Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen ° Kwantitatieve beperkingen ° Maatregelen van gelijke werking ° Nationale regeling die verhandeling verbiedt van niet-goedgekeurde telecommunicatie-eindapparatuur, ook indien aangeboden als bestemd voor wederuitvoer ° Toelaatbaarheid ° Uitvloeisel van door richtlijn 88/301 aan Lid-Staten toegekende bevoegdheid
(EEG-Verdrag, art. 30; Richtlijn 88/301 van de Commissie, art. 3)
Samenvatting
Noch artikel 30 EEG-Verdrag, noch richtlijn 88/301 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur, waarvan een aantal bepalingen strekken tot uitvoering van artikel 30, verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling die de marktdeelnemers onder strafbedreiging verbiedt, niet-goedgekeurde eindapparatuur tot verbruik in te voeren, ten verkoop voorhanden te hebben, te verkopen of te distribueren alsmede er reclame voor te maken, ook al wordt door de importeur, de bezitter of de verkoper duidelijk kenbaar gemaakt, dat die apparatuur uitsluitend bestemd is voor wederuitvoer, wanneer niet is gewaarborgd dat die apparatuur ook echt weer wordt uitgevoerd en dus niet bedoeld is voor aansluiting op het openbare net, maar integendeel de meeste apparatuur blijkens vaststelling van de nationale rechter niet weer wordt uitgevoerd.
Weliswaar kent artikel 3 van de richtlijn de economische subjecten het recht toe eindapparatuur in te voeren en in de handel te brengen, maar de Lid-Staten mogen zulke eindapparatuur testen op conformiteit met bepaalde essentiële vereisten, te weten de veiligheid van de consument, de veiligheid van het personeel van openbare communicatiediensten, de bescherming van de openbare telecommunicatienetten tegen schade en de internetkoppeling van eindapparatuur in met redenen omklede gevallen. Het effect van de aldus aan de Lid-Staten verleende bevoegdheid zou tenietgaan wanneer voornoemde activiteiten konden worden ondernomen, zonder dat de wederuitvoer van de betrokken apparatuur daadwerkelijk is gewaarborgd.
Partijen
In zaak C-314/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal de grande instance de Reims (Frankrijk), in de aldaar dienende strafzaak tegen
F. Rouffeteau,
R. Badia,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag en richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 1988, L 131, blz. 73),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: R. Grass
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Franse regering, vertegenwoordigd door J.-M. Belorgey, chargé de mission bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. de Salins, adviseur buitenlandse zaken bij dat ministerie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. C. Jessen, lid van haar juridische dienst, en V. Melgar, bij haar juridische dienst gedetacheerd nationaal ambtenaar, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Franse regering en de Commissie, vertegenwoordigd door V. Melgar, als gemachtigde, bijgestaan door A. Jaume, wetenschappelijk ambtenaar, ter terechtzitting van 2 maart 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 18 mei 1993, ingekomen bij het Hof op 14 juni daaraanvolgend, heeft het Tribunal de grande instance de Reims (Frankrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 van het Verdrag en richtlijn 88/301/EEG van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-eindapparatuur (PB 1988, L 131, blz. 73), teneinde te kunnen beoordelen, of daarmee verenigbaar is de regeling die is ingevoerd bij het Franse decreet nr. 85-712 van 11 juli 1985 houdende uitvoeringsbepalingen van de wet van 1 augustus 1905 en betreffende apparatuur die kan worden aangesloten op het telecommunicatienet van de staat (JORF van 14.7.1985, blz. 7976), en bij wet nr. 89-1008 van 31 december 1989 betreffende de ontwikkeling van handels- en ambachtelijke bedrijven en de verbetering van hun economische, juridische en sociale bestaansvoorwaarden (JORF van 2.1.1990, blz. 9).
2 Deze vraag is gerezen in het kader van een strafrechtelijke procedure tegen Rouffeteau en Badia, aan wie ten laste wordt gelegd, dat zij in september 1991 in strijd met het bepaalde in decreet nr. 85-712 telefoonapparatuur voorhanden hebben gehad en hebben verkocht, zonder in het bezit te zijn van een verklaring van goedkeuring of van enig ander document waaruit bleek, dat die apparatuur de kenmerken bezat waaraan op het openbare net aansluitbare apparatuur dient te voldoen. Rouffeteau staat bovendien terecht ter zake van het in strijd met het bepaalde in wet nr. 89-1008 reclame maken voor dergelijke niet-goedgekeurde apparatuur. Rouffeteau en Badia hebben aangevoerd, dat de betrokken regeling onwettig is wegens strijd met artikel 30 van het Verdrag en richtlijn 88/301.
3 Ingevolge decreet nr. 85-712 mag apparatuur die op het openbare net kan worden aangesloten, alleen dan worden vervaardigd voor de binnenlandse markt, tot verbruik worden ingevoerd, ten verkoop voorhanden worden gehouden of worden verkocht of gedistribueerd, wanneer zij in overeenstemming is met de bepalingen van dat decreet en voldoet aan een aantal vereisten in verband met de goede werking van het net en de veiligheid van de gebruiker (artikelen 2, 3 en 4). Ten bewijze, dat de apparatuur aan die vereisten voldoet, moeten de betrokken marktdeelnemers overleggen hetzij een rapport van een door het Ministerie van Industrie erkende instelling, hetzij een krachtens de Code des postes et télécommunications afgegeven verklaring van goedkeuring, hetzij een krachtens de wet inzake de bescherming en voorlichting van de consument afgegeven goedkeuringscertificaat, hetzij een ander, bij besluit van de minister van Industrie als gelijkwaardig erkend bewijsstuk (artikel 6). Artikel 7 van het decreet noemt de sancties die bij verzuim van deze bewijsplicht kunnen worden opgelegd.
4 Ingevolge artikel 8 van wet nr. 89-1008 is alle reclame voor apparatuur die kan worden aangesloten op het telecommunicatienet van de staat en waarvan de overeenstemming met de ter zake geldende bepalingen niet kan worden aangetoond, op straffe van een geldboete verboden.
5 Van oordeel, dat het geding een vraag van uitlegging van het gemeenschapsrecht deed rijzen, heeft de strafrechter te Reims het Hof de volgende vraag voorgelegd:
"Dienen artikel 30 EEG-Verdrag en richtlijn 88/301/EEG aldus te worden uitgelegd, dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling als de Franse, die de invoer, het ten verkoop voorhanden hebben en de verkoop van niet-goedgekeurde telefoonapparatuur strafbaar stelt, ook wanneer door de importeur, de bezitter of de verkoper van de apparatuur, in casu draadloze telefoontoestellen en antwoordapparaten, duidelijk kenbaar wordt gemaakt, dat deze uitsluitend bestemd is voor wederuitvoer en dus niet bedoeld is voor aansluiting op het openbare net?"
6 Artikel 3, eerste zin, van richtlijn 88/301 kent de economische subjecten het recht toe, eindapparatuur in te voeren en in de handel te brengen. Volgens de tweede zin van deze bepaling mogen de Lid-Staten die eindapparatuur evenwel testen op conformiteit met bepaalde essentiële vereisten, zoals die vermeld in artikel 2, punt 17, van richtlijn 86/361/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de eerste fase van de wederzijdse erkenning van goedkeuringen van eindapparatuur voor telecommunicatie (PB 1986, L 217, blz. 21), te weten de veiligheid van de consument, de veiligheid van het personeel van openbare telecommunicatiediensten, de bescherming van de openbare telecommunicatienetten tegen schade en de internetkoppeling van eindapparatuur in met redenen omklede gevallen.
7 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat richtlijn 88/301 door de Commissie is vastgesteld krachtens de haar bij artikel 90, lid 3, van het Verdrag verleende normatieve bevoegdheid, algemene regels vast te stellen die de verplichtingen die ingevolge het Verdrag op de Lid-Staten rusten met betrekking tot de in de eerste twee leden van dit artikel bedoelde ondernemingen, nader bepalen (arrest van 19 maart 1991, zaak C-202/88, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1223, r.o. 14). Artikel 3 van deze richtlijn maakt deel uit van de bepalingen ter uitvoering van artikel 30 van het Verdrag (zie in deze zin hetzelfde arrest, r.o. 37-39).
8 Het effect van de aldus aan de Lid-Staten verleende bevoegdheid zou tenietgaan, indien het mogelijk was niet-goedgekeurde apparatuur tot verbruik in te voeren, ten verkoop voorhanden te hebben, te verkopen of te distribueren alsmede er reclame voor te maken, zonder dat de wederuitvoer ervan daadwerkelijk is gewaarborgd.
9 Naar de Franse regering betoogt, wordt het merendeel van de niet-goedgekeurde apparatuur die in een Lid-Staat wordt verkocht, ondanks dat bij de verkoop soms mondeling of schriftelijk kenbaar wordt gemaakt, dat de apparatuur bestemd is voor wederuitvoer en niet bedoeld is voor aansluiting op het openbare net, later toch op dat net aangesloten.
10 Het is aan de nationale rechter om na te gaan, in hoeverre deze bewering met de realiteit overeenstemt.
11 In deze omstandigheden moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat noch artikel 30 van het Verdrag, noch richtlijn 88/301 zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die de marktdeelnemers onder strafbedreiging verbiedt, niet-goedgekeurde eindapparatuur tot verbruik in te voeren, ten verkoop voorhanden te hebben, te verkopen of te distribueren alsmede er reclame voor te maken, ook al wordt door de importeur, de bezitter of de verkoper duidelijk kenbaar gemaakt, dat die apparatuur uitsluitend bestemd is voor wederuitvoer, wanneer niet is gewaarborgd dat die apparatuur ook echt weer wordt uitgevoerd en dus niet bedoeld is voor aansluiting op het openbare net.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunal de grande instance de Reims bij vonnis van 18 mei 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Noch artikel 30 van het Verdrag, noch richtlijn 88/301/EEG verzet zich tegen een nationale wettelijke regeling die de marktdeelnemers onder strafbedreiging verbiedt, niet-goedgekeurde eindapparatuur tot verbruik in te voeren, ten verkoop voorhanden te hebben, te verkopen of te distribueren alsmede er reclame voor te maken, ook al wordt door de importeur, de bezitter of de verkoper duidelijk kenbaar gemaakt, dat die apparatuur uitsluitend bestemd is voor wederuitvoer, wanneer niet is gewaarborgd dat die apparatuur ook echt weer wordt uitgevoerd en dus niet bedoeld is voor aansluiting op het openbare net.
Full & Egal Universal Law Academy