Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten ° Verplichtingen ° Uitvoering van richtlijnen ° Niet-betwiste niet-nakoming
(EEG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-260/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door P. Duray, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4, Résidence Champagne,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB 1986, L 181, blz. 6), en/of door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 16 van die richtlijn en de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 februari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 april 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB 1986, L 181, blz. 6; hierna: de "richtlijn"), en/of door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 16 van die richtlijn en de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Zij wees erop, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 16 van de richtlijn verplicht waren, de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 17 juni 1989 aan de richtlijn te voldoen, en deze bepalingen aan de Commissie mee te delen.
3 In repliek erkende de Commissie, dat de richtlijn op het grondgebied van het Vlaamse Gewest is omgezet door de vaststelling van de artikelen 204, 205 en 210 van een besluit van de Vlaamse Executieve van 7 januari 1992, gewijzigd bij een besluit van dezelfde executieve van 31 juli 1992, die beide in het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt en aan de Commissie zijn meegedeeld. Zij besloot derhalve, de grief inzake de niet-omzetting van de richtlijn op het grondgebied van het Vlaamse Gewest te laten vallen.
4 Bij brief van 6 december 1993, ingeschreven ter griffie van het Hof op 7 december 1993, liet zij het Hof eveneens weten, dat zij na onderzoek tot de conclusie was gekomen, dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 augustus 1993 (blz. 18281), waarvan de tekst door het Koninkrijk België als bijlage bij de dupliek was meegedeeld, de richtlijn passend omzette voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
5 De Commissie achtte het daarom niet meer nodig, dat het Hof met betrekking tot dit gewest voor het verleden een niet-nakoming door het Koninkrijk België vaststelt. Derhalve liet zij de desbetreffende grief vallen.
6 Zij handhaafde evenwel de grieven inzake de niet-omzetting van de richtlijn op federaal niveau en in het Waalse Gewest.
7 Het Koninkrijk België betwist deze grieven niet. Het deelt het Hof evenwel mee, dat zowel op federaal niveau als in het Waalse Gewest de procedure tot omzetting van de richtlijn wordt voortgezet.
8 Uit een en ander volgt, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn op federaal niveau en in het Waalse Gewest de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van de richtlijn, de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
9 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn op federaal niveau en in het Waalse Gewest de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw, is het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy