Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ° Vrijwaringsmaatregelen bij invoer van gedroogde druiven ° Compenserende heffing, bestemd om minimuminvoerprijs te doen naleven ° Berekening ° Rechtsgrondslag ° Verordening nr. 2742/82, met uit arrest van Hof in zaak 77/86 voortvloeiende beperkingen
(Verordening nr. 2742/82 van de Commissie, art. 2, lid 2)
2. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ° Vrijwaringsmaatregelen bij invoer van gedroogde druiven en morellen ° Toepassing van compenserende heffing bij niet-naleving van minimuminvoerprijs ° Bepaling van werkelijke invoerprijs ° Bevoegdheden, door Commissie ingevolge machtiging verleend aan autoriteiten van Lid-Staten ° Omvang ° Wettigheid
(Verordeningen van de Raad nr. 516/77, art. 14, lid 2, en nr. 426/86, art. 9, lid 6, en 18, lid 2; verordeningen van de Commissie nr. 2742/82, art. 4, lid 3, nr. 1626/85, art. 3, lid 3, en nr. 2237/85, art. 2, lid 3)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Op basis van groenten en fruit verwerkte produkten ° Vrijwaringsmaatregelen bij invoer van morellen ° Exporteur in land van oorsprong van produkt ° Begrip
(Verordening nr. 1626/85 van de Commissie, art. 3, lid 3)
Samenvatting
1. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2742/82 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van gedroogde druiven blijft de rechtsgrondslag voor de berekening van een voor het eerst na het arrest van het Hof van 11 februari 1988 in zaak 77/86 opgelegde compenserende heffing, voor zover de berekening van de heffing geen bedrag oplevert dat boven het verschil tussen de minimuminvoerprijs en de werkelijke invoerprijs ligt. Deze bepaling is bij voormeld arrest namelijk slechts nietig verklaard, voor zover het vaste bedrag van de erin voorziene compenserende heffing het verschil tussen deze twee prijzen overschrijdt.
2. Gezien het fundamentele belang van de werkelijke invoerprijs voor de werking van het vrijwaringsmechanisme, dat berust op een minimuminvoerprijs en een bij invoer in de Gemeenschap van gedroogde druiven en morellen toepasselijke compenserende heffing, moeten de artikelen 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82, 2, lid 3, van verordening nr. 2237/85, alsmede 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 ° waarvan de eerste twee de bepaling van de werkelijke invoerprijs van gedroogde druiven en de laatste de bepaling van dezelfde prijs voor morellen betroffen ° aldus worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven invoerprijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de nationale autoriteiten alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
Gezien de diversiteit en de complexiteit van de situaties waarmee de nationale autoriteiten worden geconfronteerd, is de Commissie door bij deze drie bepalingen deze bevoegdheid aan de Lid-Staten toe te kennen, binnen het kader gebleven van de haar bij de verordeningen nrs. 516/77 en 426/86 van de Raad verleende machtiging. Die bevoegdheid vormt namelijk
wat voormelde bepaling van verordening nr. 2742/82 betreft, een nodige maatregel in de zin van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77;
wat voormelde bepaling van verordening nr. 2237/85 betreft, een bepaling voor de uitvoering in de zin van artikel 9, lid 6, van verordening nr. 426/86 die verordening nr. 516/77 heeft vervangen;
en wat voormelde bepaling van verordening nr. 1626/85 betreft, een nodige maatregel in de zin van artikel 18, lid 2, van voormelde verordening nr. 426/86.
3. Artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen moet aldus worden uitgelegd, dat onder "exporteur in het land van oorsprong" uitsluitend is te verstaan de exporteur wiens onderneming is gevestigd in het land van oorsprong van de produkten.
Partijen
In de gevoegde zaken C-351/93, C-352/93 en C-353/93,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
H. A. van der Linde
en
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
en tussen
Tracotex Holland BV
en
Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
om een prejudiciële beslissing over, in zaak C-351/93: de uitlegging en de geldigheid van artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2237/85 van de Commissie van 30 juli 1985 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van het stelsel van minimumprijzen bij invoer van krenten en rozijnen (PB 1985, L 209, blz. 24) alsmede de uitlegging van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad van 24 februari 1986 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1986, L 49, blz. 1); in zaak C-352/93: de uitlegging van verordening (EEG) nr. 994/88 van de Commissie van 15 april 1988 inzake de toepassing van een compenserende heffing bedoeld in verordening (EEG) nr. 2742/82 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van gedroogde druiven (PB 1988, L 99, blz. 12), de uitlegging en de geldigheid van artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2742/82 van de Commissie van 13 oktober 1982 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van gedroogde druiven (PB 1982, L 290, blz. 28) alsmede de uitlegging van artikel 14 van verordening (EEG) nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 1); in zaak C-353/93: de uitlegging en de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen (PB 1985, L 156, blz. 13), alsmede de uitlegging van artikel 18, lid 2, van voormelde verordening (EEG) nr. 426/86,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, G. F. Mancini, C. N. Kakouris (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: W. van Gerven
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° H. A. van der Linde, vertegenwoordigd door T. R. Ottervanger, advocaat te Brussel,
° de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, en V. Pelekou, gerechtelijk gemachtigde bij dezelfde dienst, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, lid van de juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Tracotex Holland BV, vertegenwoordigd door N. P. J. Ooyevaar en M. E. van Hilten van KPMG Meijburg & Co., belastingadviseurs, van de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door Th. van Rijn, ter terechtzitting van 14 juli 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 september 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 23 april 1993 (zaak C-351/93), ingekomen bij het Hof op 12 juli daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (Nederland) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2237/85 van de Commissie van 30 juli 1985 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van het stelsel van minimumprijzen bij invoer van krenten en rozijnen (PB 1985, L 209, blz. 24) en de uitlegging van artikel 9 van verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad van 24 februari 1986 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1986, L 49, blz. 1).
2 Bij uitspraak van 23 april 1993 (zaak C-352/93), ingekomen bij het Hof op 12 juli daaraanvolgend, gecorrigeerd bij beschikking van 27 oktober 1993, ingekomen bij het Hof op 12 november daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 994/88 van de Commissie van 15 april 1988 inzake de toepassing van een compenserende heffing bedoeld in verordening (EEG) nr. 2742/82 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van gedroogde druiven (PB 1988, L 99, blz. 12), de uitlegging en de geldigheid van artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2742/82 van de Commissie van 13 oktober 1982 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van gedroogde druiven (PB 1982, L 290, blz. 28) alsmede de uitlegging van artikel 14 van verordening (EEG) nr. 516/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 1).
3 Bij uitspraak van 23 april 1993 (zaak C-353/93), ingekomen bij het Hof op 12 juli daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen (PB 1985, L 156, blz. 13) alsmede de uitlegging van artikel 18, lid 2, van voormelde verordening nr. 426/86 van de Raad.
4 De vragen in de zaken C-351/93 en C-352/93 zijn gerezen in twee gedingen tussen onder meer H. A. van der Linde, douane-expediteur, en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, betreffende een compenserende heffing die van Van der Linde wordt gevorderd op grond dat hij bij de invoer van verscheidene partijen uit Turkije afkomstige rozijnen de minimumprijs niet had nageleefd.
5 De vragen in zaak C-353/93 zijn gerezen in een geding tussen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tracotex Holland BV (hierna: "Tracotex"), gevestigd te Rotterdam, en de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, betreffende een compenserende heffing die van Tracotex wordt gevorderd op grond dat zij bij de invoer van bepaalde partijen uit ex-Joegoslavië afkomstige morellen de minimumprijs niet had nageleefd.
6 Bij beschikking van 6 september 1993 heeft de president van het Hof overeenkomstig artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering besloten de drie zaken voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest te voegen.
7 Aangezien een aantal van de gestelde vragen gemeenschapsbepalingen betreft die na elkaar van kracht zijn geweest, dienen de drie zaken te worden behandeld in de chronologische volgorde waarin de betrokken gemeenschapsregeling is tot stand gekomen. Zaak C-352/93 wordt bijgevolg vóór de zaken C-351/93 en C-353/93 onderzocht.
Zaak C-352/93
De gemeenschapsregeling
8 Blijkens het dossier vond de litigieuze invoer plaats in juni 1984. Toen waren de volgende bepalingen van toepassing.
9 Volgens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 516/77 kunnen voor het handelsverkeer met derde landen passende vrijwaringsmaatregelen worden genomen wanneer in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de onder de verordening vallende produkten als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht. Volgens artikel 14, lid 1, tweede alinea, stelt de Raad op voorstel van de Commissie de uitvoeringsbepalingen van deze bepaling vast.
10 Artikel 14, lid 2, van deze verordening verklaart de Commissie bevoegd de nodige maatregelen te treffen, indien de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet.
11 Op basis van artikel 14, lid 1, is verordening (EEG) nr. 521/77 van de Raad van 14 maart 1977 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van de vrijwaringsmaatregelen in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten (PB 1977, L 73, blz. 28) vastgesteld. Volgens artikel 2, lid 1, sub c, van deze verordening kunnen voor alle produkten de volgende maatregelen worden genomen:
"° een stelsel van minimumprijzen beneden welke de invoer kan worden onderworpen aan de voorwaarde dat die invoer plaatsvindt tegen een prijs die ten minste gelijk is aan de voor het desbetreffende produkt vastgestelde minimumprijs;
° algehele of gedeeltelijke opschorting van de uitvoer".
12 Naar aanleiding van verstoringen op de markt van gedroogde druiven tijdens het verkoopseizoen 1981/1982 heeft de Commissie op basis van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77 voormelde verordening nr. 2742/82 vastgesteld. Artikel 2, lid 1, bepaalt een minimuminvoerprijs voor gedroogde druiven en lid 2 voorziet in een vaste compenserende heffing, die verschuldigd is wanneer de minimuminvoerprijs niet wordt nageleefd.
13 Artikel 4, lid 1, van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 936/84 van de Commissie van 5 april 1984 (PB 1984, L 96, blz. 13), bepaalt dat de invoerprijs uit de volgende componenten bestaat: a) de fob-prijs in het land van oorsprong, en b) de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.
14 Artikel 4, lid 3, zoals eveneens gewijzigd bij voormelde verordening nr. 936/84, bepaalt:
"Wanneer de factuur die aan de douane wordt voorgelegd, niet door de exporteur in het land van oorsprong van de produkten is opgesteld of wanneer niet ten genoegen van de douane is aangetoond dat de aangegeven prijs met de fob-prijs in het land van oorsprong overeenstemt, nemen de bevoegde instanties in de Lid-Staten de nodige maatregelen om die prijs te bepalen, waartoe zij met name uitgaan van de prijs waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht."
15 Het forfaitaire karakter van de compenserende heffing heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan van geschillen waarin de geldigheid van verordening nr. 2742/82 werd betwist. In zijn arrest van 11 februari 1988 (zaak 77/86, National Dried Fruit Trade Association, Jurispr. 1988, blz. 757) heeft het Hof voor recht verklaard, dat verordening nr. 2742/82 ongeldig was voor zover de compenserende heffing daarbij op een vast bedrag was bepaald.
16 Na dit arrest heeft de Commissie verordening nr. 994/88 vastgesteld. Volgens artikel 1 ervan hebben de handelaren die de bij verordening nr. 2742/82 vastgestelde compenserende heffing hadden betaald, recht op terugbetaling van het verschil tussen:
"a) het op grond van verordening (EEG) nr. 2742/82 en latere wijzigingen daarvan geïnde bedrag van de compenserende heffing, en
b) het bedrag dat wordt verkregen door het verschil te berekenen tussen de in artikel 2, lid 1, van de voornoemde verordening vastgestelde geldende minimumprijs en de bij het in het vrije verkeer brengen van de betrokken produkten toegepaste invoerprijs".
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
17 Van der Linde, handelend in naam van de vennootschap Fitmay Limited, heeft partijen rozijnen, van oorsprong uit Turkije, in Nederland ingevoerd. De aangifte ten invoer werd op 25 juni 1984 gedaan en door de douane aanvaard. Na verificatie, die moest worden aangehouden in verband met een in te stellen onderzoek, vorderde de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen (hierna: de "inspecteur") evenwel bij besluit van 17 februari 1989 betaling van een compenserende heffing van Van der Linde.
18 Aan dit besluit lagen de resultaten ten grondslag van een door de FIOD (Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst) in 1984 en 1985 ingesteld onderzoek naar eventuele fraude bij de invoer van rozijnen uit Turkije. Blijkens de processtukken was volgens verweerder een van de redenen voor dit onderzoek, het feit dat bij de invoer van Turkse rozijnen in Nederland bijna nooit een compenserende heffing werd opgelegd, terwijl de marktprijs voor deze rozijnen (ver) onder de minimumprijs bij invoer lag. Uit het onderzoek bleek, dat diverse constructies werden toegepast om de compenserende heffing te ontduiken. Deze constructies bestonden erin, dat allerlei buitenlandse firma' s in de factureringsstroom werden tussengeschoven om op een gekunstelde manier een invoerprijs te creëren die boven de minimuminvoerprijs lag. Een van deze tussengeschoven buitenlandse ondernemingen was Fitmay Limited.
19 Uit de controles bleek volgens verweerder meer in het bijzonder, dat Alpaslan Besikcioglu, een Turkse exporteur van rozijnen, de goederen boven de minimuminvoerprijs verkocht aan Fitmay Limited, een in Londen gevestigde vennootschap. Deze factuur was gevoegd bij de door Fitmay Limited als importeur ingediende aangifte ten invoer. Na invoer werden de rozijnen doorverkocht aan Izmir Fig Packers, een Turks bedrijf waarvan Alpaslan Besikcioglu 99 % van de aandelen bezit. De doorverkoopprijs aan Izmir Fig Packers lag iets hoger dan de aankoopprijs van Fitmay Limited. De rozijnen werden vervolgens door Izmir Fig Packers tegen een prijs ver onder de minimuminvoerprijs verkocht aan de vennootschap Stolp International, een van de belangrijkste rozijnenimporteurs in Nederland. De doorverkoopprijs van Stolp aan haar kopers lag ook onder de minimuminvoerprijs. Izmir Fig Packers leed dus verlies op haar doorverkopen. Dit verlies werd met name gedekt door betalingen van Alpaslan Besikcioglu op de bankrekening van Izmir Fig Packers.
20 Fitmay Limited en Van der Linde hebben tegen het besluit van de inspecteur beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Zij stelden onder meer, dat voormelde verordening nr. 994/88 van de Commissie geen geldige grondslag kan opleveren voor de berekening van de compenserende heffing. Voorts bestreden zij de geldigheid van artikel 4, lid 3, van voormelde verordening nr. 2742/82, in zover daarbij de nationale instanties wordt opgedragen zelf de invoerprijs te bepalen wanneer zij niet ervan overtuigd zijn, dat de aangegeven prijs met de werkelijke prijs overeenstemt.
21 Onder deze omstandigheden heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof zich heeft uitgesproken over de navolgende prejudiciële vragen:
"1) Dient verordening (EEG) nr. 994/88 aldus te worden uitgelegd, dat zij, in de plaats van de bij arrest van het Hof van 11 februari 1988 in zaak 77/86 ongeldig verklaarde bepaling van verordening (EEG) nr. 2742/82, is aan te merken als rechtsgeldige grondslag voor de berekening van een compenserende heffing, die voor het eerst wordt opgelegd?
2) Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, dient bedoelde verordening dan aldus te worden uitgelegd, dat de compenserende heffing moet worden berekend op het verschil tussen de minimumprijs bij invoer en de vastgestelde invoerprijs of dient de ongeldig verklaarde forfaitaire heffingsgrondslag tot uitgangspunt te worden genomen, om deze vervolgens, zonodig, te corrigeren met toepassing van het bepaalde bij vorenbedoelde verordening?
3) Dient artikel 4, derde lid, van verordening (EEG) nr. 2742/82 van de Commissie aldus te worden uitgelegd, dat, wanneer niet ten genoegen van de douane is aangetoond dat de aangegeven prijs overeenstemt met de fob-prijs in het land van oorsprong
a) uitsluitend feiten mogen worden verzameld om vast te stellen, welke invoerprijs werkelijk is bedongen en direct of indirect betaald tussen de exporteur en de importeur;
of aldus dat
b) het de bevoegde autoriteiten vrijstaat zelf voor de betrokken transactie een invoerprijs, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2742/82, te reconstrueren en daarbij rekening te houden
° met andere transacties dan die tussen exporteur en importeur, welke naar hun oordeel uitsluitend dan wel mede tot doel hebben dat bij de invoer geen compenserende heffing betaald behoeft te worden, althans achterwege zouden zijn gebleven, indien daarmee niet de inning van de compenserende heffing geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt;
en
° met de prijsontwikkeling van het produkt, zoals die zich na de invoer ervan in opvolgende handelsschakels heeft voorgedaan?
4) Is voormelde bepaling, in de onder 3 b) bedoelde hypothese ongeldig, op grond dat de Raadsverordening de Commissie niet de bevoegdheid verleent om de bevoegde nationale instanties een zo grote mate van beoordelingsvrijheid te verlenen, ter beantwoording van de vraag of de invoerprijs in een gegeven geval al dan niet lager is dan de minimumprijs bij invoer?"
De eerste vraag
22 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, wat de rechtsgrondslag is voor de berekening van een compenserende heffing die voor het eerst is opgelegd na het arrest van 11 februari 1988 (National Dried Fruit Trade Association, reeds aangehaald) ° waarbij artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2742/82 gedeeltelijk ongeldig werd verklaard °, gelet op het feit dat verordening nr. 994/88 alleen het bedrag bepaalt dat moest worden terugbetaald aan de handelaren die de forfaitaire compenserende heffing hadden betaald ingevolge het gedeeltelijk ongeldig verklaarde artikel.
23 Van der Linde stelt, dat verordening nr. 2742/82, waarbij de compenserende heffing is ingevoerd, door het Hof ongeldig is verklaard en dat op in 1984 ingevoerde goederen geen compenserende heffing kan worden opgelegd op grond van een verordening uit 1988. Bovendien kan een verordening betreffende de terugbetaling van door de Lid-Staten te veel geïnde bedragen niet dienen als rechtsgrondslag voor een aanvankelijke betalingsverplichting.
24 De Nederlandse regering en de Commissie merken op, dat het Hof in voormeld arrest van 11 februari 1988 verordening nr. 2742/82 niet in haar geheel ongeldig heeft verklaard, doch alleen voor zover zij een compenserende heffing met een vast bedrag invoerde. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2742/82 is derhalve als rechtsgrondslag blijven bestaan; het moet enkel maar worden toegepast overeenkomstig het arrest van het Hof. Artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 994/88 geeft nu juist aan, hoe na het arrest van het Hof de compenserende heffing moet worden berekend. De rechtsgrondslag van een voor het eerst na het arrest van het Hof opgelegde compenserende heffing is dus artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2742/82 juncto artikel 1, lid 1, sub b, van verordening nr. 994/88.
25 Er zij op gewezen, dat het Hof in zijn arrest van 11 februari 1988, na te hebben vastgesteld dat de compenserende heffing is ingevoerd om de naleving van de minimumprijs veilig te stellen en aldus de communautaire preferentie in de rozijnenhandel te waarborgen, en niet om een economische sanctie op te leggen aan de importeur die beneden de minimumprijs heeft ingevoerd, heeft geoordeeld dat het instellen van één compenserende heffing met een vast bedrag, die zelfs wordt toegepast wanneer het verschil tussen de invoerprijs en de minimumprijs erg klein is, gelijk staat met het opleggen van een economische sanctie (r.o. 32). Op grond van deze overwegingen verklaarde het Hof verordening nr. 2742/82 ongeldig voor zover daarbij een compenserende heffing met een vast bedrag was ingevoerd.
26 Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2742/82 werd dus niet in zijn geheel ongeldig verklaard, maar alleen voor zover het daarbij bepaalde vaste bedrag van de compenserende heffing groter was dan het verschil tussen de minimumprijs en de invoerprijs. Artikel 2, lid 2, is dus ook na het arrest van het Hof de rechtsgrondslag gebleven voor de oplegging van een compenserende heffing ten belope van het verschil tussen deze twee prijzen.
27 Uitgaande van ditzelfde gegeven is bij verordening nr. 994/88 bepaald, dat aan de handelaren aan wie de forfaitaire heffing was opgelegd, moest worden terugbetaald hetgeen zij meer hadden betaald dan het verschil tussen de geldende minimumprijs en de invoerprijs. Deze verordening heeft dus geen gevolgen gehad voor de rechtspositie van die handelaren die ten tijde van de uitspraak van voormeld arrest van het Hof nog niet aan de betaling van de compenserende heffing onderworpen waren.
28 Op de eerste vraag moet bijgevolg worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht aldus moet worden uitgelegd, dat de rechtsgrondslag voor de berekening van een voor het eerst na voormeld arrest van 11 februari 1988, National Dried Fruit Trade Association, opgelegde compenserende heffing artikel 2, lid 2, van verordening nr. 2742/82 is, voor zover het niet ongeldig is verklaard bij dat arrest.
De tweede vraag
29 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.
De derde vraag
30 Met deze vraag wil de nationale rechter weten, of artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82 aldus moet worden uitgelegd, dat de bevoegde instanties ter bepaling van de werkelijk betaalde invoerprijs niet alleen rekening mogen houden met hetgeen omtrent de tussen de exporteur en de importeur werkelijk bedongen en betaalde prijs feitelijk komt vast te staan, maar ook met andere elementen, zoals andere transacties die werden verricht om geen compenserende heffing te hoeven betalen en de prijsontwikkeling van het produkt in de op de invoer volgende handelsschakels.
31 Van der Linde merkt op, dat de nationale instanties zich ter bepaling van de invoerprijs niet mogen baseren op hetgeen zich na de invoer afspeelt. De tegenovergestelde opvatting ware in strijd met de beginselen van rechtszekerheid en non-discriminatie en zou tot gevolg hebben, dat het communautaire mechanisme betreffende de minimuminvoerprijs wordt getransformeerd in een stelsel van minimummarktprijzen voor de ingevoerde goederen.
32 Zowel op basis van de tekst van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82 als van het doel van de gemeenschapsregeling zijn de Nederlandse en de Griekse regering alsmede de Commissie van oordeel, dat de nationale instanties, wanneer zij niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven prijs met de werkelijke prijs overeenstemt, alle nodige maatregelen kunnen nemen, daaronder begrepen reconstructie van de tussen de exporteur en de importeur werkelijk overeengekomen prijs.
33 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de vrijwaringsmaatregelen moeten voorkomen, dat ingevoerde rozijnen worden verkocht tegen abnormaal lage prijzen; dit oogmerk kan worden bereikt door instelling van een bij invoer in de Gemeenschap na te leven minimumprijs en door toepassing van een compenserende heffing op produkten met een lagere prijs (vierde en vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 2742/82).
34 Aangezien de verordening dus wil bereiken, dat de betrokken produkten in de Gemeenschap worden ingevoerd tegen een prijs die ten minste gelijk is aan de minimumprijs, is de werkelijke invoerprijs van fundamenteel belang voor de correcte werking van het ingevoerde stelsel.
35 Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82, zoals gewijzigd bij verordening nr. 936/84, bepaalt uitdrukkelijk, dat wanneer niet ten genoegen van de autoriteiten is aangetoond dat de op de factuur aangegeven prijs met de fob-prijs in het land van oorsprong overeenstemt, "de bevoegde instanties in de Lid-Staten de nodige maatregelen (nemen) om die prijs te bepalen, waartoe zij met name uitgaan van de prijs waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht".
36 Uit die bepaling volgt, dat bij twijfel of de aangegeven prijs met de werkelijke prijs overeenstemt, de bevoegde instanties bevoegd zijn om de werkelijk betaalde prijs te bepalen, waarbij zij rekening mogen houden met alle daartoe dienstige elementen.
37 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord, dat artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82 aldus moet worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven invoerprijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de bevoegde instanties alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
De vierde vraag
38 Met deze vraag vraagt de nationale rechter zich af, of artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82, gelet op de hierboven gegeven uitlegging daarvan, niet ongeldig moet worden geacht op grond dat verordening nr. 516/77 de Commissie niet de bevoegdheid verleent om aan de nationale instanties een zo ruime beoordelingsvrijheid te verlenen ter bepaling van de invoerprijs.
39 Van der Linde acht deze bepaling ongeldig; krachtens basisverordening nr. 516/77 kan de Commissie geen discretionaire bevoegdheid aan de nationale instanties verlenen.
40 De Nederlandse en de Griekse regering alsmede de Commissie zijn daarentegen van oordeel, dat de betrokken bepaling geldig is. Zij baseren zich met name op de noodzaak de doeltreffende werking van de communautaire minimumprijsregeling te handhaven tegenover de talrijke door de handelaren aangewende constructies om de compenserende heffing te ontwijken. De Commissie beroept zich ook op de bevoegdheidsverdeling op dit gebied tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten.
41 Verordening nr. 2742/82 van de Commissie is blijkens de tweede visa vastgesteld op basis van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77. Daarin is bepaald, dat indien in de Gemeenschap de markt voor één of meer van de in deze verordening bedoelde produkten als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht, "de Commissie op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief (beslist) over de te nemen maatregelen, die aan de Lid-Staten worden medegedeeld en onmiddellijk van toepassing zijn".
42 In het hoofdgeding wordt niet betwist, dat ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 2742/82 zich de in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77 van de Raad bedoelde situatie voordeed op de gemeenschappelijke markt van rozijnen. Evenmin wordt betwist, dat de nationale instanties bevoegd zijn na te gaan, of de aangegeven prijs in de aangifte ten invoer de werkelijke prijs weergeeft. De vraag is enkel, of de door de Commissie aan de nationale instanties verleende bevoegdheid om bij twijfel alle nodige maatregelen te nemen ter bepaling van de werkelijk betaalde invoerprijs, een maatregel is als bedoeld in artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77.
43 Gezien enerzijds het belang dat bepaling van de werkelijke invoerprijs heeft voor de goede werking van het vrijwaringsmechanisme, en anderzijds de variëteit en complexiteit van de situaties waarmee de nationale instanties te maken krijgen, moet de door de Commissie aan de nationale autoriteiten verleende bevoegdheid om in voorkomend geval de invoerprijs te bepalen, wegens de noodzaak de goede toepassing te verzekeren van de genomen maatregelen om verstoringen van de markt van rozijnen tegen te gaan, worden beschouwd als een maatregel in de zin van artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77.
44 Bijgevolg moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82 kunnen aantasten.
Zaak C-351/93
De gemeenschapsregeling
45 Blijkens het dossier vond de litigieuze invoer in het hoofdgeding plaats in 1989. Destijds golden de volgende bepalingen.
46 Basisverordening nr. 516/77 van de Raad is met ingang van 1 maart 1986 vervangen door verordening nr. 426/86.
47 Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 426/86 stelt een minimuminvoerprijs in voor bepaalde produkten, waaronder rozijnen. Deze prijs wordt niet meer als vrijwaringsmaatregel opgelegd, maar permanent. Artikel 9, lid 3, voorziet in een compenserende heffing bij niet-naleving van de minimumprijs.
48 Volgens artikel 9, lid 5, van dezelfde verordening stelt de Raad op voorstel van de Commissie algemene voorschriften vast voor de toepassing van dit artikel.
49 Verordening (EEG) nr. 2089/85 van de Raad van 23 juli 1985 tot vaststelling van de algemene voorschriften met betrekking tot het stelsel van minimumprijzen bij invoer van krenten en rozijnen (PB 1985, L 197, blz. 10), vastgesteld krachtens de oude basisverordening van de Raad ° verordening nr. 516/77 °, werd gehandhaafd bij artikel 25, lid 2, van verordening nr. 426/86 volgens hetwelk "aanhalingen en verwijzingen naar verordening (EEG) nr. 516/77 gelden als verwijzing naar deze verordening".
50 Volgens artikel 1 van verordening nr. 2089/85 wordt de minimumprijs bij invoer voor krenten en rozijnen vóór het begin van het verkoopseizoen vastgesteld. Artikel 2, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt, dat de compenserende heffingen worden vastgesteld aan de hand van een invoerprijsschaal.
51 Verordening nr. 2237/85 van de Commissie is vastgesteld op basis van de oude basisverordening nr. 516/77 van de Raad. Zij bleef van kracht ingevolge artikel 25, lid 2, van de nieuwe basisverordening nr. 426/86. Volgens artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2237/85 bestaat de invoerprijs uit de volgende elementen: a) de fob-prijs in het land van oorsprong, en b) de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap. In lid 3 van deze bepaling wordt de fob-prijs gedefinieerd.
52 Artikel 2, lid 2, van de verordening bepaalt, dat de invoerprijs wordt opgegeven op het document om de goederen in het vrije verkeer te brengen, en dat dit document dient vergezeld te gaan van alle documenten die nodig zijn om de prijs te controleren.
53 Artikel 2, lid 3, bepaalt:
"Indien:
a) de aan de douaneautoriteiten overgelegde factuur niet is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong van de produkten, of
b) de autoriteiten niet ervan overtuigd zijn dat de op het document om de goederen in het vrije verkeer te brengen vermelde prijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, of
c) de betaling niet binnen de in artikel 1, lid 4, vastgestelde termijn heeft plaatsgevonden,
nemen de bevoegde instanties de nodige maatregelen om de invoerprijs vast te stellen, met name door toetsing aan de prijs waartegen de importeur de produkten doorverkoopt."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
54 Van der Linde, handelend in naam van de vennootschap Fitmay Limited, voerde in Nederland partijen rozijnen in, van oorsprong uit Turkije. De aangifte ten invoer werd gedaan op 15 februari 1989.
55 Na een verificatie vorderde de Inspecteur bij besluit van 21 februari 1989 betaling van een compenserende heffing van Van der Linde. Dit besluit berustte op de resultaten van een onderzoek van de FIOD (zie r.o. 18 en 19 hierboven).
56 Fitmay Limited en Van der Linde hebben tegen het besluit van de Inspecteur beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. Hierin bestreden zij onder meer de geldigheid van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2237/85, in zover deze bepaling de autoriteiten van de Lid-Staten opdraagt zelf de invoerprijs vast te stellen wanneer zij niet ervan overtuigd zijn, dat de prijs vermeld op het document om de goederen in het vrije verkeer te brengen, overeenkomt met de werkelijke invoerprijs.
57 In deze context heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof heeft geantwoord op de navolgende prejudiciële vragen:
"1) Dient artikel 2, derde lid, aanhef, sub b en in fine, van verordening (EEG) nr. 2237/85 van de Commissie, mede gelet op artikel 9 van verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad, aldus te worden uitgelegd, dat, indien de bevoegde autoriteiten niet ervan overtuigd zijn dat de op het document om de goederen in het vrije verkeer te brengen vermelde prijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs,
a) uitsluitend feiten mogen worden verzameld om vast te stellen, welke invoerprijs werkelijk is bedongen en direct of indirect betaald tussen de exporteur en de importeur;
of aldus dat
b) het de bevoegde autoriteiten vrijstaat zelf voor de betrokken transactie een invoerprijs, als bedoeld in artikel 1, lid 2, van verordening (EEG) nr. 2237/85, te reconstrueren en daarbij rekening te houden
° met andere transacties dan die tussen exporteur en importeur, welke naar hun oordeel uitsluitend dan wel mede tot doel hebben dat bij de invoer geen compenserende heffing betaald behoeft te worden, althans achterwege zouden zijn gebleven, indien daarmee niet de inning van de compenserende heffing geheel of ten dele onmogelijk zou worden gemaakt;
en
° met de prijsontwikkeling van het produkt, zoals die zich na de invoer ervan in opvolgende handelsschakels heeft voorgedaan?
De eerste vraag
58 Behoudens wat de geciteerde bepalingen betreft, komt deze vraag grotendeels overeen met de derde vraag in zaak C-352/93. De betrokken bepalingen van verordening nr. 2237/85, hoewel verschillend van de in de derde vraag in zaak C-352/93 bedoelde, zijn in wezen dezelfde als deze laatste. Gelet op de feiten van de hoofdgedingen kunnen de enkele redactionele verschillen de hierboven gegeven uitlegging niet beïnvloeden. Elk van partijen heeft de derde vraag in zaak C-352/93 en de onderhavige vraag dan ook tezamen behandeld.
59 Er moet alleen op het volgende verschil worden gewezen. Blijkens de tweede visa is verordening nr. 2237/85, van artikel 2, lid 3, waarvan om uitlegging wordt verzocht, vastgesteld op basis van artikel 4 bis, lid 7, van basisverordening nr. 516/77, ingelast bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 988/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 516/77 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten en van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1984, L 103, blz. 11). Bij de inwerkingtreding van de nieuwe basisverordening nr. 426/86 is de verwijzing naar artikel 4 bis van verordening nr. 516/77 in de tweede visa van verordening nr. 2237/85 vervangen door een verwijzing naar artikel 9 van verordening nr. 426/86, dat inhoudelijk identiek is aan artikel 4 bis van verordening nr. 516/77 (zie artikel 25, lid 2, van verordening nr. 426/86 alsmede de concordantietabel in bijlage V bij de veordening). Daarom wordt in de vraag verwezen naar artikel 9 van verordening nr. 426/86.
60 Onder deze omstandigheden en om de in rechtsoverwegingen 34 tot 36 hierboven genoemde redenen, die van overeenkomstige toepassing zijn, moet artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2237/85 aldus worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven invoerprijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de bevoegde instanties alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
De tweede vraag
61 Afgezien van de gereleveerde bepalingen is deze vraag identiek aan de vierde vraag in zaak C-352/93. Elk van partijen heeft de vierde vraag in zaak C-352/93 en de onderhavige vraag tezamen behandeld.
62 Artikel 9, lid 6, van verordening nr. 426/86 bepaalt, dat "de minimumprijs bij invoer, het bedrag van de compenserende heffing en andere bepalingen voor de uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 22". Dit is de zogenoemde "beheerscomité"-procedure volgens welke de Commissie de maatregelen neemt die rechtstreeks toepasselijk zijn, maar die, indien zij niet conform zijn aan het door het Comité uitgebracht advies, onverwijld worden meegedeeld aan de Raad; deze kan binnen een maand een andersluidend besluit nemen.
63 Het is de vraag of artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2237/85 van de Commissie, zoals uitgelegd in rechtsoverweging 60 hierboven, een uitvoeringsbepaling is in de zin van artikel 9, lid 6, van verordening nr. 426/86.
64 Gezien enerzijds het belang dat bepaling van de werkelijke invoerprijs heeft voor de goede werking van het bij artikel 9 van verordening nr. 426/86 ingevoerde minimumprijsstelsel, en anderzijds de variëteit en complexiteit van de situaties waarmee de nationale instanties te maken krijgen, moet de door de Commissie aan de nationale autoriteiten verleende bevoegdheid om in voorkomend geval de invoerprijs te bepalen, wegens de noodzaak de goede toepassing te verzekeren van de bepalingen van verordening nr. 426/86 betreffende de minimumprijs, worden beschouwd als een uitvoeringsbepaling in de zin van artikel 9, lid 6, van deze verordening.
65 Bijgevolg moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2237/85 kunnen aantasten.
Zaak C-353/93
De gemeenschapsregeling
66 In deze zaak gaat het om zure kersen (morellen) uit ex-Joegoslavië, die tussen december 1986 en augustus 1988 zijn ingevoerd. De volgende bepalingen waren destijds van toepassing.
67 Artikel 9 van verordening nr. 426/86, waarbij een minimuminvoerprijs voor bepaalde produkten is ingesteld, is niet van toepassing op morellen. Voor deze produkten is evenwel een minimuminvoerprijs ingesteld bij wijze van vrijwaringsmaatregel. Deze berust op de navolgende bepalingen.
68 Artikel 18, leden 1 en 2, eerste alinea, van verordening nr. 426/86 bepaalt het volgende:
"1. Indien in de Gemeenschap de markt voor een of meer van de in artikel 1 genoemde produkten als gevolg van de invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, waardoor de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen worden gebracht, kunnen voor het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen worden genomen tot deze verstoringen zijn opgeheven of het gevaar daarvoor is geweken.
Op voorstel van de Commissie stelt de Raad, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de uitvoeringsbepalingen van dit lid vast en bepaalt hij in welke gevallen en binnen welke grenzen de Lid-Staten vrijwaringsmaatregelen kunnen treffen.
2. Indien de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, beslist de Commissie op verzoek van een Lid-Staat of op eigen initiatief over de te nemen maatregelen; deze worden aan de Lid-Staten medegedeeld en zijn onmiddellijk van toepassing."
69 Bij artikel 25 van dezelfde verordening is verordening nr. 516/77 ingetrokken en bepaald, dat aanhalingen en verwijzingen naar deze verordening gelden als verwijzing naar verordening nr. 426/86.
70 Krachtens deze bepaling komt artikel 14, lid 2, van verordening nr. 516/77, dat wordt aangehaald in de tweede visa van verordening nr. 1626/85, overeen met artikel 18, lid 2, van verordening nr. 426/86.
71 Artikel 1 van verordening nr. 1626/85 stelt de minimuminvoerprijs voor morellen vast (lid 1) en voorziet in de toepassing van een compenserende heffing bij niet-naleving van de minimumprijs (lid 2).
72 Artikel 3, leden 1 en 3, van dezelfde verordening bepaalt:
"1. De invoerprijs bestaat uit de volgende componenten:
a) de fob-prijs in het land van oorsprong, en
b) de vervoer- en verzekeringskosten tot de plaats waar de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.
2. (...)
3. Wanneer de factuur die aan de douane wordt voorgelegd, niet door de exporteur in het land van oorsprong van de produkten is opgesteld of wanneer niet ten genoegen van de douane is aangetoond dat de aangegeven prijs met de fob-prijs in het land van oorsprong overeenstemt, nemen de bevoegde instanties in de Lid-Staten de nodige maatregelen om die prijs te bepalen, waartoe zij met name uitgaan van de prijs waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht."
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
73 De vennootschap Tracotex heeft als douane-expediteur verscheidene aangiften ten invoer gedaan van partijen zure kersen, van oorsprong uit ex-Joegoslavië. Tracotex handelde in opdracht van de invoerende vennootschap, De Leeuw' s Handelsonderneming B.V., gevestigd te Barendrecht (Nederland).
74 De aangiften ten invoer zijn in de periode van 17 december 1986 tot 8 augustus 1988 gedaan. Bij een deel van deze aangiften werd een factuur overgelegd van een niet in ex-Joegoslavië gevestigde verkoper. Bij de overige aangiften werd wel een factuur overgelegd van een in ex-Joegoslavië gevestigde verkoper, maar deze verzocht op die factuur betaling op een rekening van een in Duitsland, althans niet in ex-Joegoslavië gevestigde derde onderneming.
75 In 1989 stelde de FIOD een onderzoek in bij de invoerende vennootschap. Bij besluit van 23 november 1989 vorderde de inspecteur van Tracotex betaling van een compenserende heffing.
76 Tracotex heeft tegen het besluit van de inspecteur beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. In die procedure heeft Tracotex onder meer de geldigheid aangevochten van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 van de Commissie, in zover op grond daarvan de autoriteiten van de Lid-Staten zelf de invoerprijs kunnen bepalen wanneer zij niet ervan overtuigd zijn, dat de aangegeven prijs de werkelijke prijs is.
77 In deze omstandigheden heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof uitspraak heeft gedaan over de navolgende prejudiciële vragen:
"1) Dient artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie, mede gelet op artikel 18, lid 2, van verordening (EEG) nr. 426/86 van de Raad, aldus te worden uitgelegd, dat wanneer niet ten genoegen van de douane is aangetoond dat de aangegeven prijs overeenstemt met de fob-prijs in het land van oorsprong,
a) uitsluitend feiten mogen worden verzameld om vast te stellen, welke invoerprijs werkelijk is bedongen en direct of indirect betaald tussen de exporteur en de importeur;
of aldus dat
b) het de bevoegde autoriteiten vrijstaat zelf voor de betrokken transactie een invoerprijs, als bedoeld in artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1626/85, te reconstrueren en daarbij rekening te houden
° met andere transacties dan die tussen exporteur en importeur, waaronder met name transacties in handelsschakels tussen de exporteur en de importeur,
en
° met de prijs, waartegen de goederen door de importeur worden doorverkocht, in dier voege dat op die prijs een aantal forfaitaire, niet aan de administratie van de importeur en/of tussenhandelaar ontleende, posten voor kosten (vaste bedragen per 100 kg/bruto) en voor winst (8 % ingeval van tussenhandel sprake is) in mindering worden gebracht?
2) Is voormelde bepaling, in de onder 1 b) bedoelde hypothese ongeldig, op grond dat de Raadsverordening de Commissie niet de bevoegdheid verleent om de bevoegde nationale instanties een zo grote mate van beoordelingsvrijheid te verlenen, ter beantwoording van de vraag of de invoerprijs in een gegeven geval al dan niet lager is dan de minimumprijs bij invoer?
3) Dient artikel 3, derde lid, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie aldus te worden uitgelegd dat onder 'de exporteur in het land van oorsprong' uitsluitend dient te worden verstaan de exporteur wiens onderneming in het land van oorsprong is gevestigd?"
De eerste vraag
78 Behoudens wat de gereleveerde bepalingen betreft, komt deze vraag grotendeels overeen met de derde vraag in zaak C-352/93. De betrokken bepalingen van basisverordening nr. 426/86 en van verordening nr. 1626/85 zijn inhoudelijk gelijk aan respectievelijk artikel 14, lid 2, van basisverordening nr. 516/77 en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82, zoals gewijzigd bij verordening nr. 936/84. De Commissie, de Nederlandse en de Griekse regering hebben ieder de derde vraag in zaak C-352/93 en de onderhavige vraag tezamen behandeld.
79 Ter terechtzitting heeft Tracotex opgemerkt, dat deze zaak verschilt van de twee andere. Zij beklemtoonde met name, dat zij geen banden heeft met de tussenhandelaar bij wie zij de morellen had gekocht, en evenmin met opvolgende kopers. Voorts zou vaststaan, dat haar opdrachtgeefster, de vennootschap De Leeuw' s Handelsonderneming, de morellen boven de minimumprijs heeft gekocht en doorverkocht.
80 In haar geval werd de invoerprijs gereconstrueerd, niet omdat de werkelijk betaalde prijs niet kon worden bepaald, maar eenvoudig omdat die prijs in rekening was gebracht door een tussenhandelaar. Die methode zou evenwel in strijd zijn met de door het Hof in zijn arrest van 2 augustus 1993 (zaak C-81/92, Dinter, Jurispr. 1993, blz. I-4601) gegeven uitlegging.
81 De invoerprijs zou hoe dan ook op een redelijke en niet op een willekeurige wijze moeten worden gereconstrueerd. Toekenning van een volkomen discretionaire bevoegdheid ter zake aan de douane-autoriteiten ware in strijd met de rechtszekerheid en zou een verlegging van de handelsstromen meebrengen.
82 Allereerst zij eraan herinnerd, dat het Hof in voormeld arrest Dinter heeft uitgemaakt (r.o. 17 en 18), dat de methode ter bepaling van de invoerprijs, voorzien in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 voor het geval de aan de douane voorgelegde factuur niet is opgesteld door de exporteur in het land van oorsprong van de produkten, alleen kan worden toegepast bij gebreke van andere aanwijzingen of wanneer de douane twijfels heeft over de prijs vermeld op de factuur. In hetzelfde arrest heeft het Hof voor recht verklaard, dat geen compenserende heffing kan worden opgelegd, wanneer de produkten door de importeur zijn gekocht van een tussenhandelaar die niet is gevestigd in het land van oorsprong van het produkt, en vaststaat, dat zowel de door de importeur aan de tussenhandelaar betaalde prijs als de vervolgens door deze importeur toegepaste doorverkoopprijs hoger is dan de minimumprijs, omdat in dat geval het door de vrijwaringsmaatregelen nagestreefde beschermingsdoel is bereikt.
83 Bij twijfel daarentegen, of de aangegeven prijs overeenkomt met de werkelijke prijs, gelden, gelet op het feit dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 en artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2742/82 inhoudelijk identiek zijn, de redenen waarop de aan deze laatste bepaling gegeven uitlegging berust (zie met name r.o. 34 en 36 hierboven) evenzeer voor de eerstgenoemde bepaling.
84 Bijgevolg moet op deze vraag worden geantwoord, dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 aldus moet worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven invoerprijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de bevoegde instanties, alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
De tweede vraag
85 Deze vraag is behoudens wat de aangehaalde bepalingen betreft, identiek aan de vierde vraag in zaak C-352/93. De betrokken bepalingen van basisverordening nr. 426/86 en van verordening nr. 1626/85 zijn eveneens inhoudelijk identiek aan de corresponderende bepalingen bedoeld in die vierde vraag. De Commissie, de Nederlandse en de Griekse regering hebben ieder de vierde vraag in zaak C-352/93 en de onderhavige vraag tezamen behandeld.
86 Ter terechtzitting heeft Tracotex opgemerkt, dat verordening nr. 426/86 de Commissie niet toestaat de nationale instanties een zo ruime bevoegdheid te verlenen wat de bepaling van de invoerprijs betreft.
87 Gelet op de in de rechtsoverwegingen 41 tot en met 43 hierboven genoemde redenen, die van overeenkomstige toepassing zijn, moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 kunnen aantasten.
De derde vraag
88 De Nederlandse regering en de Commissie menen, dat de in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 bedoelde exporteur alleen maar de in het land van oorsprong van de goederen gevestigde exporteur kan zijn.
89 Tracotex stelt voor, deze vraag ontkennend te beantwoorden. Zij betoogt dat, gelet op het doel van verordening nr. 1626/85 en op het arrest Dinter, de plaats van vestiging van de tussenhandelaar geen relevant criterium is voor de toepassing van artikel 3, lid 3, indien vaststaat dat de importeur het produkt boven de minimumprijs heeft gekocht en doorverkocht.
90 Dit standpunt berust op de opvatting, dat het voor de toepassing van een compenserende heffing voldoende is, dat de exporteur niet in het land van oorsprong van het produkt gevestigd is. Die opvatting is evenwel onjuist. Zoals uiteengezet in het arrest Dinter (reeds aangehaald), kan namelijk geen compenserende heffing worden opgelegd wanneer vaststaat, dat zowel de door de importeur aan de tussenhandelaar betaalde prijs als de vervolgens door deze importeur toegepaste doorverkoopprijs hoger is dan de minimumprijs (zie r.o. 82 hierboven).
91 Voor het overige volstaat het erop te wijzen, dat gezien de duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85, met het zinsdeel "exporteur in het land van oorsprong" slechts de exporteur kan zijn bedoeld wiens onderneming is gevestigd in het land van oorsprong van de produkten.
92 Bijgevolg moet op deze vraag worden geantwoord, dat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 1626/85 aldus moet worden uitgelegd, dat onder "exporteur in het land van oorsprong" uitsluitend is te verstaan de exporteur wiens onderneming is gevestigd in het land van oorsprong van de produkten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
93 De kosten door de Nederlandse en de Griekse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij drie uitspraken van 23 april 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
In zaak C-352/93
1) Het gemeenschapsrecht moet aldus worden uitgelegd, dat de rechtsgrondslag voor de berekening van een voor het eerst na het arrest van 11 februari 1988 (zaak 77/86, National Dried Fruit Trade Association, Jurispr. 1988, blz. 757) opgelegde compenserende heffing artikel 2, lid 2, is van verordening (EEG) nr. 2742/82 van de Commissie van 13 oktober 1982 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van gedroogde druiven, voor zover het niet ongeldig is verklaard bij dat arrest.
2) Artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2742/82 moet aldus worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven prijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de bevoegde instanties alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
3) Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 4, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2742/82 kunnen aantasten.
In zaak C-351/93
1) Artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2237/85 van de Commissie van 30 juli 1985 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van het stelsel van minimumprijzen bij invoer van krenten en rozijnen, moet aldus worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven invoerprijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de nationale autoriteiten alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
2) Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2237/85 kunnen aantasten.
In zaak C-353/93
1) Artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie van 14 juni 1985 houdende beschermende maatregelen inzake de invoer van morellen moet aldus worden uitgelegd, dat bij twijfel of de aangegeven invoerprijs overeenkomt met de werkelijke invoerprijs, de bevoegde instanties alle nodige maatregelen mogen nemen om die prijs te bepalen.
2) Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1626/85 kunnen aantasten.
3) Artikel 3, lid 3, van verordening (EEG) nr. 1626/85 van de Commissie moet aldus worden uitgelegd, dat onder "exporteur in het land van oorsprong" uitsluitend is te verstaan de exporteur wiens onderneming is gevestigd in het land van oorsprong van de produkten.
Full & Egal Universal Law Academy