Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Verbod van verkoop van edelmetalen werken die niet door onafhankelijke instantie van wettelijk stempelmerk zijn voorzien ° Toepassing op uit andere Lid-Staten ingevoerde soortgelijke werken ° Toelaatbaarheid ° Voorwaarden ° Beoordeling door nationale rechter ° Toepassing van verbod van verkoop van dergelijke werken die vervaardigingsdatum niet vermelden, op importen ° Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 30)
Samenvatting
Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die de verkoop van edelmetalen werken zonder een aan de eisen van die regeling beantwoordend gehaltemerk verbiedt wanneer die werken niet overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staat van uitvoer zijn voorzien van een stempelmerk dat informatie verschaft die gelijkwaardig is aan de door de regeling van de Lid-Staat van invoer voorgeschreven stempelmerken en begrijpelijk is voor de consument in die staat. Wanneer een nationale regeling eist, dat het stempelmerk wordt aangebracht door een onafhankelijke instantie, kan de verhandeling van edelmetalen werken die uit andere Lid-Staten zijn ingevoerd, voorts worden verboden wanneer die werken niet in de Lid-Staat van uitvoer door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
De feitelijke beoordeling die noodzakelijk is om vast te stellen, of er sprake is van gelijkwaardigheid van de door het stempelmerk verschafte informatie, behoort tot de taak van de nationale rechter, die tevens heeft na te gaan, of de edelmetalen werken in de Lid-Staat van uitvoer door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
Artikel 30 verzet zich evenwel tegen de toepassing van een nationale regeling houdende verbod op de verhandeling van edelmetalen werken die de vervaardigingsdatum niet vermelden, maar zijn ingevoerd uit andere Lid-Staten waar zij zonder deze aanduiding rechtmatig worden verhandeld.
Partijen
In zaak C-293/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen (Nederland), in de aldaar dienende strafzaak tegen
L. N. B. Houtwipper,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), kamerpresident, R. Joliet, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° L. N. B. Houtwipper,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. G. Lammers als gemachtigde,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door D. Raptis, juridisch adviseur van de staat, en F. Dedoussi, procesgemachtigde van de juridische dienst van de staat, als gemachtigden,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, secretaris Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
° de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes, directeur bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en M. Afonso, jurist bij het directoraat-generaal Europese Gemeenschappen van dit ministerie, als gemachtigden,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. D. Colahan van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur H. van Lier en V. Melgar, nationaal ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van L. N. B. Houtwipper; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door J. S. van den Oosterkamp, assistent juridisch adviseur, als gemachtigde; de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, assistent juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en F. Dedoussi, als gemachtigden; de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance als gemachtigde; de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Fernandes als gemachtigde; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. D. Colahan als gemachtigde, bijgestaan door N. Green, Barrister, en de Commissie, vertegenwoordigd door P. van Nuffel, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 14 april 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 17 mei 1993, ingekomen bij het Hof op 24 mei daaraanvolgend, heeft de Arrondissementsrechtbank te Zutphen (Nederland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, om te kunnen beoordelen of de Waarborgwet 1986 (hierna: "Waarborgwet") verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een voor de Arrondissementsrechtbank te Zutphen tegen Houtwipper ingestelde strafvervolging ter zake van het in bezit hebben van of handel drijven met gouden en zilveren ringen die niet waren voorzien van de in de Waarborgwet vereiste keurmerken.
3 Artikel 1 Waarborgwet bepaalt, dat werken van edele metalen de volgende "gehalten" (de gebruikte hoeveelheid fijn edelmetaal) moeten hebben:
° platina: 950 duizendsten;
° goud: 916, 833, 750 en 585 duizendsten;
° zilver: 925, 835 en 800 duizendsten.
4 Volgens hetzelfde artikel worden deze "gehalten" gewaarborgd door overeenkomstig deze wet geplaatste keurmerken.
5 Artikel 7 regelt de aanwijzing van een rechtspersoon die tot taak heeft de hierboven genoemde gehalten te controleren, de werken van stempelmerken te voorzien en op de naleving van de geldende voorschriften toe te zien, een en ander in volledige onafhankelijkheid.
6 De artikelen 9 en 10 bepalen, dat werken van edele metalen moeten worden gestempeld met i) het gehaltemerk, ii) het merk van het waarborgkantoor waar de stempeling is geschied, iii) het jaarlettermerk, iv) een gewichtaanduidend merk voor werken welke uit meer dan een niet voor afzonderlijke stempeling vatbare stukken bestaan.
7 Artikel 30, lid 1, bepaalt:
"Geen ondernemer mag enig voltooid platina, gouden of zilveren werk, dat op grond van het bij of krachtens deze wet bepaalde moet zijn gewaarborgd, in zijn bezit hebben of daarmee handel drijven, tenzij dat werk is voorzien van de vereiste stempelmerken (...)"
8 Artikel 48 voorziet in een uitzondering op de keurstempelplicht voor edelmetalen werken die zijn ingevoerd uit België of Luxemburg en daar van staatswege van stempelmerken waren voorzien.
9 Van oordeel, dat de Waarborgwet een verbod impliceert op het verhandelen van in Nederland ingevoerde gouden en zilveren voorwerpen die niet zijn voorzien van een Nederlands, Belgisch of Luxemburgs waarborgmerk, ook al zijn zij wel voorzien van keurmerken uit andere Lid-Staten, heeft de nationale rechter het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is een regeling als vervat in artikel 30 van de Waarborgwet 1986 (Stb. 38/1987) geldig in het licht van de artikelen 30 en 36 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (Verdrag van 25 maart 1957, Trb. 1957, 74 en 91)?"
10 Het antwoord op deze vraag kan slechts worden gegeven op basis van artikel 30 EEG-Verdrag; artikel 36 speelt geen rol, aangezien maatregelen als voorgeschreven in de betrokken regeling niet vallen onder het toepassingsgebied van de in artikel 36 limitatief opgesomde uitzonderingen (zie arrest van 22 juni 1982, zaak 220/81, Robertson, Jurispr. 1982, blz. 2349, r.o. 8).
11 Overeenkomstig de "Cassis de Dijon"-rechtspraak (arrest van 20 februari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr. 1979, blz. 649) vormen door artikel 30 verboden maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen, belemmeringen van het vrije verkeer van goederen, die bij ontbreken van harmonisering van de wettelijke regelingen het gevolg zijn van de toepassing op goederen uit andere Lid-Staten, waar deze rechtmatig zijn geproduceerd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen (bij voorbeeld ter zake van hun benaming, vorm, afmetingen, gewicht, samenstelling, aanbieding ten verkoop, etikettering en verpakking), ook al zijn die voorschriften zonder onderscheid van toepassing op alle produkten, indien toepassing daarvan niet kan worden gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang die voorrang heeft boven de vereisten van het vrije verkeer van goederen.
12 De markt van edelmetalen werken is onderworpen aan uiteenlopende nationale regelingen, met name op het punt van de toegelaten gehalten, het type en het aantal stempelmerken, de toleranties voor de percentages edele metalen die in legeringen zijn verwerkt, en de methoden voor controle van de stempelmerken.
13 Wanneer dergelijke regelingen ° zoals de Waarborgwet ° eisen, dat edelmetalen werken die zijn ingevoerd uit andere Lid-Staten, waar zij rechtmatig in het verkeer zijn gebracht en overeenkomstig de wetgeving van die staten zijn gewaarmerkt, in de Lid-Staat van invoer opnieuw van een stempelmerk worden voorzien, maakt dit de import moeilijker en duurder. Zoals de Duitse regering heeft opgemerkt, impliceert dit immers de tussenkomst van een importeur, de betaling van een vergoeding aan de keuringsinstantie en vertraging in de verhandeling van de produkten, hetgeen gevolgen heeft voor de kostprijs ervan.
14 De verplichting voor de importeur om op edelmetalen werken een stempelmerk te laten aanbrengen dat het gehalte, dat wil zeggen de gebruikte hoeveelheid fijn edelmetaal, aangeeft, verzekert in beginsel echter een doeltreffende bescherming van de consument en bevordert de eerlijkheid van de handelstransacties. Aangezien de consument immers niet in staat is, op het oog of door betasten het precieze zuiverheidsgehalte van een edelmetalen voorwerp vast te stellen, kan hij, wanneer het stempelmerk ontbreekt, bij de aankoop van een dergelijk voorwerp gemakkelijk op een dwaalspoor worden gebracht.
15 Het Hof heeft daarom in het arrest Robertson (reeds aangehaald) verklaard, dat een Lid-Staat een nieuwe waarmerking van produkten die zijn ingevoerd uit een andere Lid-Staat, waar zij rechtmatig in het verkeer waren gebracht en overeenkomstig de wetgeving van die staat waren gewaarmerkt, niet mag voorschrijven wanneer die stempelmerken, ongeacht de vorm ervan, informatie verschaffen die gelijkwaardig is aan die van de in de Lid-Staat van invoer voorgeschreven stempelmerken, en begrijpelijk is voor de consument van die staat.
16 De feitelijke beoordeling die noodzakelijk is om vast te stellen of er al dan niet van gelijkwaardigheid sprake is, behoort tot de taak van de nationale rechter.
17 De in geding zijnde regeling eist voorts, dat de waarmerking geschiedt door een rechtspersoon die aan een aantal eisen inzake bekwaamheid en onafhankelijkheid voldoet.
18 In dit verband kan een Lid-Staat niet stellen dat de waarborgfunctie van het stempelmerk slechts kan worden verzekerd indien dit wordt aangebracht door de bevoegde instantie van de Lid-Staat van invoer, om zich te verzetten tegen de verhandeling op zijn grondgebied van edelmetalen werken die in de Lid-Staat van uitvoer door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
19 Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn dubbele controles, in het land van uitvoer en het land van invoer, niet gerechtvaardigd indien de resultaten van de in de Lid-Staat van oorsprong uitgevoerde controle voldoen aan de behoeften van de Lid-Staat van invoer (zie met name arrest van 17 december 1981, zaak 272/80, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Producten, Jurispr. 1981, blz. 3277, r.o. 15). Het stempelmerk nu vervult zijn waarborgfunctie wanneer het is aangebracht door een onafhankelijke instantie in de Lid-Staat van uitvoer.
20 In dit verband kan de Duitse regering niet worden gevolgd waar zij stelt, dat een Lid-Staat de verhandeling op zijn grondgebied van edelmetalen werken die in de Lid-Staat van uitvoer door de producent zelf zijn gewaarmerkt, niet mag verbieden wanneer de inachtneming van de wettelijke voorschriften en derhalve de bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties worden verzekerd door een geheel van maatregelen die eenzelfde waarborgfunctie hebben als het stempelmerk. Dit zou het geval zijn met de Duitse regeling, die voorziet in door de fabrikant zelf vast te stellen kwaliteitsnormen, in de toepassing van publiekrechtelijke sancties in geval van overtreding, in het optreden in het kader van de wet op de oneerlijke mededinging van bepaalde verenigingen die bevoegd zijn om waarschuwingen te geven, in de garantie van de fabrikant, en ten slotte in een specifieke opleiding van juweliers en goudsmeden.
21 Gelijk de Britse regering heeft opgemerkt, valt inzonderheid op de markt van edelmetalen werken fraude te vrezen. Kleine wijzigingen in het gehalte aan edelmetaal kunnen immers van zeer grote invloed zijn op de winstmarge van de producent. Zo kan volgens de Britse regering een vermindering met 1/1000 van dit gehalte de winstmarge soms met 10 % verhogen.
22 Bij gebreke van een gemeenschapsregeling ligt de keuze van passende maatregelen om dit gevaar het hoofd te bieden, bij de Lid-Staten, die daartoe over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken. De keuze tussen controle vooraf door een onafhankelijke instantie en een stelsel als het Duitse, behoort tot het wetgevingsbeleid van de Lid-Staten, en het Hof oefent zijn toezicht slechts uit in geval van een kennelijke beoordelingsfout. Hiervan is in casu evenwel geen sprake, zoals de advocaat-generaal in de punten 27 en 28 van zijn conclusie heeft aangetoond.
23 Het staat aan de nationale rechter na te gaan, of de uit andere Lid-Staten ingevoerde edelmetalen werken zijn gewaarmerkt door een instantie die waarborgen van onafhankelijkheid biedt; deze waarborgen behoeven echter niet noodzakelijk samen te vallen met de door de nationale regeling voorgeschreven waarborgen.
24 De in geding zijnde Nederlandse regeling eist ook, dat de edelmetalen werken worden voorzien van een jaarlettermerk. Derhalve moet worden nagegaan, of een verbod op het verhandelen van edelmetalen werken die niet zijn voorzien van dit merk, een gerechtvaardigde maatregel ter bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties is.
25 Zelfs al zouden de consumenten, of sommige consumenten, het jaar van vervaardiging van edelmetalen werken wensen te kennen, een dergelijk belang kan een zo ernstige belemmering van het vrije verkeer van goederen niet rechtvaardigen.
26 Zoals de Duitse regering terecht heeft gesteld, is kennis daarvan slechts van belang voor bepaalde artikelen, en kan het aan de fabrikant worden overgelaten, ervoor te zorgen dat daaraan wordt tegemoetgekomen. De consumenten hebben er daarentegen in beginsel geen belang bij, de datum van vervaardiging te kennen van sieraden die op de markt tegen lage of middelmatige prijzen worden verkocht en in wezen modeartikelen zijn. Ten slotte geeft de vermelding van het jaar van waarmerking, wanneer deze geschiedt door een derde instantie, niet steeds betrouwbare informatie over het jaar van vervaardiging, aangezien dit kan verschillen van het jaar van waarmerking, vooral wanneer het gaat om ingevoerde produkten.
27 Mitsdien moet op de vraag van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen worden geantwoord:
1) Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die de verkoop van edelmetalen werken zonder een aan de eisen van die regeling beantwoordend gehaltemerk verbiedt wanneer die werken niet overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staat van uitvoer zijn voorzien van een stempelmerk dat informatie verschaft die gelijkwaardig is aan de door de regeling van de Lid-Staat van invoer voorgeschreven stempelmerken en begrijpelijk is voor de consument in die staat.
2) Wanneer een nationale regeling eist, dat het stempelmerk wordt aangebracht door een onafhankelijke instantie, kan de verhandeling van edelmetalen werken die uit andere Lid-Staten zijn ingevoerd, niet worden verboden wanneer die werken in de Lid-Staat van uitvoer inderdaad door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
3) De feitelijke beoordeling die noodzakelijk is om vast te stellen, of er al dan niet sprake is van gelijkwaardigheid van de door het stempelmerk verschafte informatie, behoort tot de taak van de nationale rechter, die tevens heeft na te gaan, of de edelmetalen werken in de Lid-Staat van uitvoer door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
4) Artikel 30 van het Verdrag verzet zich tegen de toepassing van een nationale regeling houdende verbod op de verhandeling van edelmetalen werken die de vervaardigingsdatum niet vermelden, maar zijn ingevoerd uit andere Lid-Staten waar zij zonder deze aanduiding rechtmatig worden verhandeld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 De kosten door de Nederlandse, de Duitse, de Griekse, de Franse, de Portugese en de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen bij beschikking van 17 mei 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
1) Artikel 30 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die de verkoop van edelmetalen werken zonder een aan de eisen van die regeling beantwoordend gehaltemerk verbiedt wanneer die werken niet overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staat van uitvoer zijn voorzien van een stempelmerk dat informatie verschaft die gelijkwaardig is aan de door de regeling van de Lid-Staat van invoer voorgeschreven stempelmerken en begrijpelijk is voor de consument in die staat.
2) Wanneer een nationale regeling eist, dat het stempelmerk wordt aangebracht door een onafhankelijke instantie, kan de verhandeling van edelmetalen werken die uit andere Lid-Staten zijn ingevoerd, niet worden verboden wanneer die werken in de Lid-Staat van uitvoer inderdaad door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
3) De feitelijke beoordeling die noodzakelijk is om vast te stellen, of er al dan niet sprake is van gelijkwaardigheid van de door het stempelmerk verschafte informatie, behoort tot de taak van de nationale rechter, die tevens heeft na te gaan, of de edelmetalen werken in de Lid-Staat van uitvoer door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt.
4) Artikel 30 van het Verdrag verzet zich tegen de toepassing van een nationale regeling houdende verbod op de verhandeling van edelmetalen werken die de vervaardigingsdatum niet vermelden, maar zijn ingevoerd uit andere Lid-Staten waar zij zonder deze aanduiding rechtmatig worden verhandeld.
Full & Egal Universal Law Academy