Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Tewerkstelling ° Verandering van tewerkstelling in kader van roulatieprocedure van personeel ° Verschil met voorziening in vacature
(Ambtenarenstatuut, art. 4, 29 en 45)
2. Ambtenaren ° Onderscheid tussen ambt en functie ° Gevolgen
3. Ambtenaren ° Tijdelijke functionarissen ° Aanstelling ° Bezetting van permanent of tijdelijk ambt
(Regeling welke van toepassing is op andere personeelsleden, art. 2, sub a en b, en 9)
Samenvatting
1. Een procedure die binnen een instelling de roulatie van personeel wil verzekeren en op grond waarvan de ambtenaren met hun ambt worden tewerkgesteld, kan niet worden aangemerkt als een procedure om te voorzien in een vacature. Hieruit volgt, dat de bepalingen van de artikelen 4, 29 en 45 van het Statuut niet gelden voor een dergelijke procedure.
Evenmin is het mogelijk om uit de aanstelling van een tijdelijk functionaris in een ambt waaraan de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend, het bestaan van een vast ambt af te leiden.
2. In het stelsel van het communautaire ambtenarenrecht vloeit het bestaan van een ambt voort uit een besluit van de begrotingsautoriteit, terwijl het bestaan van een functie afhangt van het besluit van de bevoegde autoriteit om de diensten van een instelling te organiseren, met als gevolg dat het feit dat na een overplaatsing van personeel een voordien door een ambtenaar beklede functie onbezet blijft, niet betekent dat er een vacant ambt bestaat.
3. Ook al bepaalt artikel 9 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen, dat een tijdelijk functionaris moet worden aangesteld om een vacature van een ambt dat in de begroting is opgenomen, te vervullen, het verbiedt niet, dat in de begroting opgenomen ambten worden verdeeld in vaste en tijdelijke ambten, welke volgens het bepaalde in artikel 2, sub b, respectievelijk sub a, van die Regeling worden voorzien.
Partijen
In zaak C-398/93 P,
L. B. Rasmussen, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Dalheim (Groothertogdom Luxemburg), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
requirant,
betreffende hogere voorziening tegen het op 6 juli 1993 door het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in zaak T-32/92 gewezen arrest tussen L. B. Rasmussen en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, strekkende tot vernietiging van dit arrest alsmede van het besluit van de Commissie om de door verzoeker ten vervolge op kennisgeving betreffende ambt nr. 587 ingediende sollicitatie af te wijzen en om een beroep te doen op externe sollicitaties voor een tijdelijk A 3-ambt,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat te Vicenza, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Diez de Velasco, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: L. Hewlett, administrateur
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij op 6 september 1993 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft L. B. Rasmussen krachtens artikel 49 van het 's Hofs Statuut-EEG en de overeenkomstige bepalingen van het 's Hofs Statuut-EGKS en EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest, op 6 juli 1993 door het Gerecht van eerste aanleg gewezen in zaak T-32/92 tussen Rasmussen en de Commissie (Jurispr. 1993, blz. II-765), voor zover dit arrest zijn beroep, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om zijn sollicitatie naar de functie van hoofd van het voorlichtingsbureau van de Gemeenschap te Lissabon af te wijzen en van het besluit om een beroep te doen op externe sollicitaties voor een tijdelijk A 3-ambt, heeft verworpen.
2 Uit de door het Gerecht in zijn arrest gedane vaststellingen blijkt, dat de Commissie een roulatiesysteem heeft ingevoerd voor het personeel van haar voorlichtingsbureaus in de Lid-Staten. Volgens de op 24 november 1976 ter regeling van dit systeem vastgestelde bepalingen (hierna: "bepalingen van 24 november 1976") worden de ambtenaren in het kader van een algehele doorstroming mét hun in de begroting opgenomen ambt tewerkgesteld.
3 In het kader van dit roulatiesysteem publiceerde de Commissie kennisgeving nr. 587, teneinde te voorzien in de post van hoofd van haar bureau te Lissabon. Rasmussen, ambtenaar van de Commissie in de rang A 5, stelde zich op 28 november 1990 kandidaat voor die functie. Het roulatiecomité concludeerde evenwel, dat geen van de kandidaten aan alle vereiste kwalificaties voldeed. Het tot aanstelling bevoegd gezag besloot de roulatieprocedure af te sluiten en aan het bureau van de Gemeenschap in Portugal een tijdelijk A 3-ambt toe te wijzen. Het startte derhalve de externe aanwervingsprocedure die de Commissie voor tijdelijke functionarissen heeft vastgesteld.
4 Na afwijzing van zijn krachtens artikel 90 van het Statuut ingediende klacht stelde Rasmussen bij verzoekschrift van 30 april 1992 bovengenoemd beroep in bij het Gerecht.
5 Tot staving van zijn beroep voerde Rasmussen twee middelen aan: schending van, respectievelijk, de artikelen 4 en 29 van het Statuut, die bepalen dat in een vacature bij voorrang bij wege van overplaatsing of bevordering moet worden voorzien, en van artikel 45 van het Statuut, dat bepaalt dat de kandidaturen voor bevordering of overplaatsing regelmatig moeten worden vergeleken.
6 Het Gerecht verwierp het beroep op grond dat "de bepalingen van de artikelen 4, 29 en 45 van het Statuut niet van toepassing zijn op de hier in geding zijnde procedure" (r.o. 42 van het bestreden arrest).
7 In zijn hogere voorziening voert Rasmussen één enkel middel aan: schending van de artikelen 4, 29 en 45 van het Statuut door het Gerecht. Het middel valt uiteen in twee onderdelen. Het Gerecht zou die bepalingen hebben geschonden, door te beslissen dat zij niet van toepassing zijn, omdat kennisgeving nr. 587 geschiedde in het kader van het roulatiesysteem en de externe aanwervingsprocedure is afgewikkeld op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: de "Regeling"), terwijl (eerste onderdeel), toen de roulatieprocedure eenmaal was beëindigd, de algemene bepalingen betreffende de aanwerving hadden moeten worden toegepast, en (tweede onderdeel) artikel 9 van de Regeling voor de aanwervingsprocedure geen enkel onderscheid maakt tussen tijdelijke functionarissen, al naar gelang zij een tijdelijk of een vast ambt dienen te bezetten.
Het eerste onderdeel van het middel
8 Het Gerecht oordeelde (r.o. 37 van het arrest), dat aangezien de bij kennisgeving nr. 587 ingeleide procedure tot doel had een ambtenaar te vinden die in het kader van het roulatiesysteem met zijn ambt zou worden tewerkgesteld, het niet kon gaan om het voorzien in een vacature in de zin van de artikelen 4 en 29 van het Statuut. Het stelde voorts vast (r.o. 38), dat aan die conclusie niet werd afgedaan door het feit dat er een functie van hoofd van het bureau te Lissabon bestond, noch door de latere benoeming van een tijdelijk functionaris van de rang A 3 in de betrokken functie.
9 Rasmussen verwijt het Gerecht, dat het de artikelen 4, 29 en 45 van het Statuut niet heeft toegepast. Dienaangaande stelt hij, dat de algemene bepalingen betreffende de aanwerving opnieuw hadden moeten worden toegepast na de beëindiging van de roulatieprocedure. Laatstgenoemde procedure heeft betrekking op de tewerkstelling in een vast ambt. Omdat de functie van hoofd van het bureau te Lissabon zijn inziens het karakter van een vast ambt heeft, had de aanwerving moeten geschieden krachtens de artikelen 4, 29 en 45 van het Statuut.
10 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd, dat de onderhavige procedure een onderdeel vormt van het bij de bepalingen van 24 november 1976 ingevoerde roulatiesysteem, en dat dit systeem is gebaseerd op het beginsel dat de ambtenaar mét zijn ambt wordt tewerkgesteld.
11 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat volgens de rechtspraak van het Hof de formaliteiten, voorzien in de artikelen 4 en 29 van het Statuut, niet gelden voor het geval van herplaatsing (overplaatsing van ambtenaar én ambt), omdat er dan geen vacature ontstaat (arrest van 24 februari 1981, gevoegde zaken 161/80 en 162/80, Carbognani en Coda Zabetta, Jurispr. 1981, blz. 543, r.o. 19). Anders dan requirant stelt, vormt deze roulatieprocedure geen overplaatsing in de zin van het Statuut, ook al is de door de Commissie gebruikte terminologie af en toe onzuiver (zelfde arrest, r.o. 20).
12 Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld, dat het niet kon gaan om het voorzien in een vacant ambt in de zin van de artikelen 4 en 29 van het Statuut, en dat die bepalingen en artikel 45 van het Statuut, dat slechts geldt voor bevorderingen in de zin van die artikelen, dus niet van toepassing waren.
13 Aan die conclusie wordt geenszins afgedaan door het argument van Rasmussen, dat uit het feit dat is overwogen, een ambtenaar in de functie van hoofd van het bureau te Lissabon te werk te stellen, kan worden afgeleid dat er in casu een vast ambt bestaat, en dat na de beëindiging van de roulatieprocedure dus de algemene bepalingen betreffende de aanwerving hadden moeten worden toegepast.
14 In dat verband heeft het Gerecht terecht in de eerste plaats gepreciseerd (r.o. 39 van het arrest), dat "de vraag of er een bepaalde 'functie' , in tegenstelling tot een 'ambt' bestaat, onder de bevoegdheid van de instelling op het gebied van de organisatie van de dienst valt, terwijl de vraag of er een vacant ambt bestaat, wordt bepaald door de vraag, of in een van het totale aantal in de begroting voorziene vaste ambten niet is voorzien".
15 Hieruit volgt, dat, gelijk het Gerecht terecht heeft verklaard (zelfde r.o. van het arrest) "voor zover de begroting niet de functies aangeeft waarover dit totale aantal ambten moet worden verdeeld, kan uit het loutere feit, dat de functie van hoofd van het bureau te Lissabon tijdelijk onbezet is gebleven na de herplaatsing van het vorige hoofd met zijn ambt, niet worden afgeleid dat er te Lissabon een vacant ambt in de zin van het Statuut bestond".
16 Aangaande de latere aanwerving van een tijdelijk functionaris stelde het Gerecht vast (r.o. 40), "dat die tijdelijk functionaris is aangesteld op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen (...) dat wil zeggen teneinde een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend".
17 Hieruit volgt, dat, gelijk het Gerecht heeft verklaard (zelfde r.o.), "het dus niet mogelijk is uit de aanstelling van een tijdelijk functionaris op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling ° in tegenstelling tot een aanstelling op basis van artikel 2, sub b, van de Regeling, dat betrekking heeft op functionarissen die zijn aangesteld om tijdelijk een vast ambt te vervullen ° af te leiden dat er voordien een vast ambt bestond".
18 Aangezien het Gerecht in dit opzicht het recht niet heeft geschonden, moet het eerste onderdeel van het middel worden verworpen.
Het tweede onderdeel van het middel
De ontvankelijkheid
19 Voor zover Rasmussen stelt op te komen tegen het besluit van de Commissie om na de beëindiging van de roulatieprocedure een tijdelijk A 3-ambt toe te wijzen aan het bureau te Lissabon, voert hij volgens de Commissie een nieuw middel aan, dat, aangezien het het voorwerp van het geding voor het Gerecht wijzigt, overeenkomstig artikel 113, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
20 Rasmussen preciseert, dat hij met het tweede onderdeel van zijn middel het Hof vraagt te onderzoeken, of het Gerecht, door tijdelijke functionarissen te onderscheiden al naar gelang zij een vast of een tijdelijk ambt dienen te bezetten, artikel 9 van de Regeling niet heeft geschonden.
21 Dienaangaande zij opgemerkt, dat volgens de rechtspraak van het Hof de hogere voorziening slechts ontvankelijk is voor zover het verzoekschrift erover klaagt, dat het Gerecht uitspraak heeft gedaan onder miskenning van rechtsregels waarvan het de eerbiediging had te verzekeren (arrest van 1 oktober 1991, zaak C-283/90 P, Vidrányi, Jurispr. 1991, blz. I-4339, r.o. 13).
22 Aangezien artikel 9 van de Regeling deel uitmaakt van de rechtsregels waarvan het Gerecht de eerbiediging moet verzekeren, en het verzoekschrift er nu juist over klaagt, dat het Gerecht dit artikel heeft miskend, moet dit onderdeel van het middel ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
23 Volgens artikel 9 van de Regeling "kan de aanstelling van een tijdelijk functionaris alleen strekken tot het voorzien, overeenkomstig de bepalingen van deze titel, in de vacature van een ambt dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft."
24 In casu bestond geen vacature van een vast ambt, aangezien de persoon die de functie van hoofd van het bureau te Lissabon vervulde, gelijk het Gerecht heeft opgemerkt in rechtsoverweging 36 van het bestreden arrest, in het kader van de roulatieprocedure met zijn ambt was overgeplaatst naar Tokyo.
25 Zoals reeds is vastgesteld, konden de artikelen 4, 29 en 45 van het Statuut niet worden toegepast, omdat er geen vacature van een vast ambt in de zin van die bepalingen bestond.
26 Zoals het Gerecht heeft opgemerkt, wordt een tijdelijk functionaris aangesteld om een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend.
27 Die aanwerving kon derhalve enkel op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling geschieden. Door vast te stellen, dat uit de aanstelling van een tijdelijk functionaris op basis van artikel 2, sub a, van de Regeling, in tegenstelling tot het geval waarin een tijdelijk functionaris wordt aangesteld op basis van artikel 2, sub b, van de Regeling, niet kan worden afgeleid dat er voordien een vast ambt bestond, heeft het Gerecht in geen enkel opzicht artikel 9 van de Regeling geschonden. Die bepaling stelt immers alleen, dat een tijdelijk functionaris moet worden aangesteld om een vacature van een ambt, dat in de begroting is opgenomen, te vervullen. Zij verbiedt niet, dat in de begroting opgenomen ambten worden verdeeld in vaste en tijdelijke ambten.
28 Aangezien het Gerecht ter zake het recht niet heeft geschonden, moet het tweede onderdeel van het middel worden verworpen.
29 Gelet op het voorgaande, moet de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering bepaalt, dat in gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste blijven. Overeenkomstig artikel 122 van hetzelfde Reglement geldt die bepaling echter niet, indien de hogere voorziening is ingesteld door een ambtenaar of een ander personeelslid van een instelling. Aangezien requirant in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
rechtdoende:
1) Wijst de hogere voorziening af.
2) Verwijst requirant in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy