Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Gemeenschapsregeling ° Personele werkingssfeer ° Gezinsleden van werknemer ° Onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten ° Geen relevantie ° Recht op gelijke behandeling bij toepassing van nationale wettelijke regeling
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 2, lid 1, en 3, lid 1)
2. Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Gelijke behandeling ° Gezinsleden van werknemer ° Discriminatie jegens weduwe of weduwnaar op gebied van vrijwillige verzekering ° Ontoelaatbaarheid ° Uitlegging die niet kan worden aangevoerd om vóór 30 april 1996 afgedane situaties opnieuw in geding te brengen
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 2, lid 1, en 3, lid 1)
Samenvatting
1. Artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, waarin de personele werkingssfeer van deze verordening wordt afgebakend, heeft betrekking op twee duidelijk onderscheiden categorieën van personen: werknemers enerzijds, hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen anderzijds. Om onder de werkingssfeer van de verordening te vallen, moeten eerstgenoemden onderdaan van een der Lid-Staten dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatloze of vluchteling zijn; voor gezinsleden of nagelaten betrekkingen van werknemers die gemeenschapsonderdanen zijn, is dienaangaande geen nationaliteitsvereiste gesteld.
Het onderscheid tussen werknemers en hun gezinsleden of nagelaten betrekkingen bepaalt de toepasselijkheid ratione personae van een groot aantal bepalingen van verordening nr. 1408/71, waarvan enkele uitsluitend voor werknemers gelden. Dat is bij voorbeeld het geval met de artikelen 67 tot en met 71 van verordening nr. 1408/71.
Zo kan de weduwe of weduwnaar van een communautaire werknemer zich niet op zijn hoedanigheid van gezinslid van die werknemer beroepen om aanspraak te maken op de toepassing van de artikelen 67 tot en met 71 van verordening nr. 1408/71, die in hoofdzaak slechts strekken tot cooerdinatie van de rechten op werkloosheidsuitkeringen, die krachtens de nationale wetgevingen van de Lid-Staten worden toegekend aan werknemers die onderdanen van een der Lid-Staten zijn, en niet aan hun gezinsleden. Dat was het geval in het arrest Kermaschek van 23 november 1976 (zaak 40/76).
Daarentegen kent artikel 3, lid 1, "behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening", aan "personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen" en op wie de bepalingen van verordening nr. 1408/71 van toepassing zijn, het recht op gelijke behandeling toe bij de toepassing van de wettelijke regelingen van de Lid-Staten inzake sociale zekerheid, zonder onderscheid te maken al naar gelang de betrokken persoon werknemer, gezinslid dan wel weduwe of weduwnaar van een werknemer is.
Indien de echtgenoot van een werknemer die de werknemer in een andere Lid-Staat heeft vergezeld en vervolgens besluit, met deze werknemer of na diens overlijden terug te keren naar zijn land van herkomst, zich niet kon beroepen op het beginsel van gelijke behandeling voor de toekenning van bepaalde uitkeringen krachtens de wetgeving van de laatste staat van tewerkstelling, zou dat nadelige gevolgen hebben voor het vrije verkeer van werknemers, in het kader waarvan de communautaire regeling betreffende de cooerdinatie van de nationale sociale-zekerheidswetgevingen is vastgesteld. Het zou immers in strijd zijn met het doel en de geest van deze regeling, wanneer aan de echtgenoot of nagelaten betrekking van een migrerend werknemer de toepassing van het non-discriminatiebeginsel wordt ontzegd voor de vaststelling van uitkeringen bij ouderdom waarop hij onder voorwaarden van gelijke behandeling als eigen onderdanen aanspraak had kunnen maken, indien hij in de ontvangende staat was blijven wonen.
Bovendien kan het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten, waarvan het Hof zich in arrest Kermaschek (reeds aangehaald) heeft bediend, tot gevolg hebben, dat afbreuk wordt gedaan aan een fundamenteel vereiste van de communautaire rechtsorde, te weten de eenvormige toepassing van haar voorschriften, doordat het de toepasselijkheid van die voorschriften op particulieren laat afhangen van de vraag, of de toepasselijke nationale wetgeving de in geding zijnde uitkeringen als eigen recht of als afgeleid recht kwalificeert, afhankelijk van de bijzonderheden van het nationale stelsel van sociale zekerheid.
Met behulp van het onderscheid dat de verschillende nationale stelsels van sociale zekerheid maken tussen eigen rechten en afgeleide rechten en dat van Lid-Staat tot Lid-Staat verschilt en door de ontwikkeling van deze stelsels geleidelijk vervaagt, kan de draagwijdte van het beginsel van gelijke behandeling dus niet meer of minder restrictief worden gedefinieerd, wanneer het erom gaat dit aan het gezin van de werknemer ten goede te laten komen. Gelet op zowel het doel als de geest van de communautaire regeling inzake de sociale zekerheid en de noodzaak van eenvormige toepassing daarvan, moet integendeel worden geoordeeld dat, behalve de gevallen waarin er blijkens verordening nr. 1408/71 sprake is van een uitkering waarop enkel de werknemer op niet-discriminerende grond aanspraak kan maken, voor de gezinsleden de sociale-zekerheidswetgeving van de staat van tewerkstelling van de werknemer onder dezelfde voorwaarden moet gelden als voor de eigen onderdanen.
2. De artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 moeten aldus worden uitgelegd, dat daarop een beroep kan worden gedaan door de weduwe of weduwnaar van een migrerend werknemer, met het oog op de vaststelling van het premiebedrag voor een tijdvak van vrijwillige verzekering, dat is vervuld krachtens de ouderdomspensioenregeling van de Lid-Staat op wiens grondgebied de werknemer werkzaam is geweest.
De echtgenoot die vrijwillig premie betaalt voor een ouderdomspensioenregeling in de Lid-Staat waar hij, uit hoofde van het werk van de werknemer, reeds pensioenrechten heeft opgebouwd die hij wil aanvullen, is namelijk gedekt door de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van werknemers, inzonderheid het beginsel van non-discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid, neergelegd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
Op deze uitlegging van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, die afwijkt van de vroegere uitlegging van het Hof, kan evenwel om dwingende redenen van rechtszekerheid, die zich ertegen verzetten dat rechtssituaties die definitief zijn afgedaan overeenkomstig de vroegere vaste rechtspraak van het Hof opnieuw in geding worden gebracht, geen beroep worden gedaan tot staving van aanspraken op uitkeringen met betrekking tot tijdvakken gelegen vóór 30 april 1996 ° de datum waarop deze uitlegging in het arrest werd geformuleerd °, tenzij het gaat om personen die vóór die datum een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
Partijen
In zaak C-308/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Centrale Raad van Beroep, in het aldaar aanhangig geding tussen
Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank
en
J. M. Cabanis-Issarte,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm en M. Wathelet (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, juridisch adviseur, en B. J. Drijber, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 september 1994,
gezien de beschikking tot heropening van de mondelinge behandeling van 27 juni 1995,
gelet op de antwoorden op de schriftelijke vragen van het Hof van:
° het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door B. Kloke, Oberregierungsrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door M. Perrin de Brichambaut, directeur juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, C. de Salins, onderdirecteur bij de directie juridische zaken van dit ministerie, en C. Chavance, secretaris buitenlandse zaken bij genoemde directie, als gemachtigden,
° de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Stix-Hackl, Legationsraetin bij het Bondsministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. S. Braviner, van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door P. Watson, Barrister,
° de Commissie, vertegenwoordigd door B. J. Drijber,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. A. Fierstra, adjunct juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de Franse regering, vertegenwoordigd door C. Chavance en J.-F. Dobelle, adjunct-directeur bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door M. S. Braviner en P. Watson, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis en B. J. Drijber, ter terechtzitting van 22 november 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 februari 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 3 juni 1993, ingekomen bij het Hof op 7 juni daaraanvolgend, heeft de Centrale Raad van Beroep krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: "verordening nr. 1408/71").
2 Deze vragen zijn gesteld in het kader van een geding tussen J. M. Cabanis-Issarte en het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: "SVB"), over de vaststelling van de hoogte van de premie voor een krachtens de Algemene Ouderdomswet (hierna: "AOW") vervuld tijdvak van vrijwillige verzekering.
3 Cabanis-Issarte, van Franse nationaliteit, is de weduwe van een migrerend werknemer, eveneens van Franse nationaliteit. In november 1948 vestigde het echtpaar zich in Nederland in verband met de beroepsactiviteit van de echtgenoot. In oktober 1960 keerden de echtelieden terug naar Frankrijk. In november 1963 vestigden zij zich opnieuw in Nederland, waar zij woonden tot juli 1969, het jaar waarin de heer Cabanis de pensioengerechtigde leeftijd bereikte. Op dat tijdstip keerden de echtelieden definitief terug naar Frankrijk, waar de heer Cabanis in oktober 1977 overleed.
4 Vanaf 1 januari 1957, toen de AOW in werking trad, tot oktober 1960 was Cabanis-Issarte verplicht verzekerd krachtens de AOW, omdat zij op Nederlands grondgebied woonde. Gedurende het verblijf van de echtelieden in Frankrijk, van 20 oktober 1960 tot en met 12 november 1963, was Cabanis-Issarte bij de AOW aangesloten wegens de door haar echtgenoot betaalde vrijwillige premies. Vervolgens was zij wederom als ingezetene van Nederland "verplicht verzekerd" krachtens de AOW, tot haar definitieve terugkeer naar Frankrijk, op 15 juli 1969.
5 Voor het tijdvak vóór de inwerkingtreding van de AOW, van 23 november 1948 tot en met 31 december 1956, was Cabanis-Issarte onder de Nederlandse wetgeving verzekerd ingevolge de gecombineerde toepassing van de overgangsbepalingen van de AOW en de bepalingen van bijlage V, onderdeel H, van verordening nr. 1408/71, zoals aangepast bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden en de aanpassing der Verdragen ° Toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (PB 1972, L 73, blz. 14).
6 Bijlage V, onderdeel H, punt 2, sub a, c en e, bevatte namelijk een aantal gelijkstellingsregels waardoor die dekking mogelijk was. De formulering daarvan luidde als volgt:
"a) Als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, worden mede aangemerkt tijdvakken, gelegen voor 1 januari 1957, gedurende welke de rechthebbende die niet voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan deze tijdvakken kunnen worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering, na het bereiken van de 15-jarige leeftijd op Nederlands grondgebied heeft gewoond of gedurende welke hij, op het grondgebied van een andere Lid-Staat wonende, in Nederland arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.
(...)
c) Wat de gehuwde vrouw betreft, wier echtgenoot recht heeft op een pensioen krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, worden ook als tijdvakken van verzekering in aanmerking genomen tijdvakken van dit huwelijk, gelegen vóór de datum waarop zij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt en gedurende welke zij op het grondgebied van een of meer Lid-Staten heeft gewoond, voor zover deze tijdvakken samenvallen met de door haar echtgenoot krachtens bedoelde wet vervulde tijdvakken van verzekering en met de krachtens het bepaalde sub a) in aanmerking te nemen tijdvakken.
(...)
e) Wat de gehuwd geweest zijnde vrouw betreft, wier echtgenoot onderworpen is geweest aan de Nederlandse Algemene Ouderdomswet of geacht wordt tijdvakken krachtens het bepaalde sub a) te hebben vervuld, is het bepaalde in de beide voorgaande alinea' s mutatis mutandis van toepassing.
(...)"
7 Vanaf zijn pensionering in februari 1969 tot zijn overlijden in oktober 1977 ontving de heer Cabanis een "gehuwdenpensioen", dat was berekend aan de hand van door beide echtgenoten vervulde tijdvakken van verzekering als hiervoor bedoeld. Tijdens dit tijdvak kon Cabanis-Issarte, die in mei 1974 de 65-jarige leeftijd bereikte, persoonlijk geen aanspraak maken op een AOW-pensioen, daar zij onder deze regeling zoals zij destijds gold, als gehuwde vrouw uitsluitend de bescherming van het aan haar echtgenoot uitgekeerde pensioen genoot.
8 Na het overlijden van haar echtgenoot daarentegen kon Cabanis-Issarte per 1 april 1978 aanspraak maken op een zelfstandig recht op een "ongehuwdenpensioen" ingevolge de AOW. De SVB paste op dit pensioen evenwel een korting toe, overeenkomend met 29 jaren gedurende welke Cabanis-Issarte niet verzekerd was geweest krachtens deze regeling, zijnde de periode vanaf haar 15de verjaardag (13 mei 1924) tot de datum waarop het echtpaar zich voor het eerst in Nederland vestigde (23 november 1948), en de periode vanaf de datum van de definitieve terugkeer naar Frankrijk (15 juli 1969) tot haar 65ste verjaardag (13 mei 1974).
9 Over deze laatste periode bood de SVB Cabanis-Issarte een vrijwillige verzekering aan. Bij beslissing van 7 juli 1980 stelde zij de premie voor deze vrijwillige verzekering vast op het maximale bedrag ingevolge artikel 2, lid 1, van het koninklijk besluit van 24 februari 1961 (Stb. 56), dat luidt als volgt:
"De premie bedraagt over ieder in het tijdvak gelegen vol kalenderjaar het bedrag, dat een verzekerde ingevolge de Algemene Ouderdomswet over het desbetreffende jaar ten hoogste verschuldigd kan zijn."
10 Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de Nederlander, die ingevolge artikel 2, lid 2, van het koninklijk besluit van 1961 een lagere premie verschuldigd is, doordat de premie
"voor ieder in het tijdvak gelegen vol kalenderjaar, ten aanzien waarvan hij ten genoegen van de Sociale Verzekeringsbank kan aannemelijk maken, dat zulks voor hem gunstiger is, eenzelfde percentage van zijn inkomen in het desbetreffende kalenderjaar [bedraagt] als ingevolge artikel 28 van de Algemene Ouderdomswet voor dat jaar geldt doch ten minste 5 % van het bedrag, dat een verzekerde ingevolge die wet over het betreffende jaar ten hoogste verschuldigd kan zijn".
11 Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 1971 (Stb. 798) bevat soortgelijke bepalingen als de zojuist genoemde, met als enig verschil dat dit laatste koninklijk besluit tevens verwijst naar de Algemene Weduwen- en Wezenwet.
12 Cabanis-Issarte ging tegen de beslissing van de SVB, dat voor de vrijwillige verzekering de maximaal verschuldigde premie moest worden betaald, in beroep bij de Raad van Beroep te Amsterdam.
13 Bij uitspraak van 2 februari 1987 verklaarde de Raad van Beroep te Amsterdam het beroep van Cabanis-Issarte gegrond. Hij overwoog daarbij, dat "verordening (EEG) nr. 1408/71 krachtens het bepaalde in artikel 2 op klaagster van toepassing is, en dat zij op grond van artikel 3 van die verordening voor de toepassing van de regeling inzake vrijwillige premiebetaling aanspraak kan maken op dezelfde behandeling als die welke ten deel valt aan Nederlandse onderdanen".
14 Volgens artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 is deze verordening van toepassing "op werknemers (...) op wie de wetgeving van een of meer Lid-Staten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der Lid-Staten (...) zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen".
15 Artikel 3, lid 1, luidt als volgt: "Personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, hebben de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening."
16 De SVB ging van deze uitspraak in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Deze rechterlijke instantie overwoog onder meer, dat wanneer een persoon als Cabanis-Issarte in Nederland was blijven wonen, zij gedurende de periode van 15 juli 1969 tot en met 13 mei 1974 als ingezetene verplicht verzekerd zou zijn gebleven, waarbij de premie ° anders dan bij de vrijwillige verzekering ° niet op het maximale bedrag zou zijn vastgesteld.
17 Van oordeel, dat onzeker is welke rechten Cabanis-Issarte aan verordening nr. 1408/71 kan ontlenen, heeft de Centrale Raad van Beroep de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Is in gevallen als het onderhavige ingevolge artikel 2 van verordening (EEG) nr. 1408/71 deze verordening op een persoon als gedaagde van toepassing, waaronder het beginsel van gelijke behandeling als bedoeld in artikel 3 van die verordening:
a) omdat zij als rechthebbende zou zijn aan te merken ingevolge artikel 2a van bijlage V, onderdeel H, van die verordening (zoals deze bijlage was genummerd ten tijde van de bestreden beslissing)?
b) omdat zij als gezinslid dan wel (uiteindelijk) nagelaten betrekking in de zin van artikel 2 van die verordening zou zijn aan te merken op grond van het feit dat zij ingevolge artikel 9 van het destijds toepasselijke koninklijk besluit van 24 februari 1961 (mede)verzekerd is geweest op grond van premiebetaling ingevolge de vrijwillige verzekering van haar toenmalige echtgenoot (over de periode van 20 oktober 1960 tot en met 12 november 1963)?
c) omdat zij als gezinslid dan wel nagelaten betrekking zou zijn aan te merken op grond van de omstandigheid dat zou zijn te stellen dat over laatstbedoelde periode, maar ook daarbuiten, op haar van toepassing is het bepaalde in artikel 2e in samenhang met artikel 2c van genoemd bijlage-onderdeel?
2) Kan worden gesteld dat in gevallen als het onderhavige als gevolg van de uitoefening van het recht op vrij verkeer sociale-zekerheidsvoordelen verloren zijn gegaan, zodat het doel van artikel 48 tot en met 51 EEG-Verdrag niet zou worden bereikt, en in dat geval, wat zijn daarvan dan de consequenties voor het hier in geding zijnde nationaliteitsvereiste voor premiereductie?"
De eerste vraag
18 Met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat de weduwe of weduwnaar van een migrerend werknemer op deze bepalingen een beroep kan doen met het oog op de vaststelling van het premiebedrag voor een tijdvak van vrijwillige verzekering, dat is vervuld krachtens de ouderdomspensioenregeling van de Lid-Staat op wiens grondgebied de werknemer heeft gewerkt.
19 Het is sinds het arrest van 23 november 1976 (zaak 40/76, Kermaschek, Jurispr. 1976, blz. 1669) vaste rechtspraak, dat de gezinsleden van een werknemer uit hoofde van artikel 2 van verordening nr. 1408/71 slechts aanspraak kunnen maken op afgeleide rechten, dat wil zeggen rechten die zijn verkregen in de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer.
20 De SVB, de regeringen van de Lid-Staten die opmerkingen hebben ingediend, en de Commissie zijn alle de mening toegedaan, dat in het licht van deze rechtspraak de weduwe of weduwnaar van een migrerend werknemer zich niet op artikel 3 van verordening nr. 1408/71 kan beroepen voor de vaststelling van het premiebedrag dat voor een tijdvak van vrijwillige verzekering verschuldigd is ter verkrijging van een aanspraak op een ouderdomspensioen, aangezien het recht op een dergelijke uitkering niet is aan te merken als een afgeleid recht, verkregen in de hoedanigheid van gezinslid of nagelaten betrekking van een werknemer, maar als een eigen recht, verkregen los van enige familieband met een werknemer.
21 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71, waarin de personele werkingssfeer van deze verordening wordt afgebakend, betrekking heeft op twee duidelijk onderscheiden categorieën personen: werknemers enerzijds, hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen anderzijds. Om onder de werkingssfeer van de verordening te vallen, moeten eerstgenoemden onderdanen van een der Lid-Staten dan wel op het grondgebied van een der Lid-Staten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn; voor gezinsleden of nagelaten betrekkingen van werknemers die gemeenschapsonderdanen zijn, is dienaangaande evenwel geen nationaliteitsvereiste gesteld.
22 Het onderscheid tussen werknemers en hun gezinsleden of nagelaten betrekkingen bepaalt de toepasselijkheid ratione personae van een groot aantal bepalingen van verordening nr. 1408/71, waarvan enkele uitsluitend voor werknemers gelden.
23 Zo kan de weduwe of weduwnaar van een communautaire werknemer zich niet op zijn hoedanigheid van gezinslid van die werknemer beroepen om aanspraak te maken op toepassing van de artikelen 67 tot en met 71 van verordening nr. 1408/71, die in hoofdzaak slechts strekken tot cooerdinatie van de rechten op werkloosheidsuitkeringen, die krachtens de nationale wetgevingen van de Lid-Staten worden toegekend aan werknemers die onderdanen van een der Lid-Staten zijn, en niet aan hun gezinsleden.
24 Dat was het geval in het arrest Kermaschek (reeds aangehaald). Kermaschek, van Joegoslavische nationaliteit, verzocht om toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1408/71 inzake de samentelling van tijdvakken van verzekering of van arbeid voor het verkrijgen van een recht op werkloosheidsuitkeringen. Zij kon zich daartoe niet beroepen op haar hoedanigheid van werknemer in Duitsland, daar zij onderdaan van een derde land was. Zij kon evenmin haar hoedanigheid van echtgenote van een Duits onderdaan geldend maken, daar de in geding zijnde gemeenschapsbepalingen uitsluitend van toepassing waren op werknemers.
25 Het in casu aan de verwijzende rechter voorgelegde geval ligt evenwel anders. Cabanis-Issarte verzoekt namelijk, op haar het beginsel van gelijke behandeling als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 toe te passen met het oog op de vaststelling van het premiebedrag voor een krachtens de Nederlandse wettelijke regeling vervuld tijdvak van vrijwillige verzekering, ter aanvulling van een krachtens deze wettelijke regeling vervuld tijdvak van verplichte verzekering.
26 Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71 kent, "behoudens bijzondere bepalingen van deze verordening", aan "personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen" en op wie de bepalingen van de verordening van toepassing zijn, het recht op gelijke behandeling toe bij de toepassing van de wettelijke regelingen van de Lid-Staten inzake sociale zekerheid, zonder onderscheid te maken al naargelang de betrokken persoon werknemer, gezinslid dan wel weduwe of weduwnaar van een werknemer is. Elke afwijking van de gelijkheid van behandeling op grond van een van de in artikel 3, lid 1, bedoelde bepalingen van de verordening, moet hoe dan ook objectief gerechtvaardigd zijn, daar anders het grondbeginsel van non-discriminatie, dat artikel 3, lid 1, vastlegt op het gebied van de sociale zekerheid, zou worden uitgehold.
27 Dienaangaande staat om te beginnen vast, dat Cabanis-Issarte in haar hoedanigheid van weduwe van een migrerend werknemer ingevolge artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1408/71 onder de personele werkingssfeer van de verordening valt, en dat het door de SVB aan haar uitgekeerde ouderdomspensioen valt onder de tak "uitkeringen bij ouderdom" als bedoeld in artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr. 1408/71. Ten slotte staat vast, dat geen bepaling van de verordening, met name van titel III, hoofdstuk 3 "Ouderdom en overlijden (pensioenen)", dat specifieke bepalingen voor de verschillende categorieën uitkeringen bevat, de toepassing van artikel 3, lid 1, uitsluit op het gebied van de voorwaarden voor toekenning, ten behoeve van de weduwe of weduwnaar van een werknemer, van een op vrijwillige premies gebaseerd ouderdomspensioen.
28 Uit het voorgaande volgt, dat Cabanis-Issarte voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71.
29 Er zij evenwel aan herinnerd, dat het Hof in een aantal arresten na het arrest Kermaschek (reeds aangehaald) heeft overwogen, dat een gezinslid van een migrerend werknemer niet met een beroep op de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 onder voorwaarden van gelijke behandeling als eigen onderdanen aanspraak kon maken op een sociale-zekerheidsuitkering die krachtens de wettelijke regeling van de ontvangende staat als eigen recht en niet op grond van de hoedanigheid van gezinslid van een werknemer werd toegekend, zulks zonder dat het Hof vooraf had vastgesteld dat bijzondere bepalingen van de verordening zich tegen toepassing van artikel 3, lid 1, verzetten (zie arresten van 6 juni 1985, zaak 157/84, Frascogna, Jurispr. 1985, blz. 1739; 20 juni 1985, zaak 94/84, Deak, Jurispr. 1985, blz. 1873; 17 december 1987, zaak 147/87, Zaoui, Jurispr. 1987, blz. 5511; 8 juli 1992, zaak C-243/91, Taghavi, Jurispr. 1992, blz. I-4401, en 27 mei 1993, zaak C-310/91, Schmid, Jurispr. 1993, blz. I-3011).
30 Indien de echtgenoot van een werknemer, die de werknemer in een andere Lid-Staat heeft vergezeld en vervolgens besluit, met deze werknemer of na diens overlijden terug te keren naar zijn land van herkomst, zich niet kon beroepen op het beginsel van gelijke behandeling voor de toekenning van bepaalde uitkeringen krachtens de wetgeving van de laatste staat van tewerkstelling, zou dat nadelige gevolgen hebben voor het vrije verkeer van werknemers, in het kader waarvan de communautaire regeling betreffende de cooerdinatie van de nationale sociale-zekerheidswetgevingen is vastgesteld. Het zou immers in strijd zijn met het doel en de geest van deze regeling, wanneer de echtgenoot of nagelaten betrekking van een migrerend werknemer de toepassing van het non-discriminatiebeginsel wordt ontzegd voor de vaststelling van uitkeringen bij ouderdom waarop hij onder voorwaarden van gelijke behandeling als eigen onderdanen aanspraak had kunnen maken, indien hij in de ontvangende staat was blijven wonen.
31 Bovendien moet worden vastgesteld, dat het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten, waarvan het Hof zich in zijn in rechtsoverweging 29 genoemde arresten heeft bediend, tot gevolg kan hebben, dat afbreuk wordt gedaan aan een fundamenteel vereiste van de communautaire rechtsorde, te weten de eenvormige toepassing van haar voorschriften, doordat het de toepasselijkheid van die voorschriften op particulieren laat afhangen van de vraag, of de toepasselijke nationale wetgeving de in geding zijnde uitkeringen als eigen recht of als afgeleid recht kwalificeert, afhankelijk van de bijzonderheden van het nationale stelsel van sociale zekerheid.
32 Deze bijzonderheden kunnen er zelfs toe leiden, dat bij de toekenning van een ouderdomspensioen krachtens de wetgeving van één Lid-Staat, de pensioenrechten die zijn opgebouwd gedurende de tijdvakken van verzekering of van verblijf die voor de berekening van het pensioen in aanmerking worden genomen, als eigen rechten of als afgeleide rechten worden aangemerkt al naargelang het in aanmerking genomen tijdvak. Zoals de advocaat-generaal in punt 15 van zijn conclusie van 29 februari 1996 opmerkt, is dit het geval met Cabanis-Issarte, die krachtens de Nederlandse wetgeving met betrekking tot sommige tijdvakken van verzekering pensioenrechten heeft verkregen in haar hoedanigheid van gezinslid van een migrerend werknemer, en met betrekking tot andere tijdvakken als eigen recht.
33 Hieraan moet worden toegevoegd dat, gelijk de Commissie opmerkt, dit onderscheid tussen eigen recht en afgeleid recht in de nationale stelsels van sociale zekerheid geleidelijk vervaagt, nu er een tendens is om de sociale-zekerheidsdekking tot gemeengoed te maken.
34 Aangezien het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten ertoe zou leiden, dat het grondbeginsel van gelijke behandeling niet geldt voor de weduwe of weduwnaar van de migrerende werknemer, zijn er termen aanwezig om de draagwijdte van de uit het arrest Kermaschek voortvloeiende rechtspraak te beperken tot de hiervoor in de rechtsoverwegingen 23 en 24 beschreven omstandigheden.
35 Om een beroep op het onderscheid tussen eigen rechten en afgeleide rechten in casu niettemin te rechtvaardigen, betogen de SVB en de regeringen die opmerkingen hebben ingediend, zakelijk weergegeven, dat dit onderscheid, aan de hand waarvan de omvang van de rechten waarop de werknemers en hun gezinsleden respectievelijk aanspraak kunnen maken krachtens verordening nr. 1408/71, kan worden afgebakend, voortvloeit uit het beginsel van het vrije verkeer van werknemers, dat in de eerste plaats geldt voor personen die een economische activiteit uitoefenen of hebben uitgeoefend, en uit wier positie de rechten voortvloeien die het gemeenschapsrecht aan hun gezinsleden toekent.
36 De Nederlandse regering merkt in het bijzonder op, dat Cabanis-Issarte niet alleen nimmer in de bevoegde staat heeft gewerkt, maar dat bovendien de in geding zijnde rechten op uitkeringen betrekking hebben op een tijdvak waarin de betrokkene zelfs niet op het grondgebied van die staat woonde.
37 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
38 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het door artikel 48 van het Verdrag gewaarborgde vrije verkeer van werknemers het recht op integratie in de ontvangende staat inhoudt, inzonderheid voor het gezin van de werknemer, teneinde te voorkomen dat het ontbreken daarvan negatieve gevolgen zou hebben voor die vrijheid. Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het recht op gelijke behandeling, met name op het gebied van sociale voordelen, voorzien in artikel 7, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), en zoals dit in vaste rechtspraak ten behoeve van de gezinsleden van de werknemer is erkend, hetzelfde doel heeft en een belangrijke factor tot integratie in de ontvangende staat is.
39 Wat vervolgens de toepassing van de nationale sociale-zekerheidswetgevingen op werknemers en hun gezinsleden betreft, dient volgens artikel 51 van het Verdrag de Raad de maatregelen vast te stellen die op dat gebied noodzakelijk zijn voor de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers (zie, onder meer, arresten van 26 oktober 1995, zaak C-481/93, Moscato, Jurispr. 1995, blz. I-3525, r.o. 27, en zaak C-482/93, Klaus, Jurispr. 1995, blz. I-3551, r.o. 21).
40 Verordening nr. 1408/71 bevat daartoe een aantal bepalingen die onder meer, volgens met de betrokken tak van sociale zekerheid wisselende technieken en modaliteiten, beogen te voorkomen, dat een werknemer die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend en die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd besluit terug te keren naar zijn land van herkomst, alsmede de gezinsleden van die werknemer, sociale-zekerheidsvoordelen verliezen waarop zij aanspraak zouden hebben kunnen maken indien zij in de laatste staat van tewerkstelling waren blijven wonen.
41 In het onderhavige geval staat vast dat Cabanis-Issarte, van Franse nationaliteit, nooit heeft gewerkt en haar echtgenoot tijdens diens gehele beroepsloopbaan in Nederland heeft vergezeld. In die omstandigheden is haar wegens de uitoefening door haar echtgenoot van het recht op vrij verkeer het recht toegekend, zich met hem op Nederlands grondgebied te vestigen, en heeft zij bijgevolg pensioenrechten krachtens de Nederlandse wetgeving kunnen opbouwen, zowel voor de tijdvakken van verblijf in Nederland als voor de tijdvakken van verblijf in Frankrijk, uit hoofde van de vrijwillige verzekering van haar echtgenoot of van een persoonlijke vrijwillige verzekering.
42 In dit verband is het duidelijk, dat in het hoofdgeding het litigieuze tijdvak van vrijwillige verzekering noodzakelijkerwijs dient ter aanvulling van de tijdvakken van verplichte verzekering die Cabanis-Issarte in Nederland had vervuld omdat zij daar woonde met haar echtgenoot, die migrerend werknemer was.
43 Uit het voorgaande volgt dat, anders dan onder meer de SVB en de Nederlandse regering hebben gesteld, de situatie van Cabanis-Issarte in verband met het tijdvak van vrijwillige verzekering, voor de opbouw waarvan de SVB weigert haar dezelfde premiereducties te verlenen als aan eigen onderdanen worden toegekend, gedekt is door de communautaire voorschriften inzake het vrije verkeer van werknemers, inzonderheid het beginsel van non-discriminatie op het gebied van de sociale zekerheid, neergelegd in artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat zowel voor werknemers als voor hun gezinsleden geldt.
44 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord, dat de artikelen 2 en 3 van verordening nr. 1408/71 aldus moeten worden uitgelegd, dat daarop een beroep kan worden gedaan door de weduwe of weduwnaar van een migrerend werknemer, met het oog op de vaststelling van het premiebedrag voor een tijdvak van vrijwillige verzekering, dat is vervuld krachtens de ouderdomspensioenregeling van de Lid-Staat op wiens grondgebied de werknemer werkzaam is geweest.
De tweede vraag
45 Gezien het antwoord op de eerste vraag behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
De werking van het onderhavige arrest in de tijd
46 Zowel de SVB als de regeringen van de Lid-Staten die bij het Hof opmerkingen hebben ingediend, zijn van mening, dat voor het geval het Hof de Kermaschek-rechtspraak mocht herzien, de werking van het onderhavige arrest in de tijd moet worden beperkt. Daartoe hebben zij in hoofdzaak gewezen op de ernstige gevolgen die dit arrest zou hebben voor de financiering van de sociale-zekerheidsstelsels, en betoogd dat zich een radicale ommekeer in de rechtspraak zou voordoen.
47 Ook al hebben de regeringen van de Lid-Staten die opmerkingen hebben ingediend, de financiële gevolgen van het antwoord op de eerste vraag niet kunnen ramen, al was het maar bij benadering, dwingende overwegingen van rechtszekerheid verzetten zich ertegen, dat rechtssituaties die definitief zijn afgedaan overeenkomstig de vroegere vaste rechtspraak van het Hof, waarvan het onderhavige arrest de draagwijdte beperkt, opnieuw in geding worden gebracht.
48 Mitsdien moet worden beslist, dat op het onderhavige arrest geen beroep kan worden gedaan tot staving van aanspraken op uitkeringen met betrekking tot vóór de datum van de uitspraak ervan gelegen tijdvakken, tenzij het gaat om personen die vóór die datum een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
49 De kosten door de Nederlandse, de Duitse, de Franse, de Oostenrijkse en de Britse regering alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 3 juni 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De artikelen 2 en 3 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moeten aldus worden uitgelegd, dat daarop een beroep kan worden gedaan door de weduwe of weduwnaar van een migrerend werknemer, met het oog op de vaststelling van het premiebedrag voor een tijdvak van vrijwillige verzekering, dat is vervuld krachtens de ouderdomspensioenregeling van de Lid-Staat op wiens grondgebied de werknemer werkzaam is geweest.
2) Op het onderhavige arrest kan geen beroep worden gedaan tot staving van aanspraken op uitkeringen met betrekking tot vóór de datum van de uitspraak ervan gelegen tijdvakken, tenzij het gaat om personen die vóór die datum een rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend.
Full & Egal Universal Law Academy