Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Prejudiciële vragen - Bevoegdheid van Hof - Vraag die geen volledige uiteenzetting van juridische en feitelijke context bevat, maar specifieke technische punten betreft - Hof voldoende voorgelicht om nuttige uitlegging te kunnen geven - Vraag waarop antwoord kan worden gegeven
(EEG-Verdrag, art. 177)
2. Harmonisatie van wetgevingen - Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen - Richtlijn 84/5 - Toepassing ratione temporis - Mogelijkheid voor particulieren zich op richtlijn te beroepen voor verstrijken van daarin gestelde termijn voor inwerkingtreding nationale uitvoeringsbepalingen - Uitsluiting
(Richtlijn 84/5, art. 5, lid 2)
Samenvatting
1. Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Dit vereiste is evenwel minder absoluut wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten, en het Hof ook dan een nuttig antwoord kan geven wanneer de nationale rechter de juridische en feitelijke context niet in bijzonderheden heeft uiteengezet.
Over een prejudiciële vraag dient uitspraak te worden gedaan wanneer het Hof door het door de nationale rechter overgelegde dossier en de door partijen in het hoofdgeding ingediende schriftelijke opmerkingen voldoende is voorgelicht en bijgevolg in staat is, de regels van gemeenschapsrecht uit te leggen in het licht van de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is.
2. Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 5 van richtlijn 84/5, inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, volgt, dat de Lid-Staten weliswaar uiterlijk op 31 december 1987 hun nationale bepalingen dienden te wijzigen, doch deze slechts dienden toe te passen voor de dekking van verzekerde gebeurtenissen die vanaf 31 december 1988 plaatsvonden.
Nu particulieren zich voor de nationale rechter eerst dan op een richtlijn kunnen beroepen, wanneer de termijn voor inwerkingtreding van de nationale omzettingsbepalingen is verstreken, konden de bepalingen van voormelde richtlijn vóór de in artikel 5, lid 2, ervan vastgestelde datum van 31 december 1988 voor de particulieren geen rechten doen ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moesten beschermen.
Partijen
In zaak C-316/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van koophandel te Hoei (België), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
N. Vaneetveld
en
Le Foyer SA
en
Le Foyer SA
en
Fédération des mutualités socialistes et syndicales de la province de Liège (FMSS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, F. A. Schockweiler (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- N. Vaneetveld, vertegenwoordigd door J.-L. Dessy, advocaat te Hoei,
- Le Foyer SA, vertegenwoordigd door L. Simont, advocaat te Brussel, en O. W. Brouwer, advocaat te Amsterdam,
- de Franse regering, vertegenwoordigd door H. Renie, adjunct-hoofdsecretaris bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. de Salins, adviseur bij dit ministerie, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur T. Cusack, als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 januari 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 9 juni 1993, ingekomen bij het Hof op 16 juni daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van koophandel te Hoei (België) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: "Tweede richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen N. Vaneetveld en de verzekeringsmaatschappij Le Foyer SA (hierna: "Le Foyer") inzake de vergoeding van de schade die zij bij een verkeersongeval op 2 mei 1988 heeft geleden.
3 Blijkens het door de verwijzende rechter overgelegde dossier en de bij het Hof ingediende opmerkingen, is J. Dubois, die voor het ongeval aansprakelijk is, de echtgenoot van Vaneetveld. De echtgenoten zijn uit elkaar gegaan, doch niet uit de echt gescheiden. Dubois is verzekerd bij de verzekeringsmaatschappij Le Foyer.
4 Ingevolge artikel 4 van de Belgische wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (Belgisch Staatsblad van 15.7.1956, blz. 4714) kan de echtgenoot van de verzekeringnemer van de verzekering worden uitgesloten.
5 Ingevolge de verzekeringsovereenkomst tussen Le Foyer en Dubois was zijn echtgenote niet verzekerd.
6 Toen Le Foyer vernam, dat Vaneetveld en haar cliënt niet uit de echt waren gescheiden, doch alleen niet langer samenwoonden, weigerde zij het slachtoffer schadevergoeding te betalen.
7 Daarop heeft Vaneetveld Le Foyer voor de Rechtbank van koophandel te Hoei gedaagd en vergoeding van alle geleden schade gevorderd. Van haar kant heeft de verzekeringsmaatschappij de Fédération des mutualités socialistes et syndicales de la province de Liège voor dezelfde rechtbank gedaagd en terugbetaling gevorderd van de bedragen die zij reeds had betaald aan de Fédération, voor de medische kosten van Vaneetveld die dit orgaan voor zijn rekening had genomen.
8 In artikel 3 van de Tweede richtlijn is het toepassingsgebied ratione personae van de verzekering als volgt omschreven:
"De familieleden van de verzekeringsnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 1, lid 1, bedoelde verzekering is gedekt, kunnen voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap worden uitgesloten van het recht op een uitkering."
9 De Tweede richtlijn is in Belgisch recht omgezet bij de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen (Belgisch Staatsblad van 8.12.1989, blz. 20122). Ingevolge artikel 4, paragraaf 1, tweede alinea, van deze wet mag de echtgenoot van de bestuurder, indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, niet van het voordeel van de vergoeding worden uitgesloten. Naar luid van artikel 30 van deze wet, leidt de inwerkingtreding ervan "binnen de door haar gestelde begrenzingen, van rechtswege tot wijziging van de verplichtingen van de verzekeraars, zoals die voortvloeien uit de algemene voorwaarden van de lopende verzekeringsovereenkomsten".
10 Krachtens een koninklijk besluit van 13 februari 1991 (Belgisch Staatsblad van 6.4.1991, blz. 7257) zijn de bepalingen van de wet van 21 november 1989 met ingang van 6 mei 1991 van toepassing op alle lopende aansprakelijkheidsverzekeringsovereenkomsten inzake motorrijtuigen.
11 Van oordeel dat deze twee zaken, die zij had samengevoegd, een vraag van uitlegging van de Tweede richtlijn deden rijzen, heeft de Rechtbank van koophandel te Hoei de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
"1) Zijn de bepalingen van artikel 5 van de Tweede richtlijn van de Raad rechtstreeks toepasselijk in de Belgische interne rechtsorde?
12 Vooraf moet worden onderzocht of uitspraak dient te worden gedaan over de prejudiciële vragen dan wel of zij, zoals de Franse regering opmerkt, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, op grond dat de verwijzende rechter heeft nagelaten het Hof inlichtingen te verschaffen over het juridisch en feitelijk kader van de vragen.
13 Weliswaar heeft het Hof verklaard, dat het, wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, noodzakelijk is dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (arresten van 16 juli 1992, zaak C-83/91, Meilicke, Jurispr. 1992, blz. I-4871, en 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e.a., Jurispr. 1993, blz. I-393; beschikkingen van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085, en 26 april 1993, zaak C-386/92, Monin Automobiles, Jurispr. 1993, blz. I-2049), maar dit vereiste is minder absoluut wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten, en het Hof ook dan een nuttig antwoord kan geven wanneer de nationale rechter de juridische en feitelijke context niet in bijzonderheden heeft uiteengezet.
14 Het Hof is door het door de nationale rechter overgelegde dossier en de door partijen in het hoofdgeding ingediende schriftelijke opmerkingen voldoende voorgelicht en is bijgevolg in staat, de regels van gemeenschapsrecht uit te leggen in het licht van de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is (zie arrest Telemarsicabruzzo e.a., reeds aangehaald).
15 Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen, of en vanaf welke datum de Tweede richtlijn, voor zover zij de uitsluiting van de verplichte verzekering verbiedt van de echtgenoot van de verzekerde, wanneer hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, voor de particulieren rechten doet ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moeten beschermen.
16 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat particulieren zich voor de nationale rechter eerst dan op een richtlijn kunnen beroepen, wanneer de termijn voor de omzetting ervan in nationaal recht is verstreken.
17 In dit verband bepaalt artikel 5 van de Tweede richtlijn:
"1. Uiterlijk 31 december 1987 wijzigen de Lid-Staten hun nationale bepalingen overeenkomstig deze richtlijn. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
(...)".
18 Uit de duidelijke bewoordingen van dit artikel volgt, dat de Lid-Staten weliswaar uiterlijk op 31 december 1987 hun nationale bepalingen dienden te wijzigen, doch deze slechts dienden toe te passen voor de dekking van verzekerde gebeurtenissen die vanaf 31 december 1988 plaatsvonden.
19 Mitsdien moet op de derde vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat de Tweede richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de bepalingen van deze richtlijn vóór de in artikel 5, lid 2, vastgestelde datum van 31 december 1988 voor de particulieren geen rechten hebben doen ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moesten beschermen.
20 Gelet op dit antwoord, behoeft niet te worden ingegaan op de eerste twee prejudiciële vragen, ertoe strekkende te vernemen of de Tweede richtlijn voor de particulieren daadwerkelijk rechten heeft doen ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moesten beschermen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van koophandel te Hoei (België) bij vonnis van 9 juni 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
De Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moet aldus worden uitgelegd, dat de bepalingen van deze richtlijn vóór de in artikel 5, lid 2, vastgestelde datum van 31 december 1988 voor de particulieren geen rechten hebben doen ontstaan die de nationale rechterlijke instanties moesten beschermen.
Full & Egal Universal Law Academy