ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)
23 maart 1994 ( *1 )
In zaak T-8/93,
M. Huet, tijdelijk functionaris van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, wonende te Bleid (België), vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekster,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-M. Stenier en J. Inghelram, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter zetel van de Rekenkamer, Rue Alcide de Gasperi 12, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van de Rekenkamer om voor verzoeksters kinderen geen wezenpensioen toe te kennen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: A. Kalogeropoulos, kamerpresident, D. P. M. Barrington en K. Lenaerts, rechters,
griffier: H.Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 14 september 1993 en 12 januari 1994,
het navolgende
Arrest
Feiten en toepasselijke bepalingen
1
Verzoekster is tijdelijk functionaris van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Rekenkamer”). Zij heeft twee kinderen; hun vader is vóór haar indiensttreding bij de Gemeenschappen overleden. Onbetwist is, dat deze kinderen te haren laste komen in de zin van artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: „Statuut”).
2
Artikel 37, vijfde alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „RAP”), bepalende dat artikel 80, vierde alinea, van het Statuut op deze personeelsleden van toepassing is, luidt als volgt:
„Indien de echtgenoot, die geen ambtenaar noch tijdelijk functionaris is, van een tijdelijke functionaris of van een gewezen tijdelijke functionaris die een ouderdoms- of invaliditeitspensioen genoot, is overleden, hebben de kinderen, van wie erkend is dat zij ten laste van de overlevende echtgenoot komen in de zin van artikel 2 van bijlage VII van het Statuut, recht op een wezenpensioen vastgesteld overeenkomstig artikel 80, vierde alinea, van het Statuut.”
3
Volgens de Rekenkamer dienen deze bepalingen aldus te worden uitgelegd, dat geen wezenpensioen kan worden toegekend wanneer de echtgenoot, die ambtenaar noch tijdelijk functionaris is, is overleden vóór de indiensttreding bij de Gemeenschappen van de overlevende echtgenoot. Zij heeft in paragraaf 15.28 van haar jaarverslag over het begrotingsjaar 1989 deze uitlegging als volgt toegelicht:
„Het Parlement, de Raad, de Commissie en het Economisch en Sociaal Comité kennen op grond van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut een wezenpensioen toe aan de kinderen van personeelsleden wier echtgenoot of echtgenote vóór hun indiensttreding bij de Gemeenschappen is overleden. Deze pensioenen zijn in alle gevallen vanaf de dag van indiensttreding van kracht geworden. Naar het oordeel van de Kamer is deze handelwijze onregelmatig, aangezien de hiervoor genoemde bepaling slechts betrekking kan hebben op omstandigheden die zich na de benoeming van de ambtenaren voordoen. Deze handelwijze is eveneens in strijd met een zuinig beheer van het pensioenstelsel van de Gemeenschappen, dat de gedurende de diensttijd bestaande risico's van overlijden of invaliditeit dekt en niet de risico's die eerder, onder een ander sociaal verzekeringsstelsel, zijn opgetreden. Overigens zouden de betrokken wezen op grond van dit feit normaliter reeds een door een nationaal pensioenfonds betaalde uitkering moeten ontvangen, die dan in aanvulling zou komen op de communautaire betalingen. De controle heeft 26 van deze gevallen aangetoond, waarvan de jaarlijkse kosten voor de begroting kunnen worden geraamd op 4,2 miljoen BFR (98296 ECU).”
4
Het college van hoofden van administratie heeft in zijn nota nr. 200/91 van 27 september 1991, die de maand daarop ter kennis van het personeel van de Rekenkamer is gebracht, aan deze bepaling een andere uitlegging gegeven. Paragraaf 1.1 van deze nota luidt:
„Ten einde de uitlegging van de bepalingen van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut te harmoniseren en ter voorkoming van discriminatie, moet (...) het overlijden van de echtgenoot of ex-echtgenoot vóór de indiensttreding van de ambtenaar (...) worden geacht aanleiding te geven tot toekenning en/of handhaving van het wezenpensioen wegens het karakter intuitu personae ervan.”
5
Paragraaf II van deze nota luidt:
„Naar analogie van de gezinstoelagen bedoeld in artikel 67, lid 1, van het Statuut dient op het wezenpensioen het anti-cumulatievoorschrift van lid 2 van dat artikel te worden toegepast, wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een soortgelijk pensioen onder een andere regeling.”
6
Bij nota van 28 november 1991 diende verzoekster overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut een verzoek in om haar voor haar kinderen een wezenpensioen toe te kennen.
7
Toen dit verzoek onbeantwoord bleef, diende verzoekster op 29 april 1992 een klacht in tegen het stilzwijgend besluit tot afwijzing.
8
Bij nota van 16 oktober 1992 werd deze klacht afgewezen.
Procesverloop en conclusies van partijen
9
Bij op 19 januari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift, heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit om geen wezenpensioen toe te kennen.
10
De schriftelijke behandeling is geëindigd op 19 mei 1993 toen verweerster afzag van dupliek.
11
Het Gerecht heeft, op rapport van de rechterrapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
12
Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 14 september 1993.
13
Bij beschikking van 19 oktober 1993 heeft het Gerecht de heropening van de mondelinge behandeling gelast.
14
Dezelfde dag heeft het Gerecht de instellingen van de Europese Gemeenschappen de volgende vraag gesteld:
„Het Gerecht wenst te vernemen, of de instellingen een wezenpensioen krachtens artikel 80, vierde alinea, van het Statuut of artikel 37, vijfde alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, blijven doorbetalen tot de in artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut genoemde leeftijdsgrens, wanneer de overlevende ouder van de kinderen de dienst van de Gemeenschappen verlaat zonder recht te hebben op een ouderdoms- of invaliditeitspensioen.”
15
Enkel het Hof van Justitie heeft met het door het Gerecht aan de orde gestelde probleem te maken gehad. Het heeft op de vraag geantwoord, dat
„het Hof één geval heeft gekend waarin krachtens artikel 80, vierde alinea, van het Statuut van de ambtenaren van de Gemeenschappen een wezenpensioen werd betaald en de overlevende ouder de dienst van de Gemeenschappen heeft verlaten zonder recht te hebben op een ouderdoms- of invaliditeitspensioen.
Deze ambtenaar had eerst verlof om redenen van persoonlijke aard gekregen, en heeft later ontslag genomen. Het Hof heeft het wezenpensioen doorbetaald tijdens zijn verlof om redenen van persoonlijke aard. Toen hij ontslag nam, werd het pensioen ingetrokken.”
16
Hoewel een dergelijk geval bij de Commissie nooit was voorgekomen, antwoordde zij dat, „nu algemeen erkend is, dat artikel 80 van het Statuut voor de kinderen van een ambtenaar of voormalig ambtenaar een eigen recht in het leven roept, dat rechtstreeks voortvloeit uit het Statuut, uit hoofde van hun rechtspositie van kinderen van een ambtenaar of voormalig ambtenaar op het tijdstip van het overlijden van de ouder die geen ambtenaar is, het wezenpensioen logischerwijs moet worden doorbetaald wanneer hun ‚causam dans’ de dienst van de Gemeenschappen verlaat zonder recht te hebben op een ouderdoms- of invaliditeitspensioen”.
17
De Raad, waar een dergelijk geval nog nooit was voorgekomen, antwoordde:
„Zou een dergelijke situatie zich voordoen, dan is de Raad van mening, dat er geen aanleiding bestaat om het wezenpensioen door te betalen.
Artikel 80, vierde alinea, van het Statuut koppelt de toekenning van het wezenpensioen aan die van de kindertoelage als bedoeld in artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut. De ambtenaar die zijn dienst beëindigt zonder recht te hebben op een ouderdomsof invaliditeitspensioen, verliest evenwel zijn recht op bezoldiging, die volgens artikel 62 van het Statuut het basissalaris, de gezinstoelagen en de toelagen van andere aard omvat. Ipso facto ontvangt hij dus ook geen wezenpensioen meer.”
18
Partijen zijn ter terechtzitting van 12 januari 1994 een tweede maal gehoord over de antwoorden van de instellingen op de vragen van het Gerecht.
19
Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het besluit om voor haar kinderen geen wezenpensioen toe te kennen, nietig te verklaren;
—
verweerster te verwijzen in de kosten.
20
Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
—
het beroep ongegrond te verklaren;
—
te beslissen over de kosten naar recht.
Ten gronde
21
Verzoekster voert tot staving van haar beroep twee middelen aan: schending van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut en artikel 37, vijfde alinea, van de RAP, en schending van het discriminatieverbod.
Eerste middel: schending van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut en artikel 37, vijfde alinea, van de RAP
22
Volgens verzoekster kan het wezenpensioen als bedoeld in artikel 80, vierde alinea, van het Statuut en artikel 37, vijfde alinea, van de RAP, ook dan worden toegekend, wanneer de echtgenoot vóór de indiensttreding van de overlevende ouder bij de Gemeenschappen is overleden. Het college van hoofden van administratie, dat zijn nota nr. 200/91 op deze uitlegging van de betrokken bepalingen heeft gebaseerd, en de meeste gemeenschapsinstellingen delen deze zienswijze. Daarbij wordt er van uitgegaan, dat het overeenkomstig deze bepalingen betaalde „pensioen” een soortgelijke toelage als een „kindertoelage” en niet een pensioen is. Voor de berekening van de in de eerste drie alinea's van artikel 80 van het Statuut bedoelde pensioenen wordt verwezen naar artikel 21 van bijlage VIII bij het Statuut betreffende de pensioenen; als grondslag voor het in de vierde alinea van deze bepaling genoemde pensioen wordt evenwel het bedrag van de kindertoelage genomen, vermenigvuldigd met twee.
23
De Rekenkamer daarentegen is van mening, dat het in deze bepalingen bedoelde pensioen slechts kan worden toegekend wanneer de echtgenoot ná de indiensttreding van de overlevende ouder is overleden. Deze stelling is gebaseerd op de idee, dat het om een werkelijk pensioen gaat, waarvan de toekenning op bijdragebetaling berust.
24
Vooraf zij vastgesteld, dat verzoekster erkent, dat het in de eerste drie alinea's van artikel 80 van het Statuut over pensioenen stricto sensu gaat. Onderzocht moet dus worden, of het in de vierde alinea van deze bepaling bedoelde pensioen, anders dan vorenbedoelde pensioenen, een soortgelijk pensioen als een kindertoelage is, zoals verzoekster stelt.
25
Dienaangaande wijst het Gerecht erop, dat de in de eerste drie alinea's van artikel 80 van het Statuut bedoelde pensioenen slechts in twee opzichten verschillen van het in de vierde alinea bedoelde pensioen. Dit laatste pensioen is namelijk niet verschuldigd wegens het overlijden van de ambtenaar, maar van zijn echtgenoot, en bovendien wordt het bedrag ervan niet berekend overeenkomstig artikel 21 van bijlage VIII bij het Statuut betreffende de pensioenen, maar wordt het bedrag van de kindertoelage als grondslag genomen.
26
Er zij op gewezen, dat artikel 80, vierde alinea, geen verband legt tussen de betaling van de kindertoelage en die van het pensioen waarin die bepaling voorziet, maar zich ertoe beperkt het bedrag van het pensioen te relateren aan het bedrag van de toelage.
27
Het Gerecht stelt vast, dat het verschil in berekeningswijze naar gelang het gaat om in de vierde alinea dan wel in de andere alinea's van artikel 80 bedoelde pensioenen, niet ter zake dienend is, nu dit het rechtstreekse gevolg is van het feit, dat het betrokken pensioen niet is verschuldigd wegens het overlijden van de ambtenaar, maar van zijn echtgenoot. Dat het in de vierde alinea bedoelde pensioen niet wordt berekend overeenkomstig artikel 21 van bijlage VIII betreffende overlevingspensioenen, komt immers juist doordat het wezenpensioen niet is verschuldigd wegens het overlijden van de ambtenaar, maar van diens echtgenoot, waardoor onder de gemeenschapsregeling geen recht op overlevingspensioen ontstaat.
28
Het enige ter zake dienende verschil tussen de pensioenen bedoeld in de eerste drie alinea's, respectievelijk de vierde alinea van artikel 80, is dus de gebeurtenis waardoor het recht op een wezenpensioen ontstaat, namelijk het overlijden van de ambtenaar of dat van zijn echtgenoot. Dit verschil kan hiermee te maken hebben, dat een pensioen wegens het overlijden van een ambtenaar een ander doel heeft dan een pensioen wegens het overlijden van diens echtgenoot; in het eerste geval is het pensioen bedoeld om te voorzien in het onderhoud van de wezen op grond van bijdragebetaling door de ambtenaar vóór zijn overlijden, en in het andere geval strekt het pensioen ertoe, de ambtenaar die alleen achterblijft te helpen de hogere kosten te dragen die uit deze omstandigheid voortvloeien. Dit laatste doel kan evenwel net zo goed worden nagestreefd door de kinderen een pensioen toe te kennen als door de overlevende ouder een extra gezinstoelage toe te kennen. Dit verschil levert dus geen argumenten op voor of tegen verzoeksters stelling.
29
Het Gerecht is van oordeel, dat het „wezenpensioen” bedoeld in artikel 80, vierde alinea, van het Statuut een echt pensioen is, en wel om de volgende redenen.
30
Enerzijds volgt uit de plaats van artikel 80, vierde alinea, in het Statuut, dat het daarin volgens de bedoeling van de opstellers van het Statuut over een pensioen en niet over een aanvullende kindertoelage gaat. Zo niet, zou deze bepaling niet zijn opgenomen in artikel 80, dat uitsluitend pensioenen betreft en deel uitmaakt van hoofdstuk 3, „Pensioenen”, van titel V van het Statuut, en niet van hoofdstuk 1, „Bezoldiging en vergoeding van kosten”, van titel V, waarin de bepalingen inzake gezinstoelagen zijn opgenomen.
31
Anderzijds volgt uit de tekst van deze bepaling dat, zoals de Commissie in haar antwoord op een vraag van het Gerecht heeft opgemerkt, het pensioen van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut, zoals de in de eerste drie alinea's bedoelde pensioenen, aan de wees zelf toekomt en niet aan de overlevende ouder, wat het geval zou zijn indien het om een aanvullende kindertoelage ging, die krachtens artikel 62 van het Statuut deel uitmaakt van de bezoldiging van de ambtenaar. Overigens zij hierbij aangetekend dat, naast het wezenpensioen dat aan het kind wordt uitgekeerd en dat gelijk is aan „het dubbele van het bedrag van de kindertoelage” (artikel 80, vierde alinea), de overlevende ouder als onderdeel van zijn bezoldiging de gewone kindertoelage ontvangt.
32
Uit het voorgaande volgt, dat artikel 80, vierde alinea, van het Statuut de ambtenaar geen extra kindertoelage toekent, doch in een pensioen ten gunste van wezen voorziet.
33
Kenmerkend voor de pensioenregeling van de Gemeenschappen is, dat de betrokkene tegen bijdragebetaling verzekerd is tegen overlijden of invaliditeit zolang hij bij de regeling is aangesloten.
34
Het pensioen van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut, kan dus enkel worden betaald indien de echtgenoot is overleden na de indiensttreding van de ambtenaar, die vanaf dat tijdstip bij de pensioenregeling van de Gemeenschappen is aangesloten.
35
Deze uitlegging van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut vindt steun in de tekst van de Duitse, de Engelse, de Deense, de Spaanse, de Griekse en de Portugese versie van de bepaling, voor zover daarin over het overlijden van de echtgenoot wordt gesproken in de onvoltooid tegenwoordige tijd van de aantonende wijs of in een tijd van de aanvoegende wijs die de toekomst aangeeft. Volgens deze taalversies moet de ambtenaar dus op het tijdstip van overlijden van zijn echtgenoot in dienst van de Gemeenschappen zijn, willen zijn kinderen in aanmerking komen voor het pensioen waarin deze bepaling voorziet. In de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse versie van deze bepaling wordt weliswaar de verleden tijd gebruikt waar het gaat over het overlijden van de echtgenoot, maar in de Franse en de Nederlandse versie van de eerste en de derde alinea van artikel 80 wordt de verleden tijd ook gebruikt voor een geval (overlijden van de ambtenaar of degene die recht op ouderdoms- of invaliditeitspensioen heeft) dat zich slechts kan voordoen ná indiensttreding van de betrokkene, terwijl in de Italiaanse versie in dit verband uitdrukkingen worden gebruikt die duiden op een tegenwoordige of toekomende tijd. Bijgevolg kan verzoekster zich tot staving van haar stelling niet op deze taalversies beroepen.
36
Nu niet artikel 80, vierde alinea, van het Statuut, maar artikel 37, vijfde alinea, van de RAP op verzoekster van toepassing is, moet worden nagegaan, of de verschillen die inzake plaats en formulering tussen deze bepalingen bestaan, een verschillende oplossing voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen kunnen rechtvaardigen.
37
Artikel 37 maakt deel uit van titel II van de RAP, „Tijdelijke functionarissen”, hoofdstuk 6, „Sociale zekerheid”, afdeling B, „Verzekering bij invaliditeit en overlijden”, wat bevestigt dat het artikel betrekking heeft op pensioenen ter dekking van risico's voor de aangeslotenen; zou deze bepaling betrekking hebben op een soortgelijke uitkering als een kindertoelage, dan zou zij deel uitmaken van hoofdstuk 5, „Bezoldiging en vergoeding van kosten”, waarin artikel 21, handelend over de gezinstoelagen die deel uitmaken van de bezoldiging, is opgenomen. Uit de plaats van deze bepaling in de RAP blijkt dus, dat de uitlegging die het Gerecht van artikel 80, vierde alinea, van het Statuut heeft gegeven, eveneens geldt voor dit artikel.
38
Wat de tekst van artikel 37 betreft, wijst het Gerecht erop, dat in de Franse versie van artikel 37, vijfde alinea, zoals in artikel 80, vierde alinea, van het Statuut, een verleden tijd wordt gebruikt, terwijl in artikel 37, eerste alinea, een tegenwoordige tijd, en in artikel 80, eerste alinea, van het Statuut een verleden tijd wordt gebruikt.
39
Nu in artikel 37, derde alinea, een verleden tijd wordt gebruikt voor een geval dat zich eerst na de indiensttreding van de betrokkene kan voordoen, en bovendien de eerste, tweede, derde en vijfde alinea van artikel 37, en de eerste vier alinea's van artikel 80 van het Statuut dezelfde strekking hebben, dienen deze bepalingen niet verschillend te worden uitgelegd, te meer daar verzoekster deze tekstverschillen niet aan de orde heeft gesteld en evenmin redenen heeft aangevoerd om deze bepalingen verschillend uit te leggen.
40
Uit een en ander volgt, dat verzoekster niet was aangesloten bij de pensioenregeling van de Gemeenschappen op het tijdstip van overlijden van haar echtgenoot, vóór haar indiensttreding bij de Gemeenschappen, zodat haar kinderen niet in aanmerking kunnen komen voor het wezenpensioen waarin de artikelen 80, vierde alinea, van het Statuut en 37, vijfde alinea, van de EAP voorzien.
41
Verzoekster kan niet stellen, dat deze uitlegging van de artikelen 80, vierde alinea, van het Statuut en 37, vijfde alinea, van de RAP in beginsel ingaat tegen de billijkheid. Voor haar is deze uitlegging nadelig, waartegenover staat, dat zij gunstig is voor andere ambtenaren of tijdelijke functionarissen, zoals degenen die de dienst van de Gemeenschappen moeten verlaten zonder ouderdomsof invaliditeitspensioenaanspraken, en wier kinderen dank zij deze uitlegging hun wezenpensioen blijven ontvangen totdat zij de in artikel 2 van bijlage VII bij het Statuut vastgestelde leeftijd hebben bereikt, al ontvangt de overlevende ouder geen kindertoelage meer.
42
Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het non-discriminatiebeginsel
43
Verzoekster stelt, dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van, enerzijds, de ambtenaren van de andere instellingen die het in artikel 80, vierde alinea, van het Statuut bedoelde pensioen wel ontvangen, al is hun echtgenoot overleden vóór hun indiensttreding bij de Gemeenschappen, en anderzijds de ambtenaren wier echtgenoot ná hun indiensttreding bij de Gemeenschappen is overleden.
44
Het Gerecht is in de eerste plaats van oordeel, dat verzoekster zich ten betoge dat zij wordt gediscrimineerd, niet kan beroepen op het feit dat andere ambtenaren profijt trekken van een onregelmatigheid. Uit de overwegingen op grond waarvan het Gerecht het eerste middel heeft afgewezen, volgt immers dat de artikelen 80, vierde alinea, van het Statuut en 37, vijfde alinea, van de RAP eraan in de weg staan, dat uit hoofde van deze bepalingen een pensioen wordt betaald aan de kinderen van ambtenaren of tijdelijke functionarissen wier echtgenoot is overleden vóór hun indiensttreding bij de Gemeenschappen.
45
In de tweede plaats zij opgemerkt, dat verzoekster niet kan stellen dat zij wordt gediscrimineerd ten opzichte van de ambtenaren en tijdelijke functionarissen wier echtgenoot ná hun indiensttreding bij de Gemeenschappen is overleden. Het discriminatieverbod houdt immers in, dat een ongelijke behandeling van verschillende categorieën van ambtenaren of tijdelijke functionarissen gerechtvaardigd dient te zijn op basis van een objectief en redelijk criterium, en dat deze ongelijkheid in een juiste verhouding dient te staan tot het ermee nagestreefde doel.
46
In dit verband kan worden volstaan met erop te wijzen, dat het onderscheidingscriterium objectief is, nu het is gebaseerd op de datum van overlijden van de echtgenoot en op die van de indiensttreding bij de Gemeenschappen van de ambtenaar of tijdelijk functionaris, dat dit criterium redelijk is, nu het is gebaseerd op het feit dat de betrokken uitkering een pensioen is, en dat het verschil in behandeling in een juiste verhouding staat tot het op regelmatige wijze nagestreefde doel, nu onder de pensioenregeling van de Gemeenschap tegenover de dekking van de betrokken risico's staat, dat in beginsel bijdragen aan deze regeling moeten worden betaald.
47
Mitsdien moet het middel worden afgewezen.
48
Uit een en ander volgt, dat het beroep moet worden verworpen.
Kosten
49
Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dat Reglement blijven evenwel in beroepen van personeelsleden van de Gemeenschappen de door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste.
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vijfde kamer)
rechtdoende:
1)
Verwerpt het beroep.
2)
Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Kalogeropoulos
Barrington
Lenaerts
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 maart 1994.
De griffier
H. Jung
De president van de Vijfde kamer
A. Kalogeropoulos
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy