Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Voor beroep vatbare handelingen ° Begrip ° Handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen ° Advies van Commissie aan nationale autoriteiten, belast met vaststelling van maatregelen welke zijn voorgeschreven door verordening op gebied van gemeenschappelijk landbouwbeleid
(EEG-Verdrag, art. 173)
2. Exceptie van onwettigheid ° Incident ° Niet-ontvankelijkheid van beroep ten principale ° Niet-ontvankelijkheid van exceptie
(EEG-Verdrag, art. 184)
Samenvatting
1. Handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag, zijn enkel die maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten.
Dit is niet het geval bij een door de Commissie tot de autoriteiten van een Lid-Staat gericht advies dat, afgezien van het feit dat het slechts een voorlopig standpunt over een nationale ontwerpregeling bevat en enkel de strekking van een communautaire regeling in herinnering brengt, past in het kader van de samenwerking tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, die inherent is aan en onmisbaar voor een doeltreffend beheer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het kan derhalve niet worden geacht rechtsgevolgen voor particulieren in het leven te roepen.
2. De in artikel 184 van het Verdrag geboden mogelijkheid om de niet-toepasselijkheid van een verordening in te roepen, vormt geen autonoom vorderingsrecht en kan slechts bij wege van incident worden aangewend. Bijgevolg brengt niet-ontvankelijkverklaring van het principale beroep de niet-ontvankelijkheid mee van de op artikel 184 van het Verdrag gebaseerde vordering.
Partijen
In zaak C-64/93,
1. Donatab Srl, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Caserta (Italië),
2. Reditab Srl, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Rome (Italië),
3. Società Tabacchi Industrie Varie ° STIV Srl, vennootschap naar Italiaans recht, gevestigd te Capaccio (Italië),
4. Associazione Professionale Trasformatori Tabacchi Italiani ° APTI, ondernemersvereniging, gevestigd te Rome (Italië),
vertegenwoordigd door E. Cappelli en P. De Caterini, advocaten te Rome, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Turk, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 13B,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. de March, juridisch adviseur, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag van een op 20 januari 1993 door de Commissie per telefax aan de Italiaanse autoriteiten gezonden mededeling, alsmede tot niet-toepasselijkverklaring overeenkomstig artikel 184 EEG-Verdrag van verordening (EEG) nr. 3477/92 van de Commissie van 1 december 1992 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de quotaregeling in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1993 en 1994 (PB 1992, L 351, blz. 11),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, C. N. Kakouris, G. C. Rodríguez Iglesias, M. Zuleeg en J. L. Murray, kamerpresidenten, R. Joliet, F. A. Schockweiler, J. C. Moitinho de Almeida, F. Grévisse, M. Diez de Velasco en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: J.-G. Giraud
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 maart 1993, hebben Donatab, twee andere tabaksbewerkende ondernemingen en een brancheorganisatie (hierna: "verzoeksters") krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van een op 20 januari 1993 door de Commissie per telefax aan de Italiaanse autoriteiten gezonden mededeling, alsmede om niet-toepasselijkverklaring overeenkomstig artikel 184 van het Verdrag van verordening (EEG) nr. 3477/92 van de Commissie van 1 december 1992 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van de quotaregeling in de sector ruwe tabak voor de oogsten 1993 en 1994 (PB 1992, L 351, blz. 11).
2 Bij verordeningen (EEG) nrs. 2075/92 van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector ruwe tabak (PB 1992, L 215, blz. 70), 2076/92 van 30 juni 1992 tot vaststelling van de premies voor tabaksbladeren per groep tabak en van de garantiedrempels per groep tabakssoorten en per Lid-Staat (PB 1992, L 215, blz. 77), en 2077/92 van 30 juni 1992 inzake brancheorganisaties en overeenkomsten in de sector tabak (PB 1992, L 215, blz. 80), is de Raad overgegaan tot een hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor ruwe tabak.
3 Artikel 20, lid 1, van verordening nr. 2075/92 bepaalt:
"De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de communautaire voorschriften voor de sector ruwe tabak in acht worden genomen. Te dien einde stellen zij de Commissie binnen zes maanden na de vaststelling van deze verordening in kennis van de bepalingen op het gebied van beheer en controle die zij voornemens zijn vast te stellen. Binnen drie maanden na die kennisgeving keurt de Commissie deze bepalingen goed of vraagt zij om daarin de nodige aanpassingen aan te brengen. In het laatste geval past de Lid-Staat zijn bepalingen zo snel mogelijk aan (...)"
4 Op 1 december 1992 heeft de Commissie verordening nr. 3477/92 vastgesteld, waarbij een stelsel van teeltcertificaten werd ingevoerd die door de bewerkingsbedrijven aan de producenten moeten worden afgegeven op basis van hun leveranties van de oogsten 1989 tot en met 1991. Artikel 9, lid 2, van deze verordening bepaalt:
"De Lid-Staten bepalen de procedure voor de afgifte van de teeltcertificaten evenals de preventieve maatregelen tegen fraude overeenkomstig artikel 20, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2075/92."
5 Op 8 januari 1993 heeft het Ministerie van Land- en Bosbouw van de Italiaanse Republiek overeenkomstig artikel 20 van verordening nr. 2075/92 de Commissie "een ontwerp van een nationaal besluit voor de uitvoering van de quotaregeling voor de oogst 1993 [verordeningen (EEG) nrs. 2075/92 van de Raad en 3477/92 van de Commissie]" doen toekomen.
6 In de begeleidende brief hebben de Italiaanse autoriteiten de aandacht van de Commissie op een aantal specifieke punten van het ontwerpbesluit gevestigd en een aantal vragen herhaald, die zij reeds in een eerdere nota van december 1992 aan de Commissie hadden gesteld; wegens ernstige moeilijkheden bij de toepassing van artikel 9, lid 3, van verordening nr. 3477/92 verzochten zij om verlenging van de voor de toewijzing van de bewerkingsquota gestelde termijn.
7 Op 20 januari 1993 heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten geantwoord met een in het Frans gesteld faxbericht, in hoofdzaak luidend als volgt:
"In antwoord op uw in hoofde dezes bedoeld faxbericht doe ik u de eerste reacties van de diensten toekomen, onder voorbehoud van een aanvullend antwoord na een diepgaander en meer volledig onderzoek van de toegezonden bepalingen.
1. De laatste overweging van de considerans alsmede artikel 8, lid 3, en artikel 16, sub b, beperken de vrijheid van de producent om een teeltcontract te sluiten met een andere bewerker dan degene die hem het teeltcertificaat heeft afgegeven.
Deze bepalingen zijn in strijd met artikel 10, leden 2 en lid 3, van verordening (EEG) nr. 3477/92, waarvan de tekst duidelijk is: krachtens lid 3 dienen de door een teeltcertificaat bestreken hoeveelheden te worden overgedragen aan een ander bewerkingsbedrijf dan het bedrijf dat het certificaat heeft afgegeven, indien de producent besluit een teeltcontract met dat andere bedrijf af te sluiten. In dat geval wordt het bewerkingsquotum van dit bedrijf verhoogd met de hoeveelheden afkomstig van teeltcertificaten die door andere bedrijven zijn afgegeven, wier quota dienovereenkomstig worden verlaagd. Dit beginsel geldt zowel voor de oude als de nieuwe bewerkingsbedrijven.
De diensten van de Commissie nemen nota van de door uw administratie ondervonden moeilijkheden, met name wat betreft de erkenning van nieuwe bedrijven en hun bewerkingscapaciteit, alsmede wat betreft de beoordeling van de specifieke gevallen bedoeld in artikel 9, lid 3, van verordening (EEG) nr. 3477/92. Derhalve zal het Comité van beheer worden voorgesteld de termijn voor de verdeling van de quota voor 1993 te verlengen."
8 Van oordeel dat dit faxbericht een beschikking vormde die hen rechtstreeks en individueel raakte, hebben verzoeksters het onderhavige beroep tot nietigverklaring ingesteld, in het kader waarvan zij het Hof tevens krachtens artikel 184 van het Verdrag hebben verzocht verordening nr. 3477/92 niet-toepasselijk te verklaren.
9 Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 april 1993, heeft de Commissie krachtens artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep opgeworpen.
10 Aangezien het dossier alle elementen bevat om het Hof in staat te stellen uitspraak te doen, heeft het Hof overeenkomstig artikel 91, leden 3 en 4, van het Reglement voor de procesvoering besloten zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen.
11 Tot staving van de exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie primair, dat het faxbericht waarvan de nietigverklaring wordt gevraagd, geen beschikking vormt die rechtsgevolgen in het leven kan roepen, noch voor de Italiaanse Republiek, tot wie het faxbericht was gericht, noch voor verzoeksters. Het is eenvoudig een advies van de diensten van de Commissie over de uitlegging van verordening nr. 3477/92, dat past binnen het kader van de samenwerking tussen deze diensten en de nationale autoriteiten. Subsidiair betoogt de Commissie, dat zelfs als het bewuste faxbericht als een beschikking zou kunnen worden beschouwd, verzoeksters er niet rechtstreeks en individueel door worden geraakt. Aangezien het beroep tot nietigverklaring derhalve niet ontvankelijk is, zou hetzelfde moeten gelden voor het incidentele verzoek om niet-toepasselijkverklaring van verordening nr. 3477/92.
12 Verzoeksters betogen daarentegen, dat de betrokken nationale maatregelen aan de Commissie zijn meegedeeld op de grondslag van de artikelen 9, lid 2, van verordening nr. 3477/92 en 20, lid 1, van verordening nr. 2075/92 en voorafgaande goedkeuring van de Commissie behoeven. Met de in geding zijnde handeling heeft de Commissie om bepaalde aanpassingen gevraagd, hetgeen aantoont, dat de aangevochten handeling materieel een beschikking met bindende rechtsgevolgen is. Bovendien worden verzoeksters door de handeling rechtstreeks en individueel geraakt: de verordeningen betreffende de hervorming van de marktordening voor tabak roepen voor de bewerkingsbedrijven rechtstreeks het recht op bewerkingsquota in het leven, evenals de verplichting teeltcertificaten ten behoeve van de producenten af te geven; de aangevochten handeling raakt hen ook individueel, aangezien het bewuste stelsel uitsluitend betrekking heeft op de bewerkingsbedrijven die in het verleden tabak geproduceerd hebben op basis van het stelsel van bewerkingspremies gedurende de periode 1989 tot en met 1991.
13 Voor een uitspraak over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid moet in herinnering worden gebracht, dat volgens vaste rechtspraak als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 173 van het Verdrag, enkel zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten (zie met name beschikkingen van 8 maart 1991, zaken C-66/91 en C-66/91R, Emerald Meats, Jurispr. 1991, blz. I-1143, van 13 juni 1991, zaak C-50/90, Sunzest, Jurispr. 1991, blz. I-2917).
14 Dienaangaande moet allereerst worden vastgesteld, dat de Commissie met het faxbericht van 20 januari 1993 geen uitputtend en definitief standpunt ten aanzien van het haar toegezonden ontwerp-besluit inneemt, maar zich ertoe beperkt de Italiaanse autoriteiten haar eerste reactie te geven, onder voorbehoud van een aanvullend antwoord na een diepgaander en meer volledig onderzoek.
15 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de Commissie zich wat betreft de toepassing van verordening nr. 3477/92 ertoe beperkt de strekking van artikel 10, leden 2 en 3, in herinnering te brengen.
16 Zelfs als het bewuste faxbericht zou kunnen worden beschouwd als een handeling van de Commissie waarbij aanpassingen van voorgestelde nationale maatregelen worden gevraagd, dan nog past een dergelijke handeling binnen het kader van de samenwerking tussen de Commissie en de nationale autoriteiten, welke inherent aan een doeltreffende uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en daarvoor onmisbaar is, en kan zij niet worden geacht rechtsgevolgen voor particulieren in het leven te roepen.
17 Hieruit volgt, dat het faxbericht van 20 januari 1993 niet de kenmerken heeft van een handeling die rechtsgevolgen voor particulieren in het leven roept, zodat het op grond van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag ingestelde beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
18 Wat betreft de exceptie van onwettigheid moet eraan worden herinnerd, dat ingevolge artikel 184 van het Verdrag iedere partij naar aanleiding van een geschil waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in het geding is, de in de eerste alinea van artikel 173 van het Verdrag bedoelde middelen kan aanvoeren om voor het Hof de niet-toepasselijkheid van deze verordening in te roepen.
19 Volgens 's Hofs rechtspraak vormt de in artikel 184 van het Verdrag geboden mogelijkheid om de niet-toepasselijkheid van een verordening in te roepen, geen autonoom vorderingsrecht en kan zij slechts bij wege van incident worden aangewend (arrest van 16 juli 1981, zaak 33/80, Albini, Jurispr. 1981, blz. 2141).
20 De niet-ontvankelijkverklaring van het door verzoeksters op grond van artikel 173 van het Verdrag ingestelde beroep brengt in het onderhavige geval mee, dat ook het verzoek op grond van artikel 184 van het Verdrag niet-ontvankelijk is.
21 Onder deze omstandigheden moet het beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
22 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) Verzoeksters worden verwezen in de kosten.
Luxemburg, 28 juni 1993.
Full & Egal Universal Law Academy