Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Internationale overeenkomsten ° Overeenkomst EEG-Oostenrijk ° Protocol nr. 3 ° Oorsprong van goederen ° Bewijs door middel van andere dan in titel II van Protocol bedoelde documenten ° Voorwaarden voor toelaatbaarheid
(Overeenkomst EEG-Oostenrijk, Protocol nr. 3 zoals gewijzigd bij verordening nr. 1598/88 van de Raad)
Samenvatting
Protocol nr. 3 betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking, behorende bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, waarbij een preferentiële regeling is ingevoerd voor goederen van oorsprong uit Oostenrijk of uit de Gemeenschap, moet ° in de gewijzigde versie van verordening nr. 1598/88 ° aldus worden uitgelegd, dat van overlegging van de in titel II van dat Protocol bedoelde documenten die de Oostenrijkse of communautaire oorsprong bewijzen, kan worden afgezien, wanneer de oorsprong van de goederen met zekerheid is komen vast te staan aan de hand van objectieve bewijzen die niet door de belanghebbenden kunnen zijn gemanipuleerd of vervalst, vaststaat dat zowel de importeur als de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om in het bezit van de in het Protocol bedoelde documenten te komen, en deze personen in de onmogelijkheid verkeren die certificaten te verkrijgen om redenen waarop zijzelf geen invloed hebben, zoals met name het bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen van andere betrokken partijen, die in strijd zijn met zowel het doel als de bepalingen van de Overeenkomst.
Partijen
In zaak C-334/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Duesseldorf, in het aldaar aanhangig geding tussen
Bonapharma Arzneimittel GmbH
en
Hauptzollamt Krefeld,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972 houdende sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk en houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering daarvan (PB 1972, L 300, blz. 1), en met name van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst, betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, J. C. Moitinho de Almeida en D. A. O. Edward (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Duray, adjunct-adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Bonapharma Arzneimittel GmbH, vertegenwoordigd door G. Kroemer II, advocaat te Duesseldorf, en van de Commissie ter terechtzitting van 8 december 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 mei 1993, ingekomen bij het Hof op 29 juni daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Duesseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, ondertekend te Brussel op 22 juli 1972 en goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2836/72 van de Raad van 19 december 1972 houdende sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk en houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering daarvan (PB 1972, L 300, blz. 1; hierna: de "Overeenkomst EEG-Oostenrijk"), en met name van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst, betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking (hierna: het "Protocol").
2 Dit Protocol is gewijzigd bij onder meer verordening (EEG) nr. 1598/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toepassing van Besluit nr. 1/88 van het Gemengd Comité EEG-Oostenrijk tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking (PB 1988, L 149, blz. 1).
3 Ingevolge artikel 8, lid 1, van het Protocol worden produkten van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Oostenrijk bij invoer in de Gemeenschap of in Oostenrijk toegelaten volgens de bepalingen van de Overeenkomst, dus op preferentiële voorwaarden, op vertoon van hetzij (sub a) een certificaat inzake goederenverkeer, het zogenoemde "certificaat EUR. 1", hetzij, in bepaalde gevallen (sub b en sub c), een factuur die aan bepaalde eisen voldoet. Het certificaat EUR. 1 wordt volgens artikel 9, lid 1, van het Protocol "bij de uitvoer van goederen waarop het betrekking heeft, afgegeven door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer (...)"
4 Artikel 10, lid 3, van het Protocol bepaalt, dat het certificaat EUR. 1 het bewijsstuk is voor de toepassing van de preferentiële regeling op het gebied van de tarieven en contingenten als bedoeld in de Overeenkomst, en dat de douaneautoriteiten van het land van uitvoer de nodige maatregelen treffen voor de controle van de oorsprong van de goederen en van de andere op het certificaat EUR. 1 vermelde gegevens.
5 De Overeenkomst EEG-Oostenrijk op haar beurt bepaalt in artikel 13, lid 1:
"In het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Oostenrijk worden geen nieuwe kwantitatieve invoerbeperkingen noch maatregelen van gelijke werking ingesteld."
6 Artikel 23, lid 1, van deze Overeenkomst ten slotte luidt als volgt:
"Onverenigbaar met de goede werking van de Overeenkomst zijn, voor zover daardoor het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Oostenrijk kan worden beïnvloed:
i) alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging met betrekking tot de produktie en het goederenverkeer wordt verhinderd, beperkt of vervalst;
ii) het misbruik maken door een of meer ondernemingen van een machtspositie op het geheel van de grondgebieden van de partijen bij de Overeenkomst of op een wezenlijk deel daarvan (...)"
7 Naar uit de verwijzingsbeschikking blijkt, heeft Bonapharma Arzneimittel GmbH (hierna: "Bonapharma") tussen 14 april 1989 en 15 januari 1991 achttien partijen geneesmiddelen uit Oostenrijk ingevoerd. De facturen behelsden verklaringen van oorsprong, en zes partijen gingen vergezeld van een certificaat EUR. 1. Nadat het Oostenrijkse Ministerie van Financiën de Duitse douaneautoriteiten had ingelicht, dat de bewijsstukken van de oorsprong ten onrechte waren afgegeven, vorderde het Hauptzollamt Krefeld van Bonapharma een bedrag van 20 743,36 DM aan douanerechten, aangezien het niet bereid was andere documenten dan het certificaat EUR. 1 als bewijs voor de oorsprong van de geneesmiddelen te aanvaarden.
8 Bonapharma stelde daarop beroep in tegen de navorderingsaanslag waarbij betaling van douanerechten over de geneesmiddelen was gevorderd.
9 Bonapharma is niet in staat de certificaten EUR. 1 te produceren, want haar leverancier, een Oostenrijkse apotheker, heeft van zijn eigen leveranciers, Oostenrijkse grossiers en depothouders, geen informatie over de oorsprong van de geneesmiddelen kunnen verkrijgen. Slechts een klein aantal van de 39 door de apotheker aangeschreven depothouders reageerde en liet weten, dat zij opdracht hadden gekregen geen mededelingen te doen over die oorsprong.
10 De Oostenrijkse douane van haar kant achtte het niet haar taak, een onderzoek in te stellen naar de oorsprong van de goederen.
11 Weliswaar werden in Oostenrijk tegen de leveranciers (depothouders en grossiers) en de douaneautoriteiten ter zake van hun opstelling rechtsvorderingen ingesteld, maar geen van deze acties had succes.
12 In haar bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag betoogde Bonapharma, dat de Oostenrijkse depothouders instructie hadden gekregen van de in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten om geen bewijsstukken omtrent de oorsprong van de produkten aan de als exporteur optredende Oostenrijkse apotheker te verschaffen. Het Hauptzollamt Krefeld verwierp het bezwaarschrift, op grond dat volgens het Protocol alleen overlegging van het certificaat EUR. 1 recht geeft op de preferentiële behandeling; het weigerde derhalve andere documenten dan dit certificaat als bewijs voor de oorsprong van de geneesmiddelen te erkennen.
13 De verwijzende rechter heeft op grond van door de Regierungspraesident Duesseldorf afgegeven verklaringen als bedoeld in de §§ 72a en 73, lid 6, van het Arzneimittelgesetz, die de Duitse oorsprong van de uit Oostenrijk wederingevoerde geneesmiddelen bevestigen, aangenomen dat de door Bonapharma ingevoerde pharmaceutische produkten in Duitsland zijn vervaardigd. Daarbij heeft hij tevens acht geslagen op de "Austria-Codex", een vakpublikatie die wordt uitgegeven op grond van het Oostenrijkse Bundesgesetz ueber die Herstellung und das Inverkehrbringen von Arzneimittel en de Verordnung ueber Fachinformation und Gebrauchsinformation fuer Arzneimittelspezialitaeten, waaruit de communautaire oorsprong van de geneesmiddelen blijkt.
14 Voorts beschouwt de verwijzende rechter het gedrag van de Oostenrijkse grossiers (die op instigatie van de in de Gemeenschap gevestigde producenten hebben gehandeld) als een onderling afgestemde feitelijke gedraging die de mededinging in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Oostenrijk in strijd met artikel 23, lid 1, sub i, van de Overeenkomst beperkt en/of als misbruik van machtspositie op de markt, wat onverenigbaar is met artikel 23, lid 1, sub ii, van de Overeenkomst. De weigering om bewijsstukken van de oorsprong af te geven of bij de verkrijging daarvan behulpzaam te zijn, levert naar zijn oordeel tevens schending op van artikel 13 van de Overeenkomst, aangezien hierin een kwantitatieve invoerbeperking of een maatregel van gelijke werking besloten ligt.
15 Het Finanzgericht Duesseldorf vraagt zich af, of het bewijs van de oorsprong in zulke uitzonderlijke omstandigheden niet in andere vorm kan worden geleverd dan zoals in de Overeenkomst voorgeschreven, en heeft het Hof daarom de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:
"Kan met betrekking tot importen uit Oostenrijk die in feite wederimporten uit de Gemeenschap zijn, voor het bewijs van de begunstigde oorsprong worden afgezien van de overlegging van de in titel II van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Oostenrijk voorgeschreven bewijzen van preferentie, wanneer de afgifte van de bewijzen van preferentie door een met artikel 23, lid 1, van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Oostenrijk strijdig kartel wordt belet en de Oostenrijkse douane het bewijs van het recht op preferentie uitsluitend aan de exporteur overlaat zonder zelf enig onderzoek in te stellen?"
16 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens de bepalingen van de Overeenkomst alleen goederen van oorsprong uit de Gemeenschap of uit Oostenrijk voor de preferentiële regeling in aanmerking kunnen komen en dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1 het bewijsstuk van die oorsprong vormt. Zoals de advocaat-generaal in zijn conclusie terecht opmerkt, zou de uniformiteit en betrouwbaarheid van de toepassing van de Overeenkomst in het gedrang komen, wanneer voor het bewijs van de oorsprong nog andere bewijsmiddelen waren toegelaten.
17 Niettemin heeft het Hof in zijn arrest van 7 december 1993 (zaak C-12/92, Huygen e.a., Jurispr. 1993, blz. I-6381) de mogelijkheid van uitzonderingen op de regeling van het Protocol aanvaard, wanneer de betrokken marktdeelnemer voor volkomen uitzonderlijke omstandigheden komt te staan, waarop hijzelf geen invloed heeft en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.
18 Blijkens hetgeen de nationale rechter in de verwijzingsbeschikking heeft geconstateerd, zijn in het onderhavige geval drie kenmerkende omstandigheden aan te wijzen.
19 In de eerste plaats is de oorsprong van de in geding zijnde goederen met zekerheid vastgesteld aan de hand van objectieve bewijzen, die niet door de belanghebbenden kunnen zijn gemanipuleerd of vervalst.
20 In de tweede plaats heeft zowel de importeur als de exporteur zich de nodige moeite gegeven om in het bezit te komen van de certificaten EUR. 1.
21 In de derde plaats verkeren zij in de onmogelijkheid die certificaten te verkrijgen om redenen waarop zijzelf geen invloed hebben.
22 Dienaangaande blijkt uit de door de verwijzende rechter gerelateerde omstandigheden, dat de onmogelijkheid om de certificaten EUR. 1 te verkrijgen het gevolg is van mededingingsbeperkende gedragingen van andere betrokken partijen, die in strijd zijn met zowel het doel als de bepalingen van de Overeenkomst.
23 Dergelijke omstandigheden rechtvaardigen een uitzondering op het vereiste van overlegging van certificaten EUR. 1 om voor de in de Overeenkomst EEG-Oostenrijk voorziene regeling in aanmerking te kunnen komen.
24 Op de prejudiciële vraag moet daarom worden geantwoord, dat van overlegging van de in titel II van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst EEG-Oostenrijk bedoelde documenten kan worden afgezien, wanneer de oorsprong van de goederen met zekerheid is komen vast te staan aan de hand van objectieve bewijzen die niet door de belanghebbenden kunnen zijn gemanipuleerd of vervalst, vaststaat dat zowel de importeur als de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om in het bezit van de in het Protocol bedoelde documenten te komen, en deze personen in de onmogelijkheid verkeren die certificaten te verkrijgen om redenen waarop zijzelf geen invloed hebben, zoals met name het bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen van andere betrokken partijen, die in strijd zijn met zowel het doel als de bepalingen van de Overeenkomst.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 De kosten door de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Duesseldorf bij beschikking van 12 mei 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Van overlegging van de documenten, bedoeld in titel II van Protocol nr. 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Oostenrijk, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1598/88 van de Raad van 24 mei 1988 inzake de toepassing van Besluit nr. 1/88 van het Gemengd Comité EEG-Oostenrijk tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende de definitie van het begrip "produkten van oorsprong" en de methoden van administratieve samenwerking, kan worden afgezien, wanneer de oorsprong van de goederen met zekerheid is komen vast te staan aan de hand van objectieve bewijzen die niet door de belanghebbenden kunnen zijn gemanipuleerd of vervalst, vaststaat dat zowel de importeur als de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om in het bezit van de in het Protocol bedoelde documenten te komen, en deze personen in de onmogelijkheid verkeren die certificaten te verkrijgen om redenen waarop zijzelf geen invloed hebben, zoals met name het bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen van andere betrokken partijen, die in strijd zijn met zowel het doel als de bepalingen van de Overeenkomst.
Full & Egal Universal Law Academy