Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Internationale overeenkomsten ° GATT ° Mogelijkheid voor particulieren om met beroep op bepalingen daarvan op te komen tegen toepassing van strijdige nationale bepalingen ° Geen
(Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel)
2. Internationale overeenkomsten ° Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé ° Mogelijkheid voor particulieren om met beroep op sommige bepalingen daarvan op te komen tegen toepassing van strijdige nationale bepalingen
(Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 15 december 1989)
3. Internationale overeenkomsten ° Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé ° Bepalingen betreffende samenwerking op handelsgebied ° Algemene regeling van handelsverkeer ° Discriminerende binnenlandse belastingen ° Geen verbod ° Verhoging van reeds bestaande belasting als Italiaanse verbruikbelasting op verse bananen ° Onverenigbaarheid met Protocol nr. 5 en eerdere overeenkomsten ° Mogelijkheid voor particulieren om zich daarop te beroepen ° Voorwaarden
(Vierde ACS-EEG-overeenkomst van Lomé van 15 december 1989, art. 169, lid 1, 177, lid 2, en Protocol nr. 5; eerste, tweede en derde ACS-EEG-overeenkomsten van Lomé van 28 februari 1975, 31 oktober 1979 en 8 december 1984)
Samenvatting
1. De Algemene Overeenkomst betreffende handel en tarieven verleent particulieren geen rechten waarop zij zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van strijdige nationale bepalingen. Het bijzondere karakter van die Overeenkomst, die wordt gekenmerkt door een grote soepelheid van haar bepalingen, met name die betreffende de uitzonderingsmogelijkheden, de maatregelen die in geval van bijzondere moeilijkheden kunnen worden genomen, en de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen, belet zulks.
2. De vierde ACS-EEG-overeenkomst kan, evenals de eerdere ACS-EEG-overeenkomsten of de Associatieovereenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Afrikaanse Staten en Madagascar, bepalingen bevatten die particulieren rechten verlenen waarop zij zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van strijdige nationale bepalingen. Het feit dat die Overeenkomsten worden gekenmerkt door een duidelijk gebrek aan evenwicht tussen de verbintenissen die de verdragsluitende partijen hebben aangegaan, welk gebrek aan evenwicht past in de specifieke aard van de Overeenkomsten, staat er niet aan in de weg, dat in de communautaire rechtsorde de rechtstreekse werking van sommige bepalingen ervan wordt erkend.
3. De vierde ACS-EEG-overeenkomst, die geen bepalingen bevat die uitdrukkelijk discriminerende binnenlandse belastingen verbieden, mag niet aldus worden uitgelegd, dat zij niettemin in een dergelijk verbod voorziet via artikel 177, lid 2, dat verbiedt met protectionistische doeleinden andere middelen dan de aldaar toegestane vrijwaringsmaatregelen toe te passen, of via artikel 169, lid 1, dat de toepassing van kwantitatieve beperkingen en maatregelen van gelijke werking verbiedt. Bij een systematische uitlegging van de Overeenkomst blijkt immers dat de verdragsluitende partijen het probleem van de binnenlandse belastingen niet in het kader van de tot stand gebrachte algemene regeling van het handelsverkeer hebben willen regelen.
Ofschoon deze algemene regeling niet in de weg staat aan een binnenlandse belasting op ACS-bananen, zoals de in de Italiaanse rechtsorde bij wet nr. 986/64 ingevoerde verbruiksbelasting op verse bananen, zijn daarentegen eventuele verhogingen van die belasting in strijd met artikel 1 van het aan de Vierde Overeenkomst gehechte Protocol nr. 5 betreffende bananen. Immers, dit artikel, dat bepaalt dat bij uitvoer van bananen naar de Gemeenschap geen enkele ACS-staat ten aanzien van de toegang tot en de voordelen op zijn traditionele markten minder gunstig wordt behandeld dan vóór de inwerkingtreding van de Overeenkomst, voert in deze Overeenkomst een "standstill"-clausule in en vormt een bijzondere bepaling die ingevolge het beginsel "lex specialis derogat generali" in een andere rechtsregeling voorziet dan voor de overige produkten van oorsprong uit de ACS-staten geldt.
Aangezien dit artikel in duidelijke, precieze en onvoorwaardelijke bewoordingen is gesteld, en in de eerste drie ACS-EEG-overeenkomsten een soortgelijke bepaling is opgenomen, kan een marktdeelnemer zich op de ACS-EEG-overeenkomsten beroepen teneinde zich tegen deze verhogingen te verzetten, wanneer laatstbedoelde van na 1 april 1976, datum van inwerkingtreding van de eerste ACS-EEG-overeenkomst, dateren en tot gevolg hebben, dat de uitvoer van bananen ongunstiger wordt behandeld dan voorheen.
Partijen
In zaak C-469/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van het Tribunale di Trieste (Italië), in het aldaar aanhangig geding tussen
Amministrazione delle Finanze dello Stato,
en
Chiquita Italia SpA,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel en de ACS-EEG-overeenkomsten, ondertekend te Lomé tussen, enerzijds, de staten van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en, anderzijds, de Europese Economische Gemeenschap,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: C. N. Kakouris, kamerpresident, G. Hirsch, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° Chiquita Italia SpA, vertegenwoordigd door L. R. Bianchi, E. Volli, P. Volli, en G. Greco, advocaten te Milaan,
° de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door L. Ferrari Bravo, hoofd van de dienst diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse zaken, als gemachtigde, bijgestaan door S. Laporta, avvocato dello Stato,
° de Franse regering, vertegenwoordigd door N. Eybalin, secretaris buitenlandse zaken bij de directie juridische zaken van het Ministerie van Buitenlandse zaken, bijgestaan door C. de Salins, onderdirecteur bij die directie, als gemachtigden,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur E. de March en T. Christoforou, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Chiquita Italia SpA, vertegenwoordigd door G. Greco; de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door M. G. Mangia, avvocato dello Stato, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Aresu, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, ter terechtzitting van 12 januari 1995,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 november 1993, ingekomen bij het Hof op 16 december daaraanvolgend, heeft het Tribunale di Trieste krachtens artikel 177 EG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (hierna: "GATT") en de ACS-EEG-overeenkomsten, ondertekend te Lomé tussen, enerzijds, de staten van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en, anderzijds, de Europese Economische Gemeenschap (hierna: "ACS-EEG-overeenkomsten").
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de Amministrazione delle Finanze dello Stato en de vennootschap Chiquita Italia SpA (hierna: "Chiquita Italia").
3 Bij de Italiaanse wet nr. 986/64 van 9 oktober 1964 (hierna: "Italiaanse wet") werd per 1 januari 1965 een belasting op verse bananen ingesteld, die nadien verscheidene malen is verhoogd.
4 In zijn arrest van 7 mei 1987 (zaak 193/85, Co-Frutta, Jurispr. 1987, blz. 2085) oordeelde het Hof, dat artikel 95, tweede alinea, van het Verdrag zich verzet tegen een verbruiksbelasting op bepaalde soorten ingevoerd fruit, wanneer die belasting van dien aard is, dat zij de binnenlandse fruitproduktie kan beschermen. Bovendien oordeelde het Hof, dat artikel 95 alle produkten uit de Lid-Staten betreft, daaronder begrepen produkten van oorsprong uit derde landen, die zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden.
5 Voorts besliste het Hof in een ander arrest van dezelfde datum (zaak 184/85, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2013, r.o. 15), dat de Italiaanse Republiek, door een verbruiksbelasting op verse bananen in te stellen en te handhaven, die van toepassing was op bananen van oorsprong uit andere Lid-Staten, de krachtens artikel 95, tweede alinea, van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet was nagekomen.
6 Het Hof was immers van oordeel, dat de betrokken belasting een binnenlandse belasting was, daar zij behoorde tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor groepen produkten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria die onafhankelijk van de oorsprong der produkten worden toegepast, en dat zij een beschermende maatregel in de zin van artikel 95, tweede alinea, was, daar zij de binnenlandse fruitproduktie kon beschermen.
7 Op basis van die rechtspraak verzocht Chiquita Italia de Pretore di Trieste bij twee beroepen van 2 april en 25 mei 1990 de Italiaanse administratie te gelasten, haar toestemming te verlenen om partijen bananen van oorsprong uit Colombia, Honduras en Santa Lucia in Italië in te voeren zonder betaling van de bij de Italiaanse wet ingestelde verbruiksbelasting, daar deze in strijd met het gemeenschapsrecht was.
8 De Pretore di Trieste willigde die verzoeken in.
9 Op 18 september 1990 stelde het Ministerie van Financiën evenwel twee beroepen in bij het Tribunale di Trieste, waarin het deze rechterlijke instantie verzocht vast te stellen, dat de litigieuze belasting wettig was en de inning ervan gegrond. Volgens het ministerie was de verbruiksbelasting slechts onwettig ten aanzien van bananen van oorsprong uit andere Lid-Staten of bananen die zich in het vrije verkeer bevinden, maar niet ten aanzien van bananen die rechtstreeks uit derde landen komen.
10 Op 29 december 1990 werd de Italiaanse verbruiksbelasting op bananen bij wet nr. 428/90 (supplement GURI van 12.1.1991) afgeschaft. Blijkens de verwijzingsbeschikking had deze wet echter geen terugwerkende kracht.
11 In de loop van het geding voor het Tribunale di Trieste wees het Hof het arrest van 9 juni 1992 (gevoegde zaken C-228/90°C-234/90, C-339/90 en C-353/90, Simba e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3713), dat eveneens de invoer in Italië van rechtstreeks uit derde landen afkomstige bananen betrof.
12 In dat arrest bevestigde het Hof, dat de litigieuze verbruiksbelasting een binnenlandse belasting in de zin van artikel 95 van het Verdrag was. Voorts herinnerde het eraan (r.o. 14), dat dit artikel slechts van toepassing is op uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten en niet op produkten die rechtstreeks uit derde landen worden ingevoerd.
13 Het Hof overwoog evenwel (r.o. 19), dat ofschoon het Verdrag als zodanig geen bepalingen bevat die eventuele discriminaties bij de toepassing van binnenlandse belastingen op rechtstreeks uit derde landen ingevoerde produkten verbieden, toch rekening moest worden gehouden met de internationale akkoorden tussen de Gemeenschap en de derde landen van oorsprong van de partijen bananen, die bepalingen konden bevatten die van invloed konden zijn op de beslissing in de hoofdgedingen.
14 Ook merkte het Hof op (r.o. 20), dat de Gemeenschap en haar Lid-Staten zich in artikel 139, lid 2, van de derde ACS-EEG-overeenkomst, in het hoofdstuk betreffende de algemene handelsregeling, ertoe hadden verbonden, geen vrijwaringsmaatregelen te treffen ten aanzien van uit ACS-staten ingevoerde produkten.
15 Het Hof herinnerde eraan (r.o. 21), dat een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting van dien aard was, dat zij de binnenlandse produktie van tafelfruit van de betrokken Lid-Staat beschermde.
16 Het Hof overwoog evenwel (r.o. 22), dat het aan de verwijzende rechters stond om, in voorkomend geval na het Hof prejudiciële vragen te hebben voorgelegd over de uitlegging van de bepalingen van internationale akkoorden, vast te stellen of die bepalingen daadwerkelijk verbieden dat een Lid-Staat een heffing als een verbruiksbelasting toepast op rechtstreeks uit de betrokken derde landen ingevoerde partijen verse bananen.
17 Ten slotte wees het Hof erop (r.o. 28), dat wanneer de verwijzende rechters een nationale wet tot invoering van een heffing als de binnenlandse verbruiksbelasting onverenigbaar zouden achten met bepalingen in door de Gemeenschap gesloten akkoorden, waarbij aan particulieren rechten worden toegekend, de betrokken particulieren niet verplicht zijn deze heffing te betalen.
18 Na dat arrest betaalde Chiquita Italia de verbruiksbelasting op de uit Honduras ingevoerde bananen, doch zij bleef weigeren ze te betalen over de invoer uit Colombia en Santa Lucia. Haar inziens was de belasting in zoverre in strijd met artikel III van het GATT en met de bepalingen van de ACS-EEG-overeenkomsten.
19 Van oordeel, dat de oplossing van het geschil afhangt van de uitlegging van het GATT en de Overeenkomsten van Lomé, heeft de nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vragen:
"1) Verlenen het GATT en de ACS-EEG-overeenkomsten, gelet op het arrest van het Hof van 9 juni 1992 in de gevoegde zaken C-228/90°C-234/90, C-339/90 en C-353/90 en met name op de rechtskracht van door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten, aan particulieren rechten die dezen rechtstreeks jegens de Lid-Staten geldend kunnen maken, en vloeit daaruit, in geval van schending, voor de nationale rechter de verplichting voort om de met het GATT of die Overeenkomsten strijdige en onverenigbare nationale bepalingen buiten toepassing te laten?
2) Zo ja, is dan een binnenlandse belasting als de door Italië bij wet nr. 986/64, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/82, ingestelde verbruiksbelasting op verse bananen, die wordt toegepast bij de invoer van die produkten uit derde landen die het GATT of de ACS-EEG-overeenkomsten hebben ondertekend, in strijd met die door de Gemeenschap gesloten overeenkomsten en moet zij derhalve door de nationale rechter buiten toepassing worden gelaten?"
20 Aangezien de verwijzende rechter niet preciseert welke ACS-EEG-overeenkomst hij op het oog heeft, moet eerst worden nagegaan, welke van de vier ACS-EEG-overeenkomsten in casu van toepassing is.
21 De importen waarover de omstreden belasting is geheven, vonden plaats vanaf april 1990.
22 De bepalingen waarop partijen zich beroepen, behoren hetzij tot het derde deel, titel I, van de vierde ACS-EEG-overeenkomst, ondertekend te Lomé op 15 december 1989 (PB 1991, L 229, blz. 1), hetzij tot Protocol nr. 5 betreffende bananen (PB 1991, L 229, blz. 213), beide in werking getreden op 1 maart 1990 (artikel 2 van besluit nr. 2/90 van de ACS-EEG-Raad van Ministers van 27 februari 1990 betreffende de overgangsmaatregelen die gelden vanaf 1 maart 1990).
23 In die omstandigheden behoeft dus enkel de vierde ACS-EEG-overeenkomst in aanmerking te worden genomen.
De eerste vraag
24 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of het GATT en de vierde ACS-EEG-overeenkomst bepalingen bevatten die particulieren rechten verlenen waarop dezen zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van met die rechten strijdige nationale bepalingen.
25 Het is vaste rechtspraak, dat voor de oplossing van het probleem van de rechtstreekse werking van bepalingen in overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen steeds te rade moet worden gegaan met de geest, de opzet en de bewoordingen van de betrokken overeenkomst (zie, met name, arrest van 12 december 1972, gevoegde zaken 21/72-24/72, International Fruit Company, Jurispr. 1972, blz. 1219).
26 Met betrekking tot het GATT heeft het Hof meermaals en laatstelijk in zijn arrest van 5 oktober 1994 (zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 106) overwogen, dat het GATT, dat blijkens zijn preambule uitgaat van het beginsel van onderhandelingen "op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel", wordt gekenmerkt door een grote soepelheid van zijn bepalingen, met name die betreffende de uitzonderingsmogelijkheden, de maatregelen die in geval van bijzondere moeilijkheden kunnen worden genomen, en de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen.
27 Het Hof wees erop (r.o. 107), dat wat de geschillenregeling betreft, het bij die maatregelen gaat om, al naar het geval, schriftelijke bezwaren of voorstellen waaraan "welwillende aandacht" moet worden geschonken, onderzoeken, eventueel gevolgd door aanbevelingen, raadplegingen of besluiten van de verdragsluitende partijen, waaronder de machtiging van bepaalde verdragsluitende partijen om uit het GATT voortvloeiende concessies of andere verplichtingen jegens andere verdragsluitende partijen op te schorten, en uiteindelijk, in het geval van een dergelijke opschorting, de mogelijkheid voor de betrokken partij om de overeenkomst op te zeggen.
28 Ten slotte merkte het Hof op (r.o. 108), dat ingeval uit hoofde van krachtens het GATT aangegane verplichtingen of van een concessie inzake een preferentiële behandeling bepaalde producenten nadeel wordt of dreigt te worden toegebracht, een verdragsluitende partij ingevolge artikel XIX de mogelijkheid heeft om de verplichting eenzijdig op te schorten of de concessie in te trekken of te wijzigen, hetzij, wanneer de betrokken verdragsluitende partijen niet tot overeenstemming komen, na overleg met de gezamenlijke verdragsluitende partijen, hetzij zelfs, in spoedeisende gevallen en voorlopig, zonder voorafgaand overleg (zie arrest International Fruit Company, reeds aangehaald, r.o. 21, 25 en 26, en arresten van 24 oktober 1973, zaak 9/73, Schlueter, Jurispr. 1973, blz. 1135, r.o. 29, en 16 maart 1983, zaak 266/81, SIOT, Jurispr. 1983, blz. 731, r.o. 28, en gevoegde zaken 267/81-269/81, SPI en SAMI, ibid., blz. 801, r.o. 23).
29 Deze bijzonderheden staan er derhalve aan in de weg, dat een justitiabele zich voor de nationale rechterlijke instanties van een Lid-Staat op de bepalingen van het GATT beroept teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van nationale bepalingen.
30 Met betrekking tot de vierde ACS-EEG-overeenkomst betoogt de Italiaanse regering, dat deze evenmin als het GATT bepalingen kan bevatten die particulieren rechten verlenen waarop dezen zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen, zulks gezien de doelstellingen en de algemene beginselen van die overeenkomst, die de economische, culturele en sociale ontwikkeling van de ACS-staten beoogt te bevorderen.
31 Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de vierde ACS-EEG-overeenkomst evenals overigens de eerdere ACS-EEG-overeenkomsten of de Associatieovereenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Afrikaanse Staten en Madagascar, blijkens de rechtsoverwegingen 26-29 supra niet van dezelfde aard is als het GATT.
32 De ACS-EEG-overeenkomsten worden gekenmerkt door een duidelijk gebrek aan evenwicht tussen de verbintenissen die de verdragsluitende partijen hebben aangegaan. Hun algemeen doel is immers de bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van de derde staten die er partij bij zijn, met name door betere voorwaarden voor de toegang van hun produkten tot de gemeenschapsmarkt. De vraag die daarbij rijst, is of dat gebrek aan evenwicht uitsluit, dat sommige bepalingen van die overeenkomsten rechtstreekse werking kunnen hebben.
33 Bedoelde overeenkomsten liggen in feite in het verlengde van de associatieregeling die oorspronkelijk eenzijdig door het EEG-Verdrag tot stand was gebracht.
34 In zijn arrest van 5 februari 1976 (zaak 87/75, Bresciani, Jurispr. 1976, blz. 129) overwoog het Hof met betrekking tot de tweede Associatieovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Afrikaanse Staten en Madagascar, ondertekend te Yaoundé op 29 juli 1969 (PB 1970, L 282, blz. 1), een voorloper van de ACS-EEG-overeenkomsten, dat het gebrek aan evenwicht tussen de verplichtingen van de Gemeenschap en die van de geassocieerde staten, dat een vanzelfsprekend gevolg was van het specifieke karakter van de overeenkomst, niet belette dat de Gemeenschap aan sommige bepalingen daarvan rechtstreekse werking toekende.
35 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat de vierde ACS-EEG-overeenkomst bepalingen kan bevatten die particulieren rechten verlenen waarop dezen zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen.
36 Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het argument van de Italiaanse regering, dat de vierde ACS-EEG-overeenkomst een bijzondere regeling voor de beslechting van geschillen tussen de verdragsluitende partijen behelst; ook de tweede Overeenkomst van Yaoundé bevatte immers in haar artikel 53 een dergelijke regeling, en niettemin heeft het Hof in voormeld arrest aan sommige bepalingen ervan rechtstreekse werking toegekend.
37 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat het GATT geen bepalingen bevat die particulieren rechten verlenen waarop dezen zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van met die rechten strijdige nationale bepalingen, en dat de vierde ACS-EEG-overeenkomst wel dergelijke bepalingen kan bevatten.
De tweede vraag
38 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of sommige bepalingen van het GATT of van de vierde ACS-EEG-overeenkomst aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een binnenlandse belasting als die welke is ingevoerd bij de Italiaanse wet nr. 986/64, zoals gewijzigd bij wet nr. 873/82, en die wordt toegepast op produkten die worden ingevoerd uit derde landen die partij bij die overeenkomsten zijn.
39 Gezien het hierboven gegeven antwoord in verband met de bepalingen van het GATT, behoeft deze tweede vraag slechts te worden beantwoord voor zover zij betrekking heeft op de bepalingen van de vierde ACS-EEG-overeenkomst.
40 Vooraf zij erop gewezen, dat de bepalingen van de vierde ACS-EEG-overeenkomst sedert de inwerkingtreding ervan deel uitmaken van de communautaire rechtsorde.
41 Chiquita Italia stelt, dat artikel 177, lid 2, van de vierde ACS-EEG-overeenkomst te vergelijken is met artikel 95 EG-Verdrag, en dat het dus evenals laatstgenoemde bepaling rechtstreekse werking moet hebben.
42 Deze stelling kan niet worden gevolgd. In de eerste plaats bevat de vierde ACS-EEG-overeenkomst geen bepalingen die uitdrukkelijk betrekking hebben op binnenlandse belastingen. Terwijl deze overeenkomst in de artikelen 168, lid 1, en 169, lid 1, bepalingen bevat die vergelijkbaar zijn met de artikelen 9, 12 en 30 EG-Verdrag, bevat zij geen enkele bepaling die vergelijkbaar is met artikel 95 EG-Verdrag en die specifiek betrekking heeft op binnenlandse belastingen.
43 De Italiaanse regering heeft terecht beklemtoond, dat indien de Gemeenschap en de ACS-staten het probleem van de binnenlandse belastingen hadden willen regelen in het kader van de bij de overeenkomst tot stand gebrachte algemene handelsregeling, zij er een met artikel 95 EG-Verdrag overeenkomende bepaling in zouden hebben opgenomen.
44 In de tweede plaats kan artikel 177, lid 2, van de vierde ACS-EEG-overeenkomst niet los van zijn context worden gelezen. Deze bepaling maakt immers deel uit van een regeling betreffende vrijwaringsmaatregelen die genomen kunnen worden indien de toepassing van de bij de overeenkomst tot stand gebrachte algemene handelsregeling tot ernstige verstoringen in een van de sectoren van het economisch leven van de Gemeenschap of van een of meer Lid-Staten leidt, of indien zij een achteruitgang in een sector tot gevolg kan hebben.
45 Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan, dat zo de partijen bij de overeenkomst het door Chiquita Italia genoemde doel hadden willen nastreven, zij deze bepaling op hetzelfde niveau zouden hebben geplaatst als de bepalingen welke overeenkomen met de artikelen 9, 12 en 30 EG-Verdrag, en ze niet eenvoudig zouden hebben opgenomen in een artikel betreffende vrijwaringsmaatregelen.
46 Ten slotte moet met de advocaat-generaal (zie punt 37 van zijn conclusie) worden opgemerkt, dat de tweede Overeenkomst van Yaoundé (PB 1970, L 282, blz. 1), die aan de Overeenkomsten van Lomé voorafging, in artikel 5 een bepaling bevatte waarvan de bewoordingen gelijken op die van artikel 95, eerste alinea, EG-Verdrag:
"Onverminderd de bijzondere bepalingen waarin deze Overeenkomst voorziet, onthoudt elke Partij zich van iedere maatregel of handelwijze van intern fiscale aard, die rechtstreeks dan wel zijdelings tot discriminatie tussen haar produkten en gelijksoortige produkten van oorsprong uit de overige Partijen bij de Overeenkomst voert."
47 Het feit dat een dergelijke bepaling vervolgens niet in de "Algemene handelsregeling" van de Overeenkomsten van Lomé is opgenomen, wijst erop, dat de partijen bij de overeenkomst ze buiten de werkingssfeer van die regeling wensten te houden.
48 Subsidiair betoogt Chiquita Italia nog, dat in casu artikel 169, lid 1, van de vierde ACS-EEG-overeenkomst moet worden toegepast, bepalende dat de Gemeenschap bij de invoer van produkten van oorsprong uit de ACS-staten geen kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking toepast.
49 Zij wijst erop, dat dit artikel overeenkomt met artikel 30 EG-Verdrag en dat het Hof in zijn arrest van 22 september 1988 (zaak 45/87, Commissie/Ierland, Jurispr. 1988, blz. 4929, r.o. 16) heeft geoordeeld, dat artikel 30 de afschaffing beoogt van alle maatregelen van de Lid-Staten die de invoerstromen in het intracommunautaire handelsverkeer belemmeren, ongeacht of die maatregelen rechtstreeks het verkeer van ingevoerde goederen betreffen dan wel tot gevolg hebben, dat het in de handel brengen van goederen uit de Lid-Staten indirect wordt belemmerd. Het feit dat sommige van die belemmeringen moeten worden getoetst aan "specifieke bepalingen van het Verdrag, zoals artikel 95 betreffende fiscale discriminatie, doet geenszins af aan het algemene karakter van de verbodsbepalingen van artikel 30".
50 Chiquita Italia is van mening, dat zo het Hof zou oordelen dat de vierde ACS-EEG-overeenkomst geen bepalingen bevat die overeenkomen met artikel 95 EG-Verdrag, in dat geval artikel 169, lid 1, van de overeenkomst toepassing moet vinden, daar deze bepaling evenzeer als artikel 30 EG-Verdrag een lex generalis is, waaraan men zich bij gebreke van specifieke bepalingen dient te houden.
51 Deze stelling van Chiquita Italia onderstelt, dat zowel het EG-Verdrag als de vierde ACS-EEG-overeenkomst een vrij verkeer van goederen zonder enige belemmering, dus ook zonder belemmeringen door discriminerende binnenlandse belastingen, beoogt te waarborgen.
52 Dit betoog kan niet worden gevolgd. Het is immers vaste rechtspraak, dat de mogelijkheid om de uitlegging van een verdragsbepaling uit te breiden tot een in vergelijkbare, soortgelijke of zelfs identieke bewoordingen opgestelde bepaling van een door de Gemeenschap met derde landen gesloten overeenkomst, met name afhangt van het doel dat elk van die bepalingen in haar eigen context nastreeft, en dat een vergelijking van de doelstellingen en de context van de overeenkomst en van het Verdrag daarbij van groot belang is (zie, met name, arrest van 1 juli 1993, zaak C-312/91, Metalsa, Jurispr. 1993, blz. I-3751, r.o. 11).
53 Zoals hierboven echter reeds is gezegd, moet bij gebreke van specifieke bepalingen betreffende binnenlandse belastingen ervan worden uitgegaan, dat de partijen bij de overeenkomst het probleem van die belastingen niet hebben willen regelen in het kader van de bij die overeenkomst tot stand gebrachte algemene handelsregeling.
54 Ter terechtzitting heeft Chiquita Italia zich ook beroepen op artikel 1 van Protocol nr. 5 betreffende bananen, dat luidt als volgt: "Bij uitvoer van bananen naar de markten van de Gemeenschap wordt geen enkele ACS-Staat ten aanzien van de toegang tot en de voordelen op zijn traditionele markten minder gunstig behandeld dan vroeger of thans."
55 Volgens Chiquita Italia vormt deze bepaling een "standstill"-clausule die rechtstreekse werking kan hebben. Deze clausule was reeds opgenomen in de op 1 april 1976 in werking getreden eerste ACS-EEG-overeenkomst (PB 1976, L 25, blz. 1) en is nadien overgenomen in de tweede, de derde en de vierde Overeenkomst van Lomé. Er kan dus een beroep op worden gedaan teneinde zich te verzetten tegen de verhogingen van de Italiaanse belasting na 1 april 1976.
56 De Italiaanse regering van haar kant betoogt, dat gesteld al dat de betrokken bepaling inderdaad een "standstill"-clausule is met betrekking tot de thans geldende voorwaarden voor de toegang van ACS-bananen tot hun traditionele markten, zij toch niet van toepassing is op de Italiaanse belasting, daar deze al bestond sinds 1964, dus vóór de inwerkingtreding van de vierde ACS-EEG-overeenkomst.
57 Om te beginnen zij opgemerkt, dat artikel 1 van Protocol nr. 5 betreffende bananen, anders dan de andere bepalingen van dat Protocol, in duidelijke, precieze en onvoorwaardelijke bewoordingen is gesteld, zodat het rechtstreeks door particulieren kan worden ingeroepen.
58 Niettemin moet worden nagegaan, of men zich op deze bepaling kan beroepen tegen verhogingen van een binnenlandse belasting als de Italiaanse verbruiksbelasting op bananen.
59 Artikel 1 van Protocol nr. 5 betreffende bananen is geformuleerd als een "standstill"-clausule. Anders gezegd, deze bepaling strekt ertoe, de toegang van bananen van oorsprong uit de ACS-staten tot hun traditionele markten te waarborgen onder voorwaarden en volgens modaliteiten die niet ongunstiger zijn dan bij de inwerkingtreding van de bepaling. Deze waarborg voor bananen van oorsprong uit de ACS-staten geldt evenwel slechts tot het beloop van de hoeveelheden die werden ingevoerd op het ogenblik waarop die bepaling in werking trad.
60 Het valt niet te ontkennen, dat deze "standstill"-clausule in de weg staat aan verhogingen van een belasting als die welke thans in geding is. Die verhogingen leiden immers tot een stijging van de prijs van de bananen en bemoeilijken dus de afzet ervan op de betrokken markt.
61 Evenmin kan een argument worden ontleend aan het feit dat binnenlandse belastingen zijn uitgesloten van de algemene handelsregeling van titel I, hoofdstuk 1, van het derde deel van de vierde ACS-EEG-overeenkomst. Artikel 183 van deze overeenkomst, dat naar het Protocol betreffende bananen verwijst, is immers opgenomen in hoofdstuk 2 van titel 1 van het derde deel van de vierde overeenkomst, welk hoofdstuk de titel "Bijzondere verbintenissen betreffende rum en bananen" draagt. Het gaat dus om een bijzondere bepaling, die ingevolge het beginsel "lex specialis derogat generali" zeer wel in een andere rechtsregeling kan voorzien dan voor de overige produkten van oorsprong uit de ACS-staten geldt.
62 Ten slotte zij opgemerkt, dat de eerste drie ACS-EEG-overeenkomsten alle een "standstill"-clausule bevatten, geredigeerd in soortgelijke bewoordingen als artikel 1 van Protocol nr. 5 betreffende bananen.
63 In aanmerking genomen dat de eerste ACS-EEG-overeenkomst op 1 april 1976 in werking is getreden, moet worden geconcludeerd, dat de ACS-EEG-overeenkomsten in de weg staan aan verhogingen van een binnenlandse belasting op bananen van oorsprong uit de ACS-staten, zoals de Italiaanse verbruiksbelasting, wanneer die verhogingen van na 1 april 1976 dateren en tot gevolg hebben, dat de uitvoer van bananen ongunstiger wordt behandeld dan voordien ten aanzien van de toegang tot de traditionele markten en de voordelen op die markten.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
64 De kosten door de Italiaanse en de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunale di Trieste bij beschikking van 10 november 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) De Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel bevat geen bepalingen die particulieren rechten verlenen waarop dezen zich voor de nationale rechterlijke instanties kunnen beroepen teneinde zich te verzetten tegen de toepassing van met die rechten strijdige nationale bepalingen. De vierde ACS-EEG-overeenkomst kan dergelijke bepalingen bevatten.
2) De ACS-EEG-overeenkomsten staan in de weg aan verhogingen van een binnenlandse belasting op bananen van oorsprong uit de ACS-staten, zoals de Italiaanse verbruiksbelasting, wanneer die verhogingen van na 1 april 1976 dateren en tot gevolg hebben, dat de uitvoer van bananen ongunstiger wordt behandeld dan voordien ten aanzien van de toegang tot de traditionele markten en de voordelen op die markten.
Full & Egal Universal Law Academy