Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen ° Vrijheid van vestiging ° Vennootschappen ° Richtlijn 77/91 ° Werkingssfeer ° Naamloze bankvennootschappen daaronder begrepen ° Nationale regeling die voorziet in verhoging van kapitaal van in financiële moeilijkheden verkerende bankvennootschap bij bestuurshandeling ° Ontoelaatbaarheid ° Ongedaanmaking van door richtlijn aan aandeelhouders verleende rechten door beroep op nationale regel die rechtsmisbruik verbiedt ° Ontoelaatbaarheid ° Verplichting om houders van op naam gestelde aandelen schriftelijk van kapitaalverhoging in kennis te stellen ° Informatie beperkt tot bekendmaking van uitgifte in dagbladen ° Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 77/91 van de Raad, art. 25 en 29)
Samenvatting
De Tweede richtlijn (77/91) strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, en in het bijzonder de artikelen 25 en 29 daarvan, moet aldus worden uitgelegd, dat zij van toepassing zijn op naamloze bankvennootschappen. Het door de gemeenschapswetgever gehanteerde criterium voor de bepaling van de werkingssfeer van de Tweede richtlijn is namelijk de rechtsvorm van de vennootschap, ongeacht haar activiteit.
Artikel 25 van de richtlijn, volgens hetwelk elke kapitaalverhoging plaatsvindt krachtens een besluit van de algemene vergadering, staat in de weg aan een nationale regeling die bepaalt dat het kapitaal van een naamloze bankvennootschap die wegens haar schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeert, kan worden verhoogd bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering. De richtlijn staat weliswaar niet in de weg aan maatregelen van gedwongen executie die gericht zijn op het verdwijnen van de vennootschap, en inzonderheid niet aan een liquidatieregeling waardoor de vennootschap, in het belang van de bescherming van de rechten van de schuldeisers, onder bewind wordt geplaatst, doch zij blijft wel van toepassing bij een eenvoudige saneringsmaatregel die dient te verzekeren dat de vennootschap overleeft, ook al betekent deze regeling dat de aandeelhouders en de normale organen van de vennootschap tijdelijk van hun rechten zijn ontheven.
Daar de toepassing van een nationale rechtsregel, zoals een regel die rechtsmisbruik verbiedt, geen afbreuk kan doen aan de volle werking en de eenvormige toepassing van de gemeenschapsbepalingen in de Lid-Staten, kan het beroep van een aandeelhouder op artikel 25 niet zonder de strekking van deze bepaling te wijzigen, als misbruik van recht worden aangemerkt op de enkele grond dat hij minderheidsaandeelhouder is van een vennootschap die onder een saneringsregeling valt, of dat de sanering van de vennootschap hem ten goede is gekomen.
In geval van een kapitaalverhoging vormt de bekendmaking van de uitgifte in dagbladen niet een bij artikel 29, lid 3, derde zin, van de richtlijn vereiste schriftelijke inkennisstelling van de houders van op naam gestelde aandelen, indien de nationale wettelijke regeling niet voorziet in de bekendmaking in het daartoe aangewezen nationaal publikatieblad.
Partijen
In zaak C-441/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Polymeles Protodikeio Athinon, in de aldaar aanhangige gedingen tussen
P. Pafitis e.a.,
in aanwezigheid van
Investment and Shipping Enterprises Est e.a.,
en
Trapeza Kentrikis Ellados AE e.a.,
in aanwezigheid van
Trapeza tis Ellados AE e.a.,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 25 en volgende en 29 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, waarnemend voor de president, D. A. O. Edward en G. Hirsch, kamerpresidenten, G. F. Mancini, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, P. J. G. Kapteyn (rapporteur), C. Gulmann, J. L. Murray, H. Ragnemalm en L. Sevón, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. von Holstein, adjunct-griffier
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° P. Pafitis e.a., vertegenwoordigd door S. Koukouli-Spiliotopoulou, I. Stamoulis, F. Doukaris en G. Kampitsis, advocaten te Athene,
° Investment and Shipping Enterprises Est e.a., vertegenwoordigd door N. Skandamis, G. Kampitsis, I. Stamoulis en F. Doukaris, advocaten te Athene,
° Trapeza Kentrikis Ellados AE e.a., vertegenwoordigd door M. Bachas, F. Chatzis, A. Markopoulos en K. Mavrias, advocaten te Athene,
° Trapeza tis Ellados e.a., vertegenwoordigd door I. Soufleros en M. Armaos, advocaten te Athene, en V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigde,
° de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Kontolaimos, adjunct-juridisch adviseur bij de juridische dienst van de staat, als gemachtigde,
° de Portugese regering, vertegenwoordigd door J. Santos, adviseur bij de afdeling juridische zaken van de Bank van Portugal, en L. Fernandes, directeur van de juridische dienst van het directoraat-generaal Communautaire aangelegenheden van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Caeiro en D. Gouloussis, juridisch adviseurs, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van P. Pafitis e.a., vertegenwoordigd door S. Koukouli-Spiliotopoulou, I. Stamoulis en F. Doukaris, Investment and Shipping Enterprises Est e.a., vertegenwoordigd door F. Doukaris, Trapeza Kentrikis Ellados AE e.a., vertegenwoordigd door M. Bachas, K. Mavrias en K. Ioannou, advocaat te Athene, Trapeza tis Ellados e.a., vertegenwoordigd door I. Soufleros en V. Kontolaimos, de Griekse regering, vertegenwoordigd door P. Mylonopoulos, juridisch medewerker van de bijzondere dienst communautaire geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en D. Leontokianakos, juridisch medewerker bij het autonoom bureau juridische zaken van de Europese Gemeenschappen bij het Ministerie van Economische zaken, als gemachtigden, en de Commissie, vertegenwoordigd door D. Gouloussis, ter terechtzitting van 6 juni 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 november 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 3 augustus 1993, ingekomen bij het Hof op 16 november daaraanvolgend, heeft het Polymeles Protodikeio Athinon krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 25 en volgende en 29 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1977, L 26, blz. 1; hierna: de "Tweede richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de bank Trapeza Kentrikis Ellados AE, opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap (hierna: "TKE"), en haar nieuwe aandeelhouders enerzijds, en de oude aandeelhouders P. Pafitis e.a. anderzijds, die opkomen tegen de verhogingen van het maatschappelijk kapitaal van TKE bij besluit nr. 826 van de gouverneur van de Griekse Nationale Bank van 28 juli 1986 (Grieks Staatsblad, A 117, van 29 juli 1986) en besluit nr. 71 van de provisionele bewindvoerder van TKE van 24 september 1986, naderhand bekrachtigd bij wet nr. 1682/1987 (Grieks Staatsblad, A 14, van 16 februari 1987). Deze besluiten zijn genomen op grond van presidentieel decreet nr. 861/1975.
3 Artikel 6 van uitzonderingswet nr. 1665/1951 (Grieks Staatsblad, A 31, van 27 januari 1951), zoals deze gold op het tijdstip van de feiten, bepaalde dat wanneer het kapitaal van een bank ten gevolge van verliezen is verminderd of wanneer de Monetaire commissie van oordeel is dat het kapitaal om welke andere reden dan ook niet meer volstaat voor de behoeften van de bank, de Monetaire commissie de bank verzoekt het verloren kapitaal te vervangen of het kapitaal te verhogen binnen een door haar gestelde termijn, die niet minder dan 60 dagen mag bedragen.
4 Artikel 8, lid 1, van deze uitzonderingswet bepaalt dat wanneer een bank niet in staat is of weigert haar kapitaal te verhogen, op enigerlei wijze het toezicht belemmert of enigerlei bepaling van de wetten, besluiten of verordeningen van de Monetaire commissie schendt, de Monetaire commissie de erkenning van de bank in liquidatie kan intrekken of een bewindvoerder kan aanstellen.
5 Bij besluit nr. 397 (Grieks Staatsblad, A 133, van 13 september 1984) plaatste de gouverneur van de Griekse Nationale Bank TKE onder een provisioneel bewindvoerder.
6 Artikel 1, lid 3, van presidentieel decreet nr. 861/1975 betreffende de benoeming van provisionele bewindvoerders bij banken, dat integraal is overgenomen in artikel 1 van wet nr. 236/1975 (Grieks Staatsblad, A 275, van 5 december 1975), bepaalt dat vanaf de publikatie van het besluit tot benoeming van de provisionele bewindvoerder in het Grieks Staatsblad de statutaire organen van de bank al hun bevoegdheden van rechtswege verliezen en dat deze bevoegdheden te zamen met het bestuur van de bank worden overgedragen aan de provisionele bewindvoerder of de provisionele bewindvoerders, handelend als college.
7 Verzoekers in het hoofdgeding waren reeds vóór 1984, toen het maatschappelijk kapitaal 670 000 000 DR bedroeg, aandeelhouder van TKE.
8 Bij voornoemd besluit nr. 826 van 28 juli 1986 maande de gouverneur van de Griekse Nationale Bank krachtens artikel 6 van uitzonderingswet nr. 1665/1951 TKE aan om haar maatschappelijk kapitaal te verhogen tot 1 500 000 000 DR teneinde haar activiteiten op een stabiele grondslag te kunnen verrichten. De provisionele bewindvoerder stelde zich in de plaats van de algemene vergadering en wijzigde bij het reeds genoemde besluit nr. 71 van 24 september 1986 artikel 6 van de statuten van de bank en stelde het maatschappelijk kapitaal vast op 1 700 000 000 DR.
9 Met het oog op deze kapitaalverhoging nodigde de provisionele bewindvoerder de aandeelhouders van TKE bij een in politieke en economische bladen gepubliceerde mededeling uit, binnen dertig dagen hun voorkeurrecht met betrekking tot de kapitaalverhoging uit te oefenen, en nodigde hij alle geïnteresseerde derden uit om na deze termijn aan de kapitaalverhoging deel te nemen. Daar deze termijn verstreek zonder dat verzoekers hun voorkeurrecht hadden uitgeoefend, werden de nieuwe aandelen uiteindelijk bij derden geplaatst. Daarna besloot de algemene vergadering van de nieuwe aandeelhouders van TKE driemaal, in 1987, 1989 en 1990 het maatschappelijk kapitaal opnieuw te verhogen en de statuten dienovereenkomstig te wijzigen.
10 Artikel 24, lid 2, van Griekse wet nr. 1682/1987 bekrachtigde met ingang van de datum van vaststelling het besluit tot benoeming van een provisioneel bewindvoerder bij TKE en het besluit waarbij deze laatste bevel had gegeven om de met de verhoging van het maatschappelijk kapitaal van TKE overeenstemmende aandelen ter beschikking te stellen van de aandeelhouders.
11 Verzoekers in het hoofdgeding, P. Pafitis e.a., kwamen bij de verwijzende rechter eerst op tegen de wijziging van de statuten van TKE, waarbij het kapitaal werd verhoogd tot 1 700 000 000 DR, op grond dat deze wijziging voortvloeide uit een besluit van de provisionele bewindvoerder, terwijl de algemene vergadering van aandeelhouders niet was samengeroepen om daarover te beslissen, en dat de maatregel waarbij de bank onder een provisioneel bewindvoerder was geplaatst, na een redelijk tijdsverloop vanzelf was opgeheven. Vervolgens betwistten zij de verdeling van de aandelen en verzochten zij dat zou worden vastgesteld dat de andere verweerders in het hoofdgeding, die zich na de kapitaalverhoging aandienden als nieuwe aandeelhouders van de bank, niet de hoedanigheid van aandeelhouder hadden verworven, noch het recht om deel te nemen aan de algemene vergadering van de aandeelhouders van TKE. Ten slotte vorderden zij nietigverklaring van de besluiten betreffende de drie latere verhogingen van het maatschappelijk kapitaal en de dienovereenkomstige wijzigingen van de statuten.
12 In de verwijzingsbeschikking vraagt de nationale rechter zich af, of de rechtspraak van het Hof, waarin als beginsel wordt gesteld dat voor kapitaalverhogingen van naamloze vennootschappen de algemene vergadering bevoegd is, ook geldt voor naamloze bankvennootschappen, omdat naar nationaal recht een bijzondere regeling inzake banken (wet nr. 236/1975, reeds aangehaald) van toepassing is. Deze regeling heeft tot doel de sanering van deze vennootschappen veilig te stellen, wegens het bijzonder belang van de banken voor het kredietwezen, de garantie van de deposito' s en de goede werking van de nationale economie, een doel van algemeen belang.
13 Onder deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
"1) Betekent de rechtstreekse toepasselijkheid op het Griekse grondgebied van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 en inzonderheid van de bepalingen betreffende de instandhouding van het kapitaal van naamloze vennootschappen (artikelen 25 e.v. en 29), dat de Griekse rechter die bepalingen zonder meer ook op naamloze bankvennootschappen moet toepassen?
2) Zijn de voormelde bepalingen onverenigbaar met de tegengestelde bepalingen van het bij wet nr. 236/1975 bekrachtigde presidentieel decreet nr. 861/1975 en van artikel 24 van wet nr. 1682/1987, die van de overige bepalingen tot regeling van de algemene werking van de naamloze vennootschappen afwijken met het oog op de efficiëntere sanering van de naamloze bankvennootschappen wegens het bijzondere sociaal-economische doel dat zij nastreven en dat van algemeen belang is, en beletten zij dus de toepassing van deze bepalingen?
3) Valt onder het begrip schriftelijke inkennisstelling van de houders van aandelen op naam in artikel 29, lid 3, derde volzin, van de betrokken richtlijn ook de bekendmaking van de uitnodiging in de dagbladen?"
De eerste en de tweede vraag
14 Met de eerste en de tweede vraag, die te zamen moeten worden onderzocht, werpt de verwijzende rechter drie problemen betreffende de werkingssfeer van de Tweede richtlijn en met name van de artikelen 25 en 29 daarvan op.
15 Het eerste probleem betreft de vraag, of naamloze bankvennootschappen als zodanig onder de Tweede richtlijn en in het bijzonder onder de artikelen 25 en 29 vallen.
16 Het tweede probleem betreft de toepasselijkheid van de richtlijn, gelet op het specifieke karakter van de betrokken nationale regeling, die als doel van algemeen belang en in afwijking van het gemene recht inzake naamloze vennootschappen een efficiëntere sanering van naamloze bankvennootschappen die door hun schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeren, tot stand beoogt te brengen. De verwijzende rechter vraagt in wezen of, gelet op dit specifiek karakter, artikel 25 van de Tweede richtlijn eraan in de weg staat, dat een nationale wettelijke regeling bepaalt dat het kapitaal van een naamloze bankvennootschap die in een dergelijke uitzonderlijke situatie verkeert, kan worden verhoogd door een handeling van het bestuur en zonder besluit van de algemene vergadering.
17 Het derde probleem betreft meer bepaald de toepassingsvoorwaarden van artikel 25.
De toepasselijkheid van de Tweede richtlijn op naamloze bankvennootschappen
18 Blijkens het opschrift en artikel 1 is de Tweede richtlijn van toepassing op vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, EG-Verdrag, die zijn opgericht in de vorm van een naamloze vennootschap.
19 Het door de gemeenschapswetgever gehanteerde criterium voor de bepaling van de werkingssfeer van de Tweede richtlijn is derhalve de rechtsvorm van de vennootschap, ongeacht haar activiteit.
20 Op deze algemene regel bestaat slechts één uitzondering: artikel 1, lid 2, machtigt de Lid-Staten de richtlijn niet toe te passen op beleggingsmaatschappijen met veranderlijk kapitaal en op cooeperatieve verenigingen welke in de vorm van een naamloze vennootschap zijn opgericht.
21 Daar naamloze bankvennootschappen niet onder deze uitzondering vallen, vallen zij derhalve onder de Tweede richtlijn.
22 Dit wordt overigens bevestigd doordat de Tweede richtlijn ° bij voorbeeld in de artikelen 20, lid 1, sub c, 23, lid 2, en 24, lid 2 ° uitdrukkelijk rekening houdt met de bijzondere kenmerken van de bankactiviteit, waar zij bepaalt dat sommige bepalingen niet van toepassing zijn of door de Lid-Staten niet behoeven te worden toegepast op banken en andere in de vorm van een naamloze vennootschap opgerichte financiële instellingen.
23 De artikelen 25 en 29 van de Tweede richtlijn bevatten evenwel niet een dergelijke uitzondering.
24 Derhalve moet worden vastgesteld dat de Tweede richtlijn, en in het bijzonder de artikelen 25 en 29 daarvan, van toepassing zijn op naamloze bankvennootschappen.
De toepasselijkheid van artikel 25 van de Tweede richtlijn op maatregelen tot sanering van een bankvennootschap
25 Verweerders in het hoofdgeding stellen, dat de betrokken kapitaalverhoging een maatregel tot sanering van een kredietinstelling is, die niet binnen de werkingssfeer van artikel 25 van de Tweede richtlijn valt.
26 Tot staving van deze stelling voeren zij verschillende argumenten aan om aan te tonen dat een regeling betreffende de sanering van kredietinstellingen zowel op communautair als op nationaal vlak een lex specialis is ten opzichte van het gemene vennootschapsrecht.
27 Allereerst stellen zij, dat de Tweede richtlijn geen betrekking heeft op de sanering, ontbinding en liquidatie van naamloze vennootschappen en, a fortiori, van kredietinstellingen. Deze vormen het onderwerp van andere wetgevende maatregelen die op gemeenschapsniveau zijn genomen of worden overwogen.
28 Dienaangaande verwijzen zij met name naar het gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen en van de depositogarantiestelsels (PB 1988, C 36, blz. 1; hierna: het "gewijzigd voorstel voor een richtlijn").
29 Verweerders in het hoofdgeding beklemtonen dat dit gewijzigde voorstel voor een richtlijn juist tot voornaamste doel heeft, de ontbinding en liquidatie van kredietinstellingen te voorkomen wegens het belang dat wordt gehecht aan het feit dat zij op een gezonde basis kunnen blijven opereren. Ook al beoogt het voorstel de liquidatie te regelen, het is geïnspireerd door de noodzaak om de regels inzake toezicht strikt toe te passen en door het begrip algemeen belang.
30 Zij stellen vast dat de betrokken saneringsregeling, met uitzondering van enkele bepalingen die de getroffen maatregelen slechts interpreteren, integraal is opgenomen in de bij het gewijzigde voorstel voor een richtlijn gevoegde lijst van nationale maatregelen die de Lid-Staten wederzijds erkennen als ertoe strekkende om de financiële situatie van een kredietinstelling te beschermen of weer in het reine te brengen.
31 Volgens verweerders in het hoofdgeding wijst het feit dat volgens het gewijzigde voorstel voor een richtlijn de toepassing van deze maatregelen niet afhankelijk is van de naleving van de bepalingen van de Tweede richtlijn en inzonderheid van artikel 25, erop dat sanering voorrang heeft, zelfs via een verplichte kapitaalverhoging, zoals voorzien in de Griekse regeling, waarbij de meer specifieke voorwaarden voor deze verhoging noodzakelijkerwijze op de tweede plaats komen en ondergeschikt zijn aan het hoofddoel.
32 Uit het gewijzigde voorstel voor een richtlijn zou derhalve volgen, dat de vraag betreffende de kapitaalverhoging van een kredietinstelling wordt gezien in het kader van het meer algemene en prioritaire doel van de sanering van een kredietinstelling en uiteindelijk met dat doel wordt gelijkgesteld.
33 Deze conclusie wordt volgens hen nog versterkt nu niet enkel op nationaal maar ook op communautair niveau voor kredietinstellingen een bijzondere regeling geldt, hetgeen de zeer bijzondere aard van de kredietinstellingen bevestigt. In dat verband is het tekenend dat er meer richtlijnen betreffende de financiële instellingen zijn dan richtlijnen betreffende vennootschappen in het algemeen.
34 Ook de Portugese regering is van mening dat in geval van een financiële crisis de situatie van een bank fundamenteel verschilt van die van een naamloze vennootschap in het algemeen, daar het passief van een bank vooral bestaat uit fondsen van haar deposanten en het bewaren en beheren van de spaargelden van het publiek een essentiële taak van de banken is. Wanneer een bank in een financiële crisis verkeert, is het noodzakelijk om zowel de belangen van de deposanten te beschermen, door met alle mogelijke middelen de terugbetaling van hun bezit te waarborgen, als te vermijden dat de deposanten van die bank in paniek raken en deze paniek overslaat naar het grote publiek en aanleiding kan geven tot een run op alle banken om de aldaar ingelegde gelden op te vragen.
35 Daarom erkennen volgens de Portugese regering zowel de wettelijke regelingen van de Lid-Staten als van de Gemeenschap het bijzondere karakter van de banksector, door normen vast te stellen die afwijken van de regeling die voor vennootschappen in het algemeen geldt.
36 Wat de gemeenschapsregeling betreft, verwijst zij niet enkel naar het gewijzigde voorstel voor een richtlijn, maar evenals verzoekers in het hoofdgeding ook naar de Tweede richtlijn (89/646/EEG) van de Raad van 15 december 1989 tot cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, alsmede tot wijziging van richtlijn 77/780/EEG (PB 1989, L 386, blz. 1).
37 In afwijking van de regeling van artikel 17 van de Tweede richtlijn bepaalt artikel 10, lid 1, van richtlijn 89/646, dat het eigen vermogen van een kredietinstelling niet kleiner mag worden dan het vereiste aanvangskapitaal, en bepaalt lid 5 van dit artikel dat de autoriteiten de instelling desgevallend een beperkte termijn kunnen toestaan om aan dit voorschrift te voldoen.
38 In antwoord op deze argumenten zij allereerst opgemerkt, dat de Tweede richtlijn overeenkomstig artikel 54, lid 3, sub g, EG-Verdrag beoogt de waarborgen te cooerdineren welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om die waarborgen gelijkwaardig te maken en de belangen van de deelnemers in die vennootschappen en van derden te beschermen. De Tweede richtlijn heeft dus tot doel, de aandeelhouders in alle Lid-Staten een minimum beschermingsniveau te verzekeren.
39 Deze doelstelling zou ernstig in gevaar komen, indien de Lid-Staten van de bepalingen van de richtlijn zouden kunnen afwijken, door regelingen in stand te houden, zelfs wanneer zij als bijzonder of uitzonderlijk worden gekwalificeerd, op grond waarvan bij handeling van het bestuur en zonder dat daartoe een handeling van de algemene vergadering van aandeelhouders nodig is, tot een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan worden besloten (zie arresten van 30 mei 1991, gevoegde zaken C-19/90 en C-20/90, Karella en Karellas, Jurispr. 1991, blz. I-2691, r.o. 25 en 26, en 24 maart 1992, zaak C-381/89, Syndesmos Melon tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias e.a., Jurispr. 1992, blz. I-2111, r.o. 32 en 33).
40 Om die redenen heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn in de weg staat aan de toepassing van een regeling die, teneinde de sanering en de continuïteit te waarborgen van ondernemingen die van bijzonder belang voor de nationale economie zijn en die door hun schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeren, bepaalt dat een verhoging van het maatschappelijk kapitaal kan plaatsvinden bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering (arrest Karella en Karellas, r.o. 31, arrest Syndesmos Melon tis Eleftheras Evangelikis Ekklisias e.a., r.o. 37, en arrest van 12 november 1992, gevoegde zaken C-134/91 en C-135/91, Kerafina ° Keramische und Finanz-Holding en Vioktimatiki, Jurispr. 1992, blz. I-5699, r.o. 18; hierna: de "rechtspraak Karella en Syndesmos Melon").
41 Ofschoon de Tweede richtlijn niet specifiek betrekking heeft op de sanering van kredietinstellingen en trouwens evenmin van naamloze vennootschappen in het algemeen, en deze vraagstukken op gemeenschapsniveau nog niet zijn geharmoniseerd, betekent dat evenwel nog niet dat de Lid-Staten ten aanzien van hen saneringsmaatregelen mogen treffen die indruisen tegen de bepalingen van de richtlijn, die, zoals in rechtsoverweging 24 is vastgesteld, van toepassing zijn op bankvennootschappen.
42 Wat de saneringsmaatregelen betreft is artikel 25, dat overeenkomstig de doelstelling van de Tweede richtlijn aan de aandeelhouders in alle Lid-Staten een minimum beschermingsniveau verzekert, bij gebreke van een uitdrukkelijke uitzondering onder dezelfde voorwaarden van toepassing op kredietinstellingen als op alle andere ondernemingen die van bijzonder belang zijn voor de nationale economie en die door hun schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeren.
43 Met betrekking tot de aan het gewijzigde voorstel voor een richtlijn ontleende argumenten zij vastgesteld, dat dit voorstel geen deel uitmaakt van het positieve gemeenschapsrecht en dat het enkele feit dat de regeling die in het hoofdgeding aan de orde is, voorkomt op de bij dit voorstel gevoegde lijst die, zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft gesteld, de nationale maatregelen vermeldt die volgens de op haar verzoek door de Lid-Staten verstrekte inlichtingen als saneringsmaatregelen moeten worden aangemerkt, in geen enkel opzicht afdoet aan de verenigbaarheid van deze maatregelen met de bepalingen van de Tweede richtlijn.
44 Wat de gemeenschapswetgeving inzake de banksector betreft, zij met de advocaat-generaal in punt 19 van zijn conclusie opgemerkt, dat de meeste van die richtlijnen het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten in deze sector beogen te verwezenlijken en te vervolledigen door bepalingen die specifiek van toepassing zijn op banken. De talrijke bepalingen inzake toezicht die de bevoegde autoriteiten machtigen om van een kredietinstelling te eisen dat zij binnen een bepaalde termijn haar ontoereikend geworden kapitaal aanvult, doen bovendien niet af aan de bevoegdheid van de organen van de kredietinstelling om zelf te bepalen hoe zij dat doen.
45 De argumenten die verweerders in het hoofdgeding en de Portugese regering ontlenen aan het gewijzigde voorstel voor een richtlijn en de gemeenschapswetgeving betreffende de banksector kunnen dan ook niet worden aanvaard.
46 Verweerders in het hoofdgeding stellen in de tweede plaats, dat het karakter van lex specialis van de bankwetgeving nauw verband houdt met de aard van de toezichtregels als bepalingen van algemeen belang. De regels inzake het toezicht op kredietinstellingen vormen een sluitend geheel, dat enerzijds ertoe strekt om de financiële structuur te beschermen en het vertrouwen van het publiek in die structuur te handhaven en anderzijds om de deposanten te beschermen. De maatregelen tot sanering van kredietinstellingen, die integraal deel uitmaken van de toezichtregeling, streven hetzelfde doel na. Volgens de geldende Griekse wetgeving valt onder die maatregelen ook de verhoging van het maatschappelijk kapitaal bij besluit van een provisioneel bewindvoerder.
47 Dienaangaande stellen zij dat het Hof reeds heeft erkend, dat niet kan worden aanvaard dat de samenhang van een dergelijk sluitend geheel wordt verstoord door andere bepalingen van nationaal recht of gemeenschapsrecht (zie arresten van 28 januari 1992, zaak C-204/90, Bachmann, Jurispr. 1992, blz. I-249, en zaak C-300/90, Commissie/België, Jurispr. 1992, blz. I-305). De fundamentele redenen op grond waarvan het Hof zich in die zin heeft uitgesproken, gelden ook in deze zaak, die grote gelijkenis vertoont met de zaak Bachmann.
48 Dit betoog kan evenmin worden aanvaard.
49 Weliswaar vereist de noodzaak om de belangen van de spaarders en, meer algemeen, het evenwicht van het spaarsysteem te beschermen een strikte toezichtregeling om de betrouwbaarheid van de banksector te verzekeren.
50 Daaruit volgt evenwel niet, dat een dergelijke nationale regeling noodzakelijkerwijs moet voorzien in maatregelen die de organen van een kredietinstelling de bevoegdheid ontnemen die zij, als organen van een naamloze vennootschap, ontlenen aan artikel 25 van de Tweede richtlijn.
51 Zoals de advocaat-generaal in punt 18 van zijn conclusie terecht heeft gesteld, kan de bescherming van de betrokken belangen namelijk ook adequaat worden verzekerd door andere middelen, zoals bij voorbeeld de invoering van een algemeen depositogarantiestelsel, die hetzelfde doel nastreven zonder dat zij een belemmering vormen voor het doel van de Tweede richtlijn om de aandeelhouders in alle Lid-Staten een minimum beschermingsniveau te verzekeren.
52 Indien hun stelsel van toezicht op kredietinstellingen niet aan de vereisten van de Tweede richtlijn zou beantwoorden, zouden de Lid-Staten dan ook de nodige maatregelen kunnen treffen om het binnen de gestelde termijn met die vereisten in overeenstemming te brengen en een stelsel in te voeren dat met eerbiediging van de bepalingen van de richtlijn de belangen in kwestie beschermt.
53 Blijkens de stukken heeft de Helleense Republiek inmiddels overigens een wettelijke regeling vastgesteld die een depositogarantiestelsel invoert en een einde maakt aan de door de litigieuze regeling voorziene functie van provisioneel bewindvoerder en dus aan zijn bevoegdheden, met inbegrip van de bevoegdheid om in plaats van de algemene vergadering te besluiten het kapitaal van een bank te verhogen.
De toepassingsvoorwaarden van artikel 25 van de Tweede richtlijn
54 Verweerders in het hoofdgeding stellen dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn hoe dan ook niet zijn vervuld. Dienaangaande verwijzen zij naar de arresten Karella (r.o. 30) en Syndesmos Melon (r.o. 27).
55 Anders dan bij de nationale bepalingen die in de rechtspraak Karella en Syndesmos Melon aan de orde waren en die enkel een einde maakten aan de bevoegdheden van de bestuursorganen van de onderneming terwijl de algemene vergadering gehandhaafd bleef, bepaalt de wettelijke regeling die in deze zaak aan de orde is, dat een provisioneel bewindvoerder wordt benoemd waarna de statutaire organen, met inbegrip van de algemene vergadering, van rechtswege alle bevoegdheden verliezen, en dat deze bevoegdheden aan de bewindvoerder worden overgedragen. Een dergelijke benoeming is een maatregel die volstrekt vergelijkbaar is met maatregelen van gedwongen executie en inzonderheid met een liquidatieregeling in de zin van de arresten Karella en Syndesmos Melon, en leidt er bovendien toe dat de betrokken vennootschap niet met haar eigen structuur blijft bestaan, doordat de aandeelhouders en de normale organen van de vennootschap van hun rechten zijn ontheven in de zin van die rechtspraak.
56 Dit argument kan niet worden aanvaard.
57 In de arresten Karella (r.o. 30) en Syndesmos Melon (r.o. 27) overwoog het Hof, dat de Tweede richtlijn de eerbiediging van de rechten van deelnemers in vennootschappen en derden dient te verzekeren, met name bij de oprichting van een vennootschap en bij de verhoging of vermindering van haar kapitaal. De richtlijn staat weliswaar niet in de weg aan maatregelen van gedwongen executie die gericht zijn op het verdwijnen van de vennootschap, en inzonderheid niet aan een liquidatieregeling waardoor de vennootschap, in het belang van de bescherming van de rechten van de schuldeisers, onder bewind wordt geplaatst, doch zij blijft wel van toepassing bij een eenvoudige saneringsmaatregel die dient te verzekeren dat de vennootschap overleeft, ook al betekent deze regeling dat de aandeelhouders en de normale organen van de vennootschap tijdelijk van hun rechten zijn ontheven.
58 In casu heeft de benoeming van de bewindvoerder niet het karakter van een maatregel van gedwongen executie, noch van een liquidatieregeling, ofschoon alle bevoegdheden van de statutaire organen aan deze bewindvoerder zijn overgedragen. Zoals verweersters in het hoofdgeding zelf hebben erkend, wordt in artikel 8, lid 1, van uitzonderingswet nr. 1665/1951 met betrekking tot de door de Monetaire commissie te treffen maatregelen onderscheid gemaakt tussen de intrekking van de erkenning van een bank, waardoor zij in liquidatie komt te verkeren, en de benoeming van een bewindvoerder. Zoals verweersters in het hoofdgeding eveneens hebben beklemtoond, had de benoeming van een bewindvoerder juist de overleving van de betrokken vennootschap tot doel, hetgeen aantoont dat dit in de lijn ligt van een saneringsregeling voor een vennootschap.
59 Derhalve kan niet worden gesteld dat de vennootschap niet blijft bestaan, hetgeen in casu trouwens wordt bevestigd door het feit dat de statutaire organen slechts tijdelijk van hun bevoegdheden werden ontheven en dat alle kapitaalverhogingen die op de kapitaalverhoging door de provisionele bewindvoerder zijn gevolgd, opnieuw zijn vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders.
60 Uit een en ander volgt, dat op de eerste en de tweede vraag moet worden geantwoord, dat artikel 25 van de Tweede richtlijn in de weg staat aan een nationale regeling die bepaalt dat het kapitaal van een naamloze bankvennootschap die wegens haar schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeert, kan worden verhoogd bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering.
De derde vraag
61 Artikel 29, lid 3, van de Tweede richtlijn betreft de modaliteiten van uitgiften met voorkeurrecht, die krachtens lid 1 bij elke verhoging van het geplaatste kapitaal tegen inbreng in geld moeten worden aangeboden aan de aandeelhouders van een naamloze vennootschap.
62 Uit deze bepaling volgt, dat het mogelijk is dat de wetgeving van een Lid-Staat niet bepaalt dat wanneer alle aandelen van de vennootschap op naam zijn gesteld, deze uitgifte wordt bekendgemaakt in het nationaal publikatieblad dat is aangewezen overeenkomstig richtlijn 68/151/EEG van de Raad van 9 maart 1968 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen, welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB 1968, L 65, blz. 8). Volgens artikel 29, lid 3, derde zin, van de Tweede richtlijn moeten in dat geval "alle aandeelhouders schriftelijk in kennis worden gesteld".
63 Vaststaat dat ten tijde van de litigieuze feiten in de Griekse wetgeving overeenkomstig de voorschriften van deze bepaling niet was bepaald dat de gegevens in het daartoe aangewezen nationaal publikatieblad bekend moesten worden gemaakt.
64 In die context vraagt de verwijzende rechter, of de bekendmaking van de uitgifte in dagbladen moet worden aangemerkt als een schriftelijke inkennisstelling in de zin van artikel 29, lid 3, derde zin, van de Tweede richtlijn.
65 Artikel 29, lid 3, beoogt te verzekeren dat, bij gebreke van publikatie in het daartoe aangewezen nationaal publikatieblad, alle houders van op naam gestelde aandelen persoonlijk en individueel in kennis worden gesteld van de modaliteiten voor de uitoefening van hun voorkeurrecht.
66 Derhalve moet op deze vraag worden geantwoord, dat de bekendmaking van de uitgifte in dagbladen niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke inkennisstelling van de houders van op naam gestelde aandelen in de zin van artikel 29, lid 3, derde zin, van de Tweede richtlijn.
Rechtsmisbruik
67 Blijkens de verwijzingsbeschikking hebben verweerders en interveniënten in het hoofdgeding voor de verwijzende rechter een argument aangevoerd, dat is ontleend aan artikel 281 van het Grieks Burgerlijk Wetboek, naar luid waarvan "de uitoefening van een recht niet is toegestaan, wanneer dat kennelijk de grenzen, gesteld door de goede trouw of de goede zeden of door het sociale en economische doel van dat recht, te buiten gaat". De verwijzende rechter beklemtoont, dat deze bepaling aldus kan worden toegepast, dat men zich kan verzetten tegen het inroepen van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechten, wanneer van die rechten in een bepaald geval misbruik wordt gemaakt.
68 Bij gebreke van een desbetreffende vraag van de verwijzende rechter behoeft niet te worden geantwoord op de vraag, of het in het kader van de communautaire rechtsorde is toegestaan, een nationale regel toe te passen om te beoordelen of van een door de betrokken gemeenschapsbepalingen toegekend recht misbruik wordt gemaakt. Niettemin kan de toepassing van een dergelijke regel in elk geval geen afbreuk doen aan de volle werking en de eenvormige toepassing van de gemeenschapsbepalingen in de Lid-Staten.
69 Volgens vaste rechtspraak staat het, wanneer door een particulier op grond van gemeenschapsbepalingen ingeroepen rechten aan de orde zijn, aan het Hof om na te gaan of de nationale rechtsorde een afdoende rechtsbescherming biedt.
70 In casu zou aan de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en aan de volle werking daarvan afbreuk worden gedaan, wanneer een aandeelhouder die zich op artikel 25, lid 1, van de Tweede richtlijn beroept, zou worden geacht zijn recht te misbruiken op de enkele grond dat hij minderheidsaandeelhouder is van een vennootschap die onder een saneringsregeling valt, of dat de sanering van de vennootschap hem ten goede is gekomen. Daar artikel 25, lid 1, zonder onderscheid van toepassing is op alle aandeelhouders, ongeacht het resultaat van een eventuele sanering, zou, wanneer een op artikel 25, lid 1, gebaseerd beroep om dergelijke redenen als misbruik van recht wordt aangemerkt, in feite de strekking van deze bepaling worden gewijzigd.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
71 De kosten door de Griekse en de Portugese regering alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Polymeles Protodikeio Athinon bij beschikking van 3 augustus 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Artikel 25 van de Tweede richtlijn (77/91/EEG) van de Raad van 13 december 1976 strekkende tot het cooerdineren van de waarborgen welke in de Lid-Staten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 58, tweede alinea, van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken, staat in de weg aan een nationale regeling die bepaalt dat het kapitaal van een bankvennootschap die wegens haar schuldenlast in een uitzonderlijke situatie verkeert, kan worden verhoogd bij bestuurshandeling en zonder besluit van de algemene vergadering.
2) De publikatie van de uitgifte in dagbladen kan niet worden aangemerkt als een schriftelijke inkennisstelling van de houders van op naam gestelde aandelen in de zin van artikel 29, lid 3, derde zin, van richtlijn 77/91/EEG.
Full & Egal Universal Law Academy