Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Mededinging ° Administratieve procedure ° Verzoek om inlichtingen ° Aanduiding van rechtsgrond en doel van verzoek ° Vereiste van noodzakelijk verband tussen gevraagde inlichtingen en onderzochte inbreuk
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11, lid 3)
2. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Verzoek om inlichtingen krachtens artikel 11 van verordening nr. 17
(EEG-Verdrag, art. 190; verordening nr. 17 van de Raad, art. 11, lid 3)
3. Gemeenschapsrecht ° Beginselen ° Rechten van verdediging ° Eerbiediging in administratieve procedures ° Mededinging ° Beschikking houdende verzoek om inlichtingen, gericht tot onderneming ° Recht antwoord te weigeren, dat erkenning van inbreuk zou inhouden
(Verordening nr. 17 van de Raad, art. 11)
Samenvatting
1. De op de Commissie rustende verplichting om de rechtsgrondslag en het doel van een verzoek om inlichtingen te vermelden, vormt een fundamenteel vereiste, niet alleen om duidelijk te maken dat de van de betrokken ondernemingen gevraagde inlichtingen terecht worden gevraagd, maar ook om hen in staat te stellen vast te stellen, hoe ver hun verplichting tot medewerking gaat, en daarbij tegelijkertijd hun rechten van de verdediging veilig te stellen. Hieruit volgt, dat de Commissie alleen de verstrekking van die inlichtingen kan verlangen, die voor haar van nut kunnen zijn om het vermoeden van een inbreuk dat het houden van een onderzoek rechtvaardigt en dat in het verzoek om inlichtingen moet zijn aangegeven, nader te onderzoeken.
2. Artikel 11, lid 3, van verordening nr. 17 omschrijft de essentiële bestanddelen van de motivering van een verzoek om inlichtingen, waar het bepaalt, dat dit de rechtsgrond en het doel ervan moet aangeven, alsmede moet wijzen op de sancties waarin artikel 15, lid 1, sub b, voorziet voor het verstrekken van onjuiste inlichtingen. Dienaangaande is de Commissie niet gehouden om degene tot wie de beschikking houdende een verzoek om inlichtingen is gericht, op de hoogte te stellen van alle inlichtingen waarover zij met betrekking tot vermoede inbreuken beschikt, noch die inbreuken juridisch precies te kwalificeren, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, duidelijk te omschrijven.
3. De eerbiediging van de rechten van de verdediging moet als grondbeginsel van de communautaire rechtsorde worden gewaarborgd, niet alleen in een administratieve procedure die tot de oplegging van sancties kan leiden, maar ook in het kader van een vooronderzoek, dat beslissend kan zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen.
Ook al kan de Commissie dus in het kader van een verzoek om inlichtingen krachtens artikel 11, leden 2 en 5, van verordening nr. 17 de onderneming verplichten om alle noodzakelijke inlichtingen te verstrekken, zelfs indien deze tegen deze onderneming zelf of tegen een andere onderneming bewijs kunnen opleveren van een gedraging die in strijd is met de mededingingsregels, toch mag zij bij beschikking houdende een verzoek om inlichtingen geen afbreuk doen aan de rechten van de verdediging van de onderneming en haar verplichten antwoorden te geven waardoor zij het bestaan van de inbreuk zou moeten erkennen, die de Commissie heeft te bewijzen.
Partijen
In zaak T-34/93,
Société Générale, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door R. Saint-Esteben, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E. Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door H. Lehman, advocaat te Parijs, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 1 april 1993 inzake een procedure op grond van artikel 11, lid 5, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204), alsmede tot vergoeding van de schade die verzoekster door deze beschikking stelt te hebben geleden,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 9 november 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij brief van 12 september 1992, die als voorwerp vermeldde "Zaken nr. IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki, en nr. IV/30.717-B ° Eurocheque: overeenkomst Package Deal", verzocht de Commissie Société Générale om inlichtingen krachtens artikel 11, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, blz. 204; hierna: "verordening nr. 17").
2 Dit verzoek om inlichtingen is gedaan in de navolgende situatie: op 31 oktober 1980 is door de nationale samenwerkingsverbanden die de financiële instellingen van alle aan het Eurocheque-systeem deelnemende landen vertegenwoordigden, de zogeheten "Package Deal" gesloten, een overeenkomst betreffende commissielonen, valutadata en centrale verwerking van in lokale valuta uitgeschreven uniforme eurocheques en openstelling van de niet-bancaire sector. De overeenkomst, die werd gesloten voor de duur van vijf jaar vanaf 1 mei 1981, vormt een onderdeel van de Eurocheque-overeenkomsten. Zij legt in hoofdzaak de navolgende beginselen vast:
° de niet-bancaire sector (winkels, grootwarenhuizen, tankstations, hotels en restaurants) moet officieel worden opengesteld voor de aanneming van uniforme eurocheques en moet op de hoogte worden gebracht van de garantievoorwaarden;
° de uniforme eurocheques moeten worden getrokken in de lokale valuta van het bezochte land;
° een commissie van 1,25 % van het bedrag van de cheque zal zonder minimum worden toegepast op elke uniforme in het buitenland in lokale valuta getrokken eurocheque. Deze commissie zal niet meer worden geheven door de uitbetalende instelling bij de uitbetaling en evenmin door de handelaar bij de aanneming van de cheque, doch zal worden betaald bij de terugbetaling van de cheque door de verrekeningscentrale.
3 Tijdens de bijeenkomst van de Assemblée Eurocheque te Helsinki op 19 en 20 mei 1983 is tussen de Franse banken en financiële instellingen enerzijds en de Assemblée Eurocheque anderzijds een "overeenkomst betreffende de acceptatie door handelaren in Frankrijk van eurocheques die zijn getrokken op buitenlandse financiële instellingen" (hierna: "overeenkomst van Helsinki") gesloten. Volgens deze overeenkomst kwamen de Franse banken en financiële instellingen met de internationale Eurocheque-gemeenschap overeen, dat de bij de Groupement Carte bleue en/of Eurocard France SA aangesloten handelaren vanaf 1 december 1983 voor de betaling van goederen en diensten in Franse frank uitgeschreven buitenlandse eurocheques zouden accepteren op dezelfde voorwaarden als die van eerdergenoemde organisaties. Bijgevolg verplichtten de Groupement Carte bleue enerzijds en de Crédit agricole en Crédit mutuel anderzijds zich, om onder meer de volgende maatregelen te nemen: "Voor per eurocheque verrichte aankopen brengen de leden van de Groupement Carte bleue en van Eurocard de bij hen aangesloten handelaren een commissie in rekening die niet hoger mag zijn dan de commissie op betaling per Carte bleue of Eurocard."
4 Op 10 december 1984 gaf de Commissie beschikking 85/77/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717 ° Uniforme eurocheques) (PB 1985, L 35, blz. 43), waarin de bepalingen van artikel 85, lid 1, voor de periode van 7 juli 1982 tot en met 30 april 1986 niet van toepassing werden verklaard op de "Package Deal".
5 Op 5 mei 1986 verzocht Eurocheque International de Commissie om verlenging van de vrijstelling voor de "Package Deal".
6 Op 16 december 1987 meldde Eurocheque International bij de Commissie de nieuwe "Package Deal" aan, die op 5 juni 1987 voor onbepaalde tijd was gesloten en op 1 januari 1988 in werking zou treden.
7 Op 31 juli 1990 richtte de Commissie een mededeling van de punten van bezwaar tot Eurocheque International, die zowel de nieuwe "Package Deal" als de overeenkomst van Helsinki betrof. Tegelijkertijd richtte zij tot de Groupement des cartes bancaires "CB" (hierna: Groupement "CB") een mededeling van de punten van bezwaar die enkel de overeenkomst van Helsinki betrof.
8 Op 22 mei 1991 stelde de Groupement "CB" de Commissie in kennis van het besluit van de Assemblée Eurocheque om de overeenkomsten van Helsinki te beëindigen, zulks gelet op de door de diensten van de Commissie kenbaar gemaakte bezwaren.
9 Op 5 juni 1991 deelde Eurocheque International de Commissie mee, dat zij bereid was de overeenkomst van Helsinki op te zeggen.
10 Op 25 maart 1992 gaf de Commissie beschikking 92/212/EEG inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki) (PB 1992, L 95, blz. 50). Op 25 mei 1992 hebben de Groupement "CB" en Eurocheque International (later genaamd Europay International) tegen deze beschikking elk voor zich beroep ingesteld. Bij arrest van 23 februari 1994 heeft het Gerecht de artikelen 1 en 3 van de beschikking van de Commissie nietig verklaard, voor zover zij betrekking hadden op Eurocheque International, en het bedrag van de aan Groupement "CB" opgelegde geldboete vastgesteld op 2 miljoen ECU (gevoegde zaken T-39/92 en T-40/92, CB en Europay, Jurispr. 1994, blz. II- 49).
11 In haar verzoek om inlichtingen van 12 september 1992, dat als voorwerp vermeldde "Zaken nr. IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki, en nr. IV/30.717-B ° Eurocheque: overeenkomst Package Deal", herinnerde de Commissie eraan, dat in de overeenkomst van Helsinki, ten aanzien waarvan de Commissie op 25 maart 1992 een verbodsbeschikking had gegeven en een geldboete had opgelegd, in beginsel onderscheid werd gemaakt tussen drie soorten van buitenlandse eurocheques die in Frankrijk worden uitgeschreven, namelijk eurocheques die tegen contant geld worden uitgeschreven aan de loketten van de Franse banken, eurocheques die worden uitgeschreven bij Franse handelaren die bij de Groupement "CB" zijn aangesloten, en buitenlandse eurocheques die in Frankrijk worden uitgeschreven bij niet bij de Groupement "CB" aangesloten handelaren of bij particulieren. De "Package Deal" evenwel, die is gesloten in 1980 en waarvoor bij beschikking van de Commissie van 10 december 1984 ontheffing is verleend, maakt dit onderscheid niet. De Commissie constateert, dat door de beëindiging van de overeenkomst van Helsinki door de Franse banken in 1991 deze ongerechtvaardigde differentiatie tussen drie categorieën van eurocheques, die niet in de "Package Deal" was voorzien, is verdwenen. Zij leidt daaruit af, dat sindsdien alle buitenlandse eurocheques die in Frankrijk worden uitgeschreven, onder het systeem van de "Package Deal" zouden moeten vallen, voor zover het bedrag van deze eurocheques lager is dan het maximale compensatiebedrag waarboven eurocheques niet meer binnen het Eurocheque-systeem worden afgehandeld, maar worden gelijkgesteld met overschrijvingen uit het buitenland. Een Franse begunstigde van een op een Duitse bank getrokken buitenlandse eurocheque was evenwel tot haar verbazing door Société Générale een commissie van 92,50 FF in rekening gebracht, terwijl haar volgens de "Package Deal" niets in rekening had moeten worden gebracht. Na te hebben verklaard dat zij hiervoor een uitleg van Société Générale wenste te ontvangen, preciseerde de Commissie, dat het verzoek om inlichtingen "de Commissie in staat dient te stellen de door de klaagster verstrekte inlichtingen aan te vullen, om met volledige kennis van de feiten en hun werkelijke economische context te kunnen beoordelen of de betrokken afspraken of feitelijke gedragingen verenigbaar zijn met de communautaire mededingingsregels". De inlichtingen waarom werd gevraagd, werden gespecificeerd in een bij het verzoek om inlichtingen gevoegde vragenlijst.
12 In haar antwoord van 12 oktober 1992 stelde Société Générale vast, dat de motivering van de beschikking haar niet in staat stelde, de op haar rustende verplichting tot medewerking te beoordelen. Het onderzoek was gepresenteerd als bedoeld ter aanvulling van de informatie waarover de Commissie beschikte, betreffende de omstandigheden waaronder Société Générale een commissie van 92,50 FF in rekening had gebracht aan een cliënte die een privé-rekening had, en die bij Société Générale een op een Duitse bank getrokken eurocheque van 4 710 FF ter inning had ingediend. Volgens Société Générale was evenwel "niet duidelijk welke de rechtsgrondslag van (het) onderzoek kan zijn, aangezien het geen verband lijkt te houden met het in de aanhef vermelde tweeledige voorwerp". Verzoekster beklemtoonde in de eerste plaats, dat het in casu ging om een ten gunste van een particulier uitgeschreven cheque, terwijl de overeenkomst van Helsinki de aanvaarding door handelaren in Frankrijk van op buitenlandse financiële instellingen getrokken eurocheques regelt. In de tweede plaats merkte zij op, dat de "Package Deal" uitsluitend betrekking heeft op in de bancaire en de commerciële sector gebruikte eurocheques. Zij concludeerde daaruit, dat de inhoud van de vragen in wezen deed vermoeden, dat het er in werkelijkheid om te doen was, het verweer van de Commissie te versterken in de door de Groupement "CB" en Eurocheque International bij het Gerecht tegen de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992 aanhangig gemaakte procedure.
13 Bij brief van 23 oktober 1992 verklaarde de Commissie, dat het in het kader van de procedure die door de Commissie op 19 juli 1990 was ingeleid naar aanleiding van het door Eurocheque International ingediende verzoek om verlenging van de ontheffing voor de "Package Deal", van belang was dat Société Générale zou antwoorden op de haar gestelde vragen, teneinde de Commissie een duidelijk beeld te verschaffen van de huidige stand van zaken na de beëindiging van de overeenkomst van Helsinki, die een eind zou maken aan het onderscheid tussen de drie categorieën van eurocheques, waarop Société Générale zich nog steeds beriep. Ten slotte verzocht de Commissie Société Générale om de vragen die haar waren gesteld, uiterlijk drie weken na ontvangst van de brief te beantwoorden.
14 Op 16 november 1992 liet Société Générale de Commissie weten, dat haar onderzoek berustte op een onjuiste uitlegging van de strekking van de "Package Deal" en de overeenkomst van Helsinki, welke uitlegging het voorwerp vormde van een geding dat de Groupement "CB" en Europay International voor het Gerecht aanhangig hadden gemaakt en waarvan de uitslag volgens haar moest worden afgewacht. Aangaande de feiten waarover bij de Commissie een klacht was ingediend, herinnerde Société Générale eraan, dat zij op alle door een niet-handelaar aangeboden buitenlandse eurocheques dezelfde commissies hief als op buitenlandse cheques, en dat zij op deze transacties niet de in de "Package Deal" voorziene interbancaire commissie hief, daar aan particulieren uitgeschreven eurocheques werden geïncasseerd door directe overdracht aan haar buitenlandse correspondent en niet door het Eurocheque-systeem van behandeling en compensatie.
15 In haar antwoord van 1 december 1992 meende de Commissie, dat het niet aan Société Générale stond om een oordeel te vellen over de vraag of al dan niet de afloop van het bij de gemeenschapsrechter aanhangige geschil moest worden afgewacht alvorens de met betrekking tot de "Package Deal" aangespannen procedure werd voortgezet. Volgens de Commissie konden de vage en zeer beknopte inlichtingen die Société Générale had verstrekt, niet worden beschouwd als antwoorden welke zij op haar verzoek om inlichtingen van 12 september 1992 mocht verwachten en zij wees erop, dat deze brief de laatste aanmaning aan verzoekster zou zijn.
16 Op 1 april 1993 gaf de Commissie beschikking C (93) 746 def., waarvan het dispositief luidt als volgt:
"Artikel 1
Société Générale is gehouden binnen twee weken na de kennisgeving van deze beschikking de in bijlage bij deze beschikking gepreciseerde inlichtingen te verstrekken.
Artikel 2
Zo Société Générale in gebreke blijft de gevraagde inlichtingen onder de in artikel 1 bepaalde voorwaarden te verstrekken, wordt haar een dwangsom van 1 000 ECU per dag vertraging, te rekenen vanaf de termijn van twee weken na de kennisgeving van deze beschikking, opgelegd.
Artikel 3
(omissis)"
17 Na de kennisgeving van de beschikking beantwoordde Société Générale, onder verwijzing naar de dwangsom waarmee zij werd bedreigd, bij brief van 19 april 1993 de vragenlijst. Zij hield evenwel vol, dat zij niet gehouden was, op het verzoek om inlichtingen te antwoorden, aangezien het terrein dat door de gestelde vragen werd bestreken, zo uitgebreid was dat het geen verband meer houdt met de bij de Commissie ingediende klacht, omdat een deel van de gestelde vragen betrekking had op de toepassing door Société Générale van de overeenkomst van Helsinki voordat deze in 1991 werd beëindigd, en het de Commissie ingevolge de algemene beginselen van procesrecht, in het bijzonder de regels betreffende de bewijslast, verboden was een onderneming te dwingen een inbreuk te onthullen, gesteld al dat de beschikking van 25 maart 1992 onverhoopt door het Gerecht zou worden bevestigd.
Het procesverloop en de conclusies
18 In deze omstandigheden heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 juni 1993, het onderhavige beroep ingesteld.
19 Bij beschikking van het Gerecht van 6 oktober 1994 is de zaak, de opmerkingen van partijen gehoord, verwezen naar de Vierde kamer, die is samengesteld uit drie rechters.
20 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft verzoekster evenwel een vraag gesteld, die zij heeft beantwoord bij brief van 19 oktober 1994. Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 9 november 1994.
21 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
1) het beroep tot nietigverklaring van Société Générale ontvankelijk en gegrond te verklaren;
en derhalve
2) de beschikking van de Commissie van 1 april 1993 nietig te verklaren;
3) te verklaren dat het antwoord bij brief van Société Générale van 19 april 1993 derhalve uit de procedure wordt teruggetrokken, evenals alle verzoeken van de Commissie (brieven van 12 september, 23 oktober en 1 december 1992);
4) het beroep van Société Générale wegens niet-contractuele aansprakelijkheid ontvankelijk en gegrond te verklaren;
5) bijgevolg de Commissie te veroordelen tot betaling van 1 FF aan Société Générale ter vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade;
6) de Commissie te verwijzen in alle kosten.
22 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
1) het beroep van Société Générale tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 1 april 1993 te verwerpen;
2) het verzoek om de Commissie te veroordelen tot betaling van 1 FF af te wijzen;
3) Société Générale te verwijzen in de kosten van dit geding.
De conclusies strekkende tot nietigverklaring van de beschikking van 1 april 1993
23 Tot staving van haar conclusies tot nietigverklaring voert verzoekster in wezen drie middelen aan: schending van artikel 11 van verordening nr. 17, schending van de motiveringsplicht van artikel 190 EEG-Verdrag (thans EG-Verdrag, hierna: "het Verdrag") en schending van de rechten van de verdediging.
Het middel ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 17
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
24 Verzoekster verwijt de Commissie, dat zij artikel 11 van verordening nr. 17 heeft geschonden, doordat zij niet duidelijk en nauwkeurig de rechtsgrond en het doel van haar verzoek om inlichtingen heeft aangegeven en het verband tussen de gestelde vragen en de beweerde inbreuk niet heeft aangetoond.
25 Wat in de eerste plaats de rechtsgrond van het verzoek om inlichtingen betreft, merkt verzoekster op, dat de Commissie, na in de visa van de bestreden beschikking de artikelen 85 en 86 van het Verdrag te hebben genoemd, in de overwegingen van de bestreden beschikking zich ertoe beperkt, de vraag op te werpen of het gedrag van Société Générale in overeenstemming is met "de algemene communautaire mededingingsvoorschriften", zonder evenwel te preciseren of het om artikel 85 en/of artikel 86 gaat.
26 Vervolgens verwijt verzoekster de Commissie, dat zij niet duidelijk heeft aangegeven of het verzoek om inlichtingen ten doel had, te onderzoeken of er inbreuken waren gemaakt door Société Générale, dan wel de Commissie inzicht te verschaffen in de "huidige stand van zaken" teneinde de geoorloofdheid van de "Package Deal" te beoordelen in het kader van een bepaalde procedure waarbij andere rechtspersonen dan Société Générale betrokken waren, of op de procedure betreffende de overeenkomst van Helsinki terug te komen.
27 Verzoekster betoogt in dit verband, dat zij, gezien de brief van de Commissie van 12 september 1992, mocht aannemen, dat zij na een klacht van haar cliënte, werd ondervraagd over een mogelijke door haarzelf gemaakte inbreuk. Zij vermag evenwel niet in te zien, in hoeverre de heffing van een commissie, hetgeen in strijd zou zijn met een overeenkomst tussen ondernemingen of verenigingen van ondernemingen, een inbreuk op de mededingingsregels van het Verdrag zou kunnen vormen.
28 De verwijzing in die brief naar "Zaken nr. IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki, en nr. IV/30.717-B ° Eurocheque: overeenkomst Package Deal" doet vermoeden dat het verzoek om inlichtingen is gedaan in het kader van de oude procedures, die niet Société Générale betroffen, maar de Groupement "CB" en Europay International, derde rechtspersonen.
29 De tweede brief van de Commissie aan Société Générale van 23 oktober 1992, na het antwoord van laatstgenoemde van 12 oktober 1992, preciseert weliswaar het doel van het verzoek om inlichtingen ° daarin wordt gesteld dat dit wordt gedaan in het kader van "de procedure die door de Commissie op 19 juli 1990 is ingeleid na het door Eurocheque ingediende verzoek om verlenging van de ontheffing voor de Package Deal" ° doch enerzijds verwijst zij nog steeds naar procedure "IV/30.717-A ° Eurocheque: overeenkomst van Helsinki", terwijl de procedure betreffende de overeenkomst van Helsinki was afgesloten met een beschikking van de Commissie, en anderzijds heeft zij nog steeds betrekking op een aan Société Générale toe te rekenen inbreuk, nu zij melding maakt van de tegen haar gerichte klacht. De beschikking zelf verschaft ter zake evenmin duidelijkheid.
30 Verzoekster verwijt de Commissie voorts, dat deze het verband tussen de gestelde vragen en de vermoede inbreuk niet heeft vastgesteld. Dienaangaande stelt zij, dat de door de Commissie aangevoerde feiten, zoals deze uit de ingediende klacht blijken, namelijk de heffing van een commissie op een door een particulier bij Société Générale ingediende buitenlandse eurocheque, geen enkel verband houden met de overeenkomst van Helsinki, die zoals reeds uit haar benaming blijkt, enkel betrekking heeft op de aanvaarding van op buitenlandse financiële instellingen getrokken eurocheques door handelaren in Frankrijk.
31 Eveneens betoogt verzoekster, dat de vragen betreffende de "Package Deal" geen enkel verband vertonen met de haar verweten gedraging, noch met het doel van het onderzoek, aangezien de "Package Deal" volgens haar uitsluitend betrekking heeft op eurocheques die in de bancaire sector en onder bepaalde voorwaarden in de commerciële sector worden gebruikt. Uit de ontheffingsbeschikking voor de "Package Deal" van 10 december 1984 blijkt echter duidelijk, dat de experimentele opening van de niet-bancaire sector voor eurocheques enkel gold voor handelaren en niet voor particulieren.
32 Zij leidt hieruit af dat zij, aangezien het precieze doel van het verzoek om inlichtingen onduidelijk is, dit verzoek niet behoefde te beantwoorden en dat de bestreden beschikking derhalve nietig moet worden verklaard.
33 De Commissie betoogt, dat het op 12 september 1992 aan Société Générale gerichte verzoek om inlichtingen voldoet aan de eisen van artikel 11, lid 3, van verordening nr. 17, zoals uitgelegd door de rechtspraak van het Hof en het Gerecht.
34 Allereerst is zij van mening, dat zij de rechtsgrond van het verzoek duidelijk heeft aangegeven, door te verklaren dat deze brief een formeel verzoek om inlichtingen was krachtens artikel 11 van verordening nr. 17, en dat zij voornemens was de verenigbaarheid van de in geding zijnde afspraken of feitelijke gedragingen te toetsen aan de mededingingsregels.
35 Voorts meent de Commissie, dat zij door haar verwijzing naar de beschikking inzake de overeenkomst van Helsinki en het volgens haar in de "Package Deal" vervatte beginsel dat de begunstigde van de eurocheque het volledige bedrag ontvangt, in haar brief van 12 september 1992 duidelijk heeft doen uitkomen, dat het verzoek om inlichtingen ten doel had, om naar aanleiding van de bij haar ingediende klacht van de begunstigde van een buitenlandse eurocheque aan wie door Société Générale een commissie in rekening was gebracht, uit te zoeken, of er een mededingingsregeling betreffende de heffing van commissies bij de inning van buitenlandse eurocheques ten laste van de cliënten bestond.
36 Ten slotte merkt zij op, dat de rechtsgrond en het doel van het verzoek om inlichtingen duidelijk blijken uit de punten 1 tot en met 5 en 7 tot en met 12 van de bestreden beschikking, in hun onderlinge samenhang gelezen.
Beoordeling door het Gerecht
37 Allereerst zij eraan herinnerd, dat de Commissie krachtens artikel 11, lid 1, van verordening nr. 17 bevoegd is, verzoeken om inlichtingen tot de ondernemingen te richten teneinde, ter vervulling van de taken welke haar zijn opgedragen in artikel 89 en in de voorschriften vastgesteld ter uitvoering van artikel 87 van het Verdrag, bij hen alle inlichtingen in te winnen die zij nodig heeft.
38 Voorts voorziet artikel 11 van verordening nr. 17 voor de uitoefening van de bevoegdheid van de Commissie om inlichtingen te vragen een procedure in twee fasen, waarvan de tweede ° vaststelling door de Commissie van een beschikking waarin "de gevraagde inlichtingen worden omschreven" ° slechts kan worden ingeleid indien de eerste fase ° de verzending van een verzoek om inlichtingen ° zonder resultaat is gebleven (arrest Hof van 26 juni 1980, zaak 136/79, National Panasonic, Jurispr. 1980, blz. 2033, r.o. 10).
39 Artikel 11, lid 3, bepaalt eveneens, dat de Commissie in het verzoek om inlichtingen wijst op "de rechtsgrond en het doel van dit verzoek".
40 Evenals het Hof in het arrest van 21 september 1989 (gevoegde zaken 46/87 en 227/88, Hoechst, Jurispr. 1989, blz. 2859, r.o. 29) in een met artikel 11 vergelijkbare materie ° de in artikel 14 van verordening nr. 17 aan de Commissie toegekende verificatiebevoegdheden ° verklaarde, vormt de op de Commissie rustende verplichting om de rechtsgrond en het doel van het verzoek om inlichtingen te vermelden, een fundamenteel vereiste, niet alleen om duidelijk te maken, dat de van de betrokken ondernemingen gevraagde inlichtingen terecht worden gevraagd, maar ook om hen in staat te stellen vast te stellen, hoe ver hun verplichting tot medewerking gaat, en daarbij tegelijkertijd hun rechten van de verdediging veilig te stellen. Hieruit volgt, dat de Commissie alleen de verstrekking van die inlichtingen kan verlangen, die voor haar van nut kunnen zijn om het vermoeden van een inbreuk dat het houden van een onderzoek rechtvaardigt, en dat in het verzoek om inlichtingen moet zijn aangegeven, nader te onderzoeken (arrest Gerecht van 12 december 1991, zaak T-39/90, SEP, Jurispr. 1991, blz. II-1497, r.o. 25).
41 Derhalve moet in casu worden nagegaan, of de Commissie bij de uitoefening van haar recht om van verzoekster inlichtingen te vragen, heeft gehandeld binnen de grenzen waarin zij krachtens verordening nr. 17, de haar opgedragen taken moet vervullen, en of de in artikel 11 van verordening nr. 17 voorziene procedure in twee fasen is gevolgd.
42 Allereerst zij eraan herinnerd, dat de Commissie in haar brief van 12 september 1992 eerst haar bezwaren heeft geuit tegen de haars inziens ongerechtvaardigde differentiatie in de behandeling van een in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheque naar gelang deze wordt aangeboden aan het loket van een bank, aan een handelaar of aan een particulier. Vervolgens heeft zij met betrekking tot de van de begunstigde geheven commissie verklaard dat de beëindiging van de overeenkomst van Helsinki door de Franse banken in 1991 tot gevolg heeft gehad, dat alle in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheques kwamen te vallen onder de "Package Deal" de enige regeling. Onder verwijzing naar het geval van een Frans onderdaan die zich bij haar erover heeft beklaagd dat Société Générale haar een niet in de "Package Deal" voorziene commissie in rekening had gebracht bij de ter incasso aanbieding van een op een Duitse bank getrokken eurocheque, vraagt zij verzoekster dienaangaande om uitleg om haar in staat te stellen "de door de klaagster verstrekte inlichtingen aan te vullen, om met volledige kennis van de feiten en hun werkelijke economische context te kunnen beoordelen, of de betrokken afspraken of feitelijke gedragingen verenigbaar zijn met de communautaire mededingingsregels".
43 Vervolgens heeft de Commissie, na verzoeksters weigering om aan het verzoek om inlichtingen gevolg te geven, in haar brief van 23 oktober 1992 gepreciseerd, dat haar verzoek werd gedaan "in het kader van de procedure die door de Commissie op 19 juli 1990 was ingeleid naar aanleiding van het verzoek van Eurocheque om verlenging van de Package Deal" en dat de gevraagde antwoorden ten doel hadden, haar "een duidelijk beeld te verschaffen van de huidige stand van zaken na de beëindiging van de overeenkomst van Helsinki, die een eind zou maken aan dit onderscheid tussen drie categorieën van eurocheques waarop u zich nog steeds beroept".
44 Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie met deze precisering, zonder het voorwerp van haar oorspronkelijk verzoek van 12 september 1992 te wijzigen, een eind heeft gemaakt aan de onduidelijkheid die bij verzoekster had kunnen ontstaan doordat de op 31 oktober 1981 gesloten "Package Deal" en de op 19 en 20 mei 1983 gesloten overeenkomst van Helsinki ten tijde van het verzoek niet meer golden.
45 Zo blijkt bij lezing van de oorspronkelijke brief van 12 september 1992 in samenhang met die van 23 oktober 1992, dat de Commissie uitsluitend in het kader van de administratieve procedure betreffende de aanmelding van het verzoek om ontheffing voor de nieuwe "Package Deal" in verband met een bij haar ingediende klacht heeft willen nagaan, wat precies de feitelijke en juridische situatie was met betrekking tot de vergoeding voor de incasso van een op een buitenlandse bank getrokken eurocheque die door een particulier bij verzoekster was aangeboden.
46 Ook heeft de Commissie in de bestreden beschikking van 1 april 1993, die is gegeven na de weigering van Société Générale om de gevraagde inlichtingen te verstrekken, het doel van het verzoek om inlichtingen geaccentueerd, door de bewoordingen van vorengenoemde brieven letterlijk te herhalen en te verklaren, dat zij haar inlichtingen betreffende de door Société Générale voor buitenlandse eurocheques toegepaste condities wilde aanvullen, teneinde te kunnen beoordelen of de gedraging waarover de klaagster zich had beklaagd, en de condities die door Société Générale zijn of worden toegepast op de inning van buitenlandse eurocheques, al dan niet in overeenstemming zijn met de communautaire mededingingsregels.
47 Mitsdien is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie, handelend in het kader van het onderzoek van het verzoek om ontheffing voor de nieuwe "Package Deal", die op 5 juni 1987 was gesloten en op 16 december 1987 was aangemeld, van verzoekster mocht verlangen dat zij haar inlichtingen verstrekt over de wijze waarop zij op een buitenlandse bank getrokken eurocheques behandelde op het punt van haar vergoeding voor haar incassodienst aan de begunstigden van die cheques, ongeacht of het particulieren, dan wel handelaren waren, enerzijds, en aan de bank van degenen die dergelijke cheques uitschreven, anderzijds.
48 Vaststaat, dat de Commissie zowel in de brief van 12 september 1992 als in die van 23 oktober 1992 duidelijk de wettigheid, in het licht van de "Package Deal", van een gedifferentieerde vergoeding voor de incasso van een buitenlandse eurocheque, naar gelang van de hoedanigheid van de begunstigde daarvan, ter discussie heeft gesteld.
49 Vaststaat eveneens, dat de Commissie in de op 31 juli 1990 aan Eurocheque International toegezonden mededeling van de punten van bezwaar, waarnaar verzoekster in punt 10 van haar verzoekschrift verwijst, te verstaan heeft gegeven, dat ten aanzien van de ontheffing voor de nieuwe "Package Deal" als voorwaarde zou worden gesteld dat de begunstigde van een eurocheque bij het innen daarvan het gehele bedrag ontvangt.
50 In deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie, zonder inbreuk te maken op artikel 11 van verordening nr. 17, de omvang van haar onderzoek aldus kon omschrijven, dat door middel van de verlangde inlichtingen duidelijkheid diende te worden verkregen omtrent de feitelijke en juridische situatie ter zake van de vergoeding voor de inning van buitenlandse eurocheques, eventueel in het licht van de ontwikkelingen in deze situatie onder de werkingssfeer van de overeenkomst van Helsinki en de beëindiging van deze overeenkomst.
51 Mitsdien is het Gerecht in de eerste plaats van oordeel, dat de verwijzing naar zowel de "Package Deal", die op 31 oktober 1981 was gesloten en waarvoor op 10 december 1984 ontheffing was verleend, als de overeenkomst van Helsinki, die op 19 en 20 mei 1983 was gesloten en in 1991 was ingetrokken, slechts de historische context van de nieuwe "Package Deal" memoreerde en niet diende om aan te geven dat het verzoek om inlichtingen zich toespitste op de overeenkomst van Helsinki.
52 In de tweede plaats is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster zich niet, zoals zij in haar antwoord van 12 oktober 1992 heeft gedaan, kon beroepen op de beweerde niet-toepasselijkheid van de "Package Deal" op door particulieren ter incasso aangeboden buitenlandse eurocheques die niet door henzelf zijn uitgeschreven, teneinde zich te onttrekken aan de verplichting om op het verzoek om inlichtingen van 12 september 1992 te antwoorden, aangezien het onderzoek naar de gegrondheid van dit argument is voorbehouden aan de Commissie.
53 Uit het voorgaande volgt, dat verzoekster de rechtsgrond en het doel van het tot haar gerichte verzoek om inlichtingen niet heeft kunnen misverstaan en dat de Commissie, handelend in het kader van het onderzoek van het verzoek om ontheffing voor de nieuwe "Package Deal", de grenzen van de haar bij artikel 11 van verordening nr. 17 toegekende bevoegdheden niet heeft overschreden, door verzoekster te vragen haar inlichtingen van feitelijke aard te verstrekken omtrent haar vergoeding voor haar diensten voor de incasso aan de begunstigden van die cheques enerzijds en aan de bank van degenen die op een buitenlandse bank getrokken eurocheques uitschrijven, anderzijds.
54 Mitsdien moet het middel, ontleend aan schending van artikel 11 van verordening nr. 17, worden afgewezen.
Het middel ontleend aan schending van artikel 190 van het Verdrag
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen.
55 Het middel, ontleend aan schending van artikel 190 van het Verdrag, valt uiteen in twee onderdelen, namelijk een ontoereikende en een tegenstrijdige motivering.
56 Verzoekster stelt in de eerste plaats, dat het verzoek om inlichtingen zoals dat haar bij de verschillende brieven van de Commissie had bereikt, erg onduidelijk was. Die brieven, die hetzij voor de belangrijkste punten hetzij in extenso in de motivering van de beschikking zijn overgenomen, maken volgens haar daarvan integraal deel uit en maken zo de beschikking zelf nietig.
57 In de tweede plaats is volgens verzoekster de bewering van de Commissie in punt 12 van de beschikking, dat zij de gevraagde inlichtingen nodig had om te beoordelen of de condities die door Société Générale zijn of worden toegepast op de inning van buitenlandse eurocheques, al dan niet in overeenstemming zijn met de communautaire mededingingsregels, in tegenspraak met de beschikking zelf, wanneer zij onder verwijzing naar de beschikking van 25 maart 1992 concludeert, dat de condities betreffende de behandeling van de betrokken eurocheques door de Franse banken onwettig zijn.
58 Een andere tegenstrijdigheid leidt verzoekster af uit het feit dat de Commissie vermeldt, dat zij een onderzoek verricht naar de "Package Deal" teneinde na te gaan of deze overeenkomst in overeenstemming is met artikel 85, lid 1, en tegelijkertijd in de bestreden beschikking verklaart, dat alle in Frankrijk uitgeschreven buitenlandse eurocheques uitsluitend onder de regeling van de "Package Deal" zouden moeten vallen.
59 De Commissie stelt om te beginnen, dat de motivering van de beschikking volledig is, aangezien daarin eerst de precedenten van de zaak, de context van de betrokken procedure en het bijzondere geval van de klacht tegen Société Générale in herinnering worden gebracht, en vervolgens het standpunt van de Commissie ten aanzien van de bij de inning van buitenlandse eurocheques geheven commissies wordt uiteengezet en wordt gewezen op haar verplichting om de voor buitenlandse eurocheques geldende condities te toetsen aan de communautaire mededingingsregels.
60 Voorts is het volgens haar niet in tegenspraak met elkaar om enerzijds te verklaren, dat de tot mei 1991 door de Franse banken toegepaste condities onwettig waren, zoals de Commissie heeft vastgesteld in haar beschikking van 25 maart 1992, en anderzijds zich af te vragen hoe het stond met de condities die sinds de beëindiging van de overeenkomst van Helsinki in mei 1991 worden toegepast.
61 Ook is het volgens de Commissie niet in tegenspraak met elkaar om enerzijds te stellen, dat de behandeling van eurocheques uitsluitend onder de regeling van de "Package Deal" zou moeten vallen, en anderzijds met betrekking tot die overeenkomst een mededeling van de punten van bezwaar te doen toekomen. De aan Eurocheque International gerichte mededeling van de punten van bezwaar betrof immers de nieuwe "Package Deal", die in 1987 bij de Commissie was aangemeld, terwijl de verwijzing in punt 4 van de bestreden beschikking betrekking had op de "Package Deal", die in 1980 was aangemeld en waarvoor bij beschikking van 10 december 1984 ontheffing was verleend.
Beoordeling door het Gerecht
62 Er zij aan herinnerd dat, evenals het Hof in het arrest National Panasonic (reeds aangehaald, r.o. 25) met betrekking tot artikel 14, lid 3, ° een vergelijkbare bepaling inzake verificatie ° heeft verklaard, artikel 11, lid 3, van verordening nr. 17 zelf de essentiële bestanddelen van de motivering van een verzoek om inlichtingen omschrijft, waar het bepaalt, dat dit de rechtsgrond en het doel ervan moet aangeven, alsmede moet wijzen op de sancties waarin artikel 15, lid 1, sub b, voorziet voor het verstrekken van onjuiste inlichtingen.
63 Dienaangaande is de Commissie niet gehouden om degene tot wie de beschikking houdende een verzoek om inlichtingen is gericht, op de hoogte te stellen van alle inlichtingen waarover zij met betrekking tot vermoede inbreuken beschikt, noch die inbreuken juridisch precies te kwalificeren, maar wel om de vermoedens die zij voornemens is te verifiëren, duidelijk te omschrijven (zie arrest Hoechst, reeds aangehaald, r.o. 41).
64 In casu stelt het Gerecht vast, dat de Commissie, door in haar beschikking te vermelden, dat de gevraagde inlichtingen haar in staat dienen te stellen om te beoordelen in hoeverre de door een Franse bank ten aanzien van buitenlandse eurocheques toegepaste condities een inbreuk kunnen vormen op de communautaire mededingingsregels en dat het verzoek om inlichtingen werd gedaan in het kader van het verzoek om ontheffing voor de nieuwe "Package Deal", die op 5 juni 1987 was gesloten en op 16 december 1987 was aangemeld, de rechtsgrond en het doel van het verzoek om inlichtingen duidelijk heeft omschreven. De beschikking bevat derhalve de essentiële bestanddelen die door artikel 11, lid 3, van verordening nr. 17 worden verlangd.
65 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat voor zover door de verwijzing naar de overeenkomst van Helsinki slechts de historische context van de nieuwe "Package Deal" wordt gememoreerd en daarmee niet wordt beoogd aan te geven dat het verzoek om inlichtingen zich toespitst op de overeenkomst van Helsinki, de Commissie terecht en zonder zichzelf tegen te spreken in punt 4 van de bestreden beschikking kon verwijzen naar de verbodsbeschikking van 25 maart 1992 betreffende de overeenkomst van Helsinki waarbij tevens een geldboete werd opgelegd, om vervolgens op te merken dat zij van mening was dat de in 1980 gesloten "Package Deal" waarvoor zij op 10 december 1984 een ontheffing had verleend, zich verzet tegen een gedifferentieerde behandeling van de incasso van buitenlandse eurocheques naar gelang van de hoedanigheid van de begunstigden ervan.
66 Tevens is het Gerecht van oordeel, dat voor zover de Commissie in haar brieven van 12 september en 23 oktober 1992 alsook in de bestreden beschikking ter discussie heeft gesteld, of een gedifferentieerde behandeling van de incasso van eurocheques geoorloofd was, gelet op de in 1980 gesloten "Package Deal" waarvoor zij in 1984 een ontheffing had verleend, zij terecht en zonder zichzelf tegen te spreken, in het kader van het onderzoek van het verzoek om ontheffing voor de nieuwe "Package Deal" met inachtneming van de intrekking van de overeenkomst van Helsinki, van verzoekster kon verlangen dat zij haar inlichtingen zou verstrekken over de wijze waarop zij op een buitenlandse bank getrokken eurocheques behandelde op het punt van haar vergoeding voor haar incassodienst aan de begunstigden van die cheques, ongeacht of het particulieren, dan wel handelaren waren, enerzijds, en aan de bank van degenen die dergelijke cheques uitschreven, anderzijds.
67 Mitsdien is het middel, ontleend aan schending van artikel 190 van het Verdrag, ongegrond.
Het middel ontleend aan schending van de rechten van de verdediging
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
68 Verzoekster herinnert er om te beginnen aan, dat het vereiste om duidelijk, nauwkeurig en onmiskenbaar de rechtsgrond en het doel van het onderzoek aan te geven, een fundamentele grondslag van de rechten van de verdediging is. In casu is zij echter naar haar zeggen niet in staat geweest, de omvang van haar verplichting tot medewerking of de draagwijdte van de gestelde vragen te bepalen.
69 Vervolgens verwijt verzoekster de Commissie, dat zij in strijd met artikel 189 van het Verdrag, artikel 11 van verordening nr. 17 en de algemene beginselen van procesrecht haar bevoegdheden heeft overschreden, voor zover zij door middel van de gestelde vragen Société Générale heeft verzocht te erkennen, dat zij in het kader van de overeenkomst van Helsinki begunstigden van op een buitenlandse bank getrokken eurocheques onrechtmatig verschillend zou behandelen. Ten aanzien van de overeenkomst van Helsinki was evenwel door de Commissie een beschikking gegeven, waartegen door de Groupement "CB", waarbij verzoekster is aangesloten, een beroep was ingesteld, dat op het tijdstip waarop Société Générale om inlichtingen werd verzocht, voor het Gerecht diende.
70 De Commissie is van mening, dat verzoekster door het verzoek om inlichtingen kon begrijpen, dat de Commissie in het kader van het onderzoek betreffende de kennisgeving van de nieuwe "Package Deal" een klacht had ontvangen over Société Générale en dat het individuele geval van Société Générale een onderdeel van de algemene procedure betreffende de "Package Deal" was geworden. Verzoekster was dan ook volledig in staat geweest, haar medewerkingsplicht betreffende de haar ter kennis gebrachte feiten te beoordelen.
Beoordeling door het Gerecht
71 Vooraf dient eraan te worden herinnerd, dat verordening nr. 17 tijdens het vooronderzoek aan de onderneming die het voorwerp van dit onderzoek is, met zo veel woorden slechts bepaalde specifieke waarborgen toekent. Zo mag een beschikking waarbij om inlichtingen wordt verzocht alleen worden gegeven, wanneer een voorafgaand verzoek zonder resultaat is gebleven. Wanneer de betrokken onderneming de bij beschikking verlangde inlichtingen niet verschaft, kan het definitieve bedrag van een geldboete of dwangsom ook eerst dan worden vastgesteld, wanneer de betrokken onderneming in de gelegenheid is gesteld haar standpunt kenbaar te maken (arrest Hof van 18 oktober 1989, zaak 374/89, Orkem, Jurispr. 1989, blz. 3283, r.o. 26).
72 Verordening nr. 17 kent de onderneming waartegen een onderzoek loopt daarentegen niet het recht toe zich aan de tenuitvoerlegging van die maatregel te onttrekken met het argument, dat het resultaat ervan het bewijs zou kunnen opleveren dat zij de mededingingsregels heeft overtreden. De verordening legt de onderneming integendeel een verplichting op om actief mee te werken; dit betekent, dat zij alle informatie die betrekking heeft op het voorwerp van het onderzoek, ter beschikking van de Commissie moet houden.
73 De eerbiediging van de rechten van de verdediging, die het Hof als een grondbeginsel van de communautaire rechtsorde beschouwt, eist evenwel dat bepaalde rechten reeds tijdens het vooronderzoek worden geëerbiedigd. Gelijk het Hof immers verklaarde in de arresten Hoechst (reeds aangehaald, r.o. 15) en Orkem (reeds aangehaald, r.o. 33), moeten de rechten van de verdediging worden geëerbiedigd in procedures die tot de oplegging van sancties kunnen leiden, en moet daarnaast worden vermeden dat die rechten onherstelbare schade lijden in het kader van een vooronderzoek, dat beslissend kan zijn voor de totstandkoming van het bewijs van de onrechtmatigheid van gedragingen van ondernemingen.
74 Ook al kan de Commissie dus ter waarborging van de nuttige werking van artikel 11, leden 2 en 5, van verordening nr. 17 de onderneming verplichten om alle noodzakelijke inlichtingen te verstrekken, zelfs indien deze tegen haarzelf of tegen een andere onderneming bewijs kunnen opleveren van een gedraging die in strijd is met de mededingingsregels, toch mag zij bij een verzoek om inlichtingen geen afbreuk doen aan de rechten van de verdediging van de onderneming en haar verplichten antwoorden te geven waardoor zij het bestaan van de inbreuk zou moeten erkennen, die de Commissie heeft te bewijzen (zie arresten Hof Orkem, reeds aangehaald, r.o. 34 en 35, en 18 oktober 1989, zaak 27/88, Solvay, Jurispr. 1989, blz. 3355).
75 In casu is het Gerecht van oordeel, dat de rechten van de verdediging van verzoekster niet zijn geschonden. Immers, zelfs indien de antwoorden op de vragen van de Commissie kunnen inhouden dat, zoals door verzoekster ter terechtzitting is gesteld, Société Générale een uitlegging van de "Package Deal" geeft, dan zijn de verlangde antwoorden nog steeds zuiver feitelijk en kunnen zij niet van dien aard worden beschouwd, dat zij verzoekster kunnen dwingen, het bestaan van een inbreuk op de mededingingsregels te erkennen.
76 Dat deze constatering juist is, wordt gestaafd door de antwoorden van Société Générale op de vragenlijst bij het verzoek om inlichtingen, aangezien deze slechts feitelijke gegevens bevatten en daaruit in niets blijkt van een zelfbeschuldiging.
77 Ook moet met betrekking tot de vragen betreffende de overeenkomst van Helsinki eraan worden herinnerd, dat de beschikking van de Commissie van 25 maart 1992, waarin wordt verklaard, dat de overeenkomst van Helsinki een inbreuk vormt op artikel 85, lid 1, van het Verdrag, en waarin wordt geweigerd een ontheffing te verlenen krachtens artikel 85, lid 3, ten tijde van het verzoek om inlichtingen het voorwerp vormde van een bij het Gerecht aanhangig geding. Deze omstandigheid ontneemt de Commissie evenwel nog niet het recht om informatie in te winnen over de overeenkomst van Helsinki, enkel omdat de verlangde inlichtingen de Commissie aanwijzingen zouden kunnen verschaffen over de ontwikkeling van de situatie inzake de vergoeding voor de inning van eurocheques onder de werkingssfeer en na de beëindiging van de overeenkomst van Helsinki. De Commissie kan immers niet onbevoegd worden verklaard om feiten te onderzoeken die zich na de in een beschikking gewraakte feiten hebben voorgedaan, zelfs indien die feiten identiek zijn aan die welke in de beschikking aan de orde waren.
78 In elk geval had het Gerecht in het kader van de tegen de beschikking van 25 maart 1992 gerichte beroepen T-39/92 en T-40/92, in voorkomend geval, gegevens die door de Commissie onwettig waren verzameld, buiten beschouwing dienen te laten.
79 Mitsdien moet het middel, ontleend aan schending van de rechten van de verdediging, worden afgewezen.
De conclusies betreffende de schadevergoeding
Korte uiteenzetting van de argumenten van partijen
80 Verzoekster stelt, dat de Commissie, door haar schending van artikel 11 van verordening nr. 17, artikel 190 van het Verdrag en de rechten van de verdediging, klaarblijkelijk en ernstig de grenzen van de bevoegdheden heeft miskend die haar bij de uitoefening van die bevoegdheden zijn gesteld, en een fout heeft gemaakt, waarvoor zij niet-contractueel aansprakelijk is.
81 De Commissie bestrijdt, dat zij de communautaire beginselen en voorschriften heeft geschonden, des dat de bestreden beschikking nietig moet worden verklaard, en zij op enigerlei wijze daarvoor niet-contractueel aansprakelijk is. Zelfs indien de beschikking nietig zou worden verklaard, zou de Commissie eerst aansprakelijk zijn ingeval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel of een klaarblijkelijke en ernstige miskenning van de grenzen van haar bevoegdheden (arrest Gerecht van 27 juni 1991, zaak T-120/89, Stahlwerke Peine-Salzgitter, Jurispr. 1991, blz. II-279, r.o. 74).
Beoordeling door het Gerecht
82 Het Gerecht stelt in casu vast, dat uit het voorafgaande blijkt, dat de aangevochten handeling niet onwettig is. Derhalve kan de Commissie geen fout die de aansprakelijkheid van de Gemeenschap meebrengt, worden verweten, en moeten de conclusies tot schadevergoeding worden verworpen (arrest Hof van 18 april 1991, zaak C-63/89, Assurances du crédit, Jurispr. 1991, blz. I-1799, r.o. 28).
83 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
84 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij conform de conclusie van de Commissie in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy