Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Lid-Staten - Verplichtingen - Uitvoering van richtlijnen - Niet betwiste niet-nakoming
(EEG-Verdrag, art. 169)
Partijen
In zaak C-336/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J. Devadder, bestuursdirecteur bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Belgische ambassade, Rue des Girondins 4,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 88/599/EEG van de Raad van 23 november 1988 betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1988, L 325, blz. 55), en/of door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 7 van die richtlijn en de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, waarnemend voor de president, J. C. Moitinho de Almeida en D. A. O. Edward (rapporteur), kamerpresidenten, R. Joliet, F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: J.-G. Giraud
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 december 1993,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 29 juni 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 88/599/EEG van de Raad van 23 november 1988 betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB 1988, L 325, blz. 55), en/of door die bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 7 van die richtlijn en de artikelen 5 en 189 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Ingevolge artikel 7, lid 1, eerste alinea, van de richtlijn "doen de Lid-Staten (...) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1989 aan deze richtlijn te voldoen". Lid 2 van dat artikel bepaalt vervolgens, dat "de Lid-Staten de Commissie kennis geven van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van deze richtlijn".
3 De Commissie stelt, dat het Koninkrijk België, door niet de nodige bepalingen in werking te doen treden om de richtlijn in zijn nationaal recht om te zetten, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 7 van de richtlijn junctis de artikelen 5 en 189, derde alinea, EEG-Verdrag.
4 De Belgische regering betwist niet, dat de richtlijn niet binnen de gestelde termijn is omgezet, doch wijst erop, dat een koninklijk besluit ter omzetting van de richtlijn op het punt staat te worden goedgekeurd.
5 Aangezien de omzetting niet binnen de gestelde termijn is gebeurd, moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
6 Gelijk de advocaat-generaal heeft opgemerkt, doch anders dan de Commissie heeft gevorderd, behoeft het Hof evenwel geen rekening te houden met het niet meedelen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die voor het volgen van de richtlijn hadden moeten worden vastgesteld, daar het Koninkrijk België deze bepalingen nu juist niet heeft vastgesteld.
7 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk België, door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 88/599, de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
8 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien het Koninkrijk België in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 88/599/EEG van de Raad van 23 november 1988 betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van verordening (EEG) nr. 3820/85 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, is het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure.
Full & Egal Universal Law Academy