Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Oliën en vetten ° Olijfolie ° Produktiesteun ° Uitbetaling aan begunstigden via unie van producentengroeperingen ° Nationale wettelijke regeling die bankrente die toegekende bedragen eventueel hebben opgebracht vóór daadwerkelijke uitbetaling ervan aan begunstigden, aan nationaal interventiebureau toekent ° Toelaatbaarheid
(Verordeningen van de Raad nr. 2959/82, art. 6, lid 2, en nr. 2261/84, art. 11, lid 5)
Samenvatting
De gemeenschapsbepalingen inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en meer in het bijzonder de verordeningen nrs. 2959/82 en 2261/84 inzake de toekenning van de produktiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties, verzetten zich er niet tegen dat een nationale wettelijke regeling bepaalt, dat de bankrente die de toegekende bedragen tot de daadwerkelijke uitbetaling ervan aan de begunstigden op de rekeningen van de unies van producentenorganisaties eventueel opbrengen, aan het nationale interventiebureau toekomt.
Daar immers in voornoemde verordeningen, die de Lid-Staten een algemene regelingsbevoegdheid toekennen, niet uitdrukkelijk is geregeld aan wie de rente toekomt die de voor uitbetaling van de steun bestemde bedragen tijdens de procedure inzake de toekenning van de steun eventueel hebben opgebracht, moeten de wettelijke regels die op deze rente van toepassing zijn, in het kader van het nationale recht worden vastgesteld.
Partijen
In zaak C-186/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Corte d' appello di Roma (eerste burgerlijke kamer), in het aldaar aanhangig geding tussen
Unione nazionale tra le associazioni di produttori di olive (Unaprol)
en
Azienda di Stato per gli interventi nel mercato agricolo (AIMA)
en
Ministero dell' agricoltura e delle foreste,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de gemeenschapsbepalingen inzake de toekenning van gemeenschapssteun en, in het bijzonder, van verordening (EEG) nr. 2959/82 van de Raad van 4 november 1982 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1982/1983 van de algemene voorschriften inzake de produktiesteun voor olijfolie (PB 1982, L 309, blz. 30) en verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de produktiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties (PB 1984, L 208, blz. 3),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias (rapporteur), F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: W. Van Gerven
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Unione nazionale tra le associazioni di produttori di olive (Unaprol), vertegenwoordigd door P. Mercuri, G. Castelli Avolio en A. Guarino, advocaten te Rome,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door prof. L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door O. Fiumara, avvocato dello Stato,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door A. Carnelutti, advocaat te Parijs,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Unaprol, de Italiaanse regering en de Commissie ter terechtzitting van 21 april 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 mei 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 27 oktober 1992, ingekomen ten Hove op 20 april 1993, heeft de Corte d' appello di Roma (eerste burgerlijke kamer) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de gemeenschapsbepalingen inzake de toekenning van gemeenschapssteun en, in het bijzonder, van verordening (EEG) nr. 2959/82 van de Raad van 4 november 1982 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1982/1983 van de algemene voorschriften inzake de produktiesteun voor olijfolie (PB 1982, L 309, blz. 30) en verordening (EEG) nr. 2261/84 van de Raad van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de produktiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties (PB 1984, L 208, blz. 3), om te kunnen bepalen aan wie de rente toekomt die de bedragen op de rekeningen van de unies van producentenorganisaties tussen de toekenning door AIMA en de daadwerkelijke uitbetaling ervan aan de begunstigden van de steun hebben opgebracht.
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Unaprol (Nationale unie van verenigingen van olijvenproducenten) en AIMA (Nationale dienst voor interventie op de landbouwmarkt) en het Ministerie van Land- en Bosbouw. Unaprol, erkend op basis van verordening (EEG) nr. 1360/78 van de Raad van 19 juni 1978 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen (PB 1978, L 166, blz. 1), is betrokken bij het beheer van de communautaire produktiesteun voor olijfolie.
3 Bij op 22 oktober 1986 betekende akte dagvaardde Unaprol AIMA en de Minister van Land- en Bosbouw voor het Tribunale di Roma, dat zij verzocht de onwettigheid vast te stellen van de ministeriële decreten van 29 december 1983 (GURI nr. 28 van 28. 1. 1984) en 2 januari 1985 (GURI nr. 17 van 21. 1. 1985), vastgesteld ter uitvoering van voornoemde gemeenschapsverordeningen nrs. 2959/82 en 2261/84, die de markten voor olijfolie regelen.
4 Unaprol betoogde, dat de nationale wettelijke regeling (artikel 2, vierde alinea, van het ministeriële decreet van 29 december 1983, en artikel 17, zesde alinea, van het ministeriële decreet van 2 januari 1985) in strijd is met de gemeenschapsregeling, waar zij bepaalt dat de eventuele bankrente over de toegekende bedragen tot de daadwerkelijke uitbetaling ervan aan de begunstigden, of, in geval van terugkeer van cheques wegens overlijden of onmogelijkheid om ze op het in de aanvraag van de begunstigden aangegeven adres te bestellen, tot de uitgifte van nieuwe betalingsdocumenten, toekomt aan AIMA en niet aan de individuele producenten, die de werkelijke en enige begunstigden van de gemeenschapssteun zijn.
5 De eerste zes alinea' s van artikel 17 van het decreet van de minister van Landbouw van 2 januari 1985, die de essentie van de bepalingen van het ministeriële decreet van 29 december 1983 overnemen, waarbij evenwel de woorden "erkende producentenorganisaties" zijn vervangen door "erkende unies van producentengroeperingen", luiden als volgt:
"De erkende unies van producentengroeperingen zijn gehouden ten gunste van hun leden de betaling van het voorschot op en het saldo van de steun te verrichten door middel van bankoverschrijvingen of niet-overdraagbare cheques die door een door de organisaties zelf gekozen kredietinstelling zijn uitgegeven en per aangetekende brief aan de woonplaats van de rechthebbenden moeten worden gezonden.
Het voorschot en het saldo bedoeld in de vorige alinea zijn gelijk aan de dienovereenkomstige bedragen die AIMA heeft gecrediteerd op basis van de eindbedragen van de samenvattende nota' s van de krachtens de gemeenschapsregeling en het onderhavige decreet voor steun in aanmerking komende aanvragen.
De betrekkingen tussen de erkende unies en de met de betaling van de gemeenschapssteun belaste kredietinstelling moeten ingevolge het decreet nr. 532 van de president van de Republiek van 4 juli 1973 worden geregeld door een speciale overeenkomst, waarin is bepaald dat de betaling ten gunste van de rechthebbenden geschiedt binnen tien werkdagen na de datum waarop de door AIMA verrichte crediteringen van de betrokken bedragen feitelijk beschikbaar zijn geworden. In het geval van leden van olijventeeltcooeperaties die lid van producentengroeperingen zijn, kunnen ter vergemakkelijking van de betaling de niet-overdraagbare cheques die bestemd zijn voor de aangesloten producenten via genoemde cooeperaties worden afgegeven.
Ook de betrekkingen tussen AIMA en genoemde unies worden geregeld bij overeenkomsten, waarin moet worden bepaald dat de bedragen van cheques die zijn teruggegeven wegens overlijden of het niet-aankomen op het in de aanvraag vermelde adres van de begunstigde, bij de met de betaling belaste kredietinstelling worden gestort op een speciale geblokkeerde rekening, met het oog op de uitgifte van naar behoren verbeterde nieuwe stukken.
Rekeninguittreksels waarop de vervallen rente over de gestorte bedragen is vermeld, moeten door de betrokken unies halfjaarlijks aan AIMA worden meegedeeld.
De betrokken rente komt uitsluitend toe aan AIMA, die hiervoor door de producentenorganisaties moet worden gecrediteerd na aftrek van belastingen; de betaling geschiedt door middel van een cheque van de Schatkist op de niet-rentedragende rekening-courant nr. 416 ten name van AIMA ° financieel beheer."
6 Bij beschikkingen van 28 juni 1989 en 24 januari 1990 verklaarde het Tribunale di Roma de rechtsvordering niet-ontvankelijk, zowel voor zover zij gericht was tegen de Minister van Land- en Bosbouw als tegen AIMA. Bij op 29 november 1990 betekende akte stelde Unaprol tegen deze uitspraak hoger beroep in bij de Corte d' appello di Roma.
7 Bij voorlopig arrest van 27 oktober 1992 verklaarde de appelrechter Unaprol ontvankelijk in haar vordering.
8 Alvorens de zaak ten gronde te onderzoeken, achtte de appelrechter het echter noodzakelijk vooraf de vraag op te lossen inzake de uitlegging van de gemeenschapsverordeningen inzake gemeenschapssteun.
9 Bij afzonderlijke beschikking van 27 oktober 1992 verzocht de Corte d' appello di Roma het Hof om een beslissing over de volgende prejudiciële vraag:
"Moeten de gemeenschapsbepalingen inzake de steun aan olijvenproducenten, en inzonderheid de verordeningen (EEG) van de Raad nrs. 2959/82 van 4 november 1982 en 2261/84 van 17 juli 1984 aldus worden uitgelegd, dat zij inhouden dat AIMA (het nationale interventiebureau) enkel als tussenpersoon namens en voor rekening van de Europese Economische Gemeenschap handelt (zonder ooit eigenaar van de toegekende bedragen te worden, die derhalve te zamen met de in de loop van de uitbetalingsprocedure hierover verkregen rente, vanaf het tijdstip van de toekenning ervan aan de begunstigden toebehoren), of aldus, dat AIMA exclusief eigenaar is van die bedragen, en dus van de desbetreffende rente, totdat deze aan de begunstigden worden uitbetaald?"
10 Unaprol, verzoekster in het hoofdgeding, betoogde ter terechtzitting, dat de nationale rechter niet heeft gevraagd wie eigenaar is van de rente over de toegekende bedragen, maar uitsluitend of AIMA bij de toekenning van de steun al dan niet de hoedanigheid van tussenpersoon heeft.
11 Weliswaar gaat het in de gestelde vraag over het probleem of AIMA optreedt in de hoedanigheid van eigenaar of in die van tussenpersoon, doch uit de verwijzingsbeschikking en de bewoordingen van de prejudiciële vraag volgt, dat de nationale rechter wenst vast te stellen wie eigenaar is van de bankrente over de bedragen van de produktiesteun voor olijfolie die aan de unies van producentengroeperingen zijn toegekend. Deze vraag vormt de kern van het hoofdgeding.
12 Voor de oplossing van dit probleem is zonder belang of het nationaal orgaan vanuit juridisch oogpunt als tussenpersoon optreedt dan wel eigenaar is van de toegekende bedragen.
13 Derhalve moet de prejudiciële vraag worden geherformuleerd in die zin, dat zij ertoe strekt te doen vaststellen of de gemeenschapsbepalingen inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en in het bijzonder verordeningen (EEG) nrs. 2959/82 en 2261/84, zich ertegen verzetten dat een nationale wettelijke regeling bepaalt, dat de bankrente over de toegekende bedragen tot hun daadwerkelijke uitbetaling aan de begunstigden, aan het nationale interventiebureau toekomt.
14 Ter beantwoording van deze vraag moet worden herinnerd aan de belangrijkste bepalingen inzake de gemeenschapsfinanciering van de interventies op de landbouwmarkten, en, meer in het bijzonder, op de markt voor olijfolie.
15 Het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling "Garantie", financiert op de grondslag van met name verordening (EEG) nr. 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 1970, L 94, blz. 13) restituties bij uitvoer en interventies ter regulering van de landbouwmarkten.
16 Artikel 4, leden 1 en 2, van deze verordening luidt:
"1. De Lid-Staten wijzen de diensten en organen aan, die zij machtigen tot uitbetaling van de in de artikelen 2 en 3 bedoelde uitgaven vanaf het ogenblik waarop deze verordening van toepassing wordt. Zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze verordening verstrekken zij de Commissie de volgende inlichtingen betreffende deze diensten en organen :
° benaming en, in voorkomend geval, statuut,
° administratieve en boekhoudkundige voorschriften voor de betalingen in verband met de uitvoering van de communautaire voorschriften in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten.
Zij brengen elke wijziging onmiddellijk ter kennis van de Commissie.
2. De Commissie stelt aan de Lid-Staten de nodige middelen ter beschikking, opdat de aangewezen diensten en organen de in lid 1 bedoelde betalingen overeenkomstig de communautaire voorschriften en de nationale wetgevingen verrichten.
De Lid-Staten zien erop toe dat deze middelen onverwijld en uitsluitend voor de beoogde doeleinden worden gebruikt."
17 Volgens verordening (EEG) nr. 380/78 van de Commissie van 30 januari 1978 betreffende de werking van de voorschottenregeling voor uit de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierde uitgaven (PB 1978, L 56, blz. 1) en verordening (EEG) nr. 3184/83 van de Commissie van 31 oktober 1983 betreffende de voorschottenregeling voor uit de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierde uitgaven (PB 1983, L 320, blz. 1) ° die in de plaats is gekomen van verordening nr. 380/78 ° stelt de Commissie de Lid-Staten de nodige financiële middelen ter beschikking voor de betaling door de tot uitbetaling gemachtigde diensten of organen van de door de afdeling Garantie van het EOGFL gefinancierde uitgaven, op een door elke Lid-Staat bij de Schatkist of een andere financiële instelling voor dit doel geopende rekening (artikel 1, lid 1, van de twee verordeningen). Iedere Lid-Staat moet voor goed beheer van de gemeenschappelijke financiële middelen zorgdragen en ze over de tot uitbetaling gemachtigde diensten en organen verdelen (artikel 1, lid 3, van de twee verordeningen).
18 De producentengroeperingen (in de verordeningen nrs. 2959/82 en 2261/84 "producentenorganisaties" genoemd) en de unies van dergelijke groeperingen zijn bij verordening nr. 1360/78 erkend. Die verordening voert in bepaalde gebieden van de Gemeenschap een regeling in ter aanmoediging van de oprichting van producentengroeperingen en unies daarvan, teneinde structurele onvolkomenheden ten aanzien van het aanbod en de afzet van landbouwprodukten die door een onvoldoende mate van organisatie van de producenten worden gekenmerkt, te verhelpen.
19 De regeling inzake produktiesteun voor olijfolie is vastgesteld bij verordening nr. 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1966, L 172, blz. 3025).
20 De producentengroeperingen en de unies ervan zijn bij het beheer van de produktiesteun voor olijfolie betrokken ingevolge verordeningen (EEG) van de Raad nrs. 1360/78 (reeds aangehaald), 1917/80 van 15 juli 1980 tot wijziging van verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten en tot aanvulling van verordening (EEG) nr. 1360/78 betreffende producentengroeperingen en unies van producentengroeperingen (PB 1980, L 186, blz. 1), 1413/82 van 18 mei 1982 tot wijziging van verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1982, L 162, blz. 6), en 2260/84 van 17 juli 1984 tot wijziging van verordening nr. 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten (PB 1984, L 208, blz. 1).
21 Ten slotte stellen de reeds aangehaalde verordeningen nrs. 2959/82 en 2261/84, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging heeft verzocht, de voorwaarden vast voor de toekenning van produktiesteun voor olijfolie en regelen zij de wijze van uitbetaling van die steun aan de olijvenproducenten alsmede de controle inzake de steunaanspraken. De voorwaarden voor toekenning en uitbetaling van de steun verschillen naargelang de olijvenproducent al dan niet lid is van een overeenkomstig de communautaire regels erkende producentenorganisatie.
22 Meer in het bijzonder kent verordening nr. 2261/84, die de rechten en verplichtingen van alle bij de regeling betrokken personen regelt, een rol toe aan de unies van organisaties van olijfolieproducenten. Deze unies zijn er volgens artikel 10 van de verordening mee belast de activiteiten van de aangesloten organisaties te cooerdineren, erop toe te zien dat deze activiteiten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de verordening, te zorgen voor het indienen bij de bevoegde autoriteiten van de teeltaangiften en de steunaanvragen die de bij hen aangesloten organisaties hun doen toekomen, van de betrokken Lid-Staat de voorschotten op de produktiesteun te ontvangen alsmede het saldo van de steun, en onverwijld over te gaan tot de uitkering daarvan aan de producenten die lid zijn van de aangesloten organisaties.
23 Artikel 11, lid 5, van verordening nr. 2261/84 bepaalt, dat de producerende Lid-Staten de bepalingen vaststellen inzake de toekenning van de steun en de termijnen voor de uitbetaling aan de olijvenproducenten. Evenzo bepaalt artikel 6, lid 2, van verordening nr. 2959/82, dat de betrokken Lid-Staten de voorwaarden vaststellen voor de uitkering van de steun alsmede van het voorschot daarop door de producentenorganisaties aan hun leden.
24 Vastgesteld moet worden, dat in voornoemde bepalingen inzake de markt voor olijfolie niet uitdrukkelijk is geregeld aan wie de rente toekomt die de voor uitbetaling van de steun bestemde bedragen tijdens de procedure die aan de toekenning ervan voorafgaat, eventueel hebben opgebracht.
25 Onder deze voorwaarden moeten in het kader van het nationale recht van iedere Lid-Staat regels worden vastgesteld inzake de rente die de steunbedragen op de rekeningen van de unies van producentenorganisaties vóór de daadwerkelijke uitbetaling ervan aan de begunstigden eventueel hebben opgebracht.
26 Bij gebreke van een gemeenschapsbepaling inzake rente, komt ingevolge de artikelen 11, lid 5, van verordening nr. 2261/84 en 6, lid 2, van verordening nr. 2959/82 de bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling terzake namelijk toe aan de Lid-Staten.
27 Deze uitlegging is in overeenstemming met de financieringsregels van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, volgens hetwelk de Gemeenschap de bevoegdheid inzake de toekenning van produktiesteun deelt met de Lid-Staten. De steunbedragen worden ter beschikking van de Lid-Staten gesteld, die voor het beheer ervan moeten zorgen en met name de voorwaarden moeten vaststellen voor de uitbetaling van de steun aan de begunstigden door hun interventiediensten of interventiebureaus.
28 Hieraan moet worden toegevoegd dat, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, een nationale regeling zoals thans in geding, de eenvormige toepassing en de doeltreffendheid van het gemeenschapsrecht niet aantast.
29 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat de gemeenschapsbepalingen betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en meer in het bijzonder verordeningen nrs. 2959/82 en 2261/84, zich er niet tegen verzetten, dat een nationale wettelijke regeling bepaalt, dat de bankrente die de toegekende bedragen tot de daadwerkelijke uitbetaling ervan aan de begunstigden eventueel hebben opgebracht, aan het nationale interventiebureau toekomt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Corte d' appello di Roma (eerste burgerlijke kamer) bij beschikking van 27 oktober 1992 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De gemeenschapsbepalingen inzake de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en meer in het bijzonder verordeningen (EEG) van de Raad nrs. 2959/82 van 4 november 1982 tot vaststelling voor het verkoopseizoen 1982/1983 van de algemene voorschriften inzake de produktiesteun voor olijfolie, en 2261/84 van 17 juli 1984 houdende algemene voorschriften inzake de toekenning van de produktiesteun voor olijfolie en de steun aan de producentenorganisaties, verzetten zich er niet tegen dat een nationale wettelijke regeling bepaalt, dat de bankrente die de toegekende bedragen tot de daadwerkelijke uitbetaling ervan aan de begunstigden eventueel hebben opgebracht, aan het nationale interventiebureau toekomt.
Full & Egal Universal Law Academy