Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Prejudiciële vragen ° Ontvankelijkheid ° Vraag die geen verband houdt met kader van hoofdgeding ° Vraag die is gesteld zonder nadere precisering van feitelijk en juridisch kader
(EEG-Verdrag, art. 177)
Samenvatting
Wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, is het noodzakelijk dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd. Die eisen gelden in het bijzonder op het gebied van de mededinging, dat door complexe feitelijke en juridische situaties wordt gekenmerkt.
Dus zijn prejudiciële vragen waarvan moet worden vastgesteld, dat zij geen verband houden met het kader van het geding dat de nationale rechter moet beslechten of melding maken van niet aan het Hof overgelegde stukken of geen uiteenzetting geven van de feiten die de vragen rechtvaardigen, in hun geheel kennelijk niet-ontvankelijk.
Partijen
In zaak C-378/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de rechter-commissaris in de procedure tot gerechtelijk herstel van La Pyramide SARL, rechter in het Tribunal de commerce de Saint-Omer (Frankrijk), om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, G. F. Mancini, J. C. Moitinho de Almeida, M. Diez de Velasco en D. A. O. Edward, kamerpresidenten, C. N. Kakouris, R. Joliet (rapporteur), F. A. Schockweiler, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse, M. Zuleeg, P. J. G. Kapteyn en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 30 juli 1993, ingekomen ter griffie van het Hof op 3 augustus daaraanvolgend, heeft de rechter-commissaris in de procedure tot gerechtelijk herstel van La Pyramide SARL (hierna: "La Pyramide"), rechter in het Tribunal de Commerce de Saint-Omer (Frankrijk), krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag:
"1) In twee op 13 juli 1989 gewezen arresten (zaak 395/87, Tournier, en gevoegde zaken 110/88, 241/88 en 242/88, Lucazeau e.a., Jurispr. 1989, blz. 2521 resp. 2811) heeft het Hof twee criteria geformuleerd aan de hand waarvan moet worden bepaald, of een auteursrechtenbureau, zoals de SACEM, misbruik maakt van machtspositie: de vergelijking van de Europese tarieven en de structuur van de beheerskosten (huishoudelijke kosten).
Het Hof wordt verzocht, het Tribunal, dat de vorderingsrechten van de SACEM dient vast te stellen, antwoord te geven op de volgende aanvullende vragen:
a) Kunnen de werkzaamheden van de Commissie, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 7 november 1991, dat een aanvulling vormt op de door de Commissie aan het Hof overgelegde tabel, alsmede de op verzoek van de discotheken door de bureaus Covec en Ernst & Young verrichte onderzoeken worden geacht in overeenstemming te zijn met de door het Hof geformuleerde vereisten inzake de vergelijking van tarieven?
b) Vloeit het bewijs dat SACEM onbillijke contractuele voorwaarden oplegt, niet voort uit de vergelijking met het Europees gemiddelde?
c) Zou het begrip eenheidsprijs van de muziek per klant, dat het Engelse Copyright Tribunal hanteert voor de vaststelling van een door de discotheken te betalen billijk tarief, niet moeten dienen als uitgangspunt om te bepalen, tot welk maximum de van de discotheken gevraagde vergoeding billijk is te achten en waar het misbruik van machtspositie begint?
d) Moet de billijke vergoeding die een auteursrechtenbureau als SACEM, dat een monopoliepositie inneemt op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, kan verlangen, niet worden vastgesteld op basis van het niveau van de economische last die kan worden gedragen door elke onderneming die gebruik maakt van muziekwerken?
2) Kan het buitensporig karakter van de vergoeding, indien het aanleiding vormt voor het starten van een collectieve procedure van het type gerechtelijk herstel, niet leiden tot aansprakelijkheid van het auteursrechtenbureau, en vormt het, als gevolg van omstandigheden die de vergoeding onverenigbaar maken met artikel 86 EEG-Verdrag, geen belemmering voor de toepassing van de nationale wettelijke regeling inzake nabootsing?
3) Vormen de onderlinge afstemming tussen Europese auteursverenigingen en de oprichting van de GESAC, voor zover hiermee wordt beoogd en bereikt dat de door de gebruikers te betalen prijs in het belang van die dienstverlenende ondernemingen wordt verhoogd, geen kartelafspraak in de zin van artikel 85 van het Verdrag, nu de afscherming van de nationale markten, als uitvloeisel van de tussen de nationale auteursverenigingen gesloten overeenkomsten van wederzijdse vertegenwoordiging, het de gebruikers onmogelijk maakt, die bureaus in concurrentie te doen treden voor het wereldwijde repertorium waarvoor zij bevoegd zijn het gebruik van de muziek toe te staan?
Leidt het uitzonderlijke karakter van de machtspositie van SACEM, die elke vorm van onderhandeling met de gebruikers onmogelijk maakt, niet tot een veroordeling van de overeenkomsten of gedragingen die het de gebruikers onmogelijk maken, ter verkrijging van betere voorwaarden de auteursverenigingen met elkaar in concurrentie te doen treden?
4) Wordt het begrip gemeenschapsbelang zonder controle overgelaten aan de discretie van de Commissie en kan het subsidiariteitsbeginsel met succes door de Commissie worden ingeroepen, zonder dat er sprake is van schending van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, nu de Commissie een dossier dat zij wordt geacht veertien jaar in vooronderzoek te hebben gehad, uiteindelijk afschuift naar de nationale rechters met het verzoek, een vooronderzoek in te stellen naar de inbreuken op de artikelen 85 en 86, terwijl zij niet onwetend is van de wanorde in de Franse rechtspraak en terwijl de op Europees niveau bestaande onderzoeksmiddelen handhaving van het dossier op gemeenschapsniveau rechtvaardigen?
5) Kon de Commissie, na aan het einde van haar onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 7 november 1991, te hebben vastgesteld, dat de aanzienlijke verschillen tussen het Franse tarief en de tarieven van de overige Lid-Staten (het Franse tarief was een veelvoud van de overige tarieven) waren aangetoond en bevestigd (en door SACEM zelf erkend in een als bijlage VII bij het rapport van COVEC gevoegd document), zich onthouden van een standpunt, en moest zij zelf niet constateren, dat er sprake was van een inbreuk op artikel 86 EEG-Verdrag, nu het Hof in zijn arresten van 13 juli 1989 heeft verklaard, dat 'een nationaal auteursrechtenbureau met een machtspositie op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt onbillijke voorwaarden oplegt wanneer de royalty' s die het aan discotheken in rekening brengt, aanzienlijk hoger zijn dan die welke in andere Lid-Staten worden verlangd' ?"
2 Die vragen zijn gerezen in een gerechtelijk-herstelprocedure betreffende La Pyramide.
3 Volgens artikel 14 van de Franse wet nr. 85-98 van 25 januari 1985 betreffende het herstel en het faillissement van ondernemingen wordt in het kader van die procedure een rechter-commissaris aangewezen, die moet zorgen voor een vlot verloop van de procedure en de bescherming van de betrokken belangen. Volgens artikel 101 van die wet is het onder meer de taak van de rechter-commissaris, te beslissen over de erkenning of de afwijzing van schuldvorderingen.
4 In haar bij het Hof ingediende opmerkingen stelt La Pyramide, dat de vragen van de rechter-commissaris ontvankelijk zijn. In dat verband betoogt zij, dat deze moet worden beschouwd als een rechterlijke instantie van een Lid-Staat en dat bij hem wel degelijk een geschil aanhangig is. In casu is hij belast met de beslechting van een geschil tussen La Pyramide en de Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique (hierna: "SACEM") over de schuldvordering van laatstgenoemde. La Pyramide betwist immers het bedrag van die schuldvordering, omdat de door de SACEM gehanteerde tarieven misbruik van machtspositie vormen in de zin van artikel 86 van het Verdrag. SACEM bezit deze machtspositie onder meer dank zij overeenkomsten met in andere Lid-Staten gevestigde auteursrechtenbureaus, welke overeenkomsten in strijd zijn met artikel 85.
5 La Pyramide acht het overigens niet noodzakelijk, dat de rechter-commissaris zijn vragen speciaal motiveert. De instelling van de procedure tot erkenning van de schuldvordering verklaart immers voldoende, waarom de rechter die de schuldvordering van SACEM moet vaststellen en zich derhalve moet uitspreken over het tarief van laatstgenoemde, het Hof een vraag heeft gesteld over de uitlegging van de artikelen 85 en 86. In elk geval heeft het Hof in het kader van de zaken die hebben geleid tot de arresten van 9 april 1987 (zaak 402/85, Basset, Jurispr. 1987, blz. 1747) en 13 juli 1989 (zaak 395/87, Tournier, Jurispr. 1989, blz. 2521, en gevoegde zaken 110/88, 241/88 en 242/88, Lucazeau e.a., Jurispr. 1989, blz. 2811), reeds kennis genomen van het probleem dat zich voordoet voor Franse rechterlijke instanties die een beslissing moeten geven op het gebied van auteursrechten.
6 In haar schriftelijke opmerkingen stelt SACEM in de eerste plaats, dat dit verzoek om uitlegging onnodig is, aangezien het Hof reeds kennis heeft genomen van geschillen tussen SACEM en discotheekexploitanten en op 13 juli 1989 in die zaken twee arresten heeft gewezen (Tournier en Lucazeau e.a.).
7 SACEM betoogt voorts, dat de verwijzingsbeschikking een motivering moet bevatten met een uiteenzetting van alle gegevens feitelijk en rechtens die het geding voor de nationale rechter kenmerken, zodat duidelijk wordt in welk rechtskader de gevraagde uitlegging moet worden geplaatst en de betrokkenen hun opmerkingen kunnen indienen en hun standpunt kunnen bepalen. Zij herinnert eraan, dat het Hof in zijn arrest van 26 januari 1993 (gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e.a., Jurispr. 1993, blz. I-393) en in zijn beschikking van 19 maart 1993 (zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085) prejudiciële vragen die gesteld waren in een verwijzingsbeschikking waarin de gegevens feitelijk en rechtens onvoldoende nauwkeurig uiteen waren gezet, niet-ontvankelijk heeft verklaard. De algemeenheid van een vraag en het ontbreken van concrete gegevens die duidelijk maken wat precies de punten zijn waarover de verwijzende rechter in twijfel verkeert, dienen het Hof te brengen tot de verklaring, dat het niet in staat is de gestelde vraag te beantwoorden. In casu schetst de rechter-commissaris op geen enkele wijze het rechtskader waarin de gevraagde uitlegging moet worden geplaatst, noch de feiten, welke dan ook, waarop zijn vragen zijn gebaseerd. De vragen maken bovendien gewag van vermeende discriminerende praktijken, zonder duidelijk te maken waaruit die discriminatie bestaat. Door de onnauwkeurigheid van de situaties feitelijk en rechtens waarnaar de nationale rechter verwijst, is het Hof niet in staat een voor die rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geven. De prejudiciële vragen, aldus SACEM, zijn daarom niet-ontvankelijk.
8 In haar schriftelijke opmerkingen meent de Commissie, dat de rechter-commissaris wel degelijk de hoedanigheid van rechterlijke instantie heeft, aangezien hij, tegengestelde belangen afwegend, het bestaan en het bedrag van het recht van iedere schuldeiser moet vaststellen, in voorkomend geval na een behandeling op tegenspraak, en hij die bevoegdheid alleen uitoefent. Uit het door de rechter-commissaris overgelegde dossier blijkt voorts, dat bij hem een geding aanhangig is, aangezien La Pyramide de schuldvordering van SACEM betwist op grond dat de door dat auteursrechtenbureau gehanteerde tarieven misbruik van machtspositie vormen in de zin van artikel 86 van het Verdrag.
9 De Commissie wijst er evenwel op, dat de beschikking niet de redenen vermeldt die de rechter-commissaris ertoe hebben gebracht, zich af te vragen of de gedragingen van SACEM wel verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht, en daarover prejudiciële vragen te stellen. Volgens het arrest van 16 juli 1992 (zaak C-83/91, Meilicke, Jurispr. 1992, blz. I-4871), het arrest Telemarsicabruzzo e.a., de beschikking Banchero (beide reeds aangehaald) en de beschikking van 26 april 1993 (zaak C-386/92, Monin Automobiles, Jurispr. 1993, blz. I-2049), had de rechter-commissaris de feiten van het bij hem aanhangig geding uiteen moeten zetten en, wat de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreft, de problemen moeten specificeren waarvan de oplossing hem voor de beslechting van het bij hem aanhangig geding noodzakelijk lijkt. In casu heeft de rechter slechts de door La Pyramide voorgestelde prejudiciële vragen overgenomen. De rechter-commissaris heeft het Hof zelfs niet de onderzoeken van Covec en Ernst & Young overgelegd noch het rapport van de Commissie van 7 november 1991 waarnaar hij in zijn vragen verwijst. De Commissie is daarom van mening, dat het Hof op die vragen niet behoeft te beslissen.
10 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de in artikel 177 van het Verdrag voorziene procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties (vaste rechtspraak).
11 Gelijk blijkt uit het arrest van 16 juli 1992 (zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r.o. 17) en het arrest Meilicke (reeds aangehaald, r.o. 25), houdt de geest van samenwerking die het verloop van deze procedure moet beheersen, in, dat de nationale rechter oog dient te hebben voor de aan het Hof opgedragen taak, namelijk om bij te dragen aan de rechtsbedeling in de Lid-Staten en niet om rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vragen te geven.
12 Gelet op die taak oordeelde het Hof, dat het geen uitspraak kan doen over een bij een nationale rechter opgeworpen prejudiciële vraag, wanneer de uitlegging van het gemeenschapsrecht geen enkel verband houdt met de feiten of het voorwerp van het geschil in het hoofdgeding (zie arresten van 16 juni 1981, zaak 126/80, Salonia, Jurispr. 1981, blz. 1563, r.o. 6, en Lourenço Dias, reeds aangehaald, r.o. 18).
13 Om te kunnen nagaan, of de gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht verband hield met de feiten en het voorwerp van het geschil in het hoofdgeding, achtte het Hof het daarom in hetzelfde arrest Lourenço Dias (r.o. 19) noodzakelijk, dat de nationale rechter uiteenzet, waarom hij van mening is dat een antwoord op zijn vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil.
14 Ten slotte moet worden gepreciseerd, dat wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, het noodzakelijk is dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (arrest Telemarsicabruzzo e.a., r.o. 6, beschikking Banchero, r.o. 4, en beschikking Monin, r.o. 6, alle reeds aangehaald).
15 Zoals het Hof in die beslissingen opmerkte, gelden die eisen in het bijzonder op bepaalde gebieden, zoals dat van de mededinging, die door complexe feitelijke en juridische situaties worden gekenmerkt.
16 De verwijzingsbeschikking bevat enkel de tekst van de prejudiciële vragen.
17 Zo de verwijzende rechter al bevoegd zou zijn uitspraak te doen over de billijkheid van de tarieven van SACEM, moet worden opgemerkt, dat sommige van zijn vragen ofwel geen verband houden met het aldus omschreven kader van het geding (vragen 2, 3, 4 en 5), of melding maken van niet aan het Hof overgelegde stukken (vraag 1, sub a en c), of geen uiteenzetting geven van de feiten die de vragen rechtvaardigen (vraag 1, sub b en d).
18 Onder die omstandigheden moet overeenkomstig artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat alle aan het Hof gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aangezien de procedure als een voor de nationale rechter-commissaris gerezen incident is te beschouwen, dient deze over de kosten te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
Het bij beschikking van 30 juli 1993 ingediende verzoek van de rechter-commissaris in de procedure tot gerechtelijk herstel van La Pyramide SARL om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.
Luxemburg, 9 augustus 1994.
Full & Egal Universal Law Academy