Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Tijdelijke functionarissen ° Beëindiging van dienst ° Vergoeding ° Berekeningswijze
(Verordening nr. 2274/87 van de Raad, art. 4, lid 4)
2. Ambtenaren ° Bezwarend besluit ° Motiveringsplicht ° Doel
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea)
3. Ambtenaren ° Tijdelijke functionarissen ° Beëindiging van dienst ° Dekking door gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering ° Voorwaarde ° Geen dekking door andere wettelijke of bestuursrechtelijke regeling ° Strekking ° Criterium van gelijkwaardigheid van uitkeringen ° Uitsluiting
(Ambtenarenstatuut, art. 72; verordening nr. 2274/87 van de Raad, art. 4, lid 6)
4. Hogere voorziening ° Middelen ° Middel gericht tegen beslissing van Gerecht inzake kosten ° Niet-ontvankelijk wanneer alle andere middelen zijn afgewezen
(' s Hofs Statuut-EG, art. 51, tweede alinea)
Samenvatting
1. Daar de gemeenschapswetgever op de hoogte was van de verschillen tussen de nationale belastingstelsels toen hij in artikel 4, lid 4, tweede alinea, van verordening nr. 2274/87 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen, bepaalde dat bij de berekening van de aan de betrokkenen betaalde vergoeding rekening moet worden gehouden met hun bruto-inkomsten vóór aftrek van belasting, heeft hij aanvaard dat deze verschillen de financiële situatie van de betrokkenen kunnen beïnvloeden.
Wat het beginsel van gelijke behandeling betreft, dient de situatie van voormalige personeelsleden van de Gemeenschap hoe dan ook niet enkel vanuit fiscaal oogpunt te worden beoordeeld, maar in haar geheel, rekening houdend met alle voordelen die zij verkrijgen van de Lid-Staat op wiens grondgebied zij hun beroepsactiviteit uitoefenen.
2. De motivering van een bezwarend besluit voldoet aan de vereisten van artikel 25 Ambtenarenstatuut, wanneer het de betrokkene voldoende gegevens verschaft om vast te stellen of het besluit gegrond is, en om rechterlijk toezicht mogelijk te maken.
3. Artikel 4, lid 6, van verordening nr. 2274/87 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen, moet aldus worden uitgelegd, dat een tijdelijk functionaris die de door deze verordening ingestelde vergoeding ontvangt en die onder een nationale sociale-zekerheidsregeling op grond van publiekrechtelijke bepalingen valt, zoals het Duitse stelsel van steun aan ambtenaren, die een ziektekostenverzekering omvat, niet onder het in artikel 72 van het Ambtenarenstatuut bedoelde gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering kan vallen, ongeacht de eventuele gelijkwaardigheid van de uitkeringen in die verschillende stelsels.
4. Wanneer alle andere in hogere voorziening aangevoerde middelen tegen een beslissing van het Gerecht zijn afgewezen, moet het middel betreffende de onrechtmatige beslissing van het Gerecht over de kosten krachtens artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut niet-ontvankelijk worden verklaard.
Partijen
In zaak C-396/93 P,
H. Henrichs, voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, woonachtig te Sankt Augustin (Duitsland), vertegenwoordigd door F. Montag, advocaat te Brussel,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het op 24 juni 1993 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Derde kamer) in zaak T-92/91 gewezen arrest tussen Henrichs en de Commissie (Jurispr. 1993, blz. II-611), en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, juridisch adviseur, als gemachtigde, bijgestaan door B. Waegenbaur, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: C. Gulmann, kamerpresident, P. Jann, J. C. Moitinho de Almeida (rapporteur), D. A. O. Edward en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: A. La Pergola
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 9 maart 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 mei 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 september 1993, heeft H. Henrichs krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 24 juni 1993 (zaak T-92/91, Henrichs, Jurispr. 1993, blz. II-611), voor zover het Gerecht zijn verzoeken tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 25 april 1991 betreffende de berekening van de hem verschuldigde vergoeding, tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 mei 1991 waarbij hij van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering wordt uitgesloten, alsmede tot vergoeding van de schade die hij door het foutieve optreden van de Commissie heeft geleden, heeft afgewezen.
2 Naar luid van het bestreden arrest liggen de volgende feiten aan de oorsprong van het beroep:
"1 Verzoeker, H. Henrichs, was tot 31 december 1990 werkzaam als tijdelijk functionaris bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: 'Commissie' ). Op die datum kwamen partijen overeen om de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur van verzoeker, die zestien jaar in dienst was geweest, te beëindigen. Sedert 3 januari 1991 is verzoeker ministerieel ambtenaar, in dienst van de Bondsrepubliek Duitsland. Uit dien hoofde ontvangt hij een bezoldiging die een basissalaris en een aantal toeslagen en vergoedingen omvat.
2 Toen verzoeker de Commissie verliet, werden op hem de bepalingen van verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2274/87 van de Raad van 23 juli 1987 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van tijdelijke functionarissen van de Europese Gemeenschappen (PB 1987, L 209, blz. 1; hierna: 'de verordening' ), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2168/89 van de Raad van 18 juli 1989 (PB 1989, L 208, blz. 4) toegepast. In aansluiting op de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen bepaalt deze verordening, dat bepaalde tijdelijke functionarissen die ten minste vijftien dienstjaren hebben vervuld, na beëindiging van hun dienst voor de in de verordening voorziene maatregelen in aanmerking kunnen komen. In beginsel geeft deze verordening de betrokken functionaris recht op een vergoeding gelijk aan 70 % van zijn eerdere basissalaris als tijdelijk functionaris, met dien verstande dat het bedrag van de inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring geniet, op die vergoeding in mindering wordt gebracht.
3 Hiertoe bepaalt artikel 4 van deze verordening onder meer:
' 4. Het bedrag van de bruto-inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring geniet, wordt in mindering gebracht op de in lid 1 bedoelde vergoeding, voor zover deze inkomsten te zamen met deze vergoeding meer bedragen dan de laatste totale brutobezoldiging van de betrokkene, vastgesteld op basis van de salaristabel die van kracht is op de eerste dag van de maand waarover de vergoeding moet worden betaald. Op deze bezoldiging is de in lid 3 bedoelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing.
Onder de in de eerste alinea bedoelde bruto-inkomsten en de laatste totale brutobezoldiging worden verstaan de bedragen na aftrek van sociale lasten en vóór aftrek van belasting.
De betrokkene is gehouden de schriftelijke bewijsstukken die verlangd kunnen worden, over te leggen en aan de Instelling mededeling te doen van alle gegevens die verandering kunnen brengen in zijn aanspraken op de vergoeding.
(...)
6. De betrokkene heeft voor zichzelf en zijn medeverzekerden recht op de prestaties van de in artikel 72 van het Statuut bedoelde regeling inzake sociale zekerheid, mits hij de desbetreffende bijdragen, berekend over het bedrag van de in lid 1 bedoelde vergoeding, betaalt en hij niet uit hoofde van een andere ziektekostenverzekering op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen is verzekerd.'
4 Op 23 april 1991 stelde verzoeker de Commissie in kennis van zijn nieuwe administratieve situatie. Daartoe legde hij onder meer een salarisafrekening over waaruit bleek, dat hij in de Bondsrepubliek Duitsland een maandelijkse brutobezoldiging van 8 681,66 DM ontving. Deze salarisafrekening bevatte geen enkele aanwijzing met betrekking tot eventueel door verzoeker gedragen sociale lasten. Bij besluit van 25 april 1991 verminderde de Commissie de uit hoofde van voornoemde verordening uitgekeerde vergoeding met een bedrag van 1 356,25 DM. Ter rechtvaardiging van dit besluit stelde de Commissie, dat de brutobezoldiging die verzoeker maandelijks in de Bondsrepubliek Duitsland ontving, vermeerderd met de door de Europese Gemeenschappen uit hoofde van de verordening uitgekeerde vergoeding, verzoekers laatste salaris als tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen met genoemd bedrag overschreed. Op 28 mei 1991 diende verzoeker tegen dit besluit een klacht in in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: het 'Statuut' ). Zonder de klacht uitdrukkelijk te beantwoorden, stelde de Commissie verzoeker op 12 september 1991 in kennis van de gedetailleerde berekeningen die haars inziens de genomen beslissing rechtvaardigden.
5 Bij besluit van 3 mei 1991 sloot de Commissie verzoeker uit van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de instellingen van de Europese Gemeenschappen (hierna: het 'gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering' ). Tegen dit besluit diende verzoeker op 23 mei 1991 een klacht in, die stilzwijgend werd afgewezen."
3 Onder deze omstandigheden heeft requirant bij op 23 december 1991 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift beroep ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 25 april en 3 mei 1991 en tot vergoeding van de door hem geleden schade.
4 Bij het bestreden arrest verwierp het Gerecht zijn beroep.
5 In hogere voorziening komt requirant op tegen de redenering waarmee het Gerecht alle tot staving van zijn verzoek om nietigverklaring van de bestreden besluiten en om toekenning van schadevergoeding aangevoerde middelen heeft afgewezen.
6 Met betrekking tot het besluit van 25 april 1991 voert hij twee middelen aan: schending door het Gerecht van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut (dat op de tijdelijke functionarissen van toepassing is krachtens artikel 11 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen) en schending door het Gerecht van artikel 4, lid 4, van de verordening.
7 Met betrekking tot het besluit van 3 mei 1991 voert hij eveneens twee middelen aan: schending door het Gerecht van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut en schending door het Gerecht van artikel 4, lid 6, van de verordening.
8 Voorts komt hij op tegen de uitspraak van het Gerecht over zijn verzoek om schadevergoeding en over de kosten.
Na het instellen van de hogere voorziening ingediende stukken
9 Alvorens uitspraak te doen over de tot staving van de hogere voorziening aangevoerde middelen, moeten de stukken worden onderzocht, die requirant op grond van de artikelen 118 en 42, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering heeft verzocht bij het dossier te mogen voegen. Requirant stelt, dat deze stukken relevant zijn voor de oplossing van het geschil en dat hij na de instelling van de hogere voorziening kennis van deze stukken heeft gekregen. Het betreft document nr. 7481/91, zijnde een nota "Punt I/A van de groep 'Statuut' van het Comité van permanente vertegenwoordigers", attesten van de AOK Augsburg en de AOK Freiburg (Allgemeine Ortskrankenkasse, regionale kas van de ziekteverzekering) inzake sociale zekerheid en een brief van de Commissie van 5 oktober 1993. Deze stukken zijn op 9 maart 1994 bij het dossier gevoegd.
10 Met betrekking tot de nota "Punt I/A van de groep 'Statuut' van het Comité van permanente vertegenwoordigers" verklaart requirant, dat de Commissie kennis had van de volgende unilaterale verklaring van de Duitse delegatie:
"De Duitse delegatie is van oordeel, dat de prestaties die bij ziekte worden verstrekt uit hoofde van de regeling die in Duitsland op de openbare dienst van toepassing is (' Beihilfe' ) geen kostenvergoedingen zijn uit hoofde van een ziektekostenverzekering en dat zij daarmee niet kunnen worden gelijkgesteld. Bijgevolg genieten de prestaties van de ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen grotere prioriteit op grond van het aanvullende karakter van de regeling voor de Duitse openbare dienst."
11 Volgens hem heeft de Commissie evenwel nooit naar dit standpunt verwezen. Zij wilde integendeel de indruk wekken, dat haar opvatting betreffende het rechtskarakter van de "Beihilfe" door de Duitse regering werd gedeeld.
12 Met betrekking tot de attesten van de AOK Augsburg en de AOK Freiburg, volgens welke zijn zonen Michael en Martin sinds 1 augustus 1993 als studenten bij de ziekteverzekering zijn aangesloten, en tot de brief van 5 oktober 1993 waarbij de Commissie hem meedeelt dat zijn vergoeding met 1 479,25 DM wordt verlaagd, stelt requirant, dat aangezien hij in Duitsland een salarisverhoging heeft ontvangen, doch tegelijkertijd de aftrek door de Commissie wordt verlaagd, hij ervan uitgaat dat de Commissie de premies voor de ziekteverzekering van zijn zonen bij de berekening van de vermindering als aftrekbaar heeft behandeld. Uit de brief van de Commissie kan volgens hem overigens niet worden opgemaakt, hoe zij het bedrag van de aftrek heeft vastgesteld.
13 Opgemerkt zij, dat zoals de Commissie terecht heeft gesteld, de unilaterale verklaring van de Duitse delegatie geen handeling is in de zin van artikel 189 EEG-Verdrag, noch een maatregel die bindende rechtsgevolgen in het leven roept (arrest van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, r.o. 9 en 10, en beschikking van 17 oktober 1984, zaak 135/84, F.B., Jurispr. 1984, blz. 3577, r.o. 6). Voor de onderhavige procedure is zij dan ook niet relevant.
14 Bij de attesten en de brief van de Commissie gaat het niet om nieuwe middelen, maar om een aanbod om te bewijzen dat de kinderen van requirant bij een ziekteverzekering waren aangesloten. Zij zijn niet-ontvankelijk in het stadium van de hogere voorziening, die overeenkomstig artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG alleen rechtsvragen kan betreffen. Bovendien hebben zij geen betrekking op het tijdvak dat beslissend is voor het bestreden besluit, dat van 25 april 1991 dateert.
15 Het verzoek om de betrokken stukken bij het dossier te voegen wordt dan ook afgewezen.
Het besluit van 25 april 1991 betreffende de berekening van de aan requirant verschuldigde vergoeding
Het middel: schending door het Gerecht van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut
16 Met betrekking tot het eerste middel, betreffende het ontbreken van een motivering van het besluit van 25 april 1991, overwoog het Gerecht, dat
° het besluit de feitelijke gegevens bevat die voor een goed begrip ervan noodzakelijk zijn, te weten de relevante berekeningen op grond waarvan kan worden nagegaan of de door de Commissie toegepaste vermindering van de vergoeding juist is (r.o. 14 van het arrest);
° het feit dat in het besluit nergens wordt verwezen naar de rechtsgrondslag van het besluit, niet afdoet aan de wettigheid ervan, omdat genoegzaam is komen vast te staan dat de adressaat van het besluit geen enkele twijfel over deze rechtsgrondslag kon koesteren (r.o. 15);
° uit de bezwaren die requirant reeds kenbaar had gemaakt in het stadium van de bij de administratie tegen het bestreden besluit ingediende klacht, blijkt dat hij feitelijk geen enkel probleem heeft ondervonden bij de vaststelling van de elementen waarvan de Commissie voor haar berekeningen is uitgegaan (r.o. 16).
17 Volgens requirant heeft het Gerecht (in r.o. 14-17 van het arrest) ten onrechte geoordeeld, dat het besluit van 25 april 1991 toereikend was gemotiveerd. De loutere vermelding in dat besluit, dat de Commissie de vergoeding van requirant met 1 356,25 DM verminderde, volstond niet om de details van het besluit te begrijpen, te meer daar artikel 4, lid 4, van de verordening de vraag doet rijzen, hoe het begrip "bruto-inkomsten" moet worden uitgelegd, en welke vergoedingen daaronder moeten worden begrepen. Ofschoon requirant kennis had van de rechtsgrondslag van het bestreden besluit, verschafte dit besluit hem voorts niet de nodige elementen voor de uitlegging en toepassing van de betrokken bepaling. Ten slotte blijkt zijns inziens uit de in eerste aanleg ingediende memoriën, welke moeilijkheden requirant ondervond om de berekening van de betrokken bedragen te begrijpen.
18 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
19 Voor zover dit betoog is gebaseerd op de door requirant ondervonden moeilijkheden om het betrokken besluit te begrijpen ° moeilijkheden die volgens het Gerecht in de rechtsoverwegingen 15 en 16 van het arrest niet bestonden ° betreft het een beoordeling van de feiten, waarvan het Hof overeenkomstig artikel 51, eerste alinea, van zijn Statuut in hogere voorziening geen kennis kan nemen.
20 Uit een en ander volgt, dat het eerste middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het middel: schending door het Gerecht van artikel 4, lid 4, van de verordening
21 Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen:
° niet-inaanmerkingneming van bepaalde sociale lasten;
° niet-inaanmerkingneming van § 8 Bundesbesoldungsgesetz (hierna: "BBesG") of § 56 Beamtenversorgungsgesetz (hierna: "BeamtVG");
° verzuim de verordening teleologisch uit te leggen.
Niet-inaanmerkingneming van bepaalde sociale lasten
22 Het Gerecht was van oordeel, dat een evaluatie van de persoonlijke bijdrage van requirant aan het sociale-zekerheidsstelsel waaronder hij valt, de grenzen van de uitleggingsbevoegdheden van de communautaire rechter overschrijdt (r.o. 28 van het arrest). Het overwoog dat het, daar vaststaat dat requirant, die door het nationale recht is uitgesloten van het algemene sociale-zekerheidsstelsel, als gevolg van die uitsluiting voor de verkrijging van de sociale-zekerheidsrechten die hij uit hoofde van een bijzondere wettelijke regeling geniet, geen enkele sociale bijdrage betaalt, niet aan het Gerecht staat, een ° fictieve ° persoonlijke bijdrage vast te stellen, waarvoor hij overigens zelfs niet bij benadering enigerlei grondslag in overweging kan geven, maar die hij door een deskundige wil laten bepalen.
23 Voorts was het Gerecht van oordeel dat, ingevolge de in artikel 4, lid 4, derde alinea, van de verordening neergelegde bewijsregel, requirant het bewijs diende te leveren van de betaling van de sociale lasten die zijns inziens in aanmerking moeten worden genomen, alsmede van het bedrag van die lasten. Het Gerecht voegde daaraan toe, dat requirant dienaangaande geen enkel bewijs heeft geleverd (r.o. 29).
24 Requirant stelt, dat het begrip "bruto-inkomsten" in artikel 4 van de verordening naar de rechtsstelsels van de Lid-Staten verwijst. Naar Duits recht is de voor ambtenaren geldende "Beihilfe"-regeling een gemengd stelsel van sociale-zekerheidsuitkeringen en een door de ambtenaar zelf gefinancierde verzekering, waarbij de bezoldiging een "tegemoetkoming in de kosten" omvat om de ambtenaar in staat te stellen, zelf het risico van ziekte te verzekeren. De Commissie had dit deel van de bezoldiging moeten aftrekken en het Gerecht verklaarde ten onrechte dat het niet de taak van het Gerecht was om de omvang van de persoonlijke bijdrage van requirant aan het sociale-zekerheidsstelsel vast te stellen. Requirant brengt in herinnering, dat hij had verzocht de hoogte van deze bijdrage door een deskundige te doen bepalen.
25 De Commissie heeft volgens hem evenmin de sociale lasten afgetrokken die voortvloeien uit de aansluiting van zijn kinderen bij de wettelijke ziektekostenverzekering, en waarvan hij het bewijs heeft geleverd.
26 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
27 Het staat immers niet aan de Commissie, maar eventueel aan de nationale wetgever om te bepalen, welk deel van het salaris de ambtenaar in staat dient te stellen, het ziekterisico te verzekeren bij wege van aanvulling op het deel dat reeds door de "Beihilfe" wordt verzekerd. Voorts is het feit dat de Commissie de sociale lasten betreffende de kinderen van requirant niet heeft afgetrokken, niet vermeld in het voor het Gerecht aangevoerde middel.
28 Het onderdeel van het middel dat artikel 4, lid 4, van de verordening is geschonden, doordat de sociale lasten niet zijn afgetrokken, moet derhalve worden afgewezen.
Niet-inaanmerkingneming van § 8 BBesG of § 56 BeamtVG
29 In § 8 BBesG wordt bepaald:
"Wanneer een ambtenaar (...) uit hoofde van zijn werkzaamheden in dienst van een internationale of supranationale organisatie een vergoeding ontvangt, wordt zijn salaris gekort. Deze korting bedraagt 1,875 % (2,14 % tot en met 31 december 1991) voor elk volledig jaar in dienst van de internationale of supranationale organisatie; hij behoudt evenwel ten minste 40 % van zijn salaris."
30 In § 56 BeamtVG wordt bepaald:
"Wanneer een gepensioneerd ambtenaar uit hoofde van zijn werkzaamheden in dienst bij een internationale of supranationale organisatie een pensioen ontvangt, wordt zijn Duits pensioen met 2,14 % gekort voor elk volledig jaar in dienst van de internationale of supranationale organisatie (...) Bij de toepassing van de eerste zin wordt de periode waarin de ambtenaar, zonder een ambt bij een internationale of supranationale organisatie uit te oefenen, aldaar recht op een vergoeding of een andere schadeloosstelling heeft en pensioenaanspraken verwerft, behandeld als een periode in dienst van een internationale of supranationale organisatie. Hetzelfde geldt voor de periode na beëindiging van de dienst bij een internationale of supranationale organisatie, wanneer die periode aldaar bij de berekening van het pensioen als diensttijd in aanmerking wordt genomen.
De eerste zin van de eerste alinea is eveneens van toepassing, wanneer de ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar na beëindiging van de dienst bij een internationale of supranationale organisatie in plaats van een pensioen een bedrag ineens als schadeloosstelling of als uitkering uit een pensioenfonds ontvangt (...)"
31 Het Gerecht overwoog, dat de wettigheid van het besluit moet worden beoordeeld, rekening houdend met de elementen die de administratie op de dag waarop zij zich heeft uitgesproken, in aanmerking moest nemen (r.o. 37 van het arrest).
32 Daaruit leidde het af, dat de Commissie bij haar beoordeling niet verplicht was, rekening te houden met de invloed van § 8 BBesG en § 56 BeamtVG, daar deze bepalingen in het geval van requirant niet waren toegepast (r.o. 37 en 40).
33 Ofschoon het salaris van requirant inderdaad niet is gekort op grond van § 8 BBesG en § 56 BeamtG enkel op gepensioneerde ambtenaren van toepassing is, had het Gerecht zijns inziens niettemin met deze bepalingen rekening moeten houden teneinde later, wanneer de nationale administratie de bij wet voorgeschreven vermindering zal hebben toegepast, een geschil te vermijden.
34 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
35 Wanneer de Commissie zich moet uitspreken over een verzoek van een ambtenaar of ander personeelslid, mag zij zich enkel baseren op de ten tijde van het besluit bestaande feitelijke en juridische omstandigheden. Noch het Gerecht in het kader van een beroep tot nietigverklaring, noch het Hof in hogere voorziening is bevoegd om de rechtspositie van een procespartij voor de toekomst te regelen.
36 Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld, dat geen rekening behoefde te worden gehouden met de invloed van de genoemde nationale bepalingen, daar het salaris van requirant op het ogenblik dat de Commissie haar besluit nam, nog niet was gekort.
37 Het onderdeel van het middel betreffende de schending van artikel 4, lid 4, van de verordening, doordat geen rekening is gehouden met § 8 BBesG en § 56 BeamtVG, moet derhalve worden afgewezen.
Verzuim de verordening teleologisch uit te leggen
38 Volgens het Gerecht (r.o. 58 van het arrest) kan de redenering van requirant volgens welke rekening moet worden gehouden met het cumulatief effect van de progressiviteit der belastingen, niet worden aanvaard, daar artikel 4, lid 4, van de verordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de bruto-inkomsten. Anders dan requirant stelt met een beroep op de sterke progressiviteit van het Duitse belastingstelsel, hangt de toepassing van de bepalingen van de verordening noodzakelijkerwijze voor een deel af van de nationale belastingstelsels, wat de onderlinge verschillen ook mogen zijn.
39 Volgens requirant heeft artikel 4 ten doel gemeenschapsambtenaren die de dienst beëindigen maar hun beroepsloopbaan voortzetten, in een financiële positie te brengen die vergelijkbaar is met hun vorige. Het deel van de nationale bezoldiging waarop de compensatie van toepassing is, wordt evenwel in aanmerking genomen bij de bepaling van de belastingschijf, waarvoor een belastingtarief geldt dat niet enkel van toepassing is op de Duitse bezoldiging maar ook op alle andere inkomsten van requirant. Neemt men bovendien in aanmerking dat de Duitse belastingtarieven de hoogste zijn, dan bevindt requirant zich, bij gebreke van enige fiscale compensatie, in een ongunstiger situatie dan voor de beëindiging van zijn dienst als personeelslid van de Gemeenschap.
40 Gelet op hetgeen voorafgaat, zou een niet-teleologische uitlegging van artikel 4 leiden tot ongelijke behandeling van personeelsleden van de Gemeenschap ten gevolge van de verschillen tussen de nationale belastingstelsels. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 16 december 1960 (zaak 6/60, Humblet, Jurispr. 1960, blz. 1167) stelt requirant, dat voor het verschil in behandeling op fiscaal gebied een bedrag moet worden afgetrokken van de bruto-inkomsten in de zin van genoemde bepaling.
41 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
42 Artikel 4, lid 4, tweede alinea, is immers ondubbelzinnig: "Onder de in de eerste alinea bedoelde bruto-inkomsten en de laatste totale brutobezoldiging worden verstaan de bedragen na aftrek van sociale lasten en vóór aftrek van belasting." Daar de gemeenschapswetgever op de hoogte was van de verschillen tussen de nationale belastingstelsels, heeft hij noodzakelijkerwijs aanvaard dat deze verschillen de financiële situatie van de betrokkenen kunnen beïnvloeden.
43 Met betrekking tot het argument van requirant dat het beginsel van gelijke behandeling wordt geschonden, zij opgemerkt dat de situatie van voormalige personeelsleden van de Gemeenschap niet enkel vanuit fiscaal oogpunt dient te worden beoordeeld, maar in haar geheel, rekening houdend met alle voordelen die zij verkrijgen van de Lid-Staat op wiens grondgebied zij hun beroepsactiviteit uitoefenen.
44 Uit het voorgaande volgt, dat de drie onderdelen van het tweede middel tot nietigverklaring moeten worden afgewezen.
Het besluit van 3 mei 1991 waarbij requirant van het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering wordt uitgesloten
Het middel: schending door het Gerecht van artikel 25, tweede alinea, van het Statuut
45 Met betrekking tot het eerste middel inzake het ontbreken van een motivering van het besluit van 3 mei 1991, overwoog het Gerecht, dat het besluit duidelijk vermeldt welke maatregel is getroffen, met ingang van welke datum en op welke rechtsgrondslag (r.o. 66 van het arrest). Wat de gelijkwaardigheid van de prestaties betreft (dat wil zeggen de prestaties uit hoofde van de "Beihilfe"-regeling van het nationale recht en de prestaties uit hoofde van een algemene ziekteverzekering) overwoog het Gerecht, dat het hier niet gaat om de vraag of het besluit met redenen is omkleed dan wel of de motivering voldoende is, maar om een vraag betreffende de juistheid van het besluit (r.o. 67).
46 Volgens requirant is het besluit van 3 mei 1991, dat zich ertoe beperkt artikel 4, lid 6, van de verordening te citeren, ontoereikend gemotiveerd. De vraag of de "Beihilfe"-regeling kan worden aangemerkt als een ziektekostenverzekering op grond van wettelijke bepalingen waarvan de uitkeringen vergelijkbaar zijn met die van een gewone sociale verzekering, was een nieuwe vraag, die in dit besluit zonder enige motivering bevestigend werd beantwoord. Requirant kon daardoor onmogelijk het gegeven antwoord beoordelen en de noodzakelijke middelen kiezen om zich te verdedigen. Ook werd het hem onmogelijk gemaakt, zijn toekomstig gedrag op een zekere rechtssituatie te baseren.
47 Dienaangaande volstaat de opmerking dat het bestreden besluit is gebaseerd op een vergelijking tussen de prestaties van het Duitse stelsel en die van de gewone sociale verzekering, en dat betrokkene geen moeilijkheden heeft ondervonden om na te gaan of deze vergelijking gerechtvaardigd was. Volgens vaste rechtspraak van het Hof verschafte de motivering van het litigieuze besluit de betrokkene dus voldoende gegevens om vast te stellen of het besluit gegrond is en om rechterlijk toezicht mogelijk te maken (arresten van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr. 1984, blz. 2447, r.o. 36, en 13 juli 1989, zaak 108/88, Jaenicke Cendoya, Jurispr. 1989, blz. 2711, r.o. 10).
48 Het eerste middel, betreffende het ontbreken van een motivering van het besluit van 3 mei 1991, moet derhalve worden afgewezen.
Het middel: schending door het Gerecht van artikel 4, lid 6, van de verordening
49 Met betrekking tot het tweede middel ° schending van artikel 4, lid 6, van de verordening ° onderzocht het Gerecht (in r.o. 78-82 van het arrest) in de eerste plaats § 79 Bundesbeamtengesetz en artikel 1, § 1, van het Allgemeine Verwaltungsvorschrift betreffende deze bepaling. Daarbij kwam het tot de conclusie, dat de "Beihilfe" alle kenmerken van een verzekering op grond van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de zin van artikel 4, lid 6, van de verordening vertoont. Het Gerecht overwoog, dat het stelsel op een publiekrechtelijke regeling berust en dat requirant hoe dan ook niet kan stellen, dat de prestaties niet vergelijkbaar zijn met die van een algemeen sociaal-zekerheidsstelsel. De aan Duitse ambtenaren uitgekeerde steun bedraagt 50 % van de voor steun in aanmerking komende uitgaven. Dit percentage bedraagt 70 % wanneer de gerechtigde ten minste twee kinderen ten laste heeft, 70 % voor de echtgenoot en 80 % voor kinderen ten laste. Nu hij twee kinderen ten laste heeft, kan hij zonder enige bijdrage te betalen, aanspraak maken op tegemoetkomingen ten bedrage van 70 % of 80 % van zijn kosten, zoals hij overigens in zijn antwoorden op de schriftelijke vragen van het Gerecht uitdrukkelijk heeft bevestigd.
50 Voorts overwoog het Gerecht, dat de door het Hof in het arrest van 12 december 1989 (zaak C-163/88, Kontogeorgis, Jurispr. 1989, blz. 4189) ontwikkelde beginselen naar analogie van toepassing zijn op het onderhavige geval, waarin soortgelijke bepalingen als in dat arrest aan de orde zijn (r.o. 83-85).
51 Requirant stelt in de eerste plaats, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld, dat de "Beihilfe" alle kenmerken van een verzekering op grond van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de zin van artikel 4, lid 6, van de verordening vertoont. De "Beihilfe" dekt immers slechts 50 % van de kosten, terwijl de gemeenschapsregeling 80 tot 100 % daarvan dekt. Hij erkent, dat hij gelet op zijn gezinssituatie de hoogste door de "Beihilfe" voorziene vergoeding ontvangt, namelijk 80 %. De vergoeding zal evenwel binnenkort tot 50 % dalen wanneer zijn oudste zoon 26 jaar wordt.
52 Vervolgens maakt hij bezwaar tegen de verwijzing door het Gerecht naar het arrest Kontogeorgis, daar de door het Hof in dat arrest ontwikkelde beginselen zijns inziens niet op het onderhavige geval kunnen worden toegepast. Kontogeorgis genoot immers een lage maar volledige dekking, terwijl requirant slechts gedeeltelijk is verzekerd.
53 Dit betoog kan niet worden aanvaard.
54 Artikel 4, lid 6, sluit duidelijk de aansluiting bij het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van voormalige personeelsleden uit, wanneer zij uit hoofde van een andere ziektekostenverzekering op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn verzekerd.
55 In de rechtsoverwegingen 81 en 82 van het arrest merkte het Gerecht trouwens op, dat de "Beihilfe" alle kenmerken van een verzekering op grond van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de zin van artikel 4, lid 6, van de verordening vertoont, daar het een wettelijke regeling betreft die de betrokkenen verzekert op een wijze die vergelijkbaar is met die van een algemeen sociaal-zekerheidsstelsel.
56 Aangaande het argument van requirant, dat voor zijn ziektekosten binnenkort een percentage van 50 % zal gelden, dat lager is dan het tarief van algemene stelsels van ziektekostenverzekering, zij opgemerkt dat de Commissie de rechtssituatie van de betrokkene moet beoordelen op het ogenblik van haar beslissing, en dat het dekkingspercentage van de medische kosten op dat tijdstip hoe dan ook hetzelfde was als het percentage dat gewoonlijk door de stelsels van ziektekostenverzekering op grond van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen wordt gewaarborgd.
57 Tevens moet worden opgemerkt dat, zoals het Hof in het arrest Kontogeorgis overwoog, de gelijkwaardigheid van het stelsel van de Gemeenschappen en het toepasselijke nationale stelsel van sociale zekerheid slechts dient te worden beoordeeld, wanneer de gemeenschapsregeling, in het bijzonder artikel 72, lid 1, van het Statuut, dat voorziet. Dit is ook bepaald in artikel 11 van verordening nr. 422/67/EEG, nr. 5/67/Euratom van de Raad van 25 juli 1967 tot vaststelling van de geldelijke regeling voor de Voorzitter en de leden van de Commissie, de President, de rechters en de griffier van, alsmede de advocaten-generaal bij het Hof van Justitie en de President, de leden en de griffier van het Gerecht van eerste aanleg, en in artikel 12 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 2290/77 van 18 oktober 1977 tot vaststelling van de geldelijke regeling van de leden van de Rekenkamer, in de versie van verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2426/91 van de Raad van 29 juli 1991 (PB 1991, L 222, blz. 1). Anders dan requirant ter terechtzitting stelde, kunnen deze bepalingen evenwel niet aldus worden uitgelegd dat zij een beginsel bevatten dat algemeen van toepassing is op de ambtenaren en overige personeelsleden van de Gemeenschap.
58 Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel van requirant, inzake de onwettigheid van het besluit van 3 mei 1991, moet worden afgewezen.
De schadevergoeding
59 In rechtsoverweging 91 verklaarde het Gerecht, dat nu het beroep tot nietigverklaring van de besluiten van 25 april en 3 mei 1991 in zijn geheel is verworpen, requirant zich niet kan beroepen op een dienstfout waardoor de Europese Gemeenschappen jegens hem niet-contractueel aansprakelijk zouden zijn.
60 Requirant stelt dat het ontbreken van een motivering van de litigieuze besluiten en de daaropvolgende handelwijze van de Commissie, die hem niet de nodige opheldering heeft verstrekt, hem schade hebben berokkend, waarvoor hij vergoeding vordert.
61 Met betrekking tot het middel, dat de Commissie bij het nemen van de besluiten van 25 april en 3 mei 1991 haar motiverings- en informatieplicht heeft geschonden, overwoog het Hof hiervoor reeds, dat het Gerecht de conclusies en middelen tot nietigverklaring van deze besluiten terecht ongegrond heeft verklaard. De Commissie kan derhalve geen enkele dienstfout worden verweten, waardoor de Europese Gemeenschappen niet-contractueel aansprakelijk zouden zijn.
62 Met betrekking tot het middel betreffende de handelwijze van de Commissie na de bedoelde besluiten, stelde het Gerecht in rechtsoverweging 91 van het bestreden arrest vast, dat de gestelde schade, zo deze al vaststaat, geen gevolg is van de handelwijze van de Commissie, maar van de vertraging, door welke oorzaak dan ook, waarmee verzoeker de Commissie in kennis heeft gesteld van zijn nieuwe situatie. Deze vaststelling houdt een beoordeling van de feiten in, waarover het Hof overeenkomstig artikel 51, eerste alinea, van zijn Statuut geen toezicht uitoefent.
63 De twee middelen moeten dan ook worden afgewezen: het eerste is ongegrond, het tweede niet-ontvankelijk.
De kosten van de procedure in eerste aanleg
64 Requirant komt eveneens op tegen het feit dat hij door het Gerecht in de kosten is verwezen. In het bijzonder is hij van mening, dat indien de Commissie haar zorg- en informatieplicht jegens hem was nagekomen, het geding had kunnen worden vermeden, zodat het Gerecht de Commissie overeenkomstig artikel 87, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten had moeten verwijzen.
65 Luidens artikel 51, tweede alinea, van 's Hofs Statuut kan hogere voorziening "niet uitsluitend betrekking hebben op de veroordeling in of het bedrag van de proceskosten".
66 Daar alle andere door requirant aangevoerde middelen zijn afgewezen, moet het middel betreffende de kosten krachtens deze bepaling niet-ontvankelijk worden verklaard.
67 Mitsdien moet de hogere voorziening van requirant in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
68 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven evenwel de kosten, door de instellingen in beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste. Ingevolge artikel 122 van dit Reglement is artikel 70 echter niet van toepassing, indien de hogere voorziening door ambtenaren of andere personeelsleden van de instellingen is ingesteld. Daar requirant in het ongelijk is gesteld, dient hij in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirant in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy