Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Rechtstreekse verkoop aan consument ° Begrip ° Levering, tegen indirecte betaling, van melk aan leerlingen van internaat dat door dezelfde instelling wordt beheerd als producerend landbouwbedrijf ° Daaronder begrepen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 12, sub h)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld ° Onmogelijkheid te voldoen aan aanvraag tot registratie met oog op toewijzing van referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop, die na verstrijken van gestelde termijn is ingediend ° Evenredigheidsbeginsel ° Schending ° Geen
(Verordening nr. 857/84 van de Raad, art. 6, lid 2, en bijlage; verordeningen van de Commissie nr. 1371/84, art. 4, lid 1, tweede alinea, en lid 4, sub a, en nr. 1546/88)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld ° Toewijzing, ondanks te late aanvraag, van referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop op grond van beginsel van herstel in vroegere toestand bij verschoonbare dwaling ° Toepassing van nationaal recht ° Voorwaarden en grenzen
(Verordening nr. 1371/84 van de Commissie, art. 4, lid 1)
Samenvatting
1. Gelet op de tekst van artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84, gelezen in samenhang met het bepaalde sub c van hetzelfde artikel, en gelet op het oogmerk van de extra-heffingsregeling, dat verlangt dat rekening wordt gehouden met alle geproduceerde hoeveelheden die op een of andere wijze in het verkeer worden gebracht en aldus vraag en aanbod beïnvloeden, moet genoemde bepaling aldus worden uitgelegd, dat de levering van melk door een landbouwbedrijf aan scholieren en internaatspupillen, waarbij de prijs van de melk indirect wordt betaald door doorberekening in het kostgeld, moet worden aangemerkt als rechtstreekse verkoop in de zin van die bepaling en niet als eigen verbruik, ook wanneer het landbouwbedrijf, de school en het internaat door dezelfde instelling worden beheerd.
2. Aan de geldigheid van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, volgens hetwelk aanvragen om registratie met het oog op toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop van melk binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat dat artikel uitsluit, dat na afloop van die termijn rekening wordt gehouden met latere wijzigingen in de economische behoeften van het bedrijf van de producent.
De verplichting om een aanvraag binnen de gestelde termijn in te dienen, welke een rationeel en doeltreffend beheer van de extra-heffingsregeling beoogt te verzekeren, voldoet aan de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, en met name aan het evenredigheidsbeginsel. Zij kon immers passend en noodzakelijk worden geacht om de totale behoefte aan referentiehoeveelheden te kunnen voorzien en te verzekeren dat zij niet werden overschreden.
3. Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de extra heffing op melk, moet aldus worden uitgelegd, dat aan een producent die door een verschoonbare dwaling de in die bepaling gestelde termijn voor indiening van aanvragen om registratie met het oog op toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop heeft overschreden, op grond van het beginsel van herstel in de vroegere toestand en volgens de nationale rechtsregels een referentiehoeveelheid kan worden toegewezen, mits die nationale regels niet anders worden toegepast dan in het geval van overschrijding van nationale termijnen, noch op een wijze die afbreuk doet aan de doelstellingen van het melkquotastelsel.
Partijen
In zaak C-285/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Dominikanerinnen-Kloster Altenhohenau
en
Hauptzollamt Rosenheim,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 12, sub h, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), alsmede over de uitlegging en de geldigheid, met name in het licht van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht, van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extraheffing (PB 1984, L 132, blz. 11),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. Hirsch (rapporteur), kamerpresident, G. F. Mancini en F. A. Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal: G. Cosmas
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verweerder in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A. Mair, Zollamtsrat bij de Oberfinanzdirektion Muenchen, als gemachtigde, en de Commissie ter terechtzitting van 30 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 april 1993, ingekomen bij het Hof op 17 mei daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 12, sub h, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), alsmede over de uitlegging en de geldigheid, met name in het licht van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extraheffing (PB 1984, L 132, blz. 11).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen het Dominikanerinnen-Kloster Altenhohenau en het Hauptzollamt Rosenheim over de toewijzing van een referentiehoeveelheid voor de rechtstreekse verkoop van in het landbouwbedrijf van het klooster geproduceerde melk die voorheen bestemd was om te worden verstrekt aan de leerlingen van de lagere school en de pupillen van het internaat die eveneens door het klooster werden beheerd.
3 Na de invoering van de extraheffing op melk bij verordening (EEG) nr. 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10), waarvan de algemene toepassingsvoorschriften zijn vervat in verordening nr. 857/84, werd aan verzoeker in het hoofdgeding een referentiehoeveelheid voor de levering van 68 262 liter melk toegewezen, die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 857/84 overeenkwam met zijn rechtstreekse verkoop in het kalenderjaar 1981, verhoogd met 1 %.
4 Naast die hoeveelheid leverde het landbouwbedrijf van het klooster tot de sluiting van de school en het internaat aan het einde van het schooljaar 1991/1992 jaarlijks 22 000 à 26 000 liter melk aan ongeveer 120 à 135 scholieren en pupillen, alsook in geringere mate aan het kloosterpersoneel. De aan de pupillen berekende prijs van de melk was begrepen in het kostgeld.
5 Om te kunnen bestaan van het landbouwbedrijf, dat zijn voornaamste bron van inkomsten was geworden, vergrootte het klooster na de sluiting van de school en het internaat dat bedrijf door aankoop van grond in 1989 en door een in 1991 voltooide uitbreiding. In het kader van deze herstructurering verzocht het verweerder op 2 december 1991 om toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop, op de grondslag van de in 1981 aan het internaat geleverde hoeveelheid melk. Bij beschikking van 16 januari 1992 wees verweerder deze aanvraag af, omdat het klooster ze niet binnen de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 bepaalde termijn had ingediend.
6 Daarop heeft het klooster bij het Finanzgericht Muenchen beroep ingesteld tegen het Hauptzollamt, waarbij het in wezen betoogt, dat de toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop voor hem van levensbelang is.
7 Van oordeel dat de beslissing afhangt van de uitlegging en geldigheid van het betrokken gemeenschapsrecht, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1) Moet artikel 12, sub h (rechtstreekse verkoop), van verordening (EEG) nr. 857/84 aldus worden uitgelegd, dat hieronder ook valt de levering van melk door een landbouwbedrijf aan een door dezelfde instelling beheerd internaat, wanneer de melk tegen vergoeding aan de pupillen wordt verstrekt?
Zo ja,
2) Is artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 geldig, voor zover het bepaalt, dat de termijn voor registratie van referentiehoeveelheden voor rechtstreekse verkoop in het jaar 1984 afloopt, zonder rekening te houden met wijzigingen die na afloop van die termijn in de afzetbehoeften van het bedrijf optreden?
3) Kan aan een melkproducent die de in artikel 4, lid 1, genoemde termijn heeft overschreden, bij wege van herstel in de oude toestand of op grond van andere algemene beginselen van gemeenschapsrecht niettemin een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop worden toegewezen, wanneer men in aanmerking neemt dat een tijdig ingediende aanvraag volgens de praktijk van de bevoegde overheidsinstantie zou zijn afgewezen?"
8 Het Finanzgericht zet in de eerste plaats uiteen, dat ook indien de melkverkoop aan de scholieren niet als rechtstreekse verkoop werd beschouwd, toch aan de voorwaarden van artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84 is voldaan, aangezien het ter fine van artikel 12 geen verschil uitmaakt, of de melk direct dan wel indirect, dat wil zeggen via doorberekening in het kostgeld, wordt verkocht. Daarmee verwerpt het verweerders stelling, dat het in casu om "eigen verbruik" ging en dat verzoeker voor deze hoeveelheden dus niet de hoedanigheid van landbouwexploitant in de zin van de verordening had.
9 In de tweede plaats stelt het Finanzgericht vast, dat waar de termijn van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 was verstreken, de aanvraag van het klooster moest worden afgewezen. Maar omdat deze bepaling geen enkele afwijking na afloop van de termijn toelaat en er dus geen rekening kon worden gehouden met de gewijzigde behoeften van het klooster, twijfelt het Finanzgericht aan de geldigheid ervan.
10 Ten slotte heeft het Finanzgericht, ook indien artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 als geldig werd beschouwd, twijfels omtrent de gegrondheid van de afwijzing van de aanvraag van het klooster. Ook bij tijdige indiening ervan zou verweerder in het hoofdgeding ze immers hebben afgewezen op grond dat het om eigen verbruik en niet om rechtstreekse verkoop ging. Onder deze omstandigheden is de verwijzende rechter, om de vordering van het klooster te kunnen toewijzen, voornemens het ook in het gemeenschapsrecht geldende beginsel van herstel in de vroegere toestand toe te passen.
De eerste vraag
11 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84 aldus moet worden uitgelegd, dat de levering van melk door een landbouwbedrijf aan de scholieren en de pupillen van een internaat, waarbij de prijs van de melk indirect wordt betaald door doorberekening in het kostgeld, moet worden aangemerkt als rechtstreekse verkoop in de zin van deze bepaling dan wel als eigen verbruik, wanneer het landbouwbedrijf, de school en het internaat door dezelfde instelling worden beheerd.
12 Van belang is niet slechts de tekst van artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84, maar ook die van artikel 12, sub c, van deze verordening.
Artikel 12, aanhef en sub c en h, van verordening nr. 857/84 luidt als volgt:
"In de zin van deze verordening wordt verstaan onder:
(...)
c) producent: de landbouwexploitant, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke of rechtspersonen, waarvan het bedrijf op het geografische grondgebied van de Gemeenschap is gevestigd,
° die melk of andere zuivelprodukten rechtstreeks aan de consument verkoopt,
° en/of levert aan de koper;
(...)
h) rechtstreeks aan de consument verkochte melk of melkequivalent: de melk of de zuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die zonder tussenkomst van een bedrijf dat melk of andere zuivelprodukten bewerkt of verwerkt, worden verkocht."
13 Blijkens de tekst van artikel 12, sub h, juncto artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84, is er sprake van rechtstreekse verkoop aan de consument wanneer de melk door de producent aan een derde wordt verkocht zonder tussenkomst van een bedrijf dat de melk bewerkt of verwerkt. Rechtstreekse verkoop aan de consument in de zin van artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84 onderstelt dus enkel de overdracht onder bezwarende titel van melk door de producent aan een derde, ongeacht de betalingswijze.
14 De stelling van verweerder in het hoofdgeding, dat het om eigen verbruik ging en het klooster dus niet de hoedanigheid van producent in de zin van artikel 12, sub c, van verordening nr. 857/84 had, vindt dus geen enkele steun in de regeling betreffende de extra heffing op melk. Indien onder eigen verbruik verstrekking ter plaatse wordt verstaan, dan moet erop worden gewezen, dat deze voorwaarde niet in artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84 voorkomt. Gaat men ervan uit, dat het begrip eigen verbruik impliceert dat men zijn eigen produktie verbruikt, dan kan worden volstaan met vast te stellen, dat de door de scholieren verbruikte melk niet door hen werd geproduceerd, maar door het landbouwbedrijf van verzoeker.
15 Deze uitlegging van het begrip rechtstreekse verkoop in de zin van artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84 vindt bevestiging in het doel van de extra-heffingsregeling. Volgens vaste rechtspraak is deze immers bedoeld om het evenwicht tussen vraag en aanbod op de door structurele overschotten gekenmerkte zuivelmarkt te herstellen door een beperking van de melkproduktie (zie met name arrest van 17 mei 1988, zaak 84/87, Erpelding, Jurispr. 1988, blz. 2647, r.o. 26). Dit doel kan dus slechts worden bereikt, indien rekening wordt gehouden met alle geproduceerde hoeveelheden die op een of andere wijze in het verkeer worden gebracht en aldus vraag en aanbod beïnvloeden.
16 Op de eerste vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 12, sub h, van verordening nr. 857/84 aldus moet worden uitgelegd, dat de levering van melk door een landbouwbedrijf aan scholieren en internaatspupillen, waarbij de prijs van de melk indirect wordt betaald door doorberekening in het kostgeld, moet worden aangemerkt als rechtstreekse verkoop in de zin van die bepaling, ook wanneer het landbouwbedrijf, de school en het internaat door dezelfde instelling worden beheerd.
De tweede vraag
17 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 ongeldig is voor zover het uitsluit, dat na afloop van de registratietermijn voor toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop rekening wordt gehouden met latere wijzigingen in de economische behoeften van het bedrijf van de producent.
18 De nationale rechter gaat ervan uit, dat een producent krachtens de betrokken gemeenschapsregeling na afloop van de termijn van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 geen aanspraak meer kan maken op een referentiehoeveelheid op basis van zijn rechtstreekse melkverkoop tijdens het referentiejaar.
19 Volgens de betrokken regeling immers wordt aan een melkproducent slechts een dergelijke individuele referentiehoeveelheid ingevolge artikel 6, lid 1, van verordening nr. 857/84 toegewezen, indien hij overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea, van verordening nr. 1371/84 binnen de gestelde termijn een aanvraag tot registratie indient, te zamen met een staat waarin de aard en de hoeveelheid van de rechtstreekse verkopen zijn vermeld. Dus ook al beschikken de Lid-Staten over een zekere marge bij de vaststelling van de uiterste datum voor de aanvraag, elke aanvraag die na de in artikel 4, lid 1, tweede alinea, van verordening nr. 1371/84 bepaalde datum wordt ingediend, moet worden afgewezen. Die datum is de 1e september 1984, welke voor de door verzoeker op 2 december 1991 ingediende aanvraag is verschoven naar de 31e december 1984 bij artikel 5, lid 1, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extraheffing (PB 1988, L 139, blz. 12), waarbij verordening nr. 1371/84 is ingetrokken. Bijgevolg is toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop ook uitgesloten, in het geval waarin de producent later economisch behoefte heeft aan toewijzing van een referentiehoeveelheid waarop hij vóór afloop van de betrokken termijn aanspraak had kunnen maken.
20 Ook uit het doel van het stelsel volgt, dat na de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 bedoelde uiterste datum geen referentiehoeveelheid meer kan worden toegewezen. Het vereiste, dat de aanvraag binnen de gestelde termijn moet worden ingediend, dient om, wat de ingevolge artikel 6, lid 2, van verordening nr. 857/84 en haar bijlage aan elke Lid-Staat toegewezen totale hoeveelheid betreft, een rationeel en doeltreffend beheer van de regeling te verzekeren, opdat men tijdig kan voorzien welke behoeften er bestaan ter zake van de toewijzing van referentiehoeveelheden, en kan beoordelen of er overeenkomstig artikel 4, lid 4, sub a, van verordening nr. 1371/84 een correctie nodig is teneinde de totale hoeveelheid niet te overschrijden. Wat de individuele producent betreft, stelt deze voorwaarde de bevoegde autoriteit in staat, de juiste referentiehoeveelheid te bepalen waarop hij aanspraak heeft op basis van zijn rechtstreekse verkoop in het referentiejaar.
21 Deze uitlegging van de litigieuze regeling is in overeenstemming met de vereisten van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht en met name het evenredigheidsbeginsel.
22 Wat meer in het bijzonder dit laatste beginsel betreft, lijkt de regeling inzake de aanvraag om registratie adequaat te zijn en kon zij door de Commissie noodzakelijk worden geacht voor de verwezenlijking van de in rechtsoverweging 20 beschreven legitieme doelstellingen, te weten de mogelijkheid de totale behoefte aan referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop te voorzien en te verzekeren dat deze hoeveelheid niet wordt overschreden door toepassing van een uniform percentage als bedoeld in artikel 4, lid 4, sub a, van verordening nr. 1371/84.
23 Bovendien moet worden opgemerkt, dat een wijziging achteraf van de referentiehoeveelheid na afloop van de termijnen de belangen van de producenten die binnen de gestelde termijn referentiehoeveelheden hebben aangevraagd, zou kunnen schaden. Om zijn totale referentiehoeveelheid niet te overschrijden, zou een Lid-Staat dan gedwongen kunnen zijn, de reeds toegewezen referentiehoeveelheden met terugwerkende kracht te verminderen.
24 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld, dat bij onderzoek van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84, voor zover het uitsluit dat na afloop van de registratietermijn voor toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop rekening wordt gehouden met latere wijzigingen in de economische behoeften van het bedrijf van de producent, niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
De derde vraag
25 Met deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 aldus moet worden uitgelegd, dat aan een producent die de in deze bepaling gestelde termijn heeft overschreden, nadien toch een referentiehoeveelheid kan worden toegewezen krachtens het beginsel van herstel in de vroegere toestand, op grond dat een tijdig ingediende aanvraag wegens een door de bevoegde autoriteit gevolgde onjuiste administratieve praktijk hoe dan ook zou zijn afgewezen.
26 Allereerst zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 27 mei 1993 (zaak C-290/91, Peter, Jurispr. 1993, blz. I-2981, r.o. 8) heeft verklaard, dat "overeenkomstig de algemene beginselen waarop de Gemeenschap is gebaseerd en die de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten beheersen, het ingevolge artikel 5 EEG-Verdrag de taak van de Lid-Staten is de uitvoering van de gemeenschapsregelingen op hun grondgebied te verzekeren. Voor zover het gemeenschapsrecht, daaronder begrepen de algemene beginselen ervan, hiervoor geen gemeenschappelijke voorschriften bevat, gaan de nationale autoriteiten bij de uitvoering van die regelingen te werk volgens de formele en materiële bepalingen van hun nationaal recht, met dien verstande, dat die nationale regels verenigbaar moeten zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht, hetgeen noodzakelijk is om ongelijke behandeling van de marktdeelnemers te voorkomen. Bovendien mogen die regels er niet toe leiden, dat de uitvoering van de gemeenschapsregeling praktisch onmogelijk wordt (zie in deze zin arrest van 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr. 1983, blz. 2633, r.o. 17 en 19)."
27 Het gemeenschapsrecht kent het begrip verschoonbare dwaling, op grond waarvan herstel in de vroegere toestand mogelijk is indien de dwaling ten aanzien van de termijnen verschoonbaar is (zie laatstelijk arrest Gerecht van 15 maart 1995, zaak T-514/93, Cobrecaf e.a., Jurispr. 1995, blz. II-621, r.o. 40, en arrest Hof van 15 december 1994, zaak C-195/91 P, Bayer, Jurispr. 1994, blz. I-5619, r.o. 26). Dit begrip heeft betrekking op uitzonderlijke omstandigheden, waarin met name de betrokken instelling zich heeft gedragen op een wijze die ° op zich of althans in beslissende mate ° de justitiabele in verwarring kon brengen. Deze regel heeft echter slechts toepassing gevonden op gebieden van gemeenschapsrecht ° zoals die van het Europese ambtenarenrecht of het mededingingsrecht ° waar de taak om de gemeenschapsregelingen uit te voeren, enkel bij de gemeenschapsinstellingen berustte.
28 Voor de tenuitvoerlegging van het melkquotastelsel zijn daarentegen de nationale autoriteiten bevoegd. Het gemeenschapsrecht bevat dan ook geen specifieke bepalingen voor het geval dat bij de tenuitvoerlegging ervan een termijn wordt overschreden ten gevolge van een verschoonbare dwaling. Volgens de tweede alinea van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 en de tweede alinea van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 1546/88 zijn de Lid-Staten bevoegd de respectieve data vast te stellen, die evenwel niet later dan een bepaalde uiterste datum mogen liggen. De nationale autoriteiten moeten derhalve vragen die bij overschrijding van de termijn voor de registratieaanvraag rijzen, volgens hun eigen recht oplossen.
29 Volgens het arrest Peter (reeds aangehaald) is het herstel in de vroegere toestand evenwel afhankelijk van twee voorwaarden, teneinde de verschillen tussen de nationale wetgevingen der Lid-Staten bij de toepassing van de gemeenschapsregeling te verkleinen en de eenvormige tenuitvoerlegging van het heffingstelsel te waarborgen. Een van die voorwaarden is, dat de toepassing van het beginsel geen afbreuk mag doen aan de doelstellingen van het bij verordening nr. 856/84 ingevoerde melkquotastelsel.
30 De nationale rechter moet de feiten van het hoofdgeding derhalve beoordelen in de context van de in rechtsoverweging 15 genoemde doelstellingen. Daarbij valt met name op te merken, dat de producent er blijkbaar door de administratieve praktijk van de bevoegde autoriteit toe is gebracht, geen aanvraag om registratie in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 binnen de gestelde termijn in te dienen. Ondanks het feit dat hij niet over een melkquotum beschikte, is de producent echter na de invoering van het quotastelsel en tot het moment waarop hij zijn thans in het hoofdgeding omstreden late registratieaanvraag indiende, hoeveelheden melk aan de scholieren blijven verkopen en daaruit inkomsten blijven trekken zonder dat de bevoegde autoriteit ingreep. De producent heeft zich dus gedragen alsof hij in een reguliere situatie verkeerde.
31 Mitsdien moet op de derde prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 aldus moet worden uitgelegd, dat aan een producent die de in deze bepaling gestelde termijn heeft overschreden, krachtens het beginsel van herstel in de vroegere toestand en volgens de nationale rechtsregels een referentiehoeveelheid kan worden toegewezen, mits de nationale regel niet anders wordt toegepast dan in het geval van overschrijding van de nationale termijnen, noch op een wijze die afbreuk doet aan de doelstellingen van het melkquotastelsel.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
32 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 6 april 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 12, sub h, van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, moet aldus worden uitgelegd, dat de levering van melk door een landbouwbedrijf aan scholieren en internaatspupillen, waarbij de prijs van de melk indirect wordt betaald door doorberekening in het kostgeld, moet worden aangemerkt als rechtstreekse verkoop in de zin van die bepaling, ook wanneer het landbouwbedrijf, de school en het internaat door dezelfde instelling worden beheerd.
2) Bij onderzoek van artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing, voor zover het uitsluit dat na afloop van de registratietermijn voor toewijzing van een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkoop, rekening wordt gehouden met latere wijzigingen in de economische behoeften van het bedrijf van de producent, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan kunnen aantasten.
3) Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1371/84 moet aldus worden uitgelegd, dat aan een producent die de in deze bepaling gestelde termijn heeft overschreden, krachtens het beginsel van herstel in de vroegere toestand en volgens de nationale rechtsregels een referentiehoeveelheid kan worden toegewezen, mits de nationale regel niet anders wordt toegepast dan in het geval van overschrijding van nationale termijnen, noch op een wijze die afbreuk doet aan de doelstellingen van het melkquotastelsel.
Full & Egal Universal Law Academy