Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Gelijke beloning ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Gelijkstelling van ontvangen van ouderdomspensioen, dat is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met opvoeding van kinderen, met vervullen van hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft ° Toelaatbaarheid ° Verplichting van Lid-Staten om voordelen op gebied van sociale zekerheid toe te kennen aan hen die kinderen hebben opgevoed ° Geen
(EEG-Verdrag, art. 119; richtlijnen 75/117 en 79/7 van de Raad)
Samenvatting
Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, zoals neergelegd in artikel 119 van het Verdrag en richtlijn 75/117, verbiedt niet, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen.
Immers, ook al biedt een dergelijke gelijkstelling de mogelijkheid, voor de deeltijdarbeid van de rechthebbende op het aldus verminderde pensioen een lagere dan de normale beloning te betalen, deze omstandigheid kan niet worden geacht in strijd te zijn met het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen, nu richtlijn 79/7 betreffende gelijkheid van behandeling op het gebied van de sociale zekerheid, de Lid-Staten nergens de verplichting oplegt, voordelen op het gebied van ouderdomsverzekering toe te kennen aan hen die kinderen hebben opgevoed, of te voorzien in rechten op uitkeringen na tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen.
Partijen
In zaak C-297/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Arbeitsgericht Bremen (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
R. Grau-Hupka
en
Stadtgemeinde Bremen,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19), en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, waarnemend voor de kamerpresident, R. Joliet (rapporteur), kamerpresident en J. C. Moitinho de Almeida, rechter,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Stadtgemeinde Bremen, verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door V. Schottelius, advocaat te Bremen,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en C.-D. Quassowski, Regierungsdirektor bij dat ministerie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, bij haar juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 juni 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 mei 1993, ingekomen bij het Hof op 21 mei daaraanvolgend, heeft het Arbeitsgericht Bremen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag, richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19; hierna: "richtlijn gelijke beloning"), en richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39, blz. 40; hierna: "richtlijn gelijke toegang").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen R. Grau-Hupka (verzoekster in het hoofdgeding; hierna: "verzoekster"), op arbeidscontract werkzaam in overheidsdienst, en haar werkgever, de Stadtgemeinde Bremen (verweerster in het hoofdgeding: hierna: "verweerster"), over de berekening van verzoeksters beloning.
3 Verzoekster had van 1956 tot 1991 een voltijdbaan als muzieklerares aan het conservatorium te Bremen. Sinds 1991 ontvangt zij zowel een wettelijk ouderdomspensioen als een maandelijkse uitkering uit hoofde van de aanvullende pensioenregeling voor werknemers in overheidsdienst. Desondanks geeft zij nog steeds les, zij het in deeltijd.
4 Toen verzoekster een voltijdbaan had, werd zij per uur betaald, zoals in het Bundesangestelltentarifvertrag (collectieve arbeidsovereenkomst voor Bondswerknemers; hierna: "cao") is voorzien voor personen die als deeltijd- of voltijdwerknemer een hoofdbetrekking vervullen. Sinds zij in deeltijd werkt, ontvangt zij een lagere beloning dan voordien. Derhalve verzocht zij haar werkgever bij schrijven van 14 december 1992, haar weer per uur te betalen. Bij schrijven van 21 december 1992 wees verweerster dat verzoek af met een beroep op § 3, sub n, van de cao, volgens welke werknemers die een nevenbetrekking vervullen, van de werkingssfeer van de cao zijn uitgesloten. Verweerster is van mening, dat het ontvangen van een pensioen moet worden gelijkgesteld met het vervullen van een hoofdbetrekking, zodat verzoeksters deeltijdbaan een nevenbetrekking is en zij dus niet onder de cao valt.
5 Na die weigering wendde verzoekster zich met haar verzoek tot het Arbeitsgericht Bremen. Tot staving van haar beroep voerde zij in het bijzonder aan, dat § 3, sub n, van de cao, volgens welke werknemers die een nevenbetrekking vervullen, buiten de werkingssfeer van de cao vallen, ongeldig is. Verzoekster acht die bepaling in strijd met § 2, lid 1, van het Beschaeftigungsfoerderungsgesetz (wet ter bevordering van de werkgelegenheid; hierna: "BeschFG"), volgens welke een werkgever een deeltijdwerknemer niet op grond van diens deeltijdarbeid anders mag behandelen dan een voltijdwerknemer, tenzij objectieve redenen een verschil in behandeling rechtvaardigen.
6 Volgens het Arbeitsgericht is § 3, sub n, van de cao niet onverenigbaar met § 2, lid 1, BeschFG. Uit de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht zou namelijk blijken, dat de omstandigheid dat iemand een hoofdbetrekking vervult die hem bestaanszekerheid verschaft, moet worden gerekend tot de in § 2 BeschFG bedoelde "objectieve redenen". Het Arbeitsgericht merkt op, dat ouderdomspensioenen, of zij nu uit hoofde van de wettelijke regeling dan wel door de pensioenkassen van ondernemingen worden uitgekeerd, bedoeld zijn om ouderen bestaanszekerheid te verschaffen. De situatie waarin verzoekster zich als gepensioneerde bevindt, is dus een "objectieve reden" in de zin van § 2 BeschFG, die een verschil in behandeling tussen voltijd- en deeltijdwerknemers rechtvaardigt. Het is dus in overeenstemming met het Duitse recht, dat verzoekster voor haar deeltijdarbeid een lagere dan de normale beloning ontvangt.
7 Volgens het Arbeitsgericht werpt het geschil evenwel vragen van gemeenschapsrecht op, die aan de in de nationale rechtspraak geformuleerde oplossing in de weg zouden kunnen staan.
8 Wat een "objectieve reden" voor een verschil in behandeling tussen voltijd- en deeltijdwerknemers is, blijkt volgens het Arbeitsgericht niet uit de wet, maar moet door rechterlijke uitlegging van die wet worden bepaald. Blijkens het EEG-Verdrag moeten bepalingen van nationaal recht evenwel in overeenstemming met het van hogere rang zijnde gemeenschapsrecht worden uitgelegd.
9 Het Arbeitsgericht is derhalve van mening, dat de rechtspraak waarin het Bundesarbeitsgericht het in § 2 BeschFG gebezigde begrip "objectieve reden" heeft uitgelegd, pas kan worden toegepast na te zijn getoetst op haar verenigbaarheid met enkele bepalingen van gemeenschapsrecht.
10 Een en ander was voor het Arbeitsgericht aanleiding de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de navolgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Verlangt het beginsel van gelijke toegang van mannen en vrouwen tot het arbeidsproces, zoals neergelegd in de artikelen 1, lid 1, en 3 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976, dat een nationale wet die discriminatie zonder objectieve reden van deeltijdwerknemers verbiedt, aldus wordt uitgelegd, dat de omstandigheid dat een deeltijdwerknemer naast zijn deeltijdarbeid een hoofdbetrekking vervult die hem bestaanszekerheid verschaft, niet wordt beschouwd als een objectieve reden voor slechtere betaling van deeltijdarbeid?
2) Zo neen:
Staat dan het beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen, zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975, eraan in de weg, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gezien als het vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen?"
De eerste vraag
11 Met de eerste vraag wordt in wezen beoogd te vernemen, of de omstandigheid dat een deeltijdwerknemer een pensioen ontvangt en uit dien hoofde op één lijn wordt gesteld met een werknemer die een hoofdbetrekking vervult en daardoor bestaanszekerheid geniet, is te beschouwen als een objectieve reden die een ongelijke behandeling ten aanzien van de toegang tot arbeid rechtvaardigt.
12 Ingevolge § 3, sub n, van de cao zijn alle in nevenbetrekking werkzame werknemers van de werkingssfeer van de cao uitgesloten en kan hun beloning bijgevolg lager zijn dan het uurloon dat volgens de cao moet worden betaald aan werknemers die een hoofdbetrekking vervullen. Het maakt daarbij geen verschil, of die nevenbetrekking een deeltijd- of een voltijdbaan is.
13 De door de verwijzende rechter onderstelde discriminatie bestaat dus niet in een verschil in beloning tussen deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers, maar tussen werknemers die een nevenbetrekking en werknemers die een hoofdbetrekking vervullen. Het gaat dus enkel om een ongelijke behandeling van deeltijdwerknemers en voltijdwerknemers, in zoverre als, naar wordt aangenomen, deeltijdwerknemers vaker dan voltijdwerknemers naast hun deeltijdarbeid nog een hoofdbetrekking vervullen.
14 De verwijzende rechter motiveert zijn eerste vraag met een uit drie stappen opgebouwde redenering.
15 In de eerste plaats gaat hij ervan uit, dat werknemers voor wie de deeltijdarbeid een nevenbetrekking is, overwegend mannen zijn. De ervaring zou namelijk leren, dat vrouwen wegens hun dubbele belasting ° werk en gezin ° dikwijls geen voltijdbaan kunnen hebben, laat staan een voltijdbaan plus een nevenbetrekking.
16 In de tweede plaats stelt hij vast, dat aan werknemers voor wie de deeltijdarbeid een nevenbetrekking is, volgens de rechtspraak van het Bundesarbeitsgericht en op grond van § 3, sub n, van de cao een lagere beloning mag worden betaald dan aan andere deeltijdwerknemers.
17 In de derde plaats wijst hij erop, dat werkgevers voor deeltijdarbeid bij voorkeur een beroep zullen doen op werknemers voor wie die arbeid slechts een nevenbetrekking is ° dat wil zeggen mannen °, daar zij met hen een lagere dan de normale beloning kunnen overeenkomen. Vrouwen zouden derhalve minder kans op een deeltijdbaan hebben, waardoor zij op het punt van de toegang tot arbeid indirect zouden worden gediscrimineerd.
18 Nog afgezien van het feit dat verzoekster juist behoort tot de categorie van deeltijdwerknemers die volgens de verwijzende rechter bij de toegang tot arbeid in het voordeel is, blijkt uit het dossier, dat in het hoofdgeding door deze deeltijdwerknemer een hogere beloning wordt gevorderd dan zij in feite ontvangt als gevolg van de omstandigheid dat zij naast haar loon een pensioen heeft dat haar bestaanszekerheid verschaft. Zij stelt echter niet, dat zij het slachtoffer is van discriminatie op het punt van de toegang tot arbeid. De uitlegging van de richtlijn gelijke toegang is dus niet relevant voor de beslissing in het hoofdgeding.
19 Volgens vaste rechtspraak behoeft geen uitspraak te worden gedaan over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, wanneer blijkt dat de door die rechter gestelde vraag over de uitlegging van het gemeenschapsrecht of de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding (zie arrest van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673).
20 Mitsdien behoeft de eerste prejudiciële vraag niet te worden beantwoord.
De tweede vraag
21 Terwijl de verwijzende rechter de eerste vraag heeft geformuleerd vanuit het oogpunt van de toegang tot arbeid, plaatst hij de tweede vraag in het kader van de gelijkheid van beloning.
22 Deze tweede vraag strekt ertoe te vernemen, of het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers verbiedt, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat ouderdomspensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen.
23 Anders dan de eerste vraag, houdt de tweede wel verband met het voorwerp van het hoofdgeding. Het uitgangspunt, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen gelijkstaat met het vervullen van een hoofdbetrekkking, ook indien dat pensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen, maakt het immers mogelijk, voor deeltijdarbeid een lagere dan de normale beloning te betalen.
24 Het pensioen dat verzoekster ontvangt, is in zoverre verminderd, dat bij de berekening ervan slechts gedeeltelijk rekening is gehouden met de vijf jaar die zij aan de opvoeding van haar kind heeft besteed. Het Arbeitsgericht wijst er in dit verband op, dat weliswaar naar huidig Duits recht bij de berekening van een ouderdomspensioen rekening wordt gehouden met de tijdvakken die aan de opvoeding van kinderen zijn besteed (§ 56 van het Sozialgesetzbuch VI, hierna: "SGB"), maar dat de regel van § 56 niet is toegepast bij de berekening van het pensioen dat verzoekster uit hoofde van haar voltijdarbeid ontvangt. Haar situatie viel onder een overgangsregeling, § 249 SGB, volgens welke zij slechts aanspraak kon maken op de inaanmerkingneming van één jaar opvoedingstijd.
25 Volgens het Arbeitsgericht treft het niet in aanmerking nemen van alle aan de opvoeding van kinderen bestede jaren naar verhouding meer vrouwen dan mannen, daar van de generatie van de huidige pensioengerechtigden nagenoeg uitsluitend vrouwen met die opvoeding waren belast. Daardoor zouden het hoofdzakelijk vrouwen zijn die hun pensioen verminderd zien. Het Arbeitsgericht concludeert hieruit, dat er sprake is van een door artikel 119 van het Verdrag en de richtlijn gelijke beloning verboden indirecte discriminatie van vrouwen.
26 De verwijzende rechter heeft niet gepreciseerd, of het bij het in zijn tweede vraag bedoelde verminderde ouderdomspensioen gaat om het wettelijk of om het aanvullend ouderdomspensioen van verzoekster. Daar de door hem aangehaalde nationale bepalingen betrekking hebben op de wettelijke pensioenregeling, moet worden aangenomen dat het om het wettelijk ouderdomspensioen gaat.
27 In navolging van de advocaat-generaal moet dan worden opgemerkt, dat richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24), de Lid-Staten nergens de verplichting oplegt, voordelen op het gebied van ouderdomsverzekering toe te kennen aan hen die kinderen hebben opgevoed, of te voorzien in rechten op uitkeringen na tijdvakken van onderbreking van het werk wegens de opvoeding van kinderen.
28 Daar het gemeenschapsrecht inzake gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid de Lid-Staten niet ertoe verplicht, bij de berekening van het wettelijk ouderdomspensioen rekening te houden met de jaren die besteed zijn aan de opvoeding van kinderen, kan de omstandigheid dat aan iemand die een ouderdomspensioen ontvangt en daardoor bestaanszekerheid geniet, een lagere dan de normale beloning kan worden betaald, wanneer dat pensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen, niet worden geacht in strijd te zijn met het in artikel 119 van het Verdrag en de richtlijn gelijke beloning neergelegde beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers.
29 Mitsdien moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord, dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975, niet verbiedt, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 De kosten door de Duitse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Arbeitsgericht Bremen bij beschikking van 12 mei 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De eerste prejudiciële vraag behoeft niet te worden beantwoord.
2) Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers, zoals neergelegd in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, verbiedt niet, dat het ontvangen van een ouderdomspensioen wordt gelijkgesteld met het vervullen van een hoofdbetrekking die bestaanszekerheid verschaft, wanneer dat pensioen is verminderd als gevolg van inkomstenderving in verband met de opvoeding van kinderen.
Full & Egal Universal Law Academy