Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschappelijk douanetarief ° Tariefposten ° Vlees van in het wild levende dieren die op grond van hun zooelogische en genetische kenmerken tot de varkens (huisdieren) behoren ° Indeling onder postonderverdeling 02.01 A. III. b ° Uitgesloten
Samenvatting
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat tussen 1983 en 1985 uit Bulgarije ingevoerd vlees van dieren die op grond van hun zooelogische en genetische kenmerken als varkens (huisdieren) moeten worden aangemerkt, zelfs indien het door de bevoegde autoriteiten in Bulgarije is gecertifieerd als vlees afkomstig van in Bulgarije in het wild levende varkens (wilde zwijnen, type B), niet valt onder postonderverdeling 02.01 A. III. b, zoals omschreven in verordening nr. 3000/82 tot wijziging van verordening nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (vlees van andere varkens dan huisdieren).
Gelet op de bewoordingen van de postonderverdelingen waaronder varkensvlees kan worden ingedeeld, waaruit blijkt dat het criterium voor indeling onder vlees van varkens (huisdieren) of onder vlees van andere varkens dan huisdieren te vinden is in het begrip "soort", dat wijst op een categorie die wordt gedefinieerd aan de hand van objectieve zooelogische en genetische criteria en niet op basis van de specifieke wijze waarop de dieren worden gehouden, kan postonderverdeling 02.01 A. III. b enkel betrekking hebben op vlees van varkens die door hun zooelogische en genetische kenmerken verschillen van varkens (huisdieren).
Deze uitlegging wordt niet op losse schroeven gezet door de in 1992 aan de toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief aangebrachte wijziging, volgens welke vlees van varkens, door de bevoegde Australische autoriteiten gecertifieerd als vlees van in Australië in het wild levende varkens, wordt aangemerkt als ander vlees dan vlees van huisdieren. Deze toelichting dateert immers van verschillende jaren na de litigieuze invoer, geldt voor de toepassing van een andere nomenclatuur en betreft het bijzondere geval van Australië. Voor uit Bulgarije ingevoerd vlees is geen enkele vergelijkbare regeling vastgesteld.
Partijen
In zaak C-393/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Duesseldorf (Bondsrepubliek Duitsland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Walter Stanner GmbH & Co. KG
en
Hauptzollamt Bochum,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van postonderverdeling 02.01 A. III. b van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals omschreven in verordening (EEG) nr. 3000/82 van de Raad van 19 oktober 1982 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1982, L 318, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: M. Diez de Velasco (rapporteur), kamerpresident, C. N. Kakouris en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: L. Hewlett, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° de Franse regering, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en J.-L. Falconi, secretaris bij de directie Juridische zaken van dat ministerie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. de Sousa Fialho, lid van haar juridische dienst, bijgestaan door H.-J. Rabe, advocaat te Hamburg en te Brussel, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door A. Desing, advocaat te Fuessen, de Franse regering, vertegenwoordigd door N. Eybalin, secretaris Buitenlandse zaken bij de directie Juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, en de Commissie ter terechtzitting van 5 mei 1994,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 juni 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 12 augustus 1993, ingekomen bij het Hof op 27 augustus daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Duesseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van postonderverdeling 02.01 A. III. b van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals omschreven in verordening (EEG) nr. 3000/82 van de Raad van 19 oktober 1982 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1982, L 318, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Walter Stanner GmbH & Co. KG (hierna: "Stanner") en het Hauptzollamt Bochum over de tariefindeling van verschillende partijen varkensvlees, ingevoerd uit Bulgarije.
3 Blijkens de stukken voerde Stanner, die te Fuessen een wildimport-exportbedrijf exploiteert, in de periode van 21 november 1983 tot 8 maart 1985 verschillende partijen varkensvlees met de vermelding "wilde zwijnen, type B" uit Bulgarije in. Zij gaf die aan onder postonderverdeling 02.01 A. III. b, betreffende vlees van andere varkens dan huisdieren. De douanekantoren klaarden de betrokken partijen overeenkomstig de aangifte in en hieven hierover omzetbelasting bij invoer en douanerechten.
4 Bij een latere controle liet de Duitse douane stalen van deze partijen vlees door verschillende deskundigen onderzoeken. De deskundigen stelden vast, dat het vlees afkomstig was van varkens die zowel zooelogisch als genetisch als huisdieren moesten worden beschouwd. Daarop wijzigde het Hauptzollamt de aanvankelijke tariefindeling en deelde het de geïmporteerde goederen als "vlees van varkens (huisdieren)" in onder postonderverdeling 02.01 A. III. a, waarna het aanvullende invoerrechten hief.
5 Voor het Finanzgericht Duesseldorf betwistte Stanner deze indeling, op grond dat het betrokken vlees afkomstig was van wilde zwijnen, althans niet afkomstig was van zwijnen van een huisdiersoort, daar de dieren in kwestie sinds mensenheugenis in Noordoost-Bulgarije in het wild leven. Het zou dus wel degelijk gaan om vlees van andere varkens dan huisdieren in de zin van postonderverdeling 02.01 A. III. b.
6 Het Hauptzollamt Bochum is daarentegen van mening, dat enkel varkens die zooelogisch tot een andere soort behoren, kunnen worden beschouwd als "andere" varkens dan huisdieren in de zin van postonderverdeling 02.01 A. III. b, zodat het betrokken vlees als vlees van varkens (huisdieren) onder postonderverdeling 02.01 A. III. a moet worden ingedeeld.
7 In de verwijzingsbeschikking is de nationale rechter van oordeel, dat het onderscheid tussen vlees van varkens (huisdieren) en vlees van andere soorten varkens moet worden gemaakt aan de hand van objectieve criteria die zijn gebaseerd op de zooelogische en genetische kenmerken van de soorten, en niet volgens criteria als de wijze waarop de dieren worden gehouden.
8 Hij beklemtoont, dat de in casu door verzoekster uit Bulgarije ingevoerde "wilde zwijnen, type B" zooelogische kenmerken vertonen die typisch zijn voor huisdieren, en derhalve onder postonderverdeling 02.01 A. III. a hadden moeten worden ingedeeld. Het Finanzgericht Duesseldorf twijfelt evenwel aan de juistheid van die indeling, wegens een wijziging die in 1992 is aangebracht in de toelichtingen op post 02.03 (Vlees van varkens, vers, gekoeld of bevroren) van de gecombineerde nomenclatuur. Volgens deze toelichting wordt "vlees van varkens, door de bevoegde Australische autoriteiten gecertifieerd als vlees van in Australië in het wild levende varkens, (...) aangemerkt als ander vlees dan vlees van huisdieren" (PB 1992, C 34, blz. 2).
9 Daar het door Stanner ingevoerde varkensvlees blijkens de onderzoeksresultaten meer overeenkomst vertoont met vlees van echte wilde zwijnen dan het vlees van in Australië in het wild levende varkens, zou volgens de nationale rechter ook kunnen worden gesteld, dat vlees van varkens, waarvan door de bevoegde autoriteiten in Bulgarije is gecertifieerd, dat het afkomstig is van in Bulgarije in het wild levende varkens, als vlees van andere varkens dan huisdieren moet worden aangemerkt.
10 Op grond van die overwegingen heeft het Finanzgericht Duesseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moet postonderverdeling 02.01 A. III. b van het gemeenschappelijk douanetarief, in de versie van verordening (EEG) nr. 3000/82 van 19 oktober 1982 (PB 1982, L 318, blz. 1), aldus worden uitgelegd, dat vlees van varkens, waarvan door de bevoegde autoriteiten in Bulgarije is gecertifieerd, dat het afkomstig is van in Bulgarije in het wild levende varkens (wilde zwijnen, type B), als vlees van andere varkens dan huisdieren moet worden ingedeeld?"
11 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het gemeenschappelijk douanetarief aldus moet worden uitgelegd, dat vlees van dieren die op grond van hun zooelogische en genetische kenmerken als varkens moeten worden aangemerkt, waarvan door de bevoegde autoriteiten in Bulgarije is gecertifieerd, dat het afkomstig is van in Bulgarije in het wild levende varkens (wilde zwijnen, type B), onder postonderverdeling 02.01 A. III. b valt.
12 Vooraf zij eraan herinnerd, dat postonderverdeling 02.01 A. III (vlees van varkens) onderscheid maakt tussen "vlees van varkens (huisdieren)" (postonderverdeling 02.01 A. III. a) en vlees van "andere" varkens (postonderverdeling 02.01 A. III. b). Dit weerspiegelt het onderscheid dat met betrekking tot levende varkens wordt gemaakt in postonderverdeling 01.03, waar "huisdieren" (01.03 A) op dezelfde wijze van "andere" soorten (01.03 B) worden onderscheiden.
13 Verder preciseert de toelichting op postonderverdeling 02.01 A. III. b, dat daaronder slechts valt het vlees van de dieren bedoeld bij postonderverdeling 01.03 B. Volgens de toelichting op deze laatste postonderverdeling, in de versie die gold op het ogenblik van de feiten, omvat deze onderverdeling uitsluitend levende varkens welke geen huisdieren zijn, waaronder het wilde zwijn, het wratzwijn, het hertzwijn en de pekari' s.
14 Volgens vaste rechtspraak moet het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen als regel worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals omschreven in de tekst van de post van het gemeenschappelijk douanetarief (arresten van 14 januari 1993, zaak C-177/91, Bioforce, Jurispr. 1993, blz. I-45, r.o. 8, en 19 mei 1994, zaak C-11/93, Siemens Nixdorf, Jurispr. 1994, blz. I-1945, r.o. 11).
15 Voorts zijn volgens de rechtspraak van het Hof zowel de toelichtingen op de IDR-Nomenclatuur en als de indelingsadviezen van het comité nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief belangrijke hulpmiddelen om een uniforme toepassing van dit tarief te verzekeren, en kunnen zij derhalve als bruikbare aanknopingspunten voor de uitlegging ervan worden beschouwd (arresten van 10 oktober 1985, zaak 200/84, Daiber, Jurispr. 1985, blz. 3363, r.o. 14, en 26 september 1985, zaak 166/84, Thomasduenger, ibid., blz. 3001, r.o. 14). Voor de uitlegging van bovengenoemde tariefposten dient derhalve niet enkel rekening te worden gehouden met de bewoordingen en de systematiek van het gemeenschappelijk douanetarief, doch tevens met de inhoud van die toelichtingen.
16 In casu blijkt uit de bewoordingen van de betrokken tariefonderverdelingen, dat het criterium voor indeling onder vlees van varkens (huisdieren) of onder vlees van andere varkens dan huisdieren te vinden is in het begrip "soort", dat wijst op een categorie die wordt gedefinieerd aan de hand van objectieve zooelogische en genetische criteria en niet op basis van de specifieke wijze waarop de dieren worden gehouden.
17 Deze uitlegging wordt gestaafd door de opsomming in bovengenoemde toelichting, die, hoewel zij niet uitputtend is, enkel soorten vermeldt die uit zooelogisch en genetisch oogpunt een zekere specificiteit vertonen, en niet verwijst naar de wijze waarop de dieren leven of worden gehouden.
18 Derhalve kan tariefonderverdeling 02.01 A. III. b enkel betrekking hebben op vlees van varkens die door hun zooelogische en genetische kenmerken verschillen van varkens (huisdieren).
19 Deze uitlegging wordt niet op losse schroeven gezet door de in rechtsoverweging 8 genoemde toelichting betreffende varkens die in Australië in het wild leven. Deze toelichting dateert immers uit 1992, verschillende jaren na de feiten van deze zaak, en geldt voor de toepassing van een andere nomenclatuur dan die welke gold op het ogenblik van de feiten in het hoofdgeding. Bovendien blijkt uit de tekst van die toelichting, dat zij een bijzonder geval betreft, te weten in Australië in het wild levende varkens, zodat daaruit geen algemene indelingscriteria kunnen worden afgeleid. Ten slotte is geen enkele vergelijkbare regeling vastgesteld voor vlees van uit Bulgarije ingevoerde "wilde zwijnen, type B".
20 Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat het gemeenschappelijk douanetarief aldus moet worden uitgelegd, dat vlees van dieren die op grond van hun zooelogische en genetische kenmerken als varkens moeten worden aangemerkt, waarvan door de bevoegde autoriteiten in Bulgarije is gecertifieerd, dat het afkomstig is van in Bulgarije in het wild levende varkens (wilde zwijnen, type B), niet onder tariefonderverdeling 02.01 A. III. b valt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
21 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Duesseldorf bij beschikking van 12 augustus 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Het gemeenschappelijk douanetarief moet aldus worden uitgelegd, dat vlees van dieren die op grond van hun zooelogische en genetische kenmerken als varkens moeten worden aangemerkt, waarvan door de bevoegde autoriteiten in Bulgarije is gecertifieerd, dat het afkomstig is van in Bulgarije in het wild levende varkens (wilde zwijnen, type B), niet valt onder tariefonderverdeling 02.01 A. III. b, zoals omschreven in verordening (EEG) nr. 3000/82 van de Raad van 19 oktober 1982 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief.
Full & Egal Universal Law Academy