Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Prejudiciële vragen ° Ontvankelijkheid ° Vragen die zijn gesteld zonder toereikende precisering van feitelijk en juridisch kader ° Algemene of hypothetische vragen
(EEG-Verdrag, art. 177; 's Hofs Statuut-EEG, art. 20)
Samenvatting
Het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, verlangt dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd.
Dit vereiste, dat minder absoluut is wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten en aanleiding kunnen geven tot antwoorden die zelfs bij gebreke van een uitputtende uiteenzetting van hun context nuttig zijn, geldt ook om een andere reden, namelijk de mogelijkheid voor de Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen om overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG opmerkingen in te dienen.
De geest van samenwerking die het verloop van de prejudiciële verwijzing moet beheersen, houdt in dat de nationale rechter oog dient te hebben voor de aan het Hof opgedragen taak, namelijk om bij te dragen aan de rechtsbedeling in de Lid-Staten en niet om rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vragen te geven.
Prejudiciële vragen die een te vage omschrijving geven van de door de nationale rechter bedoelde juridische en feitelijke situatie of zuiver hypothetisch zijn, zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Partijen
In zaak C-458/93,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EG-Verdrag van de Pretura circondariale di Roma, in de aldaar dienende strafzaak tegen
M. Saddik,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3, 9, 30, 37, 85, 86, 87, 88 en 90 EG-Verdrag,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, F. A. Schockweiler, P. J. G. Kapteyn, C. Gulmann en P. Jann, kamerpresidenten, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, J. C. Moitinho de Almeida, J. L. Murray, D. A. O. Edward, J.-P. Puissochet (rapporteur), G. Hirsch en H. Ragnemalm, rechters,
advocaat-generaal: M. B. Elmer
griffier: R. Grass
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 24 november 1993, binnengekomen bij het Hof op 7 december daaraanvolgend, heeft de Pretore di Roma krachtens artikel 177 EG-Verdrag prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 3, 9, 30, 37, 85, 86, 87, 88 en 90 EG-Verdrag.
2 Voor de Pretore dient een strafzaak tegen M. Saddik, een Marokkaans onderdaan, wegens smokkel van 93 pakjes buitenlandse sigaretten van verschillende merken, waarvan de herkomst echter niet is vermeld.
3 De nationale rechter vraagt zich in de eerste plaats af, of de aan Saddik wegens niet-betaling van invoerrechten opgelegde straf verenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Blijkens de verwijzingsbeschikking vraagt de Pretore zich voorts af, of Saddik tevens kan worden bestraft voor niet-betaling van BTW, aangezien het zijns inziens om een met het Verdrag strijdige dubbele belastingheffing zou kunnen gaan. Het verzoek van de verwijzende rechter heeft echter uitsluitend betrekking op het ten laste gelegde feit van niet-betaling van invoerrechten.
4 In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af, of het gemeenschapsrecht zich verzet tegen een regeling als die van het Italiaanse monopolie van tabaksfabrikaten, dat de wederverkoop in de detailhandel buiten het net van erkende kleinhandelaren verbiedt. De Pretore geeft echter aan, dat Saddik niet de illegale wederverkoop van tabaksprodukten ten laste is gelegd, doch dat dit later alsnog mogelijk is.
5 Onder deze omstandigheden heeft de Pretore di Roma het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"Eerste vraag:
Zijn de artikelen 25, 282, 292 en 341 van decreet nr. 43 van 23 januari 1974 verenigbaar met de artikelen 3, 9 en 30 EEG-Verdrag, voor zover zij voorzien in strafrechtelijke sancties tegen personen die buitenlandse goederen, meer in het bijzonder tabaksfabrikaten, zonder betaling van de verschuldigde invoerrechten op het grondgebied van de staat invoeren?
Tweede vraag:
Is artikel 64 van wet nr. 907 van 17 juli 1942, zoals gewijzigd, in strijd met de artikelen 37, 85, 86, 87 en 90 EEG-Verdrag, voor zover het inbreuken op het monopoliestelsel door verkoop van monopoliegoederen strafbaar stelt?
Derde vraag:
Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: Is wet nr. 907 van 17 juli 1942, zoals gewijzigd, verenigbaar met voormelde artikelen van het EEG-Verdrag, voor zover zij door een vergunningstelsel de vrije handel in en het vrije verkeer van goederen beperkt?"
6 Volgens vaste rechtspraak kan het Hof zich in het kader van een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag niet uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale maatregel met het gemeenschapsrecht. De vraag van de Pretore di Roma aan het Hof moet echter aldus worden opgevat, dat hij het Hof verzoekt om uitlegging van de in zijn vragen genoemde verdragsbepalingen, teneinde te beoordelen, of de litigieuze nationale voorschriften verenigbaar zijn met die gemeenschapsrechtelijke bepalingen.
7 De Ierse regering, de Italiaanse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk hebben in deze zaak opmerkingen ingediend die hoofdzakelijk, ja zelfs uitsluitend, betrekking hebben op de vraag, of de vragen van de Pretore ontvankelijk zijn.
8 Zo is de Ierse regering van mening, dat door het ontbreken van bewezen feiten en met name van nadere gegevens over de herkomst van de in geding zijnde goederen, de Lid-Staten ernstig worden belemmerd om het Hof bij het onderzoek van de zaak behulpzaam te zijn, met name om het in staat te stellen de eerste vraag te beantwoorden.
9 De regering van het Verenigd Koninkrijk erkent weliswaar, dat een overdaad van formalisme bij voorkeur moet worden vermeden, doch betoogt eveneens, dat indien een prejudiciële vraag niet voldoende nauwkeurig het feitelijk en juridisch kader van de vragen van een nationale rechter vermeldt, een Lid-Staat niet optimaal gebruik kan maken van zijn recht om overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG schriftelijke opmerkingen in te dienen.
10 De Italiaanse regering heeft twijfels over de ontvankelijkheid van de eerste twee vragen. Zij sluit zich aan bij de opmerkingen van de Ierse regering en van de regering van het Verenigd Koninkrijk en voegt daaraan toe, dat het antwoord op de tweede vraag niet noodzakelijk is om de nationale rechter in staat te stellen zich uit te spreken over de ten laste gelegde feiten.
11 De Commissie is van mening, dat de eerste vraag relevant lijkt en geen probleem oplevert wat de ontvankelijkheid betreft. Het daadwerkelijke verband met het voorwerp van het geding is haar inziens voor de beide andere vragen echter minder duidelijk.
12 Er zij aan herinnerd, dat wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te komen, het noodzakelijk is dat deze een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie, onder meer, arrest van 26 januari 1993, gevoegde zaken C-320/90, C-321/90 en C-322/90, Telemarsicabruzzo e.a., Jurispr. 1993, blz. I-393, r.o. 6, beschikkingen van 19 maart 1993, zaak C-157/92, Banchero, Jurispr. 1993, blz. I-1085, r.o. 4, en 9 augustus 1994, zaak C-378/93, La Pyramide, Jurispr. 1994, blz. I-3999, r.o. 14).
13 Voorts moet worden beklemtoond, dat, gelijk de Ierse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk terecht in herinnering hebben gebracht, de in verwijzingsbeschikkingen verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, doch ook om de regeringen der Lid-Staten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden, overeenkomstig artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG opmerkingen te maken. Het Hof dient erop toe te zien, dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge genoemde bepaling alleen de verwijzingsbeschikkingen ter kennis van de belanghebbende partijen worden gebracht (arrest van 1 april 1982, gevoegde zaken 141/81, 142/81 en 143/81, Holdijk, Jurispr. 1982, blz. 1299, r.o. 6).
14 Volgens de rechtspraak van het Hof is het vereiste dat de nationale rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader van zijn vragen, minder absoluut wanneer de vragen betrekking hebben op specifieke technische punten en het Hof ook dan een nuttig antwoord kan geven wanneer de nationale rechter de juridische en feitelijke context niet in alle bijzonderheden heeft uiteengezet (arrest van 3 maart 1994, zaak C-316/93, Vaneetveld, Jurispr. 1994, blz. I-763, r.o. 13), doch dit is in casu niet het geval.
15 Vastgesteld moet worden, dat de verwijzingsbeschikking onvoldoende gegevens bevat om aan de zojuist genoemde vereisten te voldoen.
16 In de eerste plaats blijkt uit de verwijzingsbeschikking niet duidelijk, wat de herkomst van de in beslag genomen tabaksprodukten is. Deze aanwijzing, op grond waarvan had kunnen worden vastgesteld welke douane- en fiscale regeling op de goederen had moeten worden toegepast, is echter noodzakelijk om de eerste vraag zinvol te kunnen beantwoorden.
17 In de tweede plaats vraagt de Pretore het Hof, of het Verdrag zich verzet tegen een wettelijke regeling die inbreuken op het Italiaanse verkoopstelsel voor tabaksfabrikaten strafbaar stelt. Gelijk het Hof hiervoor in rechtsoverweging 4 heeft opgemerkt, wordt Saddik in deze zaak echter niet de illegale wederverkoop van tabaksprodukten ten laste gelegd, ook al geeft de nationale rechter aan, dat dit alsnog kan gebeuren. In dit verband moet eraan worden herinnerd, dat de geest van samenwerking die het verloop van de prejudiciële verwijzing moet beheersen, inhoudt, dat de nationale rechter oog dient te hebben voor de aan het Hof opgedragen taak, namelijk om bij te dragen aan de rechtsbedeling in de Lid-Staten en niet om rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vragen te geven (zie arrest van 16 juli 1992, zaak C-343/90, Lourenço Dias, Jurispr. 1992, blz. I-4673, r.o. 17, en beschikking La Pyramide, reeds aangehaald, r.o. 11).
18 Uit een en ander volgt, dat de gegevens in de verwijzingsbeschikking een te vage omschrijving geven van de door de nationale rechter bedoelde juridische en feitelijke situatie, zo niet zuiver hypothetisch zijn, zodat zij het Hof niet in staat stellen een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geven.
19 Onder deze omstandigheden moet overeenkomstig artikel 92 van het Reglement voor de procesvoering worden vastgesteld, dat de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen kennelijk niet-ontvankelijk zijn.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Italiaanse regering, de Ierse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
Het bij beschikking van 24 november 1993 door de Pretura circondariale di Roma ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is niet-ontvankelijk.
Luxemburg, 23 maart 1995.
Full & Egal Universal Law Academy