Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers ° Toepasselijke wetgeving ° Werknemer die in andere Lid-Staat woont dan staat van tewerkstelling ° Voorwaarden voor ontstaan van recht op door staat van woonplaats verleende verstrekkingen bij ziekte ten gunste van gezinsleden ° Wetgeving van staat van tewerkstelling
(Verordening nr. 1408/71 van de Raad, art. 19, lid 2)
Samenvatting
Artikel 19, lid 2, van verordening nr. 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een werknemer met zijn gezinsleden woont op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van tewerkstelling, krachtens de wettelijke regeling waarvan hij ingevolge de verordening verzekerd is, de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op door de staat van de woonplaats verleende verstrekkingen bij ziekte voor de gezinsleden van de werknemer, evenals voor de werknemer zelf, worden beheerst door de wettelijke regeling van de staat van tewerkstelling, voor zover de gezinsleden geen recht op die verstrekkingen hebben krachtens de wettelijke regeling van de staat van hun woonplaats.
Partijen
In zaak C-451/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Landessozialgericht fuer das Saarland, in het aldaar aanhangig geding tussen
C. Delavant
en
Allgemeine Ortskrankenkasse fuer das Saarland,
in het geding geroepen: V. en S. Delevant,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 1, sub f, 2, lid 1, 3, lid 1, 19, lid 1, sub a, en lid 2, en 20 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini, C. N. Kakouris (rapporteur), J. L. Murray en G. Hirsch, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° C., V. en S. Delavant, vertegenwoordigd door G. Schmidt-Delavant,
° het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door P. Duray, adjunct-adviseur bij de juridische dienst van het Ministerie van Buitenlandse zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking, als gemachtigde,
° de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische zaken, en B. Kloke, Regierungsrat bij dat ministerie, als gemachtigden,
° de Franse Republiek, vertegenwoordigd door C. de Salins, onderdirecteur van de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, en C. Chavance, hoofdattaché centrale administratie bij deze directie, als gemachtigden,
° het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door A. Bos, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door C. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door B. Schulte, van het Max-Planck-Institut fuer auslaendisches und internationales Sozialrecht te Muenchen,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 15 oktober 1993, ingekomen bij het Hof op 25 november daaraanvolgend, heeft het Landessozialgericht fuer das Saarland krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 1, sub f, 2, lid 1, 3, lid 1, 19, lid 1, sub a, en lid 2, en 20 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6; hierna: de "verordening").
2 De vraag is gerezen in een geschil tussen een Frans onderdaan, mevrouw C. Delavant, en de Allgemeine Ortskrankenkasse fuer das Saarland (hierna: "AOK"), over het recht op verstrekkingen voor haar kinderen.
3 Delavant oefent in Frankrijk (Metz) werkzaamheden in loondienst uit en is uit dien hoofde aangesloten bij de Caisse primaire d' assurance maladie de Metz. Zij is gehuwd met een Duitser en het echtpaar heeft twee minderjarige dochters. Het gezin woont in Duitsland (Saarbruecken).
4 Artikel 19 van de verordening bepaalt dienaangaande:
"1. De werknemer of zelfstandige die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de bevoegde Staat woont en aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, heeft in de Staat op het grondgebied waarvan hij woont, recht op
a) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof hij bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten;
(...)
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat wonen, voor zover zij krachtens de wettelijke regeling van de Staat, op het grondgebied waarvan zij wonen, geen recht op deze prestaties hebben.
(...)"
5 Verschillende in voormelde bepaling gebruikte termen worden in artikel 1 van de verordening uitdrukkelijk omschreven:
° onder "gezinslid" wordt verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend, als gezinslid wordt aangemerkt of erkend, of als huisgenoot wordt aangeduid (artikel 1, sub f);
° onder "woonplaats" wordt de normale verblijfplaats verstaan (artikel 1, sub h);
° onder "bevoegd orgaan" wordt verstaan het orgaan waarbij de betrokkene is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt (artikel 1, sub o-i);
° onder "orgaan van de woonplaats" wordt verstaan het orgaan dat ter plaatse waar de betrokkene woont, bevoegd is de prestaties te verlenen, volgens de wetgeving welke door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat aangewezen orgaan (artikel 1, sub p);
° ten slotte wordt onder "bevoegde Staat" verstaan de Lid-Staat op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan zich bevindt (artikel 1, sub q).
6 Blijkens het dossier weigerde de AOK aanvankelijk de kosten van de ziekenhuisopname van een van de kinderen van Delavant voor haar rekening te nemen wegens de hoogte van het inkomen van haar echtgenoot. Op het bezwaar van Delavant stemde de AOK, nadat zij dit inkomen opnieuw had berekend, toe in de vergoeding van deze kosten. Zij willigde evenwel niet het verzoek van Delavant in, dat strekte tot vaststelling dat haar kinderen jegens de AOK, als orgaan van de woonplaats, recht hadden op verstrekkingen alsof zij bij haar waren aangesloten, en wel ongeacht het inkomen van de ouders.
7 De AOK baseerde de afwijzing van dit verzoek op § 10, lid 3, van het Sozialgesetzbuch, Boek V, Gesetzliche Krankenversicherung (hierna: "SGB V"), die haars inziens in casu van toepassing was ingevolge de artikelen 19 en 1, sub f, van de verordening. Volgens deze bepaling van het SGB V zijn kinderen van aangeslotenen niet verzekerd, wanneer de met de kinderen verwante echtgenoot van de aangeslotene niet bij een verplichte ziekenkas is aangesloten en zijn totale inkomen per maand gewoonlijk meer bedraagt dan 1/12 van de jaarinkomensgrens en gewoonlijk hoger is dan het totale inkomen van de aangeslotene. In casu is de echtgenoot van Delavant aangesloten bij een particuliere ziekteverzekering, omdat zijn inkomen gewoonlijk de in de betrokken wettelijke regeling vastgestelde grens overschrijdt en gewoonlijk hoger is dan dat van zijn echtgenote.
8 Nadat het Sozialgericht fuer das Saarland haar beroep tegen deze beslissing had verworpen, ging Delavant in hoger beroep bij het Landessozialgericht fuer das Saarland. Zij baseerde zich daarbij in het bijzonder op artikel 19, lid 2, van de verordening, waaruit volgens haar volgt, dat haar kinderen gerechtigd zijn de AOK om verstrekkingen voor rekening van het Franse orgaan te verzoeken, zonder dat de Duitse nationale wettelijke regeling hieraan een aan de hoogte van het inkomen van de ouders gekoppelde beperking mag stellen. Tevens stelde zij, dat het Franse orgaan overigens al jaren de in Duitsland verleende prestaties vergoedt, zonder op het inkomen van haar echtgenoot te letten.
9 Het Landessozialgericht op zijn beurt twijfelt er niet aan, dat artikel 19, lid 2, juncto artikel 1, sub f, van de verordening naar de Duitse sociale-zekerheidsregeling verwijst en dat de relevante bepaling van deze wettelijke regeling, te weten § 10, lid 3, SGB V, voor de sociale zekerheid van gezinsleden van de verzekerde onder meer het inkomen van de ouders als criterium hanteert.
10 De verwijzende rechter betwijfelt evenwel, of de toepassing van deze bepaling verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Hij merkt in de eerste plaats op, dat deze bepaling weliswaar geen elementen bevat die discrimineren op grond van nationaliteit, maar dat de vraag of de kinderen al dan niet door de sociale zekerheid gedekt zijn, in casu wordt bepaald door de wisselkoersschommelingen, te weten de wisselkoersverhouding tussen de Franse frank en de Duitse mark, die van invloed is op de verhouding tussen het inkomen van Delavant en dat van haar echtgenoot. In de tweede plaats, aldus de verwijzende rechter, berust de verordening op de grondgedachte, de positie van grensarbeiders en hun gezinsleden te verbeteren. In casu is echter een benadeling gelegen in het feit, dat Delavant overeenkomstig de Duitse wettelijke regeling nog eens een bijdrage zou moeten betalen voor de aansluiting van haar kinderen bij de verplichte ziekteverzekering in Duitsland.
11 Gelet op een en ander heeft het Landessozialgericht fuer das Saarland de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag,
"of de artikelen 1, sub f-i, 2, lid 1, 3, lid 1, 19, lid 1, sub a, en lid 2, en 20 van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, een rechtsbeginsel bevatten, dat de Lid-Staten verbiedt, de aansluiting van de eigen kinderen van een in een andere Lid-Staat verzekerde grensarbeider bij een stelsel van sociale zekerheid behalve van aan de persoon van de kinderen gebonden voorwaarden ook van de hoogte van het inkomen van de echtgenoot van de grensarbeider afhankelijk te stellen".
12 Blijkens deze vraag gaat de verwijzende rechter ervan uit, dat ingevolge artikel 19 van de verordening de vraag of de gezinsleden van de werknemer recht hebben op verstrekkingen, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke regeling van het land waar het gezin woont en niet van het land waar de werknemer werkzaam is en waar zich het orgaan bevindt waarbij deze is aangesloten. Alvorens op de prejudiciële vraag in te gaan, dient dus te worden nagegaan, of dit uitgangspunt juist is.
13 Vooraf zij opgemerkt, dat ingevolge artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, in beginsel de wetgeving van die staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont.
14 Dit beginsel is, wat de ziekteverzekering betreft, nader uitgewerkt in artikel 19 van de verordening. Uit artikel 19, lid 1, vloeit immers voort, dat op de werknemer die op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de staat van tewerkstelling woont, de wetgeving van deze laatste staat van toepassing is wat betreft de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op prestaties. Wanneer dit recht wordt toegekend, heeft de werknemer in de staat van zijn woonplaats ten laste van de staat van tewerkstelling recht op verstrekkingen die door het orgaan van zijn woonplaats worden verleend, binnen de grenzen en volgens de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij bij dit orgaan was aangesloten.
15 Voorts is ingevolge artikel 19, lid 2, het bepaalde in lid 1 van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van de werknemer die wonen op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat, zoals die hierboven is aangeduid, voor zover zij krachtens de wettelijke regeling van de staat van hun woonplaats geen recht op prestaties bij ziekte hebben. Hieruit volgt, dat, behoudens dit laatste geval, op de gezinsleden van de werknemer de wettelijke regeling van de staat van tewerkstelling van toepassing is wat betreft de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op prestaties te hunnen gunste; wanneer dit recht wordt toegekend, hebben zij, ten laste van de staat van tewerkstelling, recht op verstrekkingen die door het orgaan van hun woonplaats worden verleend binnen de grenzen en volgens de bepalingen van de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
16 Deze uitlegging vindt steun in artikel 17 van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van 2 juni 1983 (PB 1983, L 230, blz. 6), dat het volgende bepaalt: "Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 19 van de verordening, is de werknemer (...) verplicht, zich en zijn gezinsleden te doen inschrijven bij het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring waarin wordt bevestigd dat hij voor zichzelf en zijn gezinsleden recht op genoemde verstrekkingen heeft (...)"
17 Volgens de uitlegging van artikel 19, lid 2, zoals die door de verwijzende rechter in overweging wordt gegeven en ook door de Belgische, de Duitse, de Nederlandse en de Franse regering alsook door de Commissie wordt voorgestaan, verwijst dit lid naar artikel 19, lid 1, voor de personen die reeds zijn erkend als gezinsleden van de werknemer. De vraag, of een persoon als zodanig moet worden erkend, zou overeenkomstig artikel 1, sub f, van de verordening evenwel moeten worden beantwoord aan de hand van de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend, namelijk die van de staat van de woonplaats. Derhalve zou volgens deze uitlegging op artikel 19, lid 2, slechts een beroep kunnen worden gedaan door degenen die als gezinsleden van de werknemer zouden worden erkend door de wetgeving van de staat van de woonplaats, indien de werknemer bij de verplichte ziekteverzekering van deze staat was aangesloten.
18 Deze uitlegging kan niet worden aanvaard. Artikel 1, sub f, van de verordening handelt immers niet over de voorwaarden voor aansluiting of het ontstaan van een recht op sociale-zekerheidsprestaties ten gunste van de gezinsleden van een werknemer, maar verwijst enkel naar de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend voor de kwalificatie van de betrokken personen als gezinsleden.
19 Mitsdien moet op de vraag van de verwijzende rechter worden geantwoord, dat artikel 19, lid 2, van de verordening aldus moet worden uitgelegd, dat wanneer een werknemer met zijn gezinsleden woont op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van tewerkstelling, krachtens de wettelijke regeling waarvan hij ingevolge de verordening verzekerd is, de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op verstrekkingen bij ziekte ten gunste van de gezinsleden van deze werknemer, eveneens worden beheerst door de wettelijke regeling van de staat van tewerkstelling, voor zover de gezinsleden geen recht op die verstrekkingen hebben krachtens de wettelijke regeling van de staat van hun woonplaats.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Belgische, de Duitse, de Nederlandse en de Franse regering alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Landessozialgericht fuer das Saarland bij beschikking van 15 oktober 1993 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 2, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gecodificeerd bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, moet aldus worden uitgelegd, dat wanneer een werknemer met zijn gezinsleden woont op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan de Lid-Staat van tewerkstelling, krachtens de wettelijke regeling waarvan hij ingevolge de verordening verzekerd is, de voorwaarden voor het ontstaan van een recht op verstrekkingen bij ziekte ten gunste van de gezinsleden van deze werknemer, eveneens worden beheerst door de wettelijke regeling van de staat van tewerkstelling, voor zover de gezinsleden geen recht op die verstrekkingen hebben krachtens de wettelijke regeling van de staat van hun woonplaats.
Full & Egal Universal Law Academy