Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Aanwerving ° Benoeming in rang en indeling in salaristrap ° Benoeming in hoogste rang van loopbaan ° Uitoefening door administratie van haar discretionaire bevoegdheid ° Inaanmerkingneming van dienstbelang en beroepservaring van betrokkene ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 31, lid 2, en art. 32, tweede alinea)
2. Hogere voorziening ° Middelen ° Schending van verplichting om middelen en conclusies van partijen te beantwoorden ° Verkeerde beoordeling door Gerecht van in eerste aanleg aangevoerd middel ° Hogere voorziening gegrond
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 51)
3. Ambtenaren ° Zorgplicht van administratie ° Draagwijdte
Samenvatting
1. Met betrekking tot de indeling in rang en salaristrap bij de aanwerving beschikt het tot aanstelling bevoegde gezag in het kader van de artikelen 31 en 32, tweede alinea, van het Statuut over een ruime discretionaire bevoegdheid. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid moet het niet alleen rekening houden met het belang van de dienst, maar eveneens met de eerdere beroepservaring van de betrokkene.
Bij een zo ruime discretionaire bevoegdheid kan het toezicht van de rechter niet in de plaats komen van het oordeel van het tot aanstelling bevoegde gezag en dient het zich te beperken tot de vraag of de administratie haar bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt. Zulks is niet het geval in een situatie waarin de administratie heeft overwogen dat zij, naast andere elementen, de beroepservaring van de betrokkene in aanmerking kon nemen, en, rekening houdend met alle relevante elementen, in de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid tot de slotsom is gekomen, dat er geen aanleiding bestond om de betrokkene in de hoogste rang van de loopbaan te benoemen.
2. Wanneer het Gerecht de strekking van een van de middelen van de verzoeker heeft miskend en dit middel daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, dan wel een ander dan het werkelijk aangevoerde middel heeft verworpen, is de hogere voorziening gegrond en moet het bestreden arrest of het door deze vergissing geraakte gedeelte van het arrest worden vernietigd.
3. De zorgplicht van de administratie ten opzichte van haar ambtenaren vormt een weergave van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren. Dit evenwicht houdt onder meer in, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij zijn beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden, en dat het daarbij niet enkel rekening houdt met het belang van de dienst maar ook met dat van de betrokken ambtenaar.
Partijen
In zaak C-298/93 P,
U. Klinke, ambtenaar van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door M. Huff, advocaat te Frankfurt, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Dietrich, Rue Nico Klopp 1,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het op 30 maart 1993 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) gewezen arrest in zaak T-30/92 (Jurispr. 1993, blz. II-375) tussen Klinke en het Hof van Justitie, en strekkende tot vernietiging van dat arrest,
andere partij bij de procedure:
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. Millett, hoofdadministrateur, als gemachtigde, bijgestaan door A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende bij T. Millett, Paleis van het Hof van Justitie, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Diez de Velasco, kamerpresident, C. N. Kakouris (rapporteur) en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: C. Gulmann
griffier: R. Grass
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 februari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 mei 1993, heeft U. Klinke (hierna: "requirant") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige artikelen van de Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het op 30 maart 1993 door het Gerecht van eerste aanleg tussen requirant en het Hof van Justitie gewezen arrest in zaak T-30/92 (Jurispr. 1992, blz. II-375), voor zover daarin zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van de president van het Hof, in zijn hoedanigheid van tot aanstelling bevoegde gezag, waarbij hij tot administrateur bij de voorlichtingsdienst werd benoemd, voor zover hij daarin in rang A 7, salaristrap 3, werd ingedeeld, en van het besluit van het administratief comité waarbij zijn benoeming in de betrokken rang werd bevestigd, alsmede tot erkenning van zijn recht om in rang A 6 te worden benoemd, werd verworpen.
2 Uit het bestreden arrest blijkt, dat requirant op 1 april 1982 als tijdelijk functionaris en in de hoedanigheid van jurist-vertaler bij de Duitstalige vertaalafdeling in dienst is getreden. Op 1 oktober 1983 werd hij in vaste dienst aangesteld en in rang LA 6 ingedeeld.
3 Met ingang van 1 juni 1985 werd requirant ter beschikking gesteld van de voorlichtingsdienst van het Hof. Bij besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 1 juli 1991 werd hij in deze dienst tot administrateur benoemd en in rang A 7, derde salaristrap, ingedeeld, nadat hij voor intern vergelijkend onderzoek CJ 115/89 was geslaagd.
4 Daarop diende hij een klacht in tegen dit besluit, voor zover hij in rang A 7 was ingedeeld, en verzocht hij om herindeling in rang A 6. Bij besluit van het administratief comité van 20 januari 1992 werd deze klacht afgewezen. Dit comité stelde vast, dat de bestreden indeling was geschied "(...) overeenkomstig de vaste praktijk van het Hof, waartoe met inachtneming van de rechtspraak tijdens de administratieve zitting van 11 juli 1979 was besloten".
5 Het administratief comité voegde hieraan het volgende toe:
"Volgens de rechtspraak kan een ambtenaar slechts bij uitzondering in de hoogste rang van de basisloopbanen en van de middenloopbanen worden benoemd en beschikt de administratie ter zake van deze benoeming in elk geval over een discretionaire bevoegdheid."
"In de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid heeft het Hof bij zijn reeds genoemde besluit van 11 juli 1979, dat is genomen met het oog op de eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel bij de aanwerving van ambtenaren, in beginsel besloten om ambtenaren die uit de talendienst afkomstig zijn, in de rang A 7 aan te stellen."
"Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval heeft het administratief comité geconcludeerd, dat de administratie door dit beginselbesluit op u toe te passen de feiten niet verkeerd heeft beoordeeld en u niet anders heeft behandeld dan andere ambtenaren die soortgelijke functies moeten uitoefenen."
6 Het administratief comité voegde hieraan toe, dat aan deze conclusie niet werd afgedaan door het feit dat requirant gedurende ongeveer zes jaar ter beschikking van de voorlichtingsdienst was geweest, omdat hij daarmee zelf had ingestemd en dit met zijn persoonlijke ambities overeenkwam, en dat, binnen de door artikel 32 van het Statuut toegestane grenzen, bij zijn indeling in de salaristrap in zijn nieuwe rang rekening was gehouden met de door hem bij de uitoefening van zijn functie bij de voorlichtingsdienst opgedane beroepservaring.
7 Tijdens de administratieve zitting van 11 juli 1979 had het Hof een beginselbesluit genomen, dat luidt als volgt:
"Ambtenaren van de groep LA die in hun groep reeds de rang LA 6 hebben, kunnen geen aanspraak erop maken om automatisch in de rang A 6 te worden benoemd. Artikel 31 van het Statuut bepaalt namelijk, dat ambtenaren in de aanvangsrang van hun loopbaan worden aangesteld. Gelet op het beperkte aantal beschikbare posten in de hoogste rang van de loopbaan A 7/A 6, zou de overgang van LA 6 naar A 6 bovendien tot gevolg hebben, dat de ambtenaren in rang A 7 in deze loopbaan worden geblokkeerd, waardoor hun kans op bevordering naar de hoogste rang van de loopbaan aanzienlijk zou verminderen."
8 Artikel 31 van het Statuut bepaalt:
"1. De aldus gekozen kandidaten worden aangesteld:
° in de aanvangsrang van hun categorie of groep, indien het ambtenaren betreft van categorie A of van de groep voor de talendienst;
° in de aanvangsrang welke overeenkomt met het ambt waarvoor zij zijn aangeworven, indien het ambtenaren der andere categorieën betreft.
2. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan echter van bovenstaande bepalingen binnen de volgende grenzen afwijken:
a) voor de rangen A 1, A 2, A 3 en LA 3:
° voor de helft van het aantal opengevallen plaatsen,
° voor twee derde van het aantal nieuwe plaatsen;
b) voor de overige rangen:
° voor een derde van het aantal opengevallen plaatsen,
° voor de helft van het aantal nieuwe plaatsen.
Behoudens voor rang LA 3 geldt deze bepaling per reeks van zes te bezetten ambten in iedere rang."
9 Tot staving van zijn beroep had requirant vier middelen aangevoerd, die alle in het bestreden arrest zijn verworpen. In hogere voorziening bestrijdt requirant de onderdelen van het arrest, waarin het Gerecht drie van deze middelen heeft verworpen.
Het eerste middel
10 Het Gerecht was van oordeel, dat uit 's Hofs rechtspraak (zie arrest van 6 juni 1985, zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1723) blijkt, dat de aanwerving in de hoogste rang van een loopbaan slechts bij hoge uitzondering is toegestaan, wanneer het beroep op artikel 31, lid 2, van het Statuut gerechtvaardigd is uit hoofde van de specifieke behoeften van de dienst, op grond waarvan een ambtenaar met bijzondere kundigheden moet worden aangeworven (r.o. 25 van het bestreden arrest).
11 Volgens het bestreden arrest heeft artikel 31, lid 2 dan ook, anders dan artikel 32, tweede alinea, van het Statuut, op grond waarvan het tot aanstelling bevoegde gezag bij de indeling in salaristrap rekening mag houden met de opleiding en beroepservaring van de voor het vergelijkend onderzoek geslaagde kandidaat, "(...) tot doel het tot aanstelling bevoegde gezag in staat te stellen in de specifieke behoeften van een bepaalde dienst te voorzien, door aantrekkelijke voorwaarden te bieden, waardoor personen met bijzondere kundigheden kunnen worden aangeworven" (r.o. 26).
12 Vervolgens heeft het Gerecht vastgesteld dat "verzoeker geen enkele aanwijzing heeft geleverd, met name uit de aankondiging van het vergelijkend onderzoek, waaruit blijkt dat de behoeften van de voorlichtingsdienst het in casu noodzakelijk maakten om een ambtenaar met bijzondere kundigheden aan te werven" (r.o. 27) en heeft het geconcludeerd, dat "verzoekers kundigheden niet relevant waren voor de vaststelling van zijn indeling in de rang bij zijn aanstelling, en dat verzoeker weliswaar buitengewoon geschikt was om de post waarop hij in rang A 7 is benoemd te bezetten en deze tot ieders tevredenheid bezet, doch dat dit nog niet betekent, dat voor de bezetting van deze post uitzonderlijke kundigheden vereist waren" (r.o. 28).
13 Requirant betwist deze uitlegging. Hij stelt in dit verband, dat artikel 31, lid 2, van het Statuut geen criteria voor de toepassing van dit artikel bevat, en dus niet de mogelijkheid uitsluit om rekening te houden met de kundigheden van de betrokkene. Bovendien zou uit de rechtspraak van het Hof blijken, dat er bij een voorziening in een vacature, naast de abstracte behoeften van de dienst, eveneens rekening moet worden gehouden met de belangen van de te benoemen persoon, te weten zijn specifieke kundigheden en zijn persoonlijke situatie (arresten van 1 december 1983, zaak 343/82, Michael, Jurispr. 1983, blz. 4023, en 5 oktober 1988, gevoegde zaken 314/86 en 315/86, De Szy-Tarisse en Feyaerts, Jurispr. 1988, blz. 6013).
14 Dit middel is gegrond. Volgens 's Hofs rechtspraak (zie arrest van 28 maart 1968, zaak 33/67, Kurrer, Jurispr. 1968, blz. 179) mag het tot aanstelling bevoegde gezag namelijk weliswaar op grond van artikel 31, lid 2, van het Statuut, in afwijking van lid 1 van hetzelfde artikel, bij wijze van uitzondering, en om rekening te houden met de specifieke behoeften van een dienst, een post in de hoogste rang van een loopbaan en niet in de aanvangsrang vacant verklaren, en rechtstreeks voor deze rang een vergelijkend onderzoek uitschrijven, maar dit betekent nog niet, dat deze mogelijkheid tot derogatie door de betrokken bepaling aan het tot aanstelling bevoegde gezag enkel wordt geboden voor het vacant verklaren van een post en voor de organisatie van de procedure om deze post te bezetten.
15 Artikel 31, lid 2 bevat geen criteria betreffende de toepassing van de in lid 1 neergelegde afwijking van de regel. Uit vaste rechtspraak volgt evenwel, dat het tot aanstelling bevoegde gezag terzake over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt (zie bij voorbeeld arresten Michael en De Szy-Tarisse en Feyaerts, reeds aangehaald, en arrest van 21 januari 1987, zaak 219/84, Powell, Jurispr. 1987, blz. 339), en dat het tot aanstelling bevoegde gezag in het kader van de betrokken bepaling, evenals in het kader van artikel 32, tweede alinea, van het Statuut, onder meer over deze beoordelingsvrijheid beschikt teneinde eveneens de beroepservaring van de betrokkenen met het oog op hun indeling in de rang te kunnen beoordelen (zie arresten Michael, r.o. 19, en De Szy-Tarisse en Feyaerts, r.o. 26).
16 Door artikel 31 aldus uit te leggen, dat het dienstbelang daarin als het enige criterium voor de indeling wordt vastgesteld, en door op grond daarvan te beslissen dat "verzoekers kundigheden niet relevant waren voor de vaststelling van zijn indeling in de rang bij zijn aanstelling", heeft het Gerecht dus het recht geschonden. Dit onderdeel van het bestreden arrest moet dus worden vernietigd.
Het tweede middel
17 Uit het bestreden arrest blijkt, dat requirant had betoogd, dat intern vergelijkend onderzoek nr. CJ 115/89 blijkens het opschrift ervan werd georganiseerd teneinde administrateurs in de rangen A 6 en A 7 te benoemen. Aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag bij voorbaat had besloten, dat ambtenaren in de rang LA 6 geen toegang hadden tot de rang A 6, zou hieruit redelijkerwijze kunnen worden afgeleid, dat enkel ambtenaren in de rang A 7 via dit vergelijkend onderzoek toegang tot de rang A 6 hadden, hetgeen een discriminatie ten gunste van ambtenaren in de rang A 7 zou opleveren. Doordat aldus werd voorbijgegaan aan het feit, dat requirant gedurende meer dan zes jaar daadwerkelijk de werkzaamheden van administrateur bij de voorlichtingsdienst had verricht, werd hij gediscrimineerd ten opzichte van de ambtenaren in de rang A 7.
18 Het Gerecht heeft deze redenering in de rechtsoverwegingen 35-37 van het bestreden arrest verworpen in de volgende bewoordingen:
"35 In elk geval is het Gerecht van mening, dat de discriminatie waarvan verzoeker stelt het slachtoffer te zijn, moet worden onderzocht met inachtneming van de ratio van de naar zijn zeggen discriminerend op hem toegepaste bepaling, zoals deze is vastgesteld in het arrest van 6 juni 1985 (zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1723).
36 In dit verband zij opgemerkt, dat het relevante element van vergelijking niet wordt gevormd door de categorie of de dienst waaruit de aangestelde ambtenaren afkomstig zijn, en evenmin door hun kundigheden, doch door de specifieke eisen van de verschillende te bezetten posten.
37 Het Gerecht heeft evenwel ter terechtzitting akte kunnen nemen van het feit, dat sedert de bekendmaking van het besluit van 11 juli 1979 aan de belanghebbende personeelsleden geen enkele ambtenaar die afkomstig was uit de groep van de talendienst en naar categorie A is overgegaan, in een andere rang dan A 7 is aangeworven. Onder die omstandigheden kan verzoeker niet stellen, dat posten die met de zijne vergelijkbaar zijn, in de rang A 6 zijn bezet."
19 Requirant betoogt, dat het Gerecht is uitgegaan van een niet door hem gebruikt vergelijkingselement, namelijk "de specifieke eisen van de verschillende te bezetten vacante posten". Het vergelijkingselement dat hij heeft aangevoerd ter beoordeling van de vraag of hij is gediscrimineerd, zou enkel kunnen zijn "de individuele situatie van de, in casu theoretische, concurrenten die met goed gevolg aan het vergelijkend onderzoek voor deze post" hebben deelgenomen. Zijn situatie zou echter van die van alle mogelijke concurrenten verschillen, omdat hij de betrokken post al meer dan zes jaar bezette.
20 Dit middel is eveneens gegrond. Uit de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen van het bestreden arrest volgt namelijk, dat het Gerecht niet heeft geantwoord op het middel van requirant betreffende de gestelde discriminatie, maar op een ander middel betreffende een discriminatie dat niet door hem is aangevoerd. Bijgevolg moet ook dit onderdeel van het bestreden arrest worden vernietigd.
Het derde middel
21 Verzoeker had in zijn verzoekschrift betoogd, dat het tot aanstelling bevoegde gezag, door hem ter beschikking van de voorlichtingsdienst te stellen, een situatie die niet is voorzien in het Statuut, zijn loopbaan in gevaar had gebracht. Door hem vervolgens bij het bestreden besluit niet in de rang A 6 in te delen, had het tot aanstelling bevoegde gezag de negatieve gevolgen van deze onregelmatige situatie laten voortduren en was het zijn in artikel 24 van het Statuut neergelegde bijstandsverplichting jegens de ambtenaren niet nagekomen.
22 Het Gerecht heeft overwogen (r.o. 41-43 van het bestreden arrest) dat verzoeker met dit middel de wettigheid van zijn terbeschikkingstelling ter discussie stelde, dat de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn om de wettigheid van een dergelijke handeling te bestrijden reeds lang was verstreken en dat het middel bijgevolg niet-ontvankelijk was.
23 Requirant betoogt, dat met zijn grief, die is ontleend aan de bijstandsverplichting van de administratie, niet werd beoogd na zes jaar de wettigheid van het besluit om hem ter beschikking van de voorlichtingsdienst te stellen, in twijfel te trekken. Het Gerecht zou de strekking van deze grief dus volledig hebben miskend. De grief had de volgende strekking: het steeds langer voortduren van een niet zeer met het Statuut strokende situatie had hem in tweeërlei opzicht benadeeld, voor zover hij rechtens geen enkele mogelijkheid van bevordering binnen de voorlichtingsdienst en feitelijk en rechtens geen enkele mogelijkheid van bevordering binnen de talendienst had. Op grond van de in artikel 24 van het Statuut neergelegde bijstandsverplichting had het tot de aanstelling bevoegde gezag dus maatregelen moeten nemen om de negatieve gevolgen van deze situatie ongedaan te maken.
24 Dit middel is eveneens gegrond. Met het betrokken middel in het verzoekschrift wordt namelijk niet de wettigheid van het besluit om requirant ter beschikking van de voorlichtingsdienst te stellen in twijfel getrokken, nadat het zes jaar is toegepast. De strekking van het betrokken middel was, dat het tot aanstelling bevoegde gezag op grond van zijn in artikel 24 van het Statuut neergelegde zorgplicht rekening had moeten houden met het feit, dat requirant gedurende zes jaar bij de voorlichtingsdienst heeft gewerkt en zich daarbij in een administratiefrechtelijke situatie bevond, die niet zeer in overeenstemming was met het Statuut, hetgeen de normale ontwikkeling van zijn loopbaan benadeelde. Volgens requirant zou de enige wijze waarop het tot aanstelling bevoegde gezag rekening met dit feit had kunnen houden en de situatie overeenkomstig zijn zorgplicht had kunnen herstellen, zijn geweest om hem bij zijn aanstelling in vaste dienst in de rang A 6 in te delen.
25 Er moet dus worden vastgesteld, dat dit middel ontvankelijk was en dat het Gerecht de gegrondheid ervan had moeten onderzoeken.
26 In het licht van het voorgaande moet het bestreden arrest dus gedeeltelijk, voor zover daarin de hiervoor genoemde drie middelen van requirant zijn verworpen, worden vernietigd.
27 Volgens artikel 54, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG vernietigt het Hof van Justitie in geval van gegrondheid van de hogere voorziening de beslissing van het Gerecht. Het kan vervolgens de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening verwijzen naar het Gerecht. Aangezien de zaak in staat van wijzen is, zijn er termen aanwezig om einduitspraak te doen met betrekking tot de drie middelen van het beroep die door het Gerecht in de vernietigde onderdelen van het arrest zijn verworpen.
Het beroep
28 In het eerste van deze middelen van het beroep heeft requirant betoogd, dat het eerdergenoemde, op 11 juli 1979 door het Hof genomen beginselbesluit het tot aanstelling bevoegde gezag uiteindelijk de mogelijkheid liet om in uitzonderlijke gevallen uit de groep van de talendienst afkomstige LA 6-ambtenaren in de rang A 6 aan te stellen. Hoewel de strikte toepassing van het in dit besluit neergelegde beginsel begrijpelijk is ten aanzien van ambtenaren van de talendienst die in hun nieuwe ambt van administrateur beginnen, is dit evenwel niet het geval ten aanzien van een LA 6 ambtenaar die, zoals requirant, reeds een zekere ervaring had verworven in het ambt van categorie A waarin hij is aangesteld. Het tot aanstelling bevoegde gezag zou zich dus niet zonder kennelijk verkeerde beoordeling van de feiten op het standpunt kunnen stellen, dat verzoekers situatie zijn indeling in rang A 6 niet rechtvaardigde.
29 Dit betoog gaat niet op. Uit de stukken en met name uit het eerdergenoemde besluit van het administratief comité van 20 januari 1992 blijkt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij zijn onderzoek naar de situatie van requirant van een juiste uitlegging van artikel 31, lid 2, van het Statuut is uitgegaan. Het heeft namelijk overwogen, dat bij zijn indeling in de rang, naast andere elementen, ook zijn beroepservaring in aanmerking kon worden genomen en is, rekening houdend met alle relevante elementen, in de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid tot de slotsom gekomen, dat er in casu geen aanleiding bestond om requirant de rang A 6 toe te kennen.
30 Het betoog van requirant komt erop neer, dat het tot aanstelling bevoegde gezag zijn beoordelingsbevoegdheid in casu enkel kon uitoefenen door hem in de hoogste rang van de betrokken loopbaan te benoemen, alsof degene die een bepaalde beroepservaring heeft, daaraan een recht kon ontlenen om in die rang te worden benoemd.
31 In dit verband moet worden beklemtoond dat, wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag een besluit neemt in de uitoefening van een zo ruime discretionaire bevoegdheid als op het betrokken gebied, het toezicht van de rechter zich niet in de plaats kan stellen van het oordeel van het tot aanstelling bevoegde gezag en zich dient te beperken tot de vraag of de administratie haar bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt (zie arrest van 17 januari 1992, zaak C-107/90 P, Hochbaum, Jurispr. 1992, blz. I-157). In casu is niet aangetoond, dat zulks het geval was. Dit middel van het beroep moet dus worden verworpen.
32 Met het middel, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, heeft requirant in wezen betoogd dat hij, afkomstig van de groep van de talendienst en op basis van een onjuiste uitlegging van het besluit van het Hof van 11 juli 1979 bij voorbaat door het tot aanstelling bevoegde gezag van rang 6 van categorie A uitgesloten, werd gediscrimineerd ten opzichte van ambtenaren in rang A 7, die dus als enigen in aanmerking konden komen voor de door intern vergelijkend onderzoek nr. CJ 115/89 geboden mogelijkheid en dus toegang hadden tot de rang A 6. Bovendien wordt hij nog gediscrimineerd, omdat hij werd behandeld als elke andere ambtenaar van de groep van de talendienst die zich voor vergelijkend onderzoek CJ 115/89 zou hebben aangemeld zonder enige ervaring in administrateursfuncties.
33 Het eerste onderdeel van dit middel gaat uit van de stelling, dat het tot aanstelling bevoegde gezag het eerdergenoemde beginselbesluit, dat het Hof op 11 juli 1979 in het kader van de hem door artikel 31, lid 2, van het Statuut verleende discretionaire bevoegdheid had genomen, verkeerd heeft uitgelegd. Deze stelling is onjuist. Uit het dossier blijkt namelijk, dat het tot aanstelling bevoegde gezag aan dit besluit de juiste betekenis heeft toegekend, namelijk dat zijn discretionaire bevoegdheid op dit gebied daardoor onverlet bleef, en deze bevoegdheid heeft het in casu dan ook gebruikt.
34 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het onderhavige middel blijkt uit de stukken, dat de beroepservaring van de betrokkene een van de elementen was waarmee het tot aanstelling bevoegde gezag rekening moest houden en waarmee het in casu in feite ook rekening heeft gehouden. Dit element is evenwel door het tot aanstelling bevoegde gezag niet zodanig opgevat, dat het hem verplichtte om zijn beoordelingsvrijheid in de door requirant gewenste zin uit te oefenen. Hoewel het Hof erkent, dat zijn vakbekwaamheid opmerkelijk is, kan het in de uitoefening van zijn rechterlijk toezicht enkel vaststellen, dat het tot aanstelling bevoegde gezag, toen het het onderhavige besluit nam, zijn bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt.
35 Het middel, ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel, kan dus niet slagen.
36 Met betrekking tot het middel, ontleend aan schending van de bijstandsverplichting van de administratie, zoals hiervoor in rechtsoverweging 21 uiteengezet en nader uitgewerkt in rechtsoverweging 23, betoogt requirant, dat het feit dat de administratie hem op onregelmatige wijze ter beschikking van de voorlichtingsdienst heeft gesteld, wat voor hem negatieve gevolgen heeft gehad, een aanvullende reden oplevert tot staving van zijn standpunt, dat het tot aanstelling bevoegde gezag rekening had moeten houden met de periode van zes jaar die hij in de voorlichtingsdienst heeft doorgebracht, wat het alleen had kunnen doen door hem in de rang A 6 in te delen.
37 Er zij aan herinnerd, dat artikel 24, eerste alinea, van het Statuut, waarop requirant zich beroept, de Gemeenschappen verplicht de ambtenaar tegenover derden bijstand te verlenen, met name in geval van aanvallen of bedreigingen waaraan hij uit hoofde van zijn hoedanigheid en zijn functie blootstaat. Het artikel kan dus niet als basis voor dit middel van requirant dienen.
38 Het in 's Hofs rechtspraak ontwikkelde begrip zorgplicht van de administratie vormt een weergave van het door het Statuut geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en de ambtenaren. Dat evenwicht houdt onder meer in, dat het betrokken gezag bij zijn beslissing over de situatie van een ambtenaar alle elementen in aanmerking neemt die zijn besluit kunnen beïnvloeden, en dat het daarbij niet enkel rekening houdt met het belang van de dienst maar ook met dat van de betrokken ambtenaar (zie arrest van 28 mei 1980, gevoegde zaken 33/79 en 75/79, Kuhner, Jurispr. 1980, blz. 1677, r.o. 22).
39 In casu blijkt uit de stukken, dat de administratie bij de aanstelling van requirant op zijn nieuwe post niet enkel met het dienstbelang, maar ook met zijn belangen rekening heeft gehouden. In de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid heeft zij ten behoeve van de vaststelling van zijn indeling in de rang en salaristrap samen met andere relevante elementen met name rekening gehouden met zijn specifieke beroepsbekwaamheid. Dit middel is dus ongegrond en moet worden verworpen.
40 Gelet op het voorgaande moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 Volgens artikel 122, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet.
42 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 118 van hetzelfde Reglement op de procedure in hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verweerder in het ongelijk is gesteld, moet hij in de kosten van de hogere voorziening worden verwezen.
43 De kosten betreffende het beroep voor het Gerecht dienen overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering over partijen te worden verdeeld.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Vernietigt het arrest van het Gerecht van 30 maart 1993 (zaak T-30/92, Klinke/Hof van Justitie).
2) De zaak ten gronde afdoende, verwerpt het beroep.
3) Verwijst verweerder in de kosten van de hogere voorziening. Verstaat dat elk der partijen, wat de procedure voor het Gerecht betreft, de eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy