Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Prejudiciële vragen ° Voorlegging aan Hof ° Niet-uitputting van bevoegdheid van nationale rechter ° Geen beletsel voor vaststelling door nationale rechter van beëindiging van zaak na berusting van een partij in hoofdgeding in vorderingen van andere partij ° Bevoegdheid van Hof ondergeschikt aan vaststelling, door nationale rechter, dat op grond van nationaal recht berusting geen gevolg heeft
(EG-Verdrag, art. 177)
Samenvatting
Wat artikel 177 van het Verdrag betreft, is het niet gerechtvaardigd, dat een nationale rechter die een prejudiciële vraag heeft gesteld, weigert de berusting van een partij in de vorderingen van de andere partij te aanvaarden, de beëindiging van de zaak vast te stellen en de prejudiciële vraag in te trekken, voor zover de weigering wordt gemotiveerd door de omstandigheid dat de zaak niet meer bij deze rechter aanhangig is, maar naar het Hof is verwezen, en dat de gestelde vraag een belang heeft dat verder gaat dan hetgeen tussen partijen in geschil is, voor zover de door het Hof gegeven uitlegging een algemene strekking zou hebben.
Immers, de zaak blijft aanhangig bij de nationale rechter die een prejudiciële vraag aan het Hof heeft gesteld. De procedure voor hem wordt geschorst totdat het Hof uitspraak over de prejudiciële vraag heeft gedaan, maar de zaak zelf blijft aanhangig bij de nationale rechter. De reden voor de prejudiciële verwijzing en bijgevolg voor de bevoegdheid van het Hof is niet het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar de behoefte aan de werkelijke beslechting van een geschil.
Derhalve staat het gemeenschapsrecht niet eraan in de weg, dat de rechter waarvan de verwijzing afkomstig is, op grond van zijn nationaal recht een berusting aanvaardt en in voorkomend geval vaststelt dat als gevolg daarvan het hoofdgeding is beëindigd. Zolang de verwijzende rechter niet heeft vastgesteld, dat krachtens zijn nationaal recht de berusting niet een dergelijke beëindiging heeft teweeggebracht, is het Hof niet bevoegd uitspraak te doen over de prejudiciële vraag.
Partijen
In de gevoegde zaken C-422/93, C-423/93 en C-424/93,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
T. Zabala Erasun
en
Instituto Nacional de Empleo,
tussen
E. Encabo Terrazos
en
Instituto Nacional de Empleo,
en tussen
F. Casquero Carrillo
en
Instituto Nacional de Empleo,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 4, leden 1, sub g, en 2, en de artikelen 5 en 97 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: P. J. G. Kapteyn, kamerpresident, C. N. Kakouris (rapporteur) en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey, lid van haar juridische dienst, en J. Juste Ruiz, ambtenaar ter beschikking gesteld van de juridische dienst van de Commissie in het kader van de regeling van gedetacheerde nationale ambtenaren, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Spaanse regering, vertegenwoordigd door G. Calvo Díaz, abogado del Estado, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey en J. Juste Ruiz, ter terechtzitting van 12 januari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij drie beschikkingen, de eerste twee van 1 juni 1993 en de derde van 22 juni 1993, binnengekomen ten Hove op 15 oktober daaraanvolgend, heeft het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4, leden 1, sub g, en 2, en de artikelen 5 en 97 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gecodificeerde versie van verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6).
2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van gedingen tussen T. Zabala Erasun, E. Encabo Terrazos en F. Casquero Carrillo ( hierna: "verzoekers") enerzijds en het Instituto Nacional de Empleo (hierna: "INEM") anderzijds, ter zake van de weigering van het INEM om hun de door hen aangevraagde bijstand bij werkloosheid toe te kennen.
3 De Spaanse Ley de Protección por Desempleo nr. 31/84 van 2 augustus 1984 (wet inzake bescherming ingeval van werkloosheid, BOE nr. 186 van 4.8.1984, blz. 4009, hierna: "wet nr. 31/84") bevat in titel I bepalingen betreffende werkloosheidsuitkeringen die op premie- of bijdragebetaling berusten, en in titel II bepalingen betreffende bijstandsuitkeringen.
4 Verzoekers in het hoofdgeding, van Spaanse nationaliteit, waren gedurende verschillende tijdvakken werkzaam in het grensgebied in Frankrijk, vlak tegen de Spaanse provincie Guipúzcoa aan, waar zij wonen.
5 Nadat zij werkloos waren geworden, vroegen zij bij het INEM de in titel I van wet nr. 31/84 bedoelde, op premie- of bijdragebetaling berustende werkloosheidsuitkeringen aan, die zij ook verkregen.
6 Na het verstrijken van de periode gedurende welke zij recht hadden op deze prestaties, vroegen zij bij het INEM de bijstand bij werkloosheid aan, als bedoeld in titel II van dezelfde wet, doch deze aanvragen werden afgewezen.
7 Daarna kwamen zij tegen deze afwijzing op bij de Juzgado de lo Social de Guipúzcoa. Hun vorderingen werden afgewezen bij vonnissen van 8 oktober 1990, 21 november 1990 en 14 mei 1991, op grond dat in de verklaring als bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 1408/71, die het Koninkrijk Spanje aan de voorzitter van de Raad van de Europese Gemeenschappen had gericht (PB 1987, C 107, blz. 1), uitsluitend de op premie- of bijdragebetaling berustende werkloosheidsuitkeringen die waren voorzien in titel I van wet nr. 31/84, en niet de in titel II van die wet voorziene bijstand bij werkloosheid werden genoemd.
8 De betrokkenen gingen van deze vonnissen in hoger beroep bij het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco (Spanje), dat heeft besloten de behandeling van de drie zaken te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
"1) Is de door het Koninkrijk Spanje aan de voorzitter van de Raad van de Europese Gemeenschappen gerichte en in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 22 april 1987 bekendgemaakte kennisgeving een rechtsnorm waarvan de uitleggingsmoeilijkheden niet door de gewone nationale rechter moeten worden opgelost?
2) Zo ja, moet de uitsluiting die in deze kennisgeving vervat ligt, doordat in de verklaring niets wordt gezegd over de in de Spaanse wetgeving voorziene bijstand bij werkloosheid, als rechtsgeldig worden beschouwd?
3) Moet, indien deze uitlegging niet mogelijk is, op dit verzuim als sanctie worden gesteld, dat hoewel de kennisgeving van de Spaanse Staat deze vorm van sociale bescherming niet noemt, deze daarin impliciet wordt opgenomen en wordt toegevoegd aan de overige uitdrukkelijk vermelde beschermingsmaatregelen?
4) Indien beide hiervoor gegeven uitleggingen zijn uitgesloten: heeft het stilzwijgen in de kennisgeving van het Koninkrijk Spanje niet de bedoeling om de bijstand bij werkloosheid definitief uit te sluiten, doch om het moment waarop deze onder de regeling wordt gebracht, tot een later, nog te bepalen tijdstip uit te stellen?"
9 Nadat het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco deze vragen aan het Hof had voorgelegd, werden de gevorderde prestaties aan de betrokkenen uitbetaald en gaf het Koninkrijk Spanje overeenkomstig de artikelen 5 en 97 van verordening nr. 1408/71 kennis van een verklaring krachtens welke de bijstand bij werkloosheid onder de materiële werkingssfeer van de verordening valt (PB 1993, C 321, blz. 2). Daarop verzocht het INEM het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco de voorgelegde vragen in te trekken.
10 Nadat het Hof op 30 maart 1994 door het Koninkrijk Spanje ervan in kennis was gesteld, dat het ernaar uitzag dat in de zaak voor de verwijzende rechter afstand van instantie zou worden gedaan, vroeg het deze rechter of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde.
11 De verwijzende rechter antwoordde, dat hij zijn vragen handhaafde. Dit antwoord ging vergezeld van drie beschikkingen van 19 mei 1994, waarin onder meer de handhaving van de prejudiciële vragen werd gemotiveerd.
12 In de motivering van deze beschikkingen wordt een prealabele vraag over de bevoegdheid van het Hof gesteld. Deze vraag dient te worden beantwoord alvorens op de prejudiciële vragen wordt ingegaan.
13 Volgens de rechtspraak van het Hof (zie arrest van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 6), mag het Hof ingevolge artikel 177 van het Verdrag, waarin het beginsel der onderlinge onafhankelijkheid van de nationale en communautaire rechter is neergelegd, zich niet uitspreken over de overwegingen, welke tot het verzoek om interpretatie hebben geleid.
14 Het staat immers bij uitsluiting aan de aangezochte nationale rechter, die de verantwoordelijkheid draagt voor het te wijzen vonnis, om, rekening houdend met de bijzonderheden van elk geval, te beoordelen of een prejudiciële beslissing noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, en of de aan het Hof gestelde vragen relevant zijn (zie bij voorbeeld arrest van 18 juni 1991, zaak C-369/89, Piageme e.a., Jurispr. 1991, blz. I-2971, r.o. 10).
15 Wanneer evenwel de nationale rechter gebruik maakt van deze beoordelingsbevoegdheid, vervult hij in samenwerking met het Hof van Justitie een taak die hun gezamenlijk is opgedragen om de eerbiediging van het recht bij de toepassing en de uitlegging van het Verdrag te waarborgen. Mitsdien vallen de problemen die uit de uitoefening door de nationale rechter van zijn beoordelingsbevoegdheid kunnen rijzen en de betrekkingen die hij in het kader van artikel 177 met het Hof onderhoudt, uitsluitend onder de regels van het gemeenschapsrecht (zie arrest van 16 december 1981, zaak 244/80, Foglia, Jurispr. 1981, blz. 3045, r.o. 16).
16 Hoewel het Hof in zeer ruime mate moet kunnen afgaan op de beoordeling van de nationale rechter omtrent de noodzaak van de aan het Hof gestelde vragen, moet het toch in staat worden gesteld zelf alle elementen te beoordelen die verband houden met de vervulling van zijn eigen taak, met name om, zoals iedere rechterlijke instantie gehouden is te doen, zijn eigen bevoegdheid te toetsen (voornoemd arrest, r.o. 19).
17 Voorts heeft volgens de opzet van artikel 177 weliswaar de nationale rechter te beoordelen of, gelet op de omstandigheden, feitelijk en rechtens, die kenmerkend zijn voor het bodemgeschil, een oplossing van de gerezen uitleggingsvragen noodzakelijk is, doch staat het niettemin aan het Hof om, ter toetsing van zijn eigen bevoegdheid, zo nodig een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd (voornoemd arrest, r.o. 21).
18 In de zaken in de hoofdgedingen hebben de beschikkingen van 19 mei 1994 betrekking op twee punten.
19 Het eerste is een verzoek van het INEM, geïntimeerde, om de gewijzigde verklaring waarvan het Koninkrijk Spanje overeenkomstig de artikelen 5 en 97 van verordening nr. 1408/71 heeft kennisgegeven en op grond waarvan de litigieuze prestaties onder de materiële werkingssfeer van deze verordening vallen, aan het dossier toe te voegen.
20 Ter terechtzitting heeft de Spaanse regering bevestigd, dat deze wijziging van de verklaring terugwerkende kracht heeft. Voor zover het verzoek om uitlegging betrekking heeft op het feit dat het Koninkrijk Spanje in zijn voorgaande verklaring had verzuimd, de litigieuze prestaties te vermelden, zou het dus zonder voorwerp zijn.
21 In zijn beschikkingen erkent de verwijzende rechter voornoemde gewijzigde verklaring van het Koninkrijk Spanje en voegt hij deze bij de dossiers, maar hij leidt daaruit niet af, dat het geding heeft opgehouden te bestaan.
22 Het tweede punt heeft betrekking op een verklaring van het INEM dat het berust in de vorderingen in het beroep, waarmee het de deugdelijkheid van de aanspraken van appellanten erkent en inwilligt. Deze berusting roept de vraag op, of het geding is beëindigd, hetgeen zou inhouden dat de verwijzende rechter de prejudiciële vragen intrekt.
23 In zijn beschikkingen aanvaardt de verwijzende rechter de berusting van het INEM in de vorderingen van de appellanten niet. Hij voert hiervoor twee redenen aan.
24 In de eerste plaats zou een berusting slechts kunnen worden aanvaard, indien de rechterlijke instantie in staat is, geldig uitspraak te doen over de litigieuze rechtssituatie. De verwijzende rechter zou evenwel "niet meer bevoegd zijn om, althans voor het ogenblik, een uitspraak te doen wegens het effect van de prejudiciële verwijzing, bedoeld in artikel 177, lid 2, van het Verdrag van Rome".
25 In de tweede plaats zou een berusting slechts kunnen worden aanvaard, indien de berustende partij kan beschikken over het subjectieve recht of het gewettigd belang dat werkelijk wordt beschermd. Dit belang zou dus niet zo aanzienlijk mogen zijn, dat daaraan niet via een berusting kan worden voldaan. Volgens de verwijzende rechter staat vast, dat het betwiste belang ° dat onlosmakelijk met het onderzoek van de prejudiciële vraag is verbonden ° buiten het kader van het geschil tussen partijen valt en het specifieke belang van de situatie die in de zaak in het hoofdgeding aan de orde is, te boven gaat. De verwijzing naar het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft betrekking op punten die de toepassing van de artikelen 3, lid 1, 4, leden 1 en 2, 5 en 97 van verordening nr. 1408/71 betreffen. Met deze verwijzing wordt beoogd, dat het Hof de draagwijdte van deze bepalingen van afgeleid gemeenschapsrecht afbakent en een aanvulling of verduidelijking geeft, die vervolgens een onderdeel van de inhoud van deze bepalingen wordt.
26 Met andere woorden, de verwijzende rechter zou niet de berusting kunnen aanvaarden, de beëindiging van de zaak vaststellen en de prejudiciële vragen intrekken, in de eerste plaats omdat de zaak niet meer bij hem aanhangig is maar naar het Hof is verwezen, en vervolgens omdat de vragen een belang hebben dat verder gaat dan hetgeen tussen partijen in geschil is, voor zover de door het Hof gegeven uitlegging een algemene strekking zou hebben.
27 Opgemerkt zij, dat ten aanzien van de twee punten van deze motivering niet het nationale recht geldt, maar artikel 177 van het Verdrag moet worden uitgelegd, waarvan de bepalingen voor de nationale rechter dwingend recht zijn (zie arrest van 16 januari 1974, zaak 166/73, Rheinmuehlen, Jurispr. 1974, blz. 33, r.o. 3).
28 Wat het eerste punt betreft, blijkt uit zowel de tekst als de systematiek van artikel 177 van het Verdrag en artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG, dat de nationale rechterlijke instanties enkel bevoegd zijn het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken, indien bij hen een geding aanhangig is (zie arrest van 21 april 1988, zaak 338/85, Pardini, Jurispr. 1988, blz. 2041, r.o. 11). Ingeval van een prejudiciële verwijzing wordt enkel een verzoek om uitlegging of een verzoek om beoordeling van de geldigheid tot het Hof gericht, doch wordt de zaak zelf niet overgedragen. Derhalve blijft de zaak aanhangig bij de nationale rechter en wordt enkel de procedure voor deze rechterlijke instantie geschorst totdat het Hof uitspraak over de prejudiciële vraag heeft gedaan.
29 Ten aanzien van het tweede punt van de motivering zij opgemerkt, dat de reden voor de prejudiciële verwijzing en bijgevolg voor de bevoegdheid van het Hof niet is het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken (zie arrest Foglia, reeds aangehaald, r.o. 18), maar de behoefte aan de werkelijke beslechting van een geschil.
30 Derhalve staat het gemeenschapsrecht niet eraan in de weg, dat de verwijzende rechter op grond van zijn nationaal recht een berusting in de vorderingen van de appellanten aanvaardt en in voorkomend geval vaststelt dat als gevolg daarvan de hoofdgedingen zijn beëindigd. Zolang de verwijzende rechter niet heeft vastgesteld, dat krachtens zijn nationaal recht de berusting niet een dergelijke beëindiging heeft teweeggebracht, is het Hof niet bevoegd uitspraak te doen over de prejudiciële vragen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
31 De kosten door de Spaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Superior de Justicia de la Comunidad Autónoma del País Vasco bij beschikkingen van 1 en 22 juni 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht staat niet eraan in de weg, dat de verwijzende rechter op grond van zijn nationaal recht een berusting in de vorderingen van de appellanten aanvaardt en in voorkomend geval vaststelt dat de hoofdgedingen zijn beëindigd. Zolang de verwijzende rechter niet heeft vastgesteld, dat krachtens zijn nationaal recht de berusting niet een dergelijke beëindiging heeft teweeggebracht, is het Hof niet bevoegd uitspraak te doen over de prejudiciële vragen.
Full & Egal Universal Law Academy