Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Handelingen van de instellingen ° Richtlijnen ° Uitvoering door Lid-Staten ° Omzetting van richtlijn zonder optreden van wetgever ° Voorwaarden ° Bestaan van algemene juridische context die volledige toepassing van richtlijn verzekert
(EG-Verdrag, art. 189, derde alinea)
Samenvatting
Ofschoon de omzetting van een richtlijn niet noodzakelijkerwijs een optreden van de wetgever van elke Lid-Staat vereist, is het onontbeerlijk dat het betrokken nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale autoriteiten verzekert, dat de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk is en dat de begunstigden in staat zijn, kennis te krijgen van al hun rechten en deze zo nodig geldend kunnen maken voor de nationale rechterlijke instanties. Deze laatste voorwaarde is vooral van belang wanneer de betrokken richtlijn rechten toekent aan onderdanen van andere Lid-Staten.
Partijen
In zaak C-365/93,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Helleense Republiek, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de Juridische dienst van de staat, en V. Pelekou, procesgemachtigde van deze dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Griekse ambassade, Val Sainte-Croix 117,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledige uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16) en deze bepalingen aan de Commissie mee te delen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, P. J. G. Kapteyn, C. N. Kakouris, J. L. Murray (rapporteur) en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 12 januari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 27 juli 1993, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen, dat de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledige uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (PB 1989, L 19, blz. 16, hierna: de "richtlijn"), en deze bepalingen aan de Commissie mee te delen.
2 De richtlijn beoogt met name de instelling van een algemeen stelsel van erkenning van diploma' s in alle Lid-Staten. Volgens artikel 12, eerste alinea, treffen de Lid-Staten de nodige maatregelen om binnen twee jaar na de kennisgeving aan deze richtlijn te voldoen, en stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Deze termijn liep af op 4 januari 1991.
3 Aangezien geen enkele maatregel tot omzetting van de richtlijn ter kennis van de Commissie is gebracht, en zij niet beschikte over andere informatie waaruit viel af te leiden dat de Helleense Republiek aan de bij de richtlijn vastgestelde verplichtingen had voldaan, kwam de Commissie tot de conclusie dat de Helleense Republiek de krachtens artikel 12, eerste alinea, van de richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Daarop heeft zij haar een schriftelijke aanmaning gezonden, en vervolgens een met redenen omkleed advies overeenkomstig artikel 169 van het Verdrag. Toen de Helleense Republiek aan dit met redenen omkleed advies geen gevolg gaf, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld.
4 De Commissie erkent, dat de Helleense Republiek haar op 1 februari 1993, dat wil zeggen na het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, een besluit heeft meegedeeld dat op 24 juli 1992 door de ministers van Economische zaken en van Volksgezondheid en sociale zaken gezamenlijk is vastgesteld, en waarbij de richtlijn gedeeltelijk is omgezet, zij het uitsluitend voor de beroepen in de sector volksgezondheid en sociale zaken. Zij leidt daaruit af, dat de richtlijn slechts gedeeltelijk is omgezet en ontoereikend is om de verweten niet-nakoming op te heffen.
5 De Helleense Republiek brengt in de eerste plaats tegen het verzoek in, dat een ontwerp van presidentieel decreet tot volledige omzetting van de richtlijn in de nationale rechtsorde ter ondertekening aan de president van de Republiek is voorgelegd. Vervolgens wijst zij erop, dat de richtlijn is omgezet door drie verschillende presidentiële decreten, een voor de sector gezondheidszorg, een voor de sector advocatuur, en een voor de sector accountancy. Ten slotte betoogt zij, dat andere maatregelen ter verzekering van een afdoende omzetting van de bepalingen van de richtlijn reeds zijn genomen. De cooerdinator en de plaatsvervanger in de zin van artikel 9, lid 2, van de richtlijn zijn aangewezen door de minister van Onderwijs en Kerkelijke zaken. Voorts heeft deze minister de organen aangewezen die ermee zijn belast overeenkomstig artikel 9, lid 3, van de richtlijn de nodige informatie over de erkenning van diploma' s te verstrekken. Ofschoon de in artikel 9, lid 1, van de richtlijn bedoelde bevoegde autoriteiten nog niet zijn aangewezen, kunnen in voorkomend geval alle verzoeken van onderdanen van andere Lid-Staten via bestaande procedures en diensten naar behoren worden behandeld.
6 Allereerst zij vastgesteld, dat de Griekse regering bij de afloop van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn niet alle nodige maatregelen had vastgesteld voor de volledige omzetting van de richtlijn.
7 De Commissie betwist niet, dat de krachtens de richtlijn voor bepaalde beroepssectoren vastgestelde presidentiële decreten een gedeeltelijke omzetting van de richtlijn vormen, en dat aan de procedurele vereisten is voldaan door de aanwijzing van een cooerdinator in de zin van artikel 9, lid 2, en van een centrum voor verstrekking van informatie in de zin van artikel 9, lid 3, van de richtlijn. Toch is de richtlijn nog steeds niet voor alle daarin bedoelde beroepssectoren omgezet.
8 Het argument dat bestaande procedures en organen volstaan om aan de vereisten van artikel 9, lid 1, van de richtlijn te voldoen, kan niet slagen.
9 Er zij aan herinnerd, dat volgens de rechtspraak (arrest van 23 mei 1985, zaak 29/84, Commissie/Duitsland, Jurispr. 1985, blz. 1661, r.o. 23) de omzetting van een richtlijn weliswaar niet noodzakelijkerwijs een optreden van de wetgever van elke Lid-Staat vereist, doch dat het betrokken nationale recht daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn door de nationale autoriteiten dient te verzekeren, dat de uit dit recht voortvloeiende rechtssituatie voldoende bepaald en duidelijk dient te zijn en dat de begunstigden in staat moeten zijn, kennis te krijgen van al hun rechten en deze zo nodig geldend te maken voor de nationale rechterlijke instanties. Deze laatste voorwaarde is vooral van belang wanneer de betrokken richtlijn, zoals in casu, rechten toekent aan onderdanen van andere Lid-Staten.
10 In de onderhavige zaak heeft de Griekse regering evenwel niet het bewijs geleverd, dat haar nationaal recht in de toenmalige stand aan die voorwaarden voldeed. Meer in het bijzonder preciseert zij niet in hoeverre en op welke basis bestaande organen juridisch zijn belast met de uitoefening van de uit de richtlijn voortvloeiende nieuwe bevoegdheden. Waar zij erkent dat de in artikel 9, lid 1, bedoelde autoriteiten "nog" niet zijn aangewezen, erkent zij meteen ook, zij het stilzwijgend, dat de richtlijn op dit terrein niet volledig is omgezet.
11 Nu de richtlijn niet volledig is omgezet binnen de bij artikel 12 daarvan vastgestelde termijn, moet het verzoek van de Commissie om deze niet-nakoming vast te stellen, worden toegewezen.
12 Anders dan de Commissie verlangt, moet het Hof evenwel geen rekening houden met het ontbreken van de mededeling van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die hadden moeten worden vastgesteld om uitvoering te geven aan de richtlijn, aangezien de Helleense Republiek heeft nagelaten deze bepalingen binnen de gestelde termijn vast te stellen (arrest van 18 mei 1994, zaak C-303/93, Commissie/Italië, Jurispr. 1994, blz. I-1901, r.o. 6).
13 Vastgesteld moet dus worden, dat de Helleense Republiek de krachtens het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen om volledige uitvoering te geven aan richtlijn 89/48; het beroep moet worden verworpen voor het overige.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verweerster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door niet binnen de gestelde termijn de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om volledige uitvoering te geven aan richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma' s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, is de Helleense Republiek de krachtens het EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) Het beroep wordt verworpen voor het overige.
3) De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy