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
Pfanni Werke Otto Eckart KG
en
Landeshauptstadt Muenchen,
met deelneming van
Landesanwaltschaft Bayern, als vertegenwoordiger van het openbaar belang,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Pfanni Werke Otto Eckart KG, vertegenwoordigd door K. A. Schroeter, advocaat te Hamburg,
° de Landesanwaltschaft Bayern, vertegenwoordigd door W. Rzepka, Generallandesanwalt bij de Landesanwaltschaft Bayern,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier en A. Bardenhewer, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Pfanni Werke Otto Eckart KG, vertegenwoordigd door K. A. Schroeter en W. Zwipf, advocaat te Muenchen, de Landesanwaltschaft Bayern, vertegenwoordigd door Oberlandesanwalt J. Mehler, en de Commissie ter terechtzitting van 19 mei 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juni 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 26 november 1992, ingekomen bij het Hof op 6 april 1993, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1, hierna: "richtlijn").
2 Die vraag is gerezen in een geding tussen de vennootschap Pfanni Werke Otto Eckart (hierna: "Pfanni Werke") en de Landeshauptstadt Muenchen over de verplichting voor eerstgenoemde om een additief te vermelden op de lijst van ingrediënten op de etikettering van haar produkten.
3 Artikel 3 van de richtlijn bepaalt, dat op de etikettering van levensmiddelen de lijst van ingrediënten moet worden vermeld. Op die regel bestaan verschillende uitzonderingen, waaronder die van artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje. Volgens die bepaling worden niet als ingrediënten beschouwd:
"additieven waarvan de aanwezigheid in een levensmiddel uitsluitend berust op het feit dat zij verwerkt waren in een of meer ingrediënten van dit produkt, mits zij geen technologische functie meer vervullen in het eindprodukt".
4 Die bepaling is in Duits recht omgezet bij § 5, lid 2, sub 2, van de Lebensmittelkennzeichnungsverordnung van 22 december 1981 (BGBl. I, blz. 1625; hierna: "LMKV"). Ten tijde van de feiten stond in die bepaling, dat niet als ingrediënten worden beschouwd: "stoffen genoemd in bijlage 2 bij de Zusatzstoffverkehrsverordnung en smaakstoffen, die in één of meer ingrediënten van een levensmiddel waren verwerkt, mits zij geen technologische functie meer vervullen in het eindprodukt" ("sofern sie im Enderzeugnis keine technologische Wirkung mehr ausueben"). Difosfaat E 450 a is opgenomen in bijlage 2 bij de Zusatzstoffverkehrsverordnung van 10 juli 1984 (BGBl. I, blz. 897), zoals gewijzigd bij de Verordnung van 19 juni 1989 (BGBl. I, blz. 1123).
5 Pfanni Werke, producent van levensmiddelen op basis van gedehydrateerde aardappelen, voegt bij de produktie van het ingrediënt "aardappelpureevlokken" difosfaat E 450a toe om te verhinderen dat het ingrediënt door de werking van enzymen een grijze kleur krijgt.
6 Blijkens de verwijzingsbeschikking verweet de Landeshauptstadt Muenchen deze producent, dat hij dit additief niet had vermeld op de lijst van ingrediënten van zijn produkten. Volgens die autoriteit is difosfaat E 450a van invloed op de kleur van het eindprodukt en moet het derhalve als een ingrediënt in de zin van bovengenoemde bepalingen worden aangemerkt. De Landeshauptstadt Muenchen liet Pfanni Werke eveneens weten, dat zij een officieel produktieverbod (Untersagungsbescheid) en een boete zou krijgen, indien zij haar werkzaamheden voortzette zonder aan de etiketteringsverplichting te voldoen.
7 Pfanni Werke stelde bij het Bayerische Verwaltungsgericht Muenchen (hierna: "Verwaltungsgericht") beroep in tegen de Landeshauptstadt Muenchen en betoogde in dat beroep, dat difosfaat E 450a geen enkele invloed had op het eindprodukt en dat het daarom niet behoefde te worden vermeld op de lijst van ingrediënten. Dit additief zou slechts aan de aardappelbrij worden toegevoegd om te voorkomen dat die brij, die slechts een fase van het produktieprocédé van het ingrediënt "aardappelpureevlokken" vormt, verkleurt. Tijdens de latere fase van dehydratatie van die brij zouden de aardappelvlokken in het eindprodukt niet meer kunnen verkleuren, omdat de enzymen in de aardappelcellen door de verhitting worden geneutraliseerd.
8 Het Verwaltungsgericht verwierp het beroep van Pfanni Werke bij vonnis van 22 maart 1989. Het was van oordeel, dat de toevoeging van difosfaat E 450a het uiterlijk van het eindprodukt bepaalde en dat het daarom op de etikettering moest worden vermeld.
9 Pfanni Werke kwam van dit vonnis in hoger beroep bij het Bayerische Verwaltungsgerichtshof. Zich baserend op de bewoordingen van § 5, lid 2, sub 2, LMKV, stelde zij, dat het difosfaat E 450a in het eindprodukt geen enkele technologische functie meer vervulde.
10 Het beroep werd door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof bij arrest van 1 augustus 1990 ongegrond verklaard. In zijn motivering bevestigde het Verwaltungsgerichtshof de uitlegging van het Verwaltungsgericht en het beklemtoonde daarbij, dat het de bedoeling van de wetgever was, de consument zo volledig mogelijk te informeren over de samenstelling en de kenmerken van de hem aangeboden levensmiddelen.
11 Daarop stelde Pfanni Werke "Revision" in bij het Bundesverwaltungsgericht. Van oordeel, dat het geding een probleem van uitlegging van de betrokken gemeenschapsregeling deed rijzen, heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende vraag voorgelegd:
"Vervult een additief nog een technologische functie in het eindprodukt, indien het gedurende de produktie van het ingrediënt de verkleuring hiervan voorkomt en deze toestand in het eindprodukt blijft bestaan zonder dat het additief in het eindprodukt verder nog aanwezig behoeft te zijn?"
12 Met zijn vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van richtlijn 79/112 aldus moet worden uitgelegd, dat een additief dat tijdens de produktie van een ingrediënt de verkleuring hiervan voorkomt, in het eindprodukt geen technologische functie meer vervult wanneer de aanwezigheid van het additief in dit eindprodukt niet langer noodzakelijk is om de verkleuring van het produkt tegen te gaan.
13 De Landesanwaltschaft Bayern, die heeft verklaard dezelfde belangen te verdedigen als de Landeshauptstadt Muenchen, is dienaangaande van mening, dat elk additief dat de kwaliteit van het eindprodukt rechtstreeks of indirect beïnvloedt, op de lijst van ingrediënten moet worden vermeld. De richtlijn zou immers tot doel hebben, te beletten dat de consument door de etikettering van de levensmiddelen op een dwaalspoor wordt gebracht en deze zo volledig mogelijk te informeren over de samenstelling ervan.
14 Dit argument kan niet worden aanvaard.
15 Volgens de zesde overweging van haar considerans is de richtlijn weliswaar gebaseerd op de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen en verplicht zij de producenten daarom de lijst van ingrediënten op de etikettering van hun produkten te vermelden, doch die verplichting gaat vergezeld van verschillende afwijkingen, waaronder die van artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje.
16 Blijkens die bepalingen eist de richtlijn, dat de consument doeltreffend wordt geïnformeerd op een voor hem begrijpelijke wijze, maar niet dat, zoals de Landeshauptstadt Muenchen stelt, alle in het produktieproces van bedoelde produkten gebruikte ingrediënten worden opgesomd. Aanvaarding van een dergelijke uitlegging zou artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van de richtlijn overigens elke inhoud ontnemen.
17 In casu blijkt uit de verwijzingsbeschikking, dat het risico van de grijze verkleuring van de aardappelbrij verdwijnt aan het einde van de verhitting en de dehydratatie, zodat het difosfaat E 450 a in het eindprodukt niet meer aanwezig behoeft te zijn.
18 In die omstandigheden moet worden vastgesteld, dat het litigieuze additief in het eindprodukt geen technologische functie meer vervult, en dat het daarom niet nodig is het op de lijst van ingrediënten te vermelden om de consument niet op een dwaalspoor te brengen.
19 Mitsdien moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een additief dat gedurende de produktie van een ingrediënt de verkleuring hiervan voorkomt, in het eindprodukt geen technologische functie meer vervult wanneer de aanwezigheid van het additief in dit eindprodukt niet langer noodzakelijk is om de verkleuring van het produkt tegen te gaan.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechter over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 26 november 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 4, sub c-ii, eerste streepje, van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, moet aldus worden uitgelegd, dat een additief dat gedurende de produktie van een ingrediënt de verkleuring hiervan voorkomt, in het eindprodukt geen technologische functie meer vervult, wanneer de aanwezigheid van het additief in dit eindprodukt niet langer noodzakelijk is om de verkleuring van het produkt tegen te gaan.
Full & Egal Universal Law Academy