Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Personele werkingssfeer van richtlijn 79/7 ° Beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van richtlijn ° Personen met beperkte dienstverbanden met als kenmerk beperkt aantal arbeidsuren en lage beloning ° Daaronder begrepen
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 2)
2. Sociale politiek ° Gelijke behandeling van mannen en vrouwen op gebied van sociale zekerheid ° Richtlijn 79/7 ° Nationale wetgeving die dienstverbanden waarbij in de regel minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en waarvoor salaris wordt ontvangen dat niet hoger is dan een zevende van referentiemaandloon, uitsluit van wettelijk stelsel van pensioenverzekering ° Regeling die voornamelijk vrouwen treft ° Objectieve rechtvaardiging ° Toelaatbaarheid
(Richtlijn 79/7 van de Raad, art. 4, lid 1)
Samenvatting
1. Richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat personen met een dienstverband dat wordt aangemerkt als beperkt, aangezien zij in de regel minder dan vijftien uur per week worden uitgeoefend en daarvoor een salaris van maximaal een zevende van het gemiddelde maandsalaris wordt genoten, deel uitmaken van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van deze richtlijn en onder de personele werkingssfeer van de richtlijn vallen.
Het feit dat een persoon met zijn beroepsactiviteit slechts een gering inkomen verwerft waarmee hij niet in zijn behoeften kan voorzien, betekent gemeenschapsrechtelijk niet, dat hem de hoedanigheid van werknemer kan worden ontzegd noch dat hij van de beroepsbevolking is uitgesloten.
2. Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die dienstverbanden waarbij in de regel minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en waarvoor een salaris wordt ontvangen dat niet hoger is dan een zevende van het referentiemaandloon, uitsluit van het wettelijk stelsel van pensioenverzekering, ook al worden aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen door deze regeling getroffen, wanneer de nationale wetgever er in redelijkheid van kon uitgaan, dat de betrokken nationale regeling noodzakelijk was ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht. Dit is het geval wanneer de uitsluiting van deze dienstverbanden van de verplichte verzekering beantwoordt aan een structureel beginsel van een op bijdragebetaling berustend sociale-zekerheidsstelsel, het enige middel is om aan een maatschappelijke vraag naar deze dienstverbanden te beantwoorden en bedoeld is om een toename van het aantal illegale banen en van het aantal ontduikingen van de sociale wetgeving te voorkomen.
Partijen
In zaak C-317/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Sozialgericht Hannover (Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
I. Nolte
en
Landesversicherungsanstalt Hannover,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, C. N. Kakouris (rapporteur), D. A. O. Edward en G. Hirsch, kamerpresidenten, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn, J. L. Murray, P. Jann, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: P. Léger
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Landesversicherungsanstalt Hannover, vertegenwoordigd door J. Kayser, directeur,
° de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, als gemachtigde,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S. L. Hudson, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde, en N. Paines, Barrister,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks, lid van haar juridische dienst, en H. Kreppel, Duits ambtenaar gedetacheerd bij de juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Landesversicherungsanstalt Hannover, vertegenwoordigd door J. Kayser; de Duitse regering, vertegenwoordigd door E. Roeder; de Ierse regering, vertegenwoordigd door D. O' Donnel, Barrister-at-law; de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door N. Paines, en de Commissie, vertegenwoordigd door H. Kreppel, ter terechtzitting van 8 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 31 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 mei 1993, ingekomen ten Hove op 16 juni daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Hannover krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: de "richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Nolte en de Landesversicherungsanstalt Hannover (hierna: "LVA"), over de nietigverklaring van de beschikking waarbij deze instelling verzoeksters aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft afgewezen.
3 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft volgens het Duitse sociale-zekerheidsrecht een arbeidsongeschikte verzekerde recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij kan aantonen, dat hij gedurende de laatste vijf jaren vóór het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid gedurende ten minste drie jaar aan de verplichte premie- en bijdragebetaling onderworpen is geweest.
4 Deze voorwaarden waren opgenomen in § 1247, lid 2a, en § 1246, lid 2a, eerste volzin, punt 1, van de Reichsversicherungsordnung (hierna: "RVO"), die zijn ingetrokken, doch van toepassing blijven voor aanvragen die vóór 31 maart 1992 zijn ingediend. De thans geldende bepalingen [§ 44 van het Sozialgesetzbuch (hierna: "SGB"), Boek VI] hebben, afgezien van een aantal redactionele wijzigingen, dezelfde inhoud als de ingetrokken paragrafen.
5 Op grond van § 1228, punt 4, RVO, die overeenkomt met de huidige § 8, lid 1, sub 1, SGB, Boek IV, juncto § 5, lid 2, SGB, Boek VI, zijn beperkte dienstverbanden vrijgesteld van de verplichte pensioenverzekering.
6 Blijkens het dossier wordt een dienstverband aangemerkt als beperkt, wanneer in de regel minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en in de regel een salaris wordt genoten dat per maand niet hoger is dan een zevende van het gemiddelde salaris in het voorgaande kalenderjaar van personen die verzekerd zijn uit hoofde van de wettelijke pensioenverzekering. Deze loongrens wordt jaarlijks aangepast. Voor 1993 bedroeg zij 530 DM per jaar voor de oude deelstaten en 390 DM voor de nieuwe deelstaten.
7 Nolte, geboren op 14 mei 1930, verrichtte tot 1965 premieplichtige werkzaamheden. Wegens de opvoeding van haar kinderen en omdat zij vervolgens beperkte dienstverbanden had, betaalde zij daarna geen verplichte premies meer. Van 1977 tot maart 1987, de datum waarop zij haar werkzaamheden beëindigde, had zij een laatste beperkt dienstverband (als schoonmaakster).
8 Sinds juni 1988 is zij ernstig ziek, zodat zij niet meer in staat is een regelmatige bezoldigde werkzaamheid uit te oefenen.
9 Op 28 november 1988 vroeg Nolte bij de LVA een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan.
10 Bij beschikking van 14 augustus 1989 wees de LVA die aanvraag af, op grond dat Nolte gedurende de laatste zestig kalendermaanden voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid niet gedurende 36 maanden bijdragen had betaald uit hoofde van een premieplichtige werkzaamheid.
11 Nadat haar bezwaar was afgewezen, stelde Nolte voor het Sozialgericht Hannover beroep in tot nietigverklaring van de beschikking tot afwijzing van haar bezwaar.
12 Het Sozialgericht Hannover is van oordeel, dat de uitsluiting van personen met een beperkt dienstverband van de verplichte pensioenverzekering een met artikel 4, lid 1, van de richtlijn strijdige indirecte discriminatie oplevert, en dat verzoekster in het hoofdgeding derhalve moet worden behandeld als had zij vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid bijdragen aan de pensioenverzekering betaald.
13 Artikel 4, lid 1, luidt als volgt:
"Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
° de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
° de verplichting tot premiebetaling (...)"
14 Van oordeel dat de beslechting van het geding afhing van de uitlegging van de richtlijn, heeft het Sozialgericht Hannover besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
"1) Levert een nationale regeling die dienstverbanden waarbij in de regel minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en waarvoor een salaris wordt ontvangen dat niet hoger is dan een zevende van het referentiemaandloon, uitsluit van het wettelijk stelsel van pensioenverzekering (§ 8, lid 1, sub 1, SGB, boek IV, en § 5, lid 2, eerste volzin, sub 1, SGB, boek VI), een met artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG strijdige discriminatie op grond van geslacht op, indien hierdoor aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen worden getroffen?
2) Zo ja, moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG aldus worden uitgelegd, dat het recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (§ 44, lid 1, sub 2, SGB, boek VI) ook ontstaat, wanneer geen tijdvakken van verplichte premiebetaling zijn vervuld, maar gedurende de laatste vijf jaar voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, ten minste drie jaar niet aan de verplichte verzekering onderworpen werkzaamheden van ten hoogste vijftien uur per week zonder overschrijding van de inkomensgrens zijn verricht, en de uitsluiting van uitkeringen bij deze vorm van deeltijdarbeid aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen treft?"
15 Alvorens deze vragen te beantwoorden moet worden onderzocht, of een persoon die zich in de situatie van Nolte bevindt, met een dienstverband als in de prejudiciële vragen bedoeld, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.
De personele werkingssfeer van de richtlijn
16 Volgens artikel 2 van de richtlijn is deze "van toepassing op de beroepsbevolking ° met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden ° alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers en zelfstandigen".
17 Blijkens deze bepaling is het begrip beroepsbevolking bijzonder ruim, aangezien het doelt op iedere werknemer, daaronder begrepen hij die slechts op zoek is naar werk. Volgens de rechtspraak van het Hof is de richtlijn evenwel niet van toepassing op personen die nooit ter beschikking van de arbeidsmarkt zijn geweest of die dit niet meer zijn om een reden die geen verband houdt met het intreden van een van de in de richtlijn bedoelde risico' s (zie arrest van 27 juni 1989, gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, Achterberg-te Riele e.a., Jurispr. 1989, blz. 1963, r.o. 11).
18 De Duitse regering stelt, dat personen met een beperkt dienstverband geen deel uitmaken van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn, met name omdat zij met het geringe inkomen dat zij met een dergelijk dienstverband verwerven, niet in hun behoeften kunnen voorzien.
19 Deze stelling kan niet worden aanvaard. Het feit dat het inkomen van de werknemer niet al zijn behoeften dekt, kan hem niet de hoedanigheid van werkende ontnemen. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt immers, dat een werkzaamheid in loondienst waarmee een inkomen wordt verworven dat onder het bestaansminimum ligt (zie arrest van 23 maart 1982, zaak 53/81, Levin, Jurispr. 1982, blz. 1035, r.o. 15 en 16) of waarvan de normale arbeidsduur niet meer dan achttien uur per week (zie arrest van 13 december 1989, zaak C-102/88, Ruzius-Wilbrink, Jurispr. 1989, blz. 4311, r.o. 7 en 17) of twaalf uur per week (zie arrest van 3 juni 1986, zaak 139/85, Kempf, Jurispr. 1986, blz. 1741, r.o. 2 en 16) of zelfs tien uur per week (zie arrest van 13 juli 1989, zaak 171/88, Rinner-Kuehn, Jurispr. 1989, blz. 2743, r.o. 16) bedraagt, niet belet dat de persoon die deze werkzaamheid uitoefent, kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 48 (arresten Levin en Kempf, voormeld) of artikel 119 (arrest Rinner-Kuehn, voormeld) EEG-Verdrag of in de zin van richtlijn 79/7 (arrest Ruzius-Wilbrink, voormeld).
20 Volgens de Duitse regering ligt dit in casu echter anders, aangezien het hier niet gaat om het begrip werknemer in de zin van artikel 48 van het Verdrag, zoals dat met name het geval was in de zaak Levin, voormeld, maar om het begrip werknemer in de zin van het sociale-zekerheidsrecht. De omschrijving van het begrip werknemer in deze laatste zin zou echter tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoren.
21 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof reeds in het arrest van 19 maart 1964 (zaak 75/63, Unger, Jurispr. 1964, blz. 371, punt 1 van het dictum) voor recht heeft verklaard, dat het begrip "werknemer of een daarmede gelijkgestelde", bedoeld in verordening nr. 3 van de Raad van 25 september 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (PB 1958, blz. 561), evenals de uitdrukking "werknemer" in de artikelen 48 tot 51 van het Verdrag, een gemeenschapsrechtelijke strekking had. Bijgevolg doet de omstandigheid dat de arresten Levin, Kempf en Rinner-Kuehn, voormeld, geen betrekking hebben op het sociale-zekerheidsrecht en niet de uitlegging van artikel 2 van richtlijn 79/7 betreffen, niet af aan de in rechtsoverweging 19 gedane vaststelling, aangezien die arresten het begrip werknemer preciseren met het oog op het beginsel van gelijke behandeling.
22 Hieruit volgt, dat een persoon met een dienstverband als in de prejudiciële vragen bedoeld, deel uitmaakt van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn en derhalve onder de personele werkingssfeer van die richtlijn valt.
23 De Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk stellen, dat Nolte om een andere reden niet onder de personele werkingssfeer van de richtlijn valt, en wel omdat zij, meer dan een jaar vóór het intreden van haar arbeidsongeschiktheid, haar beroepsbezigheden om onbekende redenen volledig had beëindigd en niets erop wijst, dat zij op dat moment op zoek was naar werk.
24 Met dit argument betwisten de beide regeringen in feite het nut van de vragen van de nationale rechter, aangezien Nolte huns inziens hoe dan ook buiten de personele werkingssfeer van de richtlijn valt. Opgemerkt zij echter, dat Nolte volgens de verwijzingsbeschikking krachtens de Duitse wettelijke regeling aanspraak zou kunnen maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien de tijdvakken gedurende welke zij beperkte dienstverbanden had, als tijdvakken van verplichte verzekering werden aangemerkt.
25 Bijgevolg acht de nationale rechter, die bij uitsluiting bevoegd is om de relevantie van de gestelde vragen te beoordelen, de beantwoording daarvan zinvol voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding.
De eerste prejudiciële vraag
26 Met deze vraag wenst de nationale rechter in hoofdzaak te vernemen, of artikel 4, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een nationale regeling die dienstverbanden waarbij in de regel minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en waarvoor een salaris wordt ontvangen dat niet hoger is dan een zevende van het referentiemaandloon, uitsluit van het wettelijk stelsel van pensioenverzekering, een discriminatie op grond van geslacht oplevert, indien hierdoor aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen worden getroffen.
27 Vaststaat, dat de nationale regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, niet rechtstreeks discrimineert, aangezien zij personen met een beperkt dienstverband niet van het betrokken wettelijke stelsel uitsluit op grond van hun geslacht. Mitsdien moet worden onderzocht, of deze regeling een indirecte discriminatie kan opleveren.
28 Volgens vaste rechtspraak verzet artikel 4, lid 1, van de richtlijn zich tegen de toepassing van een nationale maatregel die, al is hij op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel groter percentage vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Dit laatste is het geval, wanneer de gekozen middelen beantwoorden aan een legitieme doelstelling van het sociale beleid van de Lid-Staat waarvan de wettelijke regeling in geding is, en zij ter bereiking van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn (zie arrest van 24 februari 1994, zaak C-343/92, Roks e.a., Jurispr. 1994, blz. I-571, r.o. 33 en 34).
29 In casu betoogt de Duitse regering onder meer, dat de uitsluiting van beperkte dienstverbanden van de verplichte verzekering beantwoordt aan een structureel beginsel van het Duitse sociale-zekerheidsstelsel.
30 Ter ondersteuning van de argumenten van de Duitse regering hebben de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Ierse regering onder meer beklemtoond, dat in een op bijdragebetaling gebaseerd stelsel, zoals het thans in geding zijnde, een evenwicht moet worden bewaard tussen de door de verzekerden en de werkgevers betaalde premies en de betaling van uitkeringen wanneer een van de door dit stelsel gedekte risico' s zich voordoet. De huidige structuur van dit stelsel zou niet kunnen worden gehandhaafd, indien de betrokken bepalingen moesten worden afgeschaft. Hierdoor zouden ernstige problemen ontstaan. De regeling zou dan niet langer uitsluitend op basis van bijdragebetaling kunnen functioneren.
31 De Duitse regering zet voorts uiteen, dat er een maatschappelijke vraag naar beperkte dienstverbanden bestaat. De regering acht het in het kader van haar sociale beleid noodzakelijk aan deze vraag te voldoen, door de beschikbaarheid en het aanbod van dergelijke dienstverbanden aan te moedigen, en betoogt dat het enige middel om dit in het structurele kader van het Duitse sociale-zekerheidsstelsel te doen, bestaat in de uitsluiting van beperkte dienstverbanden van de verplichte verzekering.
32 Bovendien, aldus de Duitse regering, zouden de vervallen banen niet worden vervangen door onder de verplichte verzekering vallende voltijd- of deeltijdbanen. Integendeel, gelet op de maatschappelijke vraag naar beperkte dienstverbanden zou er een toename zijn van het aantal illegale banen (zogenoemd "zwart werk") en van het aantal ontduikingen (bij voorbeeld schijnzelfstandigheid).
33 Vastgesteld moet worden, dat het sociale beleid in de huidige stand van het gemeenschapsrecht tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort (zie arrest van 7 mei 1991, zaak C-229/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz. I-2205, r.o. 22). Derhalve staat het aan de Lid-Staten, de maatregelen te kiezen die geschikt zijn voor de verwezenlijking van hun doelstellingen van sociaal en werkgelegenheidsbeleid. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid beschikken de Lid-Staten over een ruime beoordelingsmarge.
34 Gepreciseerd moet worden, dat de doelstelling van sociaal en werkgelegenheidsbeleid waarop de Duitse regering zich heeft beroepen, objectief gezien niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht, en dat de nationale wetgever er bij de uitoefening van zijn bevoegdheid in redelijkheid van kon uitgaan, dat de betrokken wettelijke regeling voor de verwezenlijking van die doelstelling noodzakelijk was.
35 Onder die omstandigheden kan de litigieuze wettelijke regeling niet worden aangemerkt als een indirecte discriminatie in de zin van artikel 4, lid 1, van de richtlijn.
36 Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 4, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die dienstverbanden waarbij in de regel minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en waarvoor een salaris wordt ontvangen dat niet hoger is dan een zevende van het referentiemaandloon, uitsluit van het wettelijk stelsel van pensioenverzekering, ook al worden aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen door deze regeling getroffen, wanneer de nationale wetgever er in redelijkheid van kon uitgaan, dat de betrokken nationale regeling noodzakelijk was ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht.
De tweede prejudiciële vraag
37 Gezien het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag geen beantwoording.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
38 De kosten door de Duitse en de Ierse regering alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Hannover bij beschikking van 25 mei 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die dienstverbanden waarbij in de regel minder dan vijftien uur wordt gewerkt en waarvoor een salaris wordt ontvangen dat niet hoger is dan een zevende van het referentiemaandloon, uitsluit van het wettelijk stelsel van pensioenverzekering, ook al worden aanmerkelijk meer vrouwen dan mannen door deze regeling getroffen, wanneer de nationale wetgever er in redelijkheid van kon uitgaan, dat de betrokken nationale regeling noodzakelijk was ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal beleid, die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht.
Full & Egal Universal Law Academy