Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Invaliditeitsverzekering ° Berekening van uitkeringen ° Wettelijke regeling van Lid-Staat, volgens welke bedrag van uitkering op basis van laatste loon wordt vastgesteld ° Werknemer die bij intreden van arbeidsongeschiktheid is tewerkgesteld in andere Lid-Staat ° Inaanmerkingneming van in staat van tewerkstelling ontvangen laatste loon voor berekening van theoretisch bedrag
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 46, lid 2, sub a)
Samenvatting
Omdat migrerende werknemers geen rechten op sociale-zekerheidsuitkeringen mogen verliezen, noch een vermindering van het uitkeringsbedrag mogen wedervaren doordat zij het hun door het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend, moet artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71, in de gecodificeerde versie van verordening nr. 2001/83, aldus worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de invaliditeitsuitkering volgens de toepasselijke wetgeving van een Lid-Staat afhangt van het loon dat de werknemer ontving op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, en de betrokken werknemer op dat tijdstip niet onderworpen was aan de sociale-zekerheidsregeling van deze staat omdat hij in een andere Lid-Staat werkte, het bevoegde orgaan het theoretische bedrag van de uitkering moet berekenen op basis van het laatste door de werknemer in die andere Lid-Staat ontvangen loon.
Partijen
In zaak C-406/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
A. Reichling
en
Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, M. Diez de Velasco, C. N. Kakouris (rapporteur), F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° A. Reichling, vertegenwoordigd door J. Olivier, advocaat te Neufchâteau,
° het RIZIV, vertegenwoordigd door Y. Magerotte, advocaat te Neufchâteau,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde en Th. Margellos, advocaat te Athene,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 juni 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 13 september 1993, ingekomen bij het Hof op 29 september daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen A. Reichling en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna: "RIZIV") over de berekening door laatstgenoemde van het invaliditeitspensioen van A. Reichling.
3 Alvorens de feiten uiteen te zetten die aan het geding ten grondslag liggen, zij herinnerd aan de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht.
De toepasselijke bepalingen
4 Blijkens het dossier zijn er twee typen wetgevingen op het gebied van invaliditeitsuitkeringen. In een aantal Lid-Staten staat het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen los van de duur van de door de werknemer vervulde verzekeringstijdvakken (regelingen van het zogenoemde type A), in andere is het bedrag van de uitkeringen afhankelijk van de verzekeringstijdvakken (regelingen van het zogenoemde type B).
5 Met het oog op de problemen die voor een migrerend werknemer kunnen ontstaan bij zijn overgang van een wetgeving van het type B naar een wetgeving van het type A, bepaalt artikel 40, lid 1, van verordening nr. 1408/71, dat de bepalingen van titel III, hoofdstuk 3, van de verordening inzake pensioenen bij ouderdom en overlijden, dat wil zeggen de artikelen 44 tot en met 51, van overeenkomstige toepassing zijn op werknemers die invalide worden en achtereenvolgens aan die twee typen wetgeving onderworpen zijn geweest.
6 Artikel 45 bevat het beginsel van samentelling van alle verzekeringstijdvakken voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen.
7 Artikel 46 geeft regels voor de vaststelling van de uitkeringen. In het bijzonder met betrekking tot de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering bepaalt lid 2, sub a, van dit artikel:
"2. Het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige onderworpen is geweest, past de onderstaande regels toe, indien de voor het recht op uitkeringen gestelde voorwaarden slechts met inachtneming van artikel 45 en/of artikel 40, lid 3, zijn vervuld:
a) het orgaan berekent het theoretische bedrag van de uitkering waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering en van wonen welke zijn vervuld krachtens de wettelijke regelingen van de Lid-Staten waaraan de werknemer of de zelfstandige onderworpen is geweest, in de betrokken Staat en krachtens de op de datum van vaststelling van de uitkering door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling zouden zijn vervuld. Indien het bedrag van de uitkering volgens deze wettelijke regeling onafhankelijk is van de duur der tijdvakken die zijn vervuld, wordt dit bedrag beschouwd als het in deze alinea bedoelde theoretische bedrag."
Partijen in het hoofdgeding zijn verdeeld over de uitlegging van de laatste volzin.
Het hoofdgeding
8 Blijkens het dossier oefende Reichling, van Belgische nationaliteit, wonend te Fauvillers (België), als werknemer beroepswerkzaamheden uit achtereenvolgens in België (land met een type A-wetgeving) gedurende een verzekeringstijdvak van 7 569 dagen en in Luxemburg (land met een type B-wetgeving) gedurende een verzekeringstijdvak van 734 dagen. Reichling, die sinds 11 november 1989 wegens ziekte arbeidsongeschikt is, verzocht het RIZIV op 8 november 1990 om toekenning van een invaliditeitspensioen.
9 Bij beschikking van 20 augustus 1991 kende het RIZIV hem met ingang van 11 november 1990 een pro rata dagvergoeding toe van 548,35 BF.
10 Daartoe had het RIZIV overeenkomstig artikel 45 van verordening nr. 1408/71 alle verzekeringstijdvakken samengeteld die Reichling in België en Luxemburg had vervuld.
11 Voor de berekening van het bedrag van de invaliditeitsuitkering verwees het RIZIV naar de artikelen 28, lid 1, en 27, lid 2, van het Belgische koninklijk besluit van 31 december 1963 betreffende de betaling van die uitkeringen.
12 Naar Belgisch recht wordt het bedrag van de uitkering los van de duur van de verzekeringstijdvakken berekend op basis van het laatste loon vóórdat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet. Aangezien Reichling, toen hij arbeidsongeschikt werd, in Luxemburg werkte en geen loon in België ontving, paste het RIZIV voor de berekening van het theoretische bedrag van het pensioen artikel 28, § 1, van voormeld koninklijk besluit toe, dat luidt:
"Wanneer de gerechtigde bij de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid sedert meer dan veertien dagen niet meer onder de regeling van de Belgische verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering staat, is het loon dat als basis dient voor de berekening van de invaliditeitsuitkering die krachtens een internationaal verdrag of een internationale verordening inzake sociale zekerheid, geheel of gedeeltelijk ten laste van die regeling komt, het in artikel 27, § 2, bedoelde loon."
13 Artikel 27, § 2, van hetzelfde besluit luidt:
"Voor de gerechtigde die bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid niet aan de in de artikelen 22 tot en met 27, § 1, gestelde voorwaarden voldoet, is het gederfde loon gelijk aan het minimumloon dat voor een bediende van categorie I is vastgesteld door het aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden, rekening houdend met de leeftijd van de gerechtigde op de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid."
14 Aangezien het aldus berekende bedrag lager was dan dat waarop Reichling recht had gehad indien zijn laatste loon in Luxemburg als grondslag voor de berekening van het theoretische bedrag had gediend, bestreed hij de beslissing van het RIZIV voor de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau. Hij betoogde met name, dat de beslissing van het RIZIV in strijd was met het gemeenschapsrecht, omdat hij voor de berekening van het theoretische bedrag van zijn invaliditeitspensioen werd behandeld als een werknemer zonder loon, terwijl hij op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, een loon ontving in Luxemburg.
15 Onder deze omstandigheden heeft de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Moet artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, van verordening nr. 1408/71 van 14 juni 1971 aldus worden uitgelegd, dat het bedrag van de uitkering noodzakelijk en alleen het bedrag is waarop de betrokkene aanspraak zou kunnen maken indien alle tijdvakken van verzekering vervuld waren in de betrokken Lid-Staat en krachtens de wettelijke regeling die van toepassing is op de datum van vaststelling van de uitkering, zodat het bevoegde orgaan geen onderbreking van de onderwerping aan het sociale-zekerheidsstelsel van de betrokken staat kan aanvoeren om het bedrag van de uitkering vast te stellen zonder rekening te houden met het laatste door de werknemer ontvangen loon, dat wil zeggen op andere wijze dan geldt in het geval van werknemers die in de betrokken staat wegens ziekte ophouden met werken?"
16 Blijkens het dossier is tijdens de procedure in het hoofdgeding verordening nr. 1408/71 op enkele punten gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1248/92 van de Raad van 30 april 1992 (PB 1992, L 136, blz. 7). Bij deze verordening werden onder meer, met werking vanaf 1 juni 1992, de punten 9 en 10 toegevoegd aan het België betreffende onderdeel van bijlage VI bij verordening nr. 1408/71. Volgens die punten moet het Belgische orgaan in een situatie zoals die waarom het in het hoofdgeding gaat, het loon dat de werknemer in een andere Lid-Staat dan België ontving op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich voordeed, als basis nemen voor de berekening van het theoretische bedrag. Na die wijziging heeft het RIZIV, rekening houdend met het door Reichling in Luxemburg ontvangen loon, zijn uitkering herberekend met ingang van 1 juni 1992 (datum van inwerkingtreding van de wijzigingsverordening). Het hoofdgeding betreft dus enkel de periode vóór die datum, dat wil zeggen de periode van 11 november 1990 tot 31 mei 1992.
De prejudiciële vraag
17 De door de nationale rechter gestelde vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de invaliditeitsuitkering krachtens de toepasselijke wetgeving van een Lid-Staat afhankelijk is van het loon dat een werknemer ontving op het tijdstip waarop hij invalide werd, en hij op dat tijdstip niet onderworpen was aan de sociale-zekerheidsregeling van deze staat, omdat hij in een andere Lid-Staat werkte, het bevoegde orgaan het theoretische bedrag van de uitkering dan moet berekenen op basis van het laatste loon dat de werknemer in die andere Lid-Staat ontving.
18 Reichling en de Commissie merken op, dat artikel 46 van verordening nr. 1408/71 de toepassing beoogt van de beginselen van artikel 51 EEG-Verdrag. Volgens deze bepaling worden de door een werknemer vervulde verzekeringstijdvakken niet alleen samengeteld voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, maar ook voor de berekening ervan.
19 Aangezien het theoretische bedrag volgens artikel 46, lid 2, sub a, van de verordening de uitkering is die de werknemer zou hebben gekregen indien hij alle verzekeringstijdvakken in één enkele Lid-Staat had vervuld, moet dit bedrag volgens Reichling en de Commissie worden berekend door de verzekeringssituatie van de migrerend werknemer in een andere Lid-Staat fictief te transponeren, ook wanneer de toepasselijke wetgeving, zoals de Belgische, van het type A is. Anders zou de werknemer die gebruik heeft gemaakt van het hem door het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer, worden benadeeld, omdat hij dan een lagere invaliditeitsuitkering zou ontvangen dan wanneer hij steeds aan de Belgische wetgeving onderworpen was geweest.
20 Het RIZIV erkent, dat het beginsel van samentelling van verzekeringstijdvakken ingevolge verordening nr. 1408/71 van belang is voor het verkrijgen van het recht op uitkeringen (artikel 45) en voor de berekening van het werkelijke (geproratiseerde) bedrag van de uitkering, wanneer het recht van de werknemer door samentelling ontstaat. De duur van de door de werknemer vervulde verzekeringstijdvakken zou echter niet van belang zijn voor de bepaling van het in artikel 46, lid 2, sub a, bedoelde theoretische bedrag, wanneer het bedrag van de uitkering krachtens de toepasselijke wetgeving afhangt van het laatste loon van de werknemer, zoals volgens de Belgische wetgeving het geval is. Indien de werknemer op het tijdstip waarop hij invalide wordt, geen loon in België ontvangt, zou het bevoegde orgaan ingevolge artikel 46, lid 2, sub a, het theoretische bedrag van de uitkering dus niet mogen berekenen op basis van het laatste door de werknemer in een andere Lid-Staat ontvangen loon. Anders zou artikel 46, lid 2, sub a, laatste volzin, geen zin hebben.
21 Er zij op gewezen, dat artikel 46 van verordening nr. 1408/71, zoals overigens alle bepalingen van deze verordening, moet worden uitgelegd in het licht van artikel 51 EG-Verdrag.
22 Laatstgenoemde bepaling beoogt het vrije verkeer van werknemers te vergemakkelijken door migrerende werknemers en hun rechthebbenden te garanderen, "dat met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen".
23 Verordening nr. 1408/71 heeft overigens hetzelfde oogmerk, zoals blijkt uit de zesde overweging van de considerans (PB 1971, L 149, blz. 2), die in overeenkomstige bewoordingen als artikel 51 van het Verdrag is gesteld.
24 Dit oogmerk impliceert, dat migrerende werknemers geen rechten op sociale-zekerheidsuitkeringen mogen verliezen, noch het bedrag ervan verminderd mogen zien doordat zij het hun door het Verdrag toegekende recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend.
25 Deze situatie nu kan zich voordoen in een geval zoals het onderhavige. Immers, had Reichling steeds in België gewerkt en daar al zijn verzekeringstijdvakken vervuld, dan had hij daar loon ontvangen en zou hij dus niet als een werknemer zonder loon worden beschouwd. Hij zou derhalve recht hebben gehad op een hoger invaliditeitspensioen dan wat hem nu is toegekend.
26 Toen hij arbeidsongeschikt werd, ontving Reichling geen loon in België, maar wel in een andere Lid-Staat. Ingevolge artikel 46, lid 2, sub a, uitgelegd in het licht van het in rechtsoverweging 24 supra gememoreerde oogmerk, had het bevoegde Belgische orgaan rekening moeten houden met dat loon als ware het in België verkregen, omdat de migrerend werknemer geen vermindering mag wedervaren van het uitkeringsbedrag dat hij als niet-migrerend werknemer zou hebben ontvangen.
27 De laatste volzin van deze bepaling kan aan deze uitlegging niet afdoen. Hij betreft immers enkel het probleem van de invloed die de duur van de vervulde tijdvakken van verzekering en wonen heeft op het bedrag van de uitkering.
28 Uitgelegd in het licht van artikel 51 EG-Verdrag en van de doelstellingen van verordening nr. 1408/71, verlangt bijgevolg artikel 46, lid 2, sub a, van deze verordening in een situatie als de onderhavige, dat voor de berekening van het theoretische bedrag van de uitkering rekening wordt gehouden met het loon dat de werknemer op het tijdstip dat hij arbeidsongeschikt werd, ontving in een andere Lid-Staat dan die krachtens de wetgeving waarvan het theoretische bedrag wordt berekend.
29 Deze uitlegging van artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 wordt bevestigd door de België betreffende bepaling die bij verordening nr. 1248/92 in bijlage VI bij verordening nr. 1408/71 is opgenomen (zie r.o. 16 supra). Anders dan betoogd door het RIZIV, dat in deze bepaling een wijziging van de bestaande regeling ziet en daar een argument a contrario aan ontleent, is door verordening nr. 1248/92 die regeling in werkelijkheid enkel verduidelijkt, zoals blijkt uit het feit dat de considerans van deze verordening geen enkele toelichting bij de nieuwe bepaling bevat.
30 Ten slotte zij opgemerkt, dat in het arrest van 28 februari 1980 (zaak 67/79, Fellinger, Jurispr. 1980, blz. 535) een overeenkomstige uitlegging is gegeven voor de berekening van de werkloosheidsuitkering van een grensarbeider.
31 In dat arrest verklaarde het Hof immers voor recht, dat artikel 68, lid 1, van verordening nr. 1408/71, in het licht van artikel 51 van het Verdrag en van de doelstellingen die daarmee worden nagestreefd, aldus moet worden uitgelegd, dat in het geval van een volledig werkloze grensarbeider het bevoegde orgaan van de Lid-Staat van woonplaats, waarvan de wettelijke regeling bepaalt dat voor de berekening van de uitkering wordt uitgegaan van het vroegere loon, hierbij het loon in aanmerking moet nemen dat de werknemer heeft ontvangen voor de laatste werkzaamheden die hij heeft verricht in de Lid-Staat waar hij vóór zijn werkloosheid laatstelijk werkzaam was.
32 Gelet op het voorgaande, moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 46, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de invaliditeitsuitkering volgens de toepasselijke wetgeving van een Lid-Staat afhangt van het loon dat de werknemer ontving op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, en de betrokken werknemer op dat tijdstip niet onderworpen was aan de sociale-zekerheidsregeling van deze staat omdat hij in een andere Lid-Staat werkte, het bevoegde orgaan het theoretische bedrag van de uitkering dient te berekenen op basis van het laatste door de werknemer in die andere Lid-Staat ontvangen loon.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
33 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Neufchâteau bij vonnis van 13 september 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 46, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer het bedrag van de invaliditeitsuitkering volgens de toepasselijke wetgeving van een Lid-Staat afhangt van het loon dat de werknemer ontving op het tijdstip waarop hij arbeidsongeschikt werd, en de betrokken werknemer op dat tijdstip niet onderworpen was aan de sociale-zekerheidsregeling van deze staat omdat hij in een andere Lid-Staat werkte, het bevoegde orgaan het theoretische bedrag van de uitkering moet berekenen op basis van het laatste door de werknemer in die andere Lid-Staat ontvangen loon.
Full & Egal Universal Law Academy