Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Ouderdoms- en overlijdensverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Werknemer die niet tegelijkertijd voldoet aan voorwaarden welke voor uitbetaling van uitkeringen worden gesteld in alle wettelijke regelingen waaraan hij onderworpen is geweest ° Inaanmerkingneming door nationale wettelijke regeling aan de voorwaarden waarvan is voldaan, van onder wettelijke regeling van andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering uitsluitend voor ontstaan van recht op pensioen en voor vaststelling van percentage ervan ° Toelaatbaarheid ° Discriminatie op grond van nationaliteit ° Geen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 3, lid 1, en art. 49)
Samenvatting
De artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening nr. 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd, dat zij, wanneer volgens het wettelijke basisstelsel van een Lid-Staat met ingang van het zestigste levensjaar een ouderdomspensioen kan worden toegekend aan een werknemer die jonger is dan 65 jaar en die zowel in die staat als in een andere Lid-Staat waar het recht op pensioen eerst op 65-jarige leeftijd ontstaat, tijdvakken van arbeid heeft vervuld, er niet aan in de weg staan, dat de in deze laatste staat vervulde tijdvakken uitsluitend in aanmerking worden genomen ter bepaling van het percentage van het pensioen dat door het orgaan van de eerste staat onmiddellijk kan worden vastgesteld.
Aangezien de betrokkene op de datum van zijn aanvraag om vaststelling van zijn pensioen, niet voldoet aan de voorwaarden van alle wettelijke regelingen waaronder hij tijdvakken van verzekering heeft vervuld, is het ingevolge artikel 49 van de verordening namelijk uitgesloten dat de nationale wettelijke regeling aan de voorwaarden waarvan is voldaan voor de berekening van het bedrag van het pensioen onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken in aanmerking neemt. Dit artikel verbiedt evenwel niet, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat aan de voorwaarden waarvan is voldaan, de tijdvakken van verzekering die onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat zijn vervuld, in aanmerking neemt voor het ontstaan van het recht op ouderdomspensioen en voor de vaststelling van het percentage van dit pensioen.
Anderzijds levert een dergelijke nationale regeling geen rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van nationaliteit op. Zij is namelijk zonder onderscheid van toepassing en niet is aangetoond, dat zij van de werknemers die tijdvakken van verzekering in die Lid-Staat en in een andere Lid-Staat hebben vervuld, onderdanen van andere Lid-Staten zwaarder treft dan eigen onderdanen. Bovendien is het feit dat nationale instellingen in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering voor de berekening van het door hen uit te keren pensioen niet in aanmerking nemen, inherent aan het stelsel van verordening nr. 1408/71, dat verschillende stelsels heeft laten voortbestaan die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen tegenover welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit.
Partijen
In zaak C-146/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Franse Cour de cassation, chambre sociale, in het aldaar aanhangig geding tussen
H. McLachlan
en
Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs salariés,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: D. A. O. Edward, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° H. McLachlan, vertegenwoordigd door SCP Waquet, Farge en Hazan, advocaten bij de Conseil d' État en de Cour de cassation,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard, plaatsvervangend directeur bij de Directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken en C. Chavance, secretaris buitenlandse zaken bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij hetzelfde ministerie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Patakia, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 maart 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 25 maart 1993, ingekomen ten Hove op 9 april daaraanvolgend, heeft de Franse Cour de cassation, chambre sociale, krachtens artikel 177 van het Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen McLachlan (verzoeker in het hoofdgeding; hierna: "verzoeker") en de Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs salariés de la région d' Ile-de-France (hierna: "CNAVTS"), over zijn recht op een ouderdomspensioen.
3 Verzoeker heeft de Britse en de Franse nationaliteit en is op 6 april 1924 te Londen geboren. In het Verenigd Koninkrijk diende hij van 1942 tot 1946 bij de Royal Navy, studeerde van 1946 tot 1948 en was vervolgens van 1948 tot 1955 werkzaam in loondienst. Daarna was hij in Frankrijk in loondienst werkzaam van 1956 tot 1985, in welk jaar hij werd ontslagen om economische redenen.
4 Hij heeft dus 53 kwartalen van ouderdomsverzekering in het Verenigd Koninkrijk vervuld en 120 kwartalen in Frankrijk.
5 In het Verenigd Koninkrijk kon hij vóór het bereiken van de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar geen aanspraak op een ouderdomspensioen maken.
6 Artikel R. 351-6 van de Code de la sécurité sociale français bepaalt:
"De maximum verzekeringsduur waarmee in het algemene stelsel bij de vaststelling van het ouderdomspensioen rekening wordt gehouden bedraagt 150 kwartalen.
Indien de verzekerde in dit stelsel minder dan 150 kwartalen heeft vervuld, is het pensioen gelijk aan 1/150ste van het overeenkomstig artikel L. 351-1, tweede alinea, berekende pensioen, vermenigvuldigd met het aantal vervulde verzekeringskwartalen."
7 Artikel L. 351-1 van dezelfde Code bepaalt:
"De ouderdomsverzekering waarborgt een ouderdomspensioen aan de verzekerde die vanaf een bepaalde leeftijd om vaststelling ervan verzoekt.
De hoogte van het pensioen wordt bepaald door op het jaarlijkse basissalaris een percentage toe te passen dat stijgt tot een maximum, het zogenoemde 'volle percentage' , op basis van de duur van verzekering binnen een bepaalde limiet, zowel in het algemene stelsel als in een of meer andere verplichte stelsels, alsmede op basis van de als gelijkwaardig erkende periodes, of op basis van de leeftijd waarop om vaststelling ervan wordt verzocht.
Indien de duur van verzekering van de verzekerde in het algemene stelsel korter is dan de in de tweede alinea bedoelde limiet, wordt het door dat stelsel uitbetaalde pensioen eerst berekend op basis van die verzekeringsduur en vervolgens verlaagd met inaanmerkingneming van de werkelijke verzekeringsduur.
(...)"
8 Artikel 3 van decreet 82-991 van 24 november 1982, thans artikel L. 351-19 van de Franse Code du travail, sluit personen van boven de 60 jaar die in totaal meer dan 150 gevalideerde kwartalen uit hoofde van de ouderdomsverzekering hebben vervuld, van werkloosheidsuitkeringen uit.
9 Volgens de Franse regeling worden bij de berekening van de 150 kwartalen die gevalideerd kunnen worden, de in het Verenigd Koninkrijk vervulde kwartalen in aanmerking genomen.
10 Nadat hij op 61-jarige leeftijd was ontslagen, terwijl hij in totaal meer dan 150 kwartalen van ouderdomsverzekering in het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk had vervuld, kwam verzoeker niet meer in aanmerking voor werkloosheidsuitkeringen en werd hem door de CNAVTS een ouderdomspensioen tegen het volle percentage toegekend.
11 Dit pensioen werd evenwel enkel op basis van de in Frankrijk vervulde tijdvakken van verzekering, zijnde 120 kwartalen, vastgesteld.
12 Verzoeker betwistte deze berekeningsmethode. Hij stelde, dat de betrokken Franse regeling in strijd was met de op migrerende werknemers toepasselijke gemeenschapsbepalingen, omdat daarin wel rekening werd gehouden met het in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvak van verzekering, om hem van het recht op werkloosheidsuitkering uit te sluiten, maar niet voor de berekening van het bedrag van zijn ouderdomspensioen. Indien hij niet in het Verenigd Koninkrijk had gewerkt en slechts 120 kwartalen in Frankrijk had vervuld, zou hij recht op werkloosheidsuitkeringen hebben gehad, terwijl, indien zijn tijdvakken van verzekering volledig in Frankrijk waren vervuld, hij recht op een volledig, onverlaagd ouderdomspensioen zou hebben gehad. Bijgevolg acht hij zich het slachtoffer van een ongelijke behandeling die volgens hem in strijd met artikel 51 EEG-Verdrag en artikel 3 van verordening nr. 1408/71 is. Zijns inziens leidt de Franse regeling ertoe, dat hem werkloosheidsuitkeringen worden onthouden en hem een verlaagd pensioen wordt toegekend, enkel omdat een deel van zijn loopbaan in het Verenigd Koninkrijk verliep.
13 In haar schriftelijke opmerkingen verklaarde de Franse regering dat verzoeker, aangezien hij slechts in aanmerking kon komen voor een ouderdomspensioen tegen het volle percentage, waarvan het bedrag evenwel was berekend over een tijdvak van bijdragebetaling, dat geringer was dan de vereiste 150 kwartalen, vanaf 1986 een aanvullende uitkering van de staat ontving. Deze uitkering is hem betaald tot 1989, toen hij de leeftijd van 65 jaar bereikte en hij zijn pensioen in het Verenigd Koninkrijk kon laten vaststellen voor de in die staat vervulde tijdvakken van verzekering.
14 Verzoeker stelde tevergeefs beroep in bij het Tribunal des affaires de sécurité sociale de Paris.
15 Hij ging in hoger beroep bij de Cour d' appel de Paris, die bij arrest van 9 juli 1990 het gewezen vonnis heeft vernietigd en een andere datum heeft vastgesteld waarop verzoeker recht op pensioen kreeg. Zijn vorderingen in hoger beroep betreffende het ingaan van zijn rechten bij het algemene Franse stelsel van ouderdomsverzekering en betreffende het door de CNAVTS gekozen percentage voor de berekening van het dienovereenkomstige pensioen werden echter afgewezen.
16 De Cour d' appel merkte in het bijzonder op, dat bij haar niet een geding aanhangig was gemaakt betreffende de weigering van werkloosheidsuitkeringen uit hoofde van artikel L. 351-19 van de Code du travail, daar het voorwerp van het geding beperkt was tot de door de betrokkene ingediende pensioenaanvraag. De Cour d' appel was van mening, dat deze aanvraag niet kon worden afgewezen "op grond van de in het Britse recht geldende leeftijd voor de toekenning van een volledig pensioen enerzijds en het geldelijk voordeel dat werkloosheidsuitkeringen tot 65 jaar kunnen opleveren anderzijds".
17 Tegen dit arrest stelde verzoeker beroep in cassatie in bij de Cour de cassation.
18 Van mening dat het geding een vraag deed rijzen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst
"totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak heeft gedaan over de strekking van de artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 en voor recht heeft verklaard, of deze bepalingen aldus moeten worden uitgelegd, dat zij, wanneer volgens het wettelijke basisstelsel van een Lid-Staat met ingang van het zestigste levensjaar een ouderdomspensioen kan worden toegekend aan een werknemer die jonger is dan 65 jaar en die zowel in die staat als in een andere Lid-Staat waar het recht op pensioen eerst op 65-jarige leeftijd ontstaat, tijdvakken van arbeid heeft vervuld, eraan in de weg staan, dat de in deze laatste staat vervulde tijdvakken uitsluitend in aanmerking worden genomen ter bepaling van het percentage van het pensioen dat door het orgaan van de eerste staat onmiddellijk kan worden vastgesteld".
19 Vooraf moet het bezwaar van de Franse regering worden verworpen, dat de prejudiciële vraag niet relevant is voor de beslechting van het geschil tussen verzoeker en de CNAVTS, omdat hem een pensioen tegen het volle percentage is toegekend wegens het feit dat hij oud-strijder is, en de in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken daarbij buiten beschouwing zijn gebleven.
20 Volgens vaste rechtspraak is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter bij wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van elk geval, te oordelen over de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis alsmede de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt (zie bij voorbeeld arresten van 27 oktober 1993, zaak C-127/92, Enderby, Jurispr. 1993, blz. I-5535, r.o. 10, en 3 maart 1994, gevoegde zaken C-332/92, C-333/92 en C-335/92, Eurico Italia e.a., Jurispr. 1994, blz. I-711, r.o. 17).
21 Verzoeker merkt op, dat de in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvakken in aanmerking zijn genomen om hem uit te sluiten van de categorie van werklozen die een uitkering ontvangen, zoals elke andere persoon die ouder dan 60 jaar is en meer dan 150 kwartalen heeft gewerkt, maar dat hij slechts een verlaagd pensioen heeft ontvangen, omdat zijn pensioenrechten enkel op basis van de in Frankrijk vervulde tijdvakken (120) zijn berekend, zonder dat rekening is gehouden met de in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvakken.
22 Verzoeker betoogt, dat uit artikel 49, lid 1, sub a, van verordening nr. 1408/71 volgt, dat de CNAVTS het bedrag van de verschuldigde prestaties volgens de Franse wettelijke regeling had moeten berekenen.
23 Verder stelt hij, dat migrerende werknemers van de Gemeenschap krachtens het in artikel 3 van verordening nr. 1408/71 neergelegde gelijkheidsbeginsel niet gestraft mogen worden, omdat zij deels in een Lid-Staat en deels in een andere hebben gewerkt. Hij betoogt, dat dit artikel zich ertegen verzet dat de in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvakken van arbeid in Frankrijk in aanmerking worden genomen, indien deze werknemer daardoor zowel voor de ouderdomsverzekering als voor de werkloosheidsverzekering in een minder gunstige positie komt te verkeren. Een werknemer die uitsluitend in Frankrijk 150 kwartalen heeft vervuld, zou recht op een volledig pensioen hebben, terwijl een werknemer die in totaal slechts 120 kwartalen in Frankrijk heeft vervuld, zonder in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewerkt, voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking zou komen.
24 Volgens verzoeker houdt het gelijkheidsbeginsel in dat tussen twee oplossingen moet worden gekozen: de in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvakken worden in aanmerking genomen en hem wordt een volledig pensioen uitbetaald, of de enkel in Frankrijk vervulde tijdvakken worden in aanmerking genomen, waarna wordt vastgesteld dat hij niet meer aan de voorwaarden voor de ouderdomsverzekering voldoet en recht heeft op een werkloosheidsuitkering.
25 Er moet eerst op worden gewezen, dat uit de bewoordingen zelf van de vraag van de Cour de cassation, alsmede uit de motivering van het eerder genoemde arrest van de Cour d' appel de Paris (zie hiervoor r.o. 16) blijkt, dat de weigering om verzoeker voor een werkloosheidsuitkering in aanmerking te laten komen niet het voorwerp van de prejudiciële vraag en evenmin van het geschil in het hoofdgeding vormt. Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter enkel te vernemen of op grond van verordening nr. 1408/71 in een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering voor de vaststelling van het percentage van het ouderdomspensioen in aanmerking kunnen worden genomen, maar voor de berekening van het bedrag ervan buiten beschouwing kunnen worden gelaten.
26 Aangezien verzoeker, toen hij om vaststelling van zijn pensioen vroeg, niet voldeed aan de voorwaarden van alle wettelijke regelingen waaronder hij tijdvakken van verzekering had vervuld, aangezien hij de in de wettelijke regeling van het Verenigd Koninkrijk vereiste leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt, is op de onderhavige zaak artikel 49 van verordening nr. 1408/71 van toepassing.
27 Artikel 49, lid 1, sub a, bepaalt:
"1. Indien de betrokkene, eventueel met inachtneming van artikel 45, op een bepaald tijdstip niet ten volle voldoet aan de voorwaarden welke door de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten waaraan hij onderworpen is geweest, voor het recht op uitkeringen worden gesteld, doch uitsluitend voldoet aan de voorwaarden van een of meer van deze wettelijke regelingen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
a) elk der bevoegde organen welke een wettelijke regeling toepassen aan de voorwaarden waarvan is voldaan, berekent het bedrag van de verschuldigde uitkering overeenkomstig artikel 46;"
28 Deze bepaling verwijst dus naar de nationale wettelijke regeling aan de voorwaarden waarvan is voldaan.
29 Door dit artikel wordt het uitgesloten dat deze wettelijke regeling onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken in aanmerking neemt voor de berekening van het bedrag van het pensioen, overeenkomstig het stelsel van verordening nr. 1408/71, dat verschillende stelsels laat voortbestaan die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen tegenover welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit (zie arrest van 6 maart 1979, zaak 100/78, Rossi, Jurispr. 1979, blz. 831, r.o. 13).
30 Verzoeker heeft dus aanspraken tegenover de bevoegde organen van het Verenigd Koninkrijk voor de tijdvakken van verzekering die op het grondgebied van die staat zijn vervuld, en tegenover de Franse organen voor de in Frankrijk vervulde tijdvakken.
31 Artikel 49 verbiedt evenwel niet, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat aan de voorwaarden waarvan is voldaan, de tijdvakken van verzekering die onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat zijn vervuld, in aanmerking neemt voor het ontstaan van het recht op ouderdomspensioen en voor de vaststelling van het percentage van dit pensioen. Bovendien zou dit artikel daaraan niet in de weg kunnen staan, omdat volgens vaste rechtspraak verordening nr. 1408/71 niet aldus kan worden uitgelegd, dat migrerende werknemers worden beroofd van voordelen waarop zij recht zouden hebben gehad uit hoofde van de wetgeving van een Lid-Staat alleen (arrest van 15 oktober 1991, zaak C-302/90, Faux, Jurispr. 1991, blz. I-4875, r.o. 28).
32 Voorts kan tegen een regeling als de onderhavige geen bezwaar worden gemaakt op basis van artikel 3 van verordening nr. 1408/71.
33 Lid 1 van dit artikel bepaalt: "personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening".
34 Een regeling als de onderhavige levert geen rechtstreekse of indirecte discriminatie op grond van nationaliteit op, omdat zij niet alleen zonder onderscheid van toepassing is, maar ook niet is aangetoond, dat zij ten aanzien van werknemers die tijdvakken van verzekering in Frankrijk en in een andere Lid-Staat hebben vervuld, onderdanen van andere Lid-Staten zwaarder treft dan Franse onderdanen.
35 Met betrekking tot de beweerde discriminatie tussen werknemers die alle tijdvakken van verzekering uitsluitend in Frankrijk hebben vervuld, en zij die ook tijdvakken van verzekering in een andere Lid-Staat hebben vervuld, moet worden vastgesteld dat, zoals de Cour d' appel de Paris heeft opgemerkt (zie hiervoor, r.o. 16), het hoofdgeding niet betrekking heeft op verzoekers uitsluiting van de werkloosheidsverzekering, maar op de berekening van zijn rechten op ouderdomspensioen op basis van het Franse stelsel.
36 De beweerde discriminatie zou hierin bestaan, dat de Franse organen de in het Verenigd Koninkrijk vervulde tijdvakken van verzekering niet in aanmerking hebben genomen voor de berekening van het aan hem uit te keren pensioen, terwijl zij die tijdvakken wel in aanmerking zouden hebben genomen, indien zij in Frankrijk waren vervuld.
37 Zoals hiervoor in rechtsoverweging 29 in herinnering is gebracht, is het feit dat deze tijdvakken niet in aanmerking zijn genomen, inherent aan het stelsel van verordening nr. 1408/71, dat verschillende stelsels heeft laten voortbestaan die verschillende vorderingen doen ontstaan op onderscheiden organen tegenover welke de uitkeringsgerechtigde rechtstreeks aanspraken bezit. In dit verband heeft de Duitse regering terecht opgemerkt, dat iedere staat de prestaties toekent die overeenkomen met de onder zijn wettelijke regeling vervulde tijdvakken.
38 Zoals het Hof in zijn arrest van 21 maart 1990 (zaak C-199/88, Cabras, Jurispr. 1990, blz. I-1023, r.o. 30 en 31) verklaarde, zijn de nadelen van de versnippering van uitkeringen, die overigens door een aantal bepalingen van verordening nr. 1408/71 zoveel mogelijk worden beperkt, een onvermijdelijk gevolg van het feit, dat artikel 51 van het Verdrag niet de totstandkoming van een gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid beoogt, doch enkel de vaststelling van regels voor de cooerdinatie van de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten.
39 Onder die omstandigheden kan het niet in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel, dat in het kader van verordening nr. 1408/71 in artikel 3 tot uitdrukking wordt gebracht, wanneer de onder de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het pensioenbedrag.
40 Gelet op het voorgaande moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord, dat de artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat zij, wanneer volgens het wettelijke basisstelsel van een Lid-Staat met ingang van het zestigste levensjaar een ouderdomspensioen kan worden toegekend aan een werknemer die jonger is dan 65 jaar en die zowel in die staat als in een andere Lid-Staat waar het recht op pensioen eerst op 65-jarige leeftijd ontstaat, tijdvakken van arbeid heeft vervuld, er niet aan in de weg staan, dat de in deze laatste staat vervulde tijdvakken uitsluitend in aanmerking worden genomen ter bepaling van het percentage van het pensioen dat door het orgaan van de eerste staat onmiddellijk kan worden vastgesteld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de Duitse regering, de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door de Franse Cour de cassation bij arrest van 25 maart 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 3, lid 1, en 49 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij, wanneer volgens het wettelijke basisstelsel van een Lid-Staat met ingang van het zestigste levensjaar een ouderdomspensioen kan worden toegekend aan een werknemer die jonger is dan 65 jaar en die zowel in die staat als in een andere Lid-Staat waar het recht op pensioen eerst op 65-jarige leeftijd ontstaat, tijdvakken van arbeid heeft vervuld, er niet aan in de weg staan, dat de in deze laatste staat vervulde tijdvakken uitsluitend in aanmerking worden genomen ter bepaling van het percentage van het pensioen dat door het orgaan van de eerste staat onmiddellijk kan worden vastgesteld.
Full & Egal Universal Law Academy