Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Vrij verrichten van diensten ° Artsen ° Verkrijging van titel van specialist ° Verplichting om tijdens duur van opleiding bezoldiging te betalen beperkt tot medische specialismen die in alle dan wel in twee of meer Lid-Staten bestaan en die in artikel 5 of 7 van richtlijn 75/362 worden genoemd
(Richtlijnen van de Raad 75/362, art. 5 en 7, 75/363, art. 2, lid 1, sub c, en 82/76)
Samenvatting
De verplichting om een bezoldiging te betalen tijdens de duur van de opleiding voor medische specialismen, zoals voorzien in artikel 2, lid 1, sub c, van richtlijn 75/363 inzake de cooerdinatie van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, geldt enkel voor de medische specialismen die in alle dan wel in twee of meer Lid-Staten bestaan en die worden genoemd in artikel 5 of 7 van richtlijn 75/362 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen ter vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76.
De aan elke Lid-Staat geboden mogelijkheid om voor titels en diploma' s die voor één Lid-Staat specifiek zijn en die hij heeft besloten niet in de lijst van artikel 7 van richtlijn 75/362 op te nemen, zijn eigen opleidingseisen en erkenningsvoorwaarden te stellen, brengt namelijk de mogelijkheid mee om de bepalingen van artikel 2 van richtlijn 75/362 betreffende de minimum-opleidingseisen niet toe te passen.
Partijen
In zaak C-277/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues en A. Caeiro, juridisch adviseurs, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door A. J. Navarro González, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en A. Hierro Hernández-Mora, abogado del Estado, later vervangen door G. Calvo Díaz, abogado del Estado voor het Hof van Justitie, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Spaanse ambassade, Boulevard Emmanuel Servais 4-6,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door geen bezoldiging te betalen tijdens de opleidingsperiode die in Spanje wordt vereist ter verkrijging van de diploma' s voor de medische specialismen die worden genoemd in paragraaf 3 van de bijlage bij Real Decreto nr. 127/1984 van 11 januari 1984 inzake de specialistenopleiding en de verkrijging van het diploma van medisch specialist, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PB 1975, L 167, blz. 1), en richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts (PB 1975, L 167, blz. 14),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, R. Joliet, F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, J. L. Murray en D. A. O. Edward (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 21 juni 1994, waarbij de Commissie was vertegenwoordigd door J. L. Iglesias Buhigues en G. Berscheid, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 september 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 13 mei 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht, vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door geen bezoldiging te betalen tijdens de opleidingsperiode die in Spanje wordt vereist ter verkrijging van de diploma' s voor de medische specialismen die worden genoemd in paragraaf 3 van de bijlage bij Real Decreto nr. 127/1984 van 11 januari 1984 inzake de specialistenopleiding en de verkrijging van het diploma van medisch specialist, te weten stomatologie, medische hydrologie, ruimtegeneeskunde, sportgeneeskunde, forensische geneeskunde en arbeidsgeneeskunde, de krachtens de richtlijnen 75/362/EEG (PB 1975, L 167, blz. 1) en 75/363/EEG (PB 1975, L 167, blz. 14) van de Raad van 16 juni 1975 op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Richtlijn 75/362 (hierna: de "erkenningsrichtlijn") beoogt de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten. Richtlijn 75/363 (hierna: de "cooerdinatierichtlijn") beoogt de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts. Deze richtlijnen zijn gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG van de Raad van 26 januari 1982 (PB 1982, L 43, blz. 21; hierna: "richtlijn 82/76") en richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 (PB 1989, L 341, blz. 19).
3 De erkenningsrichtlijn onderscheidt drie mogelijkheden voor de erkenning van specialistendiploma' s. Wanneer het betrokken specialisme in alle Lid-Staten bestaat en in de lijst van artikel 5, lid 2, van deze richtlijn wordt vermeld, is de erkenning automatisch (artikel 4). Wanneer het specialisme in twee of meer Lid-Staten bestaat en in artikel 7, lid 2, wordt vermeld, is de erkenning tussen deze Lid-Staten onderling automatisch (artikel 6). Ten slotte bepaalt artikel 8, dat de ontvangende Lid-Staat voor de niet in artikel 5 of in artikel 7 vermelde specialismen aan de onderdanen van de Lid-Staten de opleidingseisen kan stellen die ter zake in zijn eigen wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen worden voorgeschreven, waarbij hij evenwel rekening dient te houden met de duur van de opleidingsperiode van deze onderdanen, waarvoor zij een opleidingstitel hebben ontvangen die door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst is afgegeven, wanneer deze overeenkomt met die welke in de ontvangende Lid-Staat voor de desbetreffende gespecialiseerde opleiding wordt vereist.
4 De cooerdinatierichtlijn voorziet met het oog op de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de specialist, in een zekere harmonisatie van de opleidingseisen en de toegang tot de verschillende medische specialismen.
5 In de tweede overweging van de considerans van deze richtlijn wordt verklaard, dat met het oog op de cooerdinatie van de opleidingseisen van de specialist "enige minimumcriteria moeten worden vastgesteld, zowel voor de toegang tot de gespecialiseerde opleiding als voor de minimumduur van deze opleiding, de wijze waarop en de plaats waar deze moet plaatsvinden, alsmede voor het toezicht dat erop moet worden uitgeoefend", en in de laatste zin wordt daaraan toegevoegd "dat deze criteria slechts betrekking hebben op die specialisaties die alle Lid-Staten dan wel twee of meer Lid-Staten gemeen hebben".
6 In artikel 2, lid 1, van de cooerdinatierichtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 9 van richtlijn 82/76, wordt in het bijzonder bepaald, dat de opleiding voor het behalen van een diploma, certificaat of andere titel van specialist aan de daarin genoemde voorwaarden moet voldoen. In het bepaalde sub c wordt onder meer verlangd, dat de opleiding "full-time is en onder controle staat van de bevoegde autoriteiten of instanties overeenkomstig het bepaalde in punt 1 van de bijlage". In dit punt 1 wordt bepaald, dat de opleiding van medische specialisten "op passende wijze bezoldigd moet worden".
7 In Spanje wordt in Real Decreto nr. 127/1984 met betrekking tot de specialistenopleiding en de verkrijging van het diploma van medisch specialist (BOE van 31.1.1984, blz. 2524) onderscheid gemaakt tussen twee categorieën van opleidingen: "intern" en "student". In paragraaf 3 van de bijlage bij dit decreet worden zes specialismen genoemd waarvoor geen opleiding in het ziekenhuis noodzakelijk is: stomatologie ("Estomatología"), medische hydrologie ("Hidrología"), ruimtegeneeskunde ("Medicina Espacial"), sportgeneeskunde ("Medicina de la Educación Física y del Deporte"), forensische geneeskunde ("Medicina Legal y Forense") en arbeidsgeneeskunde ("Medicina del Trabajo").
8 Krachtens artikel 13, lid 1, van de ministeriële besluiten van 28 juni 1990 en 31 juli 1991 betreffende de selectie-examens van respectievelijk 1990/1991 en 1991/1992 voor toelating tot de specialistenopleidingen in de daarvoor aangewezen centra en ziekenhuizen, geldt voor de artsen die in een van de genoemde medische specialismen een post hebben gekregen, "de regeling 'student' van de betrokken onderwijsinstelling en moeten zij de opleidingskosten zelf betalen zonder recht op enige bezoldiging".
9 De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Spanje, door te weigeren een bezoldiging te betalen tijdens de opleidingsperiode die in Spanje wordt vereist ter verkrijging van de in rechtsoverweging 7 genoemde medische specialismen, de krachtens de erkennings- en de cooerdinatierichtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
10 Het Koninkrijk Spanje betwist niet, dat het zijn verplichtingen niet is nagekomen met betrekking tot de stomatologie, een specialisme dat krachtens bijlage I, deel II, sub f, punt 1, sub b en d, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23), in artikel 7, lid 2 van de erkenningsrichtlijn als een door Spanje erkend specialisme wordt vermeld.
11 Daarentegen is het Koninkrijk Spanje van mening, dat het niet verplicht is, zijn regeling betreffende de voorwaarden en de duur van de artsenopleiding voor de vijf overige specialismen te wijzigen. De omschrijving "medicina del trabajo" (arbeidsgeneeskunde) wordt in artikel 7, lid 2, van de Spaanse versie van de erkenningsrichtlijn, zoals gewijzigd bij artikel 4, punt 23, sub a, van richtlijn 89/594, enkel als rubriek genoemd, doch hieruit blijkt niet, dat Spanje dit specialisme erkent. Voor de vier overige specialismen waarop deze zaak betrekking heeft en die in het geheel niet in de erkenningsrichtlijn worden genoemd, gelden de voorwaarden van artikel 2 van de cooerdinatierichtlijn niet.
12 Het Koninkrijk Spanje betwist de verklaring van de Commissie, dat de Lid-Staten krachtens artikel 2 van de cooerdinatierichtlijn verplicht zijn, tijdens de duur van de opleiding een bezoldiging te betalen voor alle medische specialismen, met inbegrip van die welke niet in de artikelen 5 en 7 van de erkenningsrichtlijn zijn vermeld.
13 Vooraf moet eraan worden herinnerd, dat de artikelen 4 en 6 van de erkenningsrichtlijn bepalen, dat door een Lid-Staat afgegeven specialistendiploma' s onder bepaalde voorwaarden door de andere Lid-Staten worden erkend. Deze erkenning onderstelt een cooerdinatie en harmonisatie van de opleidingseisen betreffende de betrokken specialismen.
14 Zo worden in artikel 2 van de cooerdinatierichtlijn de voorwaarden genoemd waaronder elke Lid-Staat een titel of diploma van specialist afgeeft, zodat de erkenning ervan door de overige Lid-Staten is verzekerd. Deze erkenning is automatisch en dwingend voor alle Lid-Staten ten aanzien van de in artikel 5 van de erkenningsrichtlijn genoemde titels of diploma' s van specialismen, terwijl ten aanzien van de in artikel 7 genoemde titels die erkenning enkel tussen de daargenoemde Lid-Staten plaatsvindt.
15 Met betrekking tot de specialismen die slechts in één Lid-Staat bestaan of die door deze Lid-Staat niet in de lijst van artikel 7 van de erkenningsrichtlijn zijn opgenomen, voorziet artikel 8 van deze richtlijn slechts in een erkenning die niet automatisch of dwingend is. De ontvangende Lid-Staat is enkel verplicht, de verzoeken om erkenning per geval te onderzoeken.
16 Zoals reeds gezegd (r.o. 13), dienen de cooerdinatie en de harmonisatie van de opleidingseisen voor de specialismen de erkenning van de specialismen te vergemakkelijken. De ontvangende Lid-Staat behoudt dus de mogelijkheid zijn eigen opleidingseisen te stellen voor de erkenning van titels of diploma' s die specifiek zijn voor zijn land, of die hij niet in de lijst van artikel 7 van de erkenningsrichtlijn heeft willen opnemen.
17 Aangezien de erkenning van dergelijke titels of diploma' s die specifiek zijn voor één Lid-Staat, niet dwingend is, kan de naleving van de in artikel 2 van de cooerdinatierichtlijn genoemde minimum-opleidingseisen evenmin verplicht worden geacht.
18 Deze uitlegging wordt bevestigd door de tweede overweging van de considerans van de cooerdinatierichtlijn, volgens welke de minimumcriteria voor de specialistenopleiding "slechts betrekking hebben op die specialisaties die alle Lid-Staten dan wel twee of meer Lid-Staten gemeen hebben".
19 Bovendien zij opgemerkt, dat deze overweging letterlijk is overgenomen in richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en de onderlinge erkenning van hun diploma' s, certificaten en andere titels (PB 1993, L 165, blz. 1, veertiende overweging).
20 Hieruit volgt, dat de in artikel 2, lid 1, sub c, van de cooerdinatierichtlijn voorziene verplichting om tijdens de duur van de specialistenopleiding een bezoldiging te betalen, slechts geldt voor specialismen die in alle Lid-Staten of in twee of meer Lid-Staten bestaan en in de artikelen 5 of 7 van de erkenningsrichtlijn zijn genoemd.
21 In casu staat vast, dat van de betrokken, in Spanje afgegeven specialistendiploma' s in artikel 7, lid 2, van de erkenningsrichtlijn enkel stomatologie ("Estomatología") als een in dit land erkend specialisme wordt genoemd. Daarentegen wordt "Medicina del Trabajo" (arbeidsgeneeskunde) in de Spaanse versie van dezelfde bepaling enkel als rubriek vermeld, terwijl Spanje niet voorkomt in de lijst van Lid-Staten die dit specialisme erkennen. De vier overige specialismen, te weten medische hydrologie, ruimtegeneeskunde, sportgeneeskunde en forensische geneeskunde, worden in die richtlijn zelfs niet als rubriek vermeld. Spanje is dus niet verplicht, tijdens de duur van de opleidingen voor deze specialismen een bezoldiging te betalen.
22 Uit het voorgaande volgt, dat het Koninkrijk Spanje door geen bezoldiging te betalen tijdens de opleidingsperiode die in Spanje wordt vereist ter verkrijging van het diploma voor stomatologie ("Estomatología"), de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de richtlijnen 75/362/EEG en 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG van de Raad van 26 januari 1982.
23 Met betrekking tot de vijf overige specialismen wordt het beroep verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk Spanje ten aanzien van een van de middelen in het ongelijk is gesteld en de Commissie ten aanzien van de overige middelen, dient elk der partijen haar eigen kosten te dragen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door tijdens de opleidingsperiode die in Spanje wordt vereist ter verkrijging van het specialistendiploma stomatologie ("Estomatología"), geen bezoldiging te betalen, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, en richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechterlijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts, zoals gewijzigd bij richtlijn 82/76/EEG van de Raad van 26 januari 1982.
2) Het beroep wordt voor het overige verworpen.
3) De kosten worden gecompenseerd.
Full & Egal Universal Law Academy