Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep wegens niet-nakoming - Arrest van Hof, waarbij niet-nakoming wordt vastgesteld - Uitvoeringstermijn
(EEG-Verdrag, art. 171)
Samenvatting
De rechtstreekse en eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht vereist, dat onmiddellijk een begin wordt gemaakt met de uitvoering van een arrest houdende vaststelling van een niet-nakoming door een Lid-Staat, en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid.
Partijen
In zaak C-291/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Di Bucci, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door P. G. Ferri, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade, Rue Marie-Adélaïde 5,
verweerster,
betreffende een verzoek tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek, door niet alle maatregelen te nemen die ter uitvoering van 's Hofs arrest van 12 juli 1988 (zaak 322/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 3995) vereist zijn, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur) en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 25 januari 1994, waarbij de Italiaanse Republiek vertegenwoordigd was door D. del Gaizo, avvocato dello Stato,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 februari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 18 mei 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het Hof krachtens artikel 169 EEG-Verdrag verzocht vast te stellen, dat de Italiaanse Republiek, door niet alle maatregelen te nemen die ter uitvoering van 's Hofs arrest van 12 juli 1988 (zaak 322/86, Commissie/Italië, Jurispr. 1988, blz. 3995) vereist zijn, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 In dat arrest had het Hof vastgesteld, dat de Italiaanse Republiek, "door niet binnen de gestelde termijn de nodige bepalingen vast te stellen om te voldoen aan richtlijn 78/659/EEG van de Raad van 18 juli 1978 betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen, (...) de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet [is] nagekomen".
3 Daar zij geen mededeling had ontvangen betreffende de maatregelen die de Italiaanse Republiek ter uitvoering van dat arrest had moeten nemen, leidde de Commissie de procedure van artikel 169 van het Verdrag in.
4 In de loop van die procedure werd door de Italiaanse Republiek op 25 januari 1992 besluitwet nr. 130 houdende tenuitvoerlegging van voornoemde richtlijn vastgesteld (gewoon supplement nr. 34 bij GURI nr. 41 van 19.2.1992, met rectificaties in nr. 121 van 25.5.1992 en nr. 175 van 27.7.1992).
5 Van oordeel dat voornoemd arrest van het Hof bij die besluitwet niet volledig was uitgevoerd, heeft de Commissie het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld.
6 De Commissie herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arrest van 19 januari 1993, zaak C-101/91, Commissie/Italië, Jurispr. 1993, blz. I-191, r.o. 20) artikel 171 EEG-Verdrag weliswaar niet bepaalt binnen welke termijn aan een arrest uitvoering moet worden gegeven, doch dat het belang van een rechtstreekse en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht vereist, dat met die uitvoering onmiddellijk een begin wordt gemaakt en dat zij zo snel mogelijk wordt voltooid.
7 Zij stelt, dat de Italiaanse Republiek nog niet heeft voldaan aan de verplichting wateren aan te wijzen (artikel 4 van de richtlijn) noch aan de verplichting programma' s op te stellen ten einde de verontreiniging te verminderen (artikel 5 van de richtlijn), om welke verplichtingen het reeds ging bij de in voornoemd arrest vastgestelde niet-nakoming.
8 De Italiaanse Republiek betwist de verweten niet-nakoming niet.
9 Mitsdien moet deze worden vastgesteld overeenkomstig de termen van de conclusies van de Commissie.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
10 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten verwezen. Daar de Italiaanse Republiek in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet alle maatregelen te nemen die ter uitvoering van 's Hofs arrest van 12 juli 1988 (zaak 322/86, Commissie/Italië) vereist zijn, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy