Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. EGA ° Voorzieningsregeling ° Optierecht en uitsluitend recht van Gemeenschap ° Voorwaarden voor uitoefening ° Verplichting voor Voorzieningsagentschap om afzet van communautaire produktie te verzekeren ° Geen ° Toepassing van beginsel van preferentie ten gunste van communautaire producenten ° Voorwaarden ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Rechterlijke toetsing
(EGA-Verdrag, art. 52-76; verordening van het Agentschap waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, art. 5 bis)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Onwettigheid ° Schade ° Oorzakelijk verband
(EGA-Verdrag, art. 151 en 188, tweede alinea)
Samenvatting
1. In het stelsel van het EGA-Verdrag moeten de aanbiedingen van de producenten van de Gemeenschap normalerwijze concurreren met die van buiten de Gemeenschap. Hieruit volgt, dat het Voorzieningsagentschap, bij gebreke van buitengewone omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de doelstellingen van het Verdrag, niet zijn optierecht mag uitoefenen wanneer de vraagprijs van de producent van de Gemeenschap te hoog is om de afzet van zijn produktie op de markt te verzekeren. Voorts staat de prijsvaststellingsregeling van hoofdstuk VI van het Verdrag, "behoudens in het Verdrag voorziene uitzonderingen", niet toe, dat de gebruikers worden verplicht ertsen uit de Gemeenschap te kopen tegen een hogere prijs dan de marktprijs, die het resultaat is van de afweging van vraag en aanbod.
Concreet volgt hieruit, dat bij ontbreken van juridische bezwaren die ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag een beletsel vormen voor het voldoen aan een bestelling, het Agentschap zich in voorkomend geval alleen dan op de communautaire preferentie ten gunste van de producenten van de Gemeenschap kan beroepen en zich op die grond kan verzetten tegen invoer, indien de vraagprijs van laatstbedoelden gelijk was aan of lager dan de prijs vermeld hetzij in de bestelling die de gebruiker aan het Agentschap heeft doen toekomen volgens de procedure van de eerste vijf alinea' s van artikel 60 van het Verdrag, hetzij, in de praktijk, in het contract dat vooraf ter ondertekening aan het Agentschap is voorgelegd krachtens artikel 5 bis van de verordening van het Agentschap waarin de modaliteiten voor de afweging van vraag en aanbod zijn vastgesteld, of indien de aanbiedingen van de producenten van de Gemeenschap voor de gebruikers voordelen meebrachten die een eventueel prijsverschil kunnen compenseren.
Doch zelfs indien het Agentschap gerechtigd is zijn optierecht op in de Gemeenschap geproduceerde ertsen uit te oefenen, is het niet verplicht voorrang te geven aan de afzet van de communautaire produktie, aangezien de bij het Verdrag ingevoerde voorzieningsregeling niet is gebaseerd op het beginsel van communautaire preferentie ten gunste van de producenten. Meer in het bijzonder kan het Agentschap zijn uitsluitende rechten slechts uitoefenen om de afzet te verzekeren van het door een producent van de Gemeenschap aangeboden natuurlijk uranium, zodat deze in staat is zijn bedrijf op het grondgebied van de Gemeenschap voort te zetten, indien de uitoefening van die rechten verband houdt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag. Dienaangaande en bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid beschikt het Agentschap in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden over een ruime beoordelingsmarge, zodat de controle van het Gerecht in elk geval beperkt dient te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid.
In het licht van deze juridische context kan een onderneming, die ongeveer 1,5 % van het verbruik van natuurlijk uranium in de Gemeenschap produceert en die er, wegens het te hoge niveau van de door haar voorgestelde prijs, niet in slaagt om haar produktie op de gemeenschapsmarkt af te zetten, bij gebreke van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het bevoorradingssysteem rechtvaardigen, de Commissie niet verzoeken om het Voorzieningsagentschap te verplichten om gebruik te maken van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten af te sluiten, teneinde haar in staat te stellen haar produktie af te zetten.
2. De niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap ontstaat pas, wanneer is voldaan aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen de gedraging en de gestelde schade.
Partijen
In de gevoegde zaken T-458/93 en T-523/93,
Empresa Nacional de Urânio SA (ENU), vennootschap naar Portugees recht, gevestigd te Urgeiriça, Nelas (Portugal), vertegenwoordigd door J. L. dos Reis Mota de Campos, advocaat te Lissabon, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Calvo Basáran, Boulevard Ernest Feltgen 34,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Caeiro en J. Grunwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 19 juli 1993 betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag, houdende afwijzing van de verzoeken die ENU in haar brief van 21 december 1990 aan de Commissie had gericht, teneinde een oplossing te vinden voor het probleem van de afzet van haar uraniumproduktie, en tot erkenning van de aansprakelijkheid van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voor de schade die verzoekster door de gestelde schending van de verdragsregels heeft geleden,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer ° uitgebreid),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, D. P. M. Barrington, A. Saggio, H. Kirscher en A. Kalogeropoulos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 5 april 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten en procesverloop
1 Empresa Nacional de Urânio SA (hierna: "ENU") houdt zich op het Portugese grondgebied bezig met mijnbouw, meer in het bijzonder met de produktie van natuurlijk-uraniumconcentraat (U308). Volgens het dossier bedraagt deze produktie 200 ton per jaar en wordt deze verkregen in de mijn van Urgeiriça. De afzet van haar uraniumvoorraad is voor ENU, die geen andere inkomsten heeft dan die uit de verkoop van haar uraniumproduktie, een voorwaarde om haar industriële activiteit te kunnen handhaven. Uraniumconcentraat wordt gebruikt in industriële kernreactoren. Aangezien er in Portugal geen kerncentrales zijn, bestaat er in dat land geen enkele mogelijkheid om het door ENU geproduceerde uraniumconcentraat te gebruiken, waardoor zij gedwongen is haar gehele produktie uit te voeren.
2 Volgens de overeenstemmende opmerkingen van partijen vertegenwoordigt de produktie van ENU ongeveer 1,5 % van het in de Gemeenschap gebruikte natuurlijk uranium, bijna 14 000 ton per jaar (zie het jaarverslag van het Voorzieningsagentschap van Euratom voor 1987, blz. 15); de communautaire uraniumproduktie bedraagt 3 500 tot 4 000 ton per jaar. In 1987 kwam 72,5 % van de bevoorrading van de communautaire gebruikers dus van buiten de Gemeenschap (ibidem, blz. 19). Dit percentage is in de loop van de volgende jaren niet merkbaar gewijzigd. In 1992 bedroeg het 81 % (ibidem, voor 1992, blz. 33), terwijl het gebruik in de Gemeenschap gedurende die gehele periode relatief stabiel was gebleven.
3 Tot 1990 verkocht ENU 136 ton uraniumconcentraat per jaar, dat wil zeggen bijna drie vierde van haar produktie, tegen een prijs van 27 USD per pound, aan Électricité de France (hierna: "EDF"), met wie zij vóór de toetreding van Portugal tot Euratom een langlopende overeenkomst had gesloten. Aangezien echter de prijzen die sinds enkele jaren bij op de "spotmarkt" gesloten contracten werden berekend, haar produktiekosten niet dekten, nam de voorraad van ENU toe, met ernstige gevolgen voor de voorgenomen exploitatie van een nieuwe ertsader te Niza (Portugal), die tegen lagere produktiekosten meer zou opbrengen. Door de afloop, op 31 december 1990, van de overeenkomst met EDF, die volgens haar zeggen "minimale rentabiliteitsvoorwaarden" bood, verloor ENU haar enige gegarandeerde afnemer.
4 Na de toetreding van de Portugese Republiek tot de Europese Gemeenschappen bood ENU het Voorzieningsagentschap van Euratom (hierna: "Agentschap") daarom bij brief van 8 oktober 1987 aan, 350 ton uraniumconcentraat (U308) te verkopen, te leveren tussen 1987 en 1991, opdat het Agentschap zijn optierecht zou uitoefenen. Het Agentschap stelde de gebruikers van de Gemeenschap bij brieven van 3 november 1987 in kennis van dit aanbod. Bij brief van 5 november 1987 deelde het ENU mee, dat het aanbod naar alle elektriciteitsmaatschappijen en aan andere potentiële kopers in de Gemeenschap was gezonden. Voorts gaf het Agentschap in deze brief aan, dat het aanbod naar tussenpersonen zou worden gezonden, indien zich binnen de gestelde termijn geen belangstellende zou melden, gelijk telefonisch met ENU was overeengekomen. Nadat het aanbod naar tussenpersonen was gezonden, vonden rechtstreekse onderhandelingen plaats tussen ENU en diverse vennootschappen. Deze werden in 1988 voortgezet, doch wegens de door ENU gevraagde prijs, die hoger lag dan de door potentiële kopers geboden prijs, leidden zij niet tot de sluiting van verkoopcontracten voor het uranium.
5 Bij brief van 10 oktober 1988 herhaalde ENU formeel haar verzoek van 8 oktober 1987, wat de uitoefening betreft door het Agentschap van het optierecht op de voorraad van 350 ton uranium, waarover zij in 1990 verwachtte te beschikken. Op 8 november 1988 bevestigde de Commissie de ontvangst van deze brief, waarbij zij het belang beklemtoonde van het door ENU naar voren gebrachte probleem. De Commissie verzekerde ENU, dat het vinden van een bevredigende oplossing van dit probleem voor haar een prioriteit was. Ook de staatssecretaris voor Energie van de Portugese regering verzocht om een onderzoek van dit probleem, waarop de Commissie bij brief van 14 november 1988 antwoordde, dat zij het zorgvuldig zou onderzoeken, teneinde tot een gunstige oplossing te komen.
6 In een brief aan het Agentschap van 2 augustus 1989 deelde ENU mee, dat er nog geen oplossing was gevonden voor het probleem van de afzet van haar uraniumvoorraad. Bij brief van 21 september 1989 stelde het Agentschap voor, tijdens een volgende vergadering met ENU de basisprijs van 25,80 ECU per pound U308 opnieuw te bespreken, nu deze hem "thans, gelet op de marktsituatie zoals bij het Agentschap bekend, zelfs voor een meerjarig contract te hoog leek". Tijdens deze vergadering op 24 oktober 1989 stelde het Agentschap voor om in overleg met de gebruikers een pragmatische oplossing te vinden, gebaseerd op overreding en niet op dwang. In een brief van 25 oktober 1989, waarvan zij een kopie naar de Commissie zond, verzocht ENU het Agentschap opnieuw om te handelen in overeenstemming met de verdragsregels.
7 In antwoord op deze brief van 25 oktober 1989 deelde het Commissielid Cardoso e Cunha, verantwoordelijk voor het energievraagstuk en het Voorzieningsagentschap, ENU bij brief van 8 december 1989 mee, dat "hij het standpunt deelt, dat het voorzieningsbeleid van het Agentschap voortaan een 'speciaal onderdeel' moet omvatten dat het mogelijk maakte gevallen als dat van ENU op te lossen", en dat hij het Agentschap had verzocht "over te gaan tot de concrete verwezenlijking van de hiertoe ingediende actievoorstellen". Voorts heeft de Commissie, in antwoord op een schriftelijke vraag, tijdens de zitting van april 1990 in het Europees Parlement verklaard, "dat zij zich in het kader van het Euratom-Verdrag ertoe had verbonden een oplossing te zoeken voor het probleem van de afzet van de Portugese uraniumproduktie" (vraag 190/90).
8 Tijdens de vergadering van 12 december 1989 overhandigde het Agentschap blijkens de overeenstemmende opmerkingen van partijen aan ENU zijn "schets voor een praktische oplossing voor het onderdeel 'Portugees uranium' van het voorzieningsbeleid", het "speciaal onderdeel" waarover het Commissielid Cardosa e Cunha in zijn brief van 8 december 1989 had gesproken. Deze "schets" zag er als volgt uit:
"a) De voorgestelde oplossing zou bestaan in een verdeling van het Portugees uranium tussen de elektriciteitsmaatschappijen volgens de volgende beginselen:
° het door het Agentschap gevoerde beleid van preferentie voor de communautaire uraniumproduktie zou complementair zijn ten opzichte van het nationale beleid;
° het beleid zou zonder onderscheid worden toegepast op alle producenten die het Agentschap daarom zouden verzoeken;
° het beleid zou enkel gelden voor de bestaande mijnen (produktiecapaciteit op 1 januari 1990);
° het beleid zou erop gericht zijn, deze mijnen in bedrijf te houden gedurende periodes van geringe activiteit op de betrokken markten;
° de verdeling van het beschikbare communautaire uranium zou zijn gebaseerd op een zo objectief mogelijke verdeelsleutel;
° de producenten die in aanmerking kwamen voor het stelsel, zouden een lagere kostprijs moeten aantonen dan de gemiddelde jaarprijs die de communautaire gebruikers in het kader van meerjarige contracten (' gemiddelde meerjarige prijs' van het Agentschap) voor het lopende jaar betaalden.
b) De volgende modaliteiten voor de verdeling en voor de vaststelling van de aan de producenten te betalen prijzen worden in overweging gegeven:
° het uranium wordt verdeeld naar evenredigheid van het bestaande vermogen van de kerncentrales voor industrieel of commercieel gebruik;
° de aan de producent te betalen prijs (prijs franco-fabriek in een communautaire munt naar keuze) is de geïndexeerde kostprijs van de producent plus 10 % (de kostprijs wordt vastgesteld door een accountantskantoor en wordt om de drie jaar herzien);
° wanneer de marktprijs hoger is dan de kostprijs van de producent plus 10 %, vindt het stelsel geen toepassing meer."
9 ENU stemde in met de uitvoering door het Agentschap van het haar tijdens de vergadering van 12 december 1989 voorgelegde "speciale onderdeel", dat was bedoeld om het probleem van de afzet van haar uraniumproduktie op te lossen. Zowel tijdens deze vergadering als in haar brieven van 31 januari en 9 april 1990 aan het Agentschap, formuleerde ENU evenwel twijfels over de doeltreffendheid van dit in de vorige rechtsoverweging weergegeven plan, voor zover het de gebruikers van de Gemeenschap krachtens de bepalingen van hoofdstuk VI van het EGA-Verdrag niet verplichtte tot de daarin voorziene acties.
10 Het Agentschap besprak de voor het onderdeel "Portugees uranium" van het voorzieningsbeleid voorgestelde oplossing met de gebruikers, in eerste instantie bilateraal met CEGB (Verenigd Koninkrijk), Synatom (België) en RWE (Duitsland), en vervolgens tijdens een multilaterale bijeenkomst op 24 april 1990. Vooraf had het Agentschap bij nota van 20 maart 1990 zijn Raadgevend comité op de hoogte gesteld van het probleem van het Portugees uranium en van het feit dat deze vergadering zou worden gehouden. In deze nota verklaarde het Agentschap, dat het alle gebruikers van de Gemeenschap had ondervraagd en tot de conclusie was gekomen, dat het antwoord diende te worden gezocht tussen de volgende twee uitersten:
° wij zijn bereid interventiemaatregelen (hoeveelheden en prijzen) door het Agentschap te ondersteunen, op voorwaarde dat deze zonder onderscheid voor allen gelden;
° in onze behoeften is voorzien, de vraagprijs is te hoog, de beste garantie voor de zekerheid van voorziening is het uraniumerts in de grond te laten.
11 In een brief van 2 mei 1990 aan ENU, betreffende de vergadering van 24 april 1990, merkte het Agentschap op, dat de elektriciteitsmaatschappijen niet bereid waren uranium af te nemen tegen een hogere prijs dan de bovengrens van de marktprijs op lange termijn, die volgens hen toen 20 USD per pound bedroeg. Het Agentschap verklaarde voorts, dat deze maatschappijen met een beroep op artikel 65, tweede alinea, EGA-Verdrag hadden verklaard dat het Agentschap hen niet kon verplichten Portugees uranium tegen een hogere prijs te kopen.
12 Na diverse gesprekken en een uitgebreide briefwisseling met het Agentschap en de Commissie, verzocht ENU de Commissie bij brief van 21 december 1990,
"krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag en artikel 148 van het EGA-Verdrag:
a) het Agentschap krachtens artikel 53 van het Verdrag op te dragen (...) het normale functioneren te herstellen van het door het Verdrag in het kader van hoofdstuk VI tot stand gekomen stelsel door het naleven af te dwingen van de bepalingen betreffende het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid;
(...)
b) onverwijld te onderzoeken ° en vervolgens overeenkomstig de bevindingen van het onderzoek te handelen °, hoe het mogelijk is geweest dat, zonder enige controle van de Commissie krachtens artikel 66 van het Verdrag, de gebruikers in de Gemeenschap zich vrijelijk op de buitenlandse markt van uranium voorzien, hoewel de gehele produktie van ENU beschikbaar is en dat tegen een redelijke prijs (...), en de ondernemingen die inbreuk op de regels maken, rechtstreeks of door tussenkomst van het Agentschap te waarschuwen, dat zij zal optreden tegen deze ondernemingen in geval van nieuwe invoer, terwijl de produktie van ENU beschikbaar blijft voor de verkoop (...);
c) (...) met ENU het bedrag te bespreken van een redelijke aan ENU te betalen schadeloosstelling, als herstel van de schade die haar door het onwettig nalaten ° van de Commissie en het Voorzieningsagentschap ° in de uitoefening van hun communautaire bevoegdheden is berokkend;
d) (...) de naleving van haar beschikking af te dwingen ° welke door het Voorzieningsagentschap niet is nageleefd ° en het Agentschap [te gelasten] een 'speciaal onderdeel' te ontwikkelen voor de onverwijlde oplossing van het probleem van de afzet van uranium door ENU en haar te ondersteunen bij de ontwikkeling van dit beleid;
(...)
e) (...) derhalve (...) het Agentschap te gelasten de beschikking ten uitvoer te leggen die zij tot het Agentschap heeft gericht, en met een bevredigende oplossing te komen voor het probleem van ENU ° waarbij overigens ook toekomstige moeilijkheden ondervangen moeten kunnen worden door het toepassen van de verdragsbepalingen".
13 Toen een stellingname van de Commissie uitbleef, heeft ENU op 3 april 1991 krachtens artikel 148 EGA-Verdrag tegen de Commissie beroep wegens nalaten ingesteld. In zijn arrest van 16 februari 1993 (zaak C-107/91, ENU, Jurispr. 1993, blz. I-599, r.o. 32-34) heeft het Hof geoordeeld, dat de Commissie in strijd met artikel 53, tweede alinea, EGA-Verdrag heeft nagelaten een beschikking te nemen op het verzoek waarbij ENU haar de stilzwijgende weigering van het Agentschap heeft voorgelegd om zijn optierecht op de Portugese uraniumproduktie uit te oefenen en om het "speciale onderdeel" van zijn voorzieningsbeleid te ontwikkelen.
14 Bij op 20 oktober 1992 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift (zaak T-458/93) heeft ENU bovendien krachtens artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag verzocht de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie te veroordelen tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit de gestelde schending door de Commissie van de bepalingen van het EGA-Verdrag. Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof de zaak naar het Gerecht verwezen krachtens besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21). De schriftelijke procedure voor het Hof, en vervolgens voor het Gerecht, heeft een normaal verloop gehad.
15 Overigens blijkt uit de door verzoekster bevestigde opmerkingen van de Commissie, dat ENU dankzij de inspanningen van het Agentschap in juni 1993 met een gebruiker in de Gemeenschap een contract heeft gesloten voor de verkoop van 50 ton uraniumconcentraat. Bovendien zou ENU in oktober 1993 nog een verkoopcontract hebben gesloten voor de levering van 100 tot 200 ton uranium in 1993 en 1994. Deze eenmalige verkopen zouden hebben plaatsgevonden tegen een veel lagere prijs dan die waartegen ENU haar uraniumproduktie in het kader van het "speciale onderdeel" had aangeboden (zie r.o. 8 supra).
16 Ter uitvoering van het arrest van het Hof van 16 februari 1993 (ENU, reeds aangehaald) heeft de Commissie op 19 juli 1993 beschikking 93/428/Euratom vastgesteld, betreffende de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het EGA-Verdrag (PB 1993, L 197, blz. 54; hierna: "beschikking"). Bij deze beschikking zijn alle door ENU in haar klacht van 21 december 1990 ingediende verzoeken afgewezen (zie r.o. 12 supra).
17 Onder deze omstandigheden heeft ENU bij op 27 september 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift (zaak T-523/93) beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking. Bij beschikking van 16 december 1994 heeft het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer ° uitgebreid) deze zaak voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd met zaak T-458/93. Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Vóór de datum van de terechtzitting hebben partijen bepaalde stukken overgelegd en geantwoord op vragen van het Gerecht in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 64 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. De mondelinge behandeling heeft plaats gevonden op 5 april 1995.
Conclusies van partijen
18 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
° de beschikking nietig te verklaren;
° vast te stellen dat de schending van de bepalingen van de hoofdstukken VI en VII EGA-Verdrag, die in strijd is met de in artikel 2, sub c, d en g, EGA-Verdrag genoemde doelstellingen van de Gemeenschap, haar schade heeft berokkend, waarvan de omvang thans nog niet nauwkeurig kan worden vastgesteld;
° de Gemeenschap te veroordelen tot vergoeding van deze schade op de wijze overeengekomen tussen de partijen of, bij gebreke van overeenstemming binnen 60 dagen na de uitspraak van het arrest, vastgesteld door het Gerecht;
° de Commissie te verwijzen in de kosten.
19 Verweerster concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep tot nietigverklaring te verwerpen;
° de schadevordering niet-ontvankelijk te verklaren;
° subsidiair, de schadevordering te verwerpen;
° verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
Het beroep tot nietigverklaring
20 Verzoekster vordert nietigverklaring van de beschikking, voor zover daarin de verzoeken die zij in haar brief van 21 december 1990 (zie r.o. 12) op basis van artikel 53, tweede alinea, EGA-Verdrag had geformuleerd om een oplossing te vinden voor het probleem van de afzet van haar uraniumproduktie, zijn afgewezen. Voor het onderzoek van het onderhavige beroep kunnen deze verzoeken als volgt worden ingedeeld. Teneinde het Agentschap ertoe te bewegen overeenkomstig de bepalingen van het EGA-Verdrag zijn optierecht op deze produktie uit te oefenen en gebruik te maken van zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen, verzocht ENU de Commissie in wezen, het Agentschap te gelasten de normale werking te herstellen van het stelsel van hoofdstuk VI van het Verdrag, en op grond van diezelfde bepalingen een einde te maken aan de vrije bevoorrading van de gebruikers van de Gemeenschap op de buitenlandse markt terwijl de produktie van ENU tegen een redelijke prijs beschikbaar is (A). Teneinde het urgente probleem van de afzet van haar uraniumvoorraad op te lossen, verzocht belanghebbende de Commissie voorts, het Agentschap te gelasten het "speciale onderdeel" van zijn voorzieningsbeleid betreffende het Portugese uranium toe te passen (zie r.o. 8 supra) (B).
A ° Het verzoek om uitvoering van het bij hoofdstuk VI van het Verdrag tot stand gekomen stelsel, teneinde de afzet van het door ENU aangeboden uranium te verzekeren
Samenvatting van de argumenten van partijen
21 Verzoekster stelt, dat de weigering van de Commissie om in te gaan op haar verzoek, strekkende tot uitoefening door het Agentschap van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, teneinde de afzet van haar uraniumproduktie te verzekeren, in strijd is met de regeling van hoofdstuk VI van het EGA-Verdrag. In de eerste plaats betwist zij de zienswijze van de Commissie in de beschikking, dat de normale werking van dit stelsel wordt gewaarborgd door de verordening van het Agentschap waarbij de wijze wordt bepaald waarop vraag en aanbod voor ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen tegen elkaar worden afgewogen, vastgesteld op 5 mei 1960 krachtens de zesde alinea van artikel 60 van het EGA-Verdrag en aangevuld bij de verordening van het Agentschap van 15 juli 1975 (PB 1960, blz. 777, respectievelijk PB 1975, L 193, blz. 37; hierna: "verordening").
22 In dit verband herinnert verzoekster er vooraf aan, dat de regels van hoofdstuk VI van het EGA-Verdrag nooit zijn herzien en daarom integraal van toepassing blijven, gelijk het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 december 1971 (zaak 7/71, Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1971, blz. 1003, r.o. 10-28). Onder deze omstandigheden is zij van mening, dat de vereenvoudigde procedures van afweging van vraag en aanbod voor ertsen en grondstoffen, ingevoerd bij de artikelen 5 en 5 bis van de verordening, onregelmatig zijn, aangezien zij afwijken van het in artikel 60 EGA-Verdrag voorziene stelsel van afweging.
23 Wat meer in het bijzonder artikel 5 bis betreft, betoogt verzoekster om te beginnen, dat de verordening van het Agentschap van 15 juli 1975, waarbij dit artikel in de verordening is ingevoegd, een wezenlijk vormgebrek vertoont. Anders dan artikel 60 EGA-Verdrag verlangt, is eerstgenoemde verordening immers niet door de Commissie goedgekeurd, althans wordt in de considerans ervan een dergelijke goedkeuring niet vermeld.
24 Ten gronde stelt verzoekster, dat artikel 5 bis, voor zover het bepaalt, dat "het de gebruikers is toegestaan de producenten van hun keuze rechtstreeks te verzoeken om offerten en met hen leveringscontracten te sluiten", in strijd is met artikel 60 EGA-Verdrag, dat alleen aan het Agentschap de bevoegdheid toekent om in zijn reglement de wijze te bepalen van afweging van vraag en aanbod, waarvan de producenten en gebruikers het Agentschap in kennis moeten stellen, opdat het zijn optierecht alsmede zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, zou kunnen uitoefenen.
25 Artikel 5 bis is dus in strijd met de artikelen 57, lid 2, tweede alinea, en 58 en 60, tweede alinea, EGA-Verdrag, die de producenten zonder enig voorbehoud verplichten hun produkten aan het Agentschap aan te bieden. Het is voorts in strijd met artikel 60, eerste alinea, dat de gebruikers verplicht "aan het Agentschap op gezette tijden hun behoeften aan materialen mede te delen". Tot slot is het in strijd met artikel 52, lid 1, EGA-Verdrag, waarin "het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen" is neergelegd, voor zover het de nationale producenten toestaat rechtstreeks met de betrokken nationale gebruikers te onderhandelen, zo nodig in opdracht van de regeringen, zoals dat sinds 30 jaar het geval is.
26 Artikel 5 bis is voorts absoluut in strijd met de uitoefening door het Agentschap van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten in het kader van het bij het EGA-Verdrag ingevoerde stelsel van centralisatie van vraag en aanbod, welke rechten zijn neergelegd in de artikelen 52, lid 2, sub b, 53, 55, 57, 60, 61 en 62. De in artikel 60 geregelde tussenkomst van het Agentschap betekent immers, dat het Agentschap eerst zijn optierecht uitoefent door middel van het sluiten van een koopcontract (artikel 57, leden 1, sub b, en 2), en dat het vervolgens de ertsen waarvan het de eigendom heeft verworven, middels een nieuw contract doorverkoopt aan de gebruikers (artikelen 52, lid 2, sub b, 55, in fine, en 60, vijfde alinea). Met andere woorden, artikel 5 bis is in strijd met het "fundamentele beginsel dat er nooit een rechtstreekse contractuele band mag ontstaan tussen de producenten en de gebruikers van ertsen in de Gemeenschap". Dienaangaande stelt verzoekster, dat zelfs indien het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent, de producent op grond van artikel 59, sub b, eerste alinea, de beschikbare produktie enkel "buiten de Gemeenschap" mag verkopen. Hij mag dus nooit onderhandelen met een gebruiker in de Gemeenschap.
27 Verzoekster beklaagt zich er bovendien over, dat er in het geheel geen onderscheid is gemaakt tussen de gemeenschapsmarkt, waarvoor de verordening geldt en waar een enorm gebrek bestaat aan (in de Gemeenschap geproduceerd) erts, en de externe markt, waar het aanbod thans groter is dan de vraag. Het Verdrag maakt echter een duidelijk onderscheid tussen deze twee markten door het beginsel van communautaire preferentie in te voeren. De communautaire ertsproduktie is daarom voorbehouden aan de gebruikers van de Gemeenschap en mag, ingevolge de artikelen 58 en 59, sub b, EGA-Verdrag, alleen worden uitgevoerd, indien die gebruikers geen behoefte hebben aan deze produktie. Daartegenover staat, dat de gebruikers van de Gemeenschap zich krachtens artikel 66 EGA-Verdrag enkel op de markten buiten de Gemeenschap kunnen bevoorraden, indien de Commissie vaststelt dat de communautaire produktie ontoereikend of de prijs onredelijk is.
28 Het beginsel van communautaire preferentie ten gunste van de producenten wordt bevestigd door het feit, dat artikel 60 EGA-Verdrag, zowel door zijn indeling in afdeling II van hoofdstuk VI, die betrekking heeft op ertsen en splijtstoffen herkomstig uit de Gemeenschap, als door de hoedanigheid van de adressaten ervan, te weten de marktdeelnemers, uitsluitend betrekking heeft op de afweging van vraag en aanbod van produkten "herkomstig uit de Gemeenschap". Artikel 60 preciseert, hoe de exclusieve contracten worden gesloten tussen het Agentschap enerzijds en de producenten en de gebruikers van de Gemeenschap anderzijds, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 52, lid 2, sub b, 55, 57 en 58, waarin alleen produkten afkomstig uit de Gemeenschap uitdrukkelijk zijn genoemd. Dat artikel 61 van het Verdrag, dat het Agentschap verplicht "aan alle bestellingen te voldoen", in afdeling II van hoofdstuk VI van het Verdrag is opgenomen, wijst er bovendien op, dat de invoer van uranium ingevolge het Verdrag enkel dan is toegestaan, wanneer het aanbod uit de Gemeenschap ontoereikend is. De voorziening van ertsen en splijtstoffen buiten de Gemeenschap kan immers alleen plaatsvinden in de omstandigheden genoemd in artikel 64, waarin het uitsluitend recht van het Agentschap is neergelegd om contracten voor de levering van ertsen te sluiten, artikel 66, dat de voorwaarden preciseert waaronder de gebruikers rechtstreeks contracten mogen sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap, en artikel 73 EGA-Verdrag, betreffende contracten of overeenkomsten die "tevens levering inhouden van produkten, welke onder de bevoegdheid van het Agentschap vallen".
29 Verzoekster stelt voorts, dat de in artikel 2, sub d, EGA-Verdrag genoemde voorzieningswaarborg, de bescherming van de sector uraniumproduktie onderstelt, teneinde de zelfvoorziening van de Gemeenschap te verzekeren. Artikel 2, sub g, draagt de Gemeenschap overigens op "te zorgen voor ruime afzetmogelijkheden". Artikel 2, sub c, verplicht de Gemeenschap bovendien "de investeringen te vergemakkelijken en, met name door aanmoediging van het initiatief van de ondernemingen, [te] zorgen voor de verwezenlijking van de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap". Op deze grond zijn in het Verdrag, en met name in artikel 70 ervan, bepalingen opgenomen om de produktie te bevorderen.
30 Onder deze omstandigheden is verzoekster van mening, dat de bij artikel 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedure de uitsluitende rechten van het Agentschap en het beginsel van communautaire preferentie miskent en aldus de goede werking belemmert van de door het Verdrag ingevoerde regels inzake prijsvorming. In dit verband herinnert zij eraan, dat krachtens artikel 67 de prijzen tot stand moeten komen "door afweging tegen elkaar van vraag en aanbod, volgens de bepalingen van artikel 60".
31 Volgens verzoekster heeft de Commissie de onregelmatigheid erkend van de bij artikel 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod, waar zij heeft verklaard, dat "vaststaat, dat het Agentschap momenteel niet de in artikel 60 van het Verdrag voorziene procedure van afweging volgt, [omdat] het aanbod op de markt overvloedig is (...), en de procedure van artikel 60 thans geen enkele zin zou hebben". Zij baseert zich overigens op de notulen van verschillende bijeenkomsten van het Raadgevend comité van het Agentschap, opgesteld door een lid daarvan, J. Bettencourt, bestuurder van ENU, ten betoge dat het Agentschap bij monde van zijn directeur-generaal en zijn adjunct-directeur-generaal heeft erkend, dat niet de hand werd gehouden aan het monopolie van het Agentschap en aan het stelsel van afweging van vraag en aanbod van ertsen.
32 Na een uiteenzetting te hebben gegeven van de juridische context van het geding, stelt verzoekster in de tweede plaats, dat het bij het Verdrag ingevoerde stelsel in casu verlangt, dat de afzet van haar produktie van natuurlijk uranium wordt verzekerd, nu dit tegen een redelijke prijs beschikbaar is.
33 Volgens verzoekster mochten de gebruikers enkel weigeren via het Agentschap haar uranium te kopen en zich buiten de Gemeenschap bevoorraden, indien de Commissie op hun verzoek had vastgesteld, dat de door haar gevraagde prijs onredelijk was. Voor de toepassing van de preferentieregeling op de communautaire produktie verlangt artikel 66 EGA-Verdrag immers niet, dat de door een communautair producent gevraagde prijs concurrerend is, doch slechts dat hij niet onredelijk is, en dus "in een juiste verhouding staat tot de kostprijs". De Commissie heeft overigens niet betwist, dat het Agentschap noch een gebruiker ooit heeft gesteld, dat de door ENU gevraagde prijs onredelijk was.
34 In elk geval merkt ENU op, dat haar vraagprijs, anders dan in de beschikking gesteld, absoluut concurrerend was. Deze prijs was gelijk aan, zo niet lager dan de prijs waartegen andere producenten van de Gemeenschap hun produkten aan de gebruikers van hun eigen land verkochten. De prijs die ENU heeft gevraagd in het kader van de aan het Agentschap voorgestelde meerjarige leveringscontracten (leveringsaanbiedingen van 8 oktober 1987, 2 augustus 1989, 10 december 1990 en 4 januari 1991), was zelfs lager dan de in het jaarverslag van het Agentschap gepubliceerde gemiddelde prijs die de gebruikers van de Gemeenschap bij soortgelijke contracten toepassen en aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of ENU concurrerend is.
35 Verzoekster betwist de stelling van de Commissie, dat deze vergelijking tussen haar eigen prijzen en die gepubliceerd door het Agentschap, niet bewijst dat haar aanbod concurrerend is, aangezien laatstgenoemde prijzen zouden zijn vastgelegd in contracten die in het verleden voor de duur van een aantal jaren zijn gesloten en die daarom van "historisch" belang zouden zijn en veel te hoog in de context van het huidige marktaanbod. Verzoekster stelt, dat indien deze prijzen buitensporig waren, de gebruikers op basis van de artikelen 64 en 66 van het Verdrag gemakkelijk opnieuw zouden kunnen onderhandelen over deze contracten en ze zelfs zouden kunnen opzeggen. Die prijzen zijn overigens systematisch verlaagd van 28,25 ECU per pound in 1988 tot 21,05 ECU per pound in 1991, wat overeenkomt met een daling van 25 % in vier jaar. Een dergelijke daling van de gemiddelde prijzen zou niet voortvloeien uit de nieuwe meerjarige contracten, die tussen 1987 en 1991 weinig talrijk zijn geweest en betrekking hadden op een zo gering gedeelte van het jaarlijks verbruik in de Gemeenschap, dat het de gemiddelde uraniumprijs niet wezenlijk kon beïnvloeden.
36 Verzoekster stelt, dat de door haar in haar aanbod voor meerjarige contracten voorgestelde prijzen niet hoger lagen dan de prijzen bij soortgelijke contracten op de Europese markt, en verwijt de Commissie, dat zij haar prijzen heeft vergeleken met die welke worden berekend bij eenmalige contracten, waarbij het gaat om één enkele levering dan wel om verschillende leveringen over een periode van maximaal twaalf maanden. Dergelijke prijzen moeten buiten beschouwing blijven, aangezien zij betrekking hebben op incidentele aanbiedingen, die niet de zekerheid van de bevoorrading van de nucleaire industrie in de Gemeenschap kunnen waarborgen.
37 Bovendien waren dat dumpingprijzen. In tal van gevallen ging het om uranium verkregen door de ontmanteling van kernkoppen. De kostprijs van dit uranium is niet bekend en zelfs niet bepaalbaar. Meer in het algemeen stelt ENU, dat zowel in het kader van meerjarige contracten als op de zogenoemde spotmarkt, erts wordt verkocht tegen een dumpingprijs zonder verband met de reële produktiekosten, in derde landen zonder nationale afzetmarkt of waar de produktie ver boven de behoeften ligt. Dit geldt niet alleen voor uranium uit het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS), maar eveneens voor uranium uit de Volksrepubliek China en uit bepaalde Afrikaanse landen.
38 Tot slot beklemtoont verzoekster, dat bedoelde uraniuminvoer uit, met name, de republieken van het GOS, plaatsvindt, gelijk het Agentschap in zijn jaarverslagen heeft erkend, "door bemiddeling van tussenpersonen", hetgeen in strijd is met de bepalingen van het Verdrag en van de verordening, die uitsluitend rechtstreekse onderhandelingen tussen de producenten en de gebruikers toestaan.
39 Onder deze omstandigheden zijn de beweringen van de Commissie over de prijs van het door ENU aangeboden uranium des te minder gegrond, nu ENU in het kader van het "speciale onderdeel" ermee heeft ingestemd, haar uranium te verkopen tegen "de geïndexeerde kostprijs van de producent plus 10 %". Verzoekster merkt op, dat deze prijs "ongeveer een derde lager was dan de totale kostprijs voor de onderneming en aanzienlijk lager (...) dan de prijs waartegen de gebruikers van de Gemeenschap in het kader van meerjarige contracten uranium invoerden". Zij leidt hieruit af, dat het Agentschap het Portugese uranium met winst in plaats van verlies kan doorverkopen. Zij verwerpt hoe dan ook het argument van de Commissie, dat het Agentschap niet beschikt over de financiële middelen om Portugees uranium te kopen. In dit verband herinnert zij eraan, dat de toekenning door het Verdrag van een optierecht aan het Agentschap de mogelijkheid impliceert om onder de voorwaarden van artikel VII van zijn statuten de noodzakelijke middelen te verkrijgen om die bevoegdheid uit te oefenen.
40 De Commissie verwerpt verzoeksters betoog in zijn geheel. Zij wijst de door verzoekster verdedigde uitlegging van het bij hoofdstuk VI van het Verdrag ingevoerde voorzieningsstelsel van de hand. Om te beginnen herinnert zij eraan, dat het door het Verdrag opgezette stelsel is gebaseerd op het monopolie van het Agentschap, dat, volgens artikel 52, over een optierecht op de communautaire produktie beschikt alsmede over het uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen en splijtstoffen. Het Agentschap is echter niet verplicht van dit optierecht gebruik te maken. Dit blijkt uit artikel 59, eerste alinea, EGA-Verdrag, dat betrekking heeft op het geval waarin het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent.
41 Artikel 60 voert een procedure van afweging van vraag en aanbod in, die als volgt functioneert. De gebruikers delen het Agentschap op gezette tijden hun behoeften aan ertsen of splijtstoffen mee, onder opgave van onder meer de plaatsen van herkomst en de prijzen die zij bereid zijn te betalen. De producenten delen het Agentschap op gezette tijden mee, wat zij te koop aanbieden. Het Agentschap stelt de gebruikers vervolgens in kennis van het aanbod en van de omvang van de ontvangen aanvragen en nodigt hen uit bestellingen te plaatsen. Is het Agentschap niet in staat aan alle bestellingen te voldoen, dan verdeelt het de leveringen naar evenredigheid van de bestellingen. In het kader van deze procedure van afweging sluit het Agentschap twee contracten: het eerste met de producent, in het kader van de uitoefening van zijn optierecht, en het tweede met de gebruiker, overeenkomstig zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten.
42 Ingevolge artikel 65, eerste alinea, van het Verdrag geldt de bij artikel 60 ingevoerde procedure van afweging van vraag en aanbod, wat de aanvragen van de gebruikers en de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap betreft, ook voor leveringen van buiten de Gemeenschap.
43 Dit wordt bevestigd door het feit, dat in artikel 60, eerste alinea, bij de opsomming van de specificaties die de gebruikers moeten opgeven wanneer zij op gezette tijden hun behoeften aan het Agentschap meedelen, de "plaatsen van herkomst" eerder worden vermeld dan het gebruik, de leveringstermijnen en de prijzen. Dit heeft hiermee te maken, dat tal van gebruikers deelnemen in mijnbouwondernemingen, soms wel voor 100 %, en daarom een voorkeur hebben voor "hun" plaatsen van herkomst, ongeacht of die binnen of buiten de Gemeenschap zijn gelegen. "Enkel wanneer aan de bestellingen niet kan worden voldaan, omdat 'juridische of materiële bezwaren zich tegen die plaatsen van herkomst verzetten' (artikel 61 van het Verdrag), zou het Agentschap, onder de in artikel 65, tweede alinea, genoemde voorwaarden, kunnen bepalen 'welke de geografische oorsprong van de te leveren goederen zal zijn, voor zover het daardoor aan de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als die welke in de bestelling zijn neergelegd' ."
44 In deze context verwerpt de Commissie verzoeksters bezwaren tegen de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening. Zij stelt om te beginnen, dat dit artikel op regelmatige wijze in de verordening is ingevoegd bij de verordening van 15 juli 1975, die, anders dan verzoekster beweert, door de Commissie is goedgekeurd.
45 Ten gronde stelt de Commissie, dat de wijze van afweging van vraag en aanbod, die ingevolge artikel 60, zesde alinea, van het Verdrag in een reglement van het Agentschap moet zijn vastgelegd, afhankelijk is van de marktomstandigheden. De huidige situatie is gekenmerkt door een verzadigde markt en verschilt grondig van die in 1957, zodat de in de eerste vijf alinea' s van artikel 60 voorziene procedure van afweging nauwelijks zin heeft, omdat aan alle bestellingen van de gebruikers ruimschoots kan worden voldaan. Dit verklaart, waarom het Agentschap deze procedure niet volgt. Het belangrijkste verschil tussen deze procedure en de bij artikel 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedure bestaat hierin, dat de in artikel 60 bedoelde twee contracten, dat tussen de producent en het Agentschap enerzijds en dat tussen het Agentschap en de gebruiker anderzijds, in het kader van de vereenvoudigde procedure worden samengevoegd tot één contract met drie partijen, de producent, het Agentschap en de gebruiker. Door het contract met de producent en de gebruiker mede te ondertekenen, oefent het Agentschap zijn optierecht uit alsmede zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten. De Commissie beklemtoont, dat het contract, indien het Agentschap weigert het te ondertekenen, van rechtswege nietig is.
46 Tot slot verklaart de Commissie, dat zij nooit heeft erkend, dat de bepalingen van de verordening onwettig zijn. Zij ontkent, dat haar ambtenaren of die van het Agentschap verklaringen hebben afgelegd die twijfel kunnen doen rijzen over de geldigheid van deze verordening. Dergelijke verklaringen zouden haar trouwens hoe dan ook niet binden.
47 Onder deze omstandigheden is de Commissie van mening, dat zij met de afwijzing van het verzoek van ENU, te verhinderen dat de gebruikers zich buiten de Gemeenschap bevoorraden zolang er produktie van ENU beschikbaar is, heeft gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, dat geen communautaire preferentie ten gunste van de producenten van de Gemeenschap verlangt.
48 De Commissie wijst in het bijzonder verzoeksters betoog over de prijzen in zijn geheel van de hand. Zij stelt om te beginnen, dat de in het jaarverslag van het Agentschap vermelde prijzen, waarmee verzoekster haar eigen prijzen vergelijkt, in werkelijkheid overeenkomen met de gemiddelde prijs van de leveringen die in het jaar waarop het verslag betrekking heeft, hebben plaatsgevonden ter uitvoering van een aantal jaren eerder gesloten meerjarige contracten, en niet met de prijzen vastgelegd in in hetzelfde jaar gesloten meerjarige contracten, die om conjuncturele redenen aanzienlijk lager zijn.
49 De door ENU gevraagde prijzen, aldus de Commissie, lagen aanzienlijk hoger dan die welke volgens de in het dossier opgenomen vertrouwelijke informaties van het Agentschap waren bepaald in de zestien in 1987, 1988 en 1991 gesloten meerjarige contracten, en dan de gemiddelde jaarprijs die bij de lopende contracten van dit type wordt toegepast.
50 Wat de gestelde dumpingpraktijken betreft, stelt de Commissie, dat zo het bestaan van een dergelijke praktijk al was aangetoond, deze een juridisch bezwaar zou vormen in de zin van artikel 61 van het Verdrag, dat het Agentschap verplicht "aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren zich daartegen verzetten". Het Agentschap zou zich overeenkomstig de bepalingen van artikel 61 in samenhang met de artikelen 60 en 65 EGA-Verdrag tegen deze contracten kunnen verzetten. Binnen de aldus door artikel 61 aangegeven grenzen zou het Agentschap er echter wel voor moeten zorgen, dat de communautaire gebruikers kunnen profiteren van een voor hen gunstige conjunctuur.
51 Wat met name de door de Oosteuropese landen toegepaste prijzen betreft, herinnert de Commissie eraan, dat artikel 14 van de overeenkomst tussen de EEG, de EGA en de USSR inzake handel en commerciële en economische samenwerking, goedgekeurd bij besluit 90/117/Euratom van de Commissie van 27 februari 1990 (PB 1990, L 68, blz. 2), in het gedeelte over kernenergie bepaalt, dat de uitwisseling van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen plaatsvindt tegen op de markt afgestemde prijzen. Op deze grond heeft het Agentschap zich verzet tegen het sluiten van bepaalde contracten voor de levering van natuurlijk uranium afkomstig uit het GOS, tegen lagere prijzen dan de marktprijzen (zie met name beschikkingen 94/95/Euratom en 94/285/Euratom van de Commissie van 4 en van 21 februari 1994 betreffende een procedure voor de toepassing van artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag, in de zaak KLE; PB 1994, L 48, blz. 45, resp. L 122, blz. 30).
52 De Commissie wijst er overigens op, dat tot de instelling van het onderhavige beroep, verzoekster noch enige communautaire uraniumproducent bij het Agentschap of de Commissie over eventuele dumpingpraktijken heeft geklaagd.
53 Onder deze omstandigheden is de Commissie van mening, dat ENU, die geen concurrerende prijzen toepast, in feite verlangt dat haar ten laste van het Agentschap en de communautaire begroting "een subsidie wordt toegekend voor een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen haar vraagprijs en de marktprijs".
Beoordeling door het Gerecht
54 Aan de orde is de regelmatigheid van de afwijzing door de Commissie van het krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag door ENU ingediende verzoek om op basis van de verdragsbepalingen de afzet van haar uraniumproduktie te garanderen. Concreet verlangde ENU van het Agentschap, dat het zijn optierecht op haar produktie zou uitoefenen en, gebruik makend van zijn uitsluitend recht ex artikel 52 van het Verdrag om contracten voor de levering van ertsen te sluiten, de communautaire gebruikers zo nodig zou verplichten haar produktie te kopen.
55 Daartoe dient eerst te worden onderzocht, welke garanties in het kader van de bij hoofdstuk VI van het EGA-Verdrag ingevoerde voorzieningsregeling aan de producenten van ertsen of splijtstoffen in de Gemeenschap worden geboden.
56 Ongeacht de bij de verordening vastgestelde wijze van afweging van vraag en aanbod, moet de regelmatigheid van de afwijzing door de Commissie van het verzoek van ENU immers worden getoetst aan de voorzieningsregeling die is ingevoerd bij de verdragsbepalingen, waarop verzoekster zich overigens beroept. Deze benadering is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, dat in zijn arrest Commissie/Frankrijk (reeds aangehaald, r.o. 43) heeft geoordeeld, dat "de omstandigheid dat in een bepaalde periode als gevolg van de marktsituatie wellicht minder sterk de noodzaak klemde om de in het Verdrag aangegeven voorzieningsregelingen toe te passen, niet voldoende is om aan de bepalingen van deze regelingen bindende kracht te ontnemen". Voorts heeft het Hof in zijn uitspraak krachtens artikel 103 EGA-Verdrag van 14 november 1978, met een beroep op de aan de Gemeenschap verleende prerogatieven beklemtoond, "hoe nauwkeurig en dwingend het Verdrag het alleenrecht van de Gemeenschap op het gebied van de voorziening van nucleaire stoffen, zowel intracommunautair als in de externe betrekkingen, heeft willen regelen" (uitspraak 1/78, Jurispr. 1978, blz. 2151, punt 14).
57 Vooraf moet dus de door hoofdstuk VI van het Verdrag opgezette voorzieningsregeling worden onderzocht in het licht van de aan de Gemeenschap gestelde doelen. Dienaangaande blijkt uit de opzet van het Verdrag, dat de taak van het Agentschap erin bestaat, de verwezenlijking te verzekeren van één van de belangrijkste doelstellingen die de Gemeenschap ingevolge artikel 2, sub d, van het Verdrag dient na te streven, te weten de zekerheid van de voorziening, volgens het in artikel 52, lid 1, van het Verdrag neergelegde beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen. Dit blijkt duidelijk uit artikel 52, lid 2, sub b, van het Verdrag, waarbij dat gespecialiseerde orgaan uitdrukkelijk met dat doel is opgericht met toekenning, in beginsel, van exclusieve rechten om te verzekeren, dat de gebruikers van de Gemeenschap op regelmatige en billijke wijze worden voorzien van ertsen en splijtstoffen, zowel afkomstig uit de Gemeenschap als uit derde landen. Ingevolge deze bepaling moet de voorzieningsregeling immers ten uitvoer worden gelegd door het Agentschap, dat ter vervulling van zijn taak een optierecht heeft op ertsen, grondstoffen en bijzondere splijtstoffen voortgebracht op het grondgebied van de Lid-Staten, alsmede een uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van deze produkten, herkomstig uit landen binnen of buiten de Gemeenschap.
58 Het gemeenschappelijk voorzieningsbeleid waarin artikel 52, lid 1, voorziet en waarvan bepaalde modaliteiten zijn vastgelegd in afdeling V (artikelen 70-72) van hoofdstuk VI betreffende de voorziening, betreft voornamelijk de opsporing van delfstoffen, en de uitvoering ervan is rechtstreeks opgedragen aan de Commissie of aan de Raad. In het kader van deze afdeling is de rol van het Agentschap beperkt tot een commercieel aspect. Op grond van artikel 72, eerste alinea, kan het Agentschap uitsluitend "uit de binnen en buiten de Gemeenschap beschikbare hoeveelheden de nodige handelsvoorraden aanleggen om de voorziening of de lopende leveringen van de Gemeenschap te vergemakkelijken". Volgens artikel 72, tweede alinea, is het overigens de Commissie, die "eventueel tot het aanleggen van veiligheidsvoorraden kan besluiten".
59 Uit een en ander blijkt, dat de taken van het Agentschap beperkt zijn tot de uitvoering van de bij hoofdstuk VI van het Verdrag ingevoerde voorzieningsregeling. Hoofdstuk VI heeft het Agentschap bovengenoemde exclusieve rechten dus juist verleend om het in staat te stellen onder de in dat hoofdstuk genoemde voorwaarden de zekerheid te waarborgen van de voorziening van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen. Dit neemt niet weg, dat het Agentschap, in het kader van zijn taak om voor een regelmatige en billijke voorziening van alle gebruikers van de Gemeenschap te zorgen, eventueel genoopt kan zijn rekening te houden met de belangen van de producenten, overeenkomstig alle doelstellingen van het Verdrag te zamen, en in het bijzonder de doelstellingen betreffende de verwezenlijking van de fundamentele installaties die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de kernenergie in de Gemeenschap en het zorgen voor ruime afzetmogelijkheden, opgenomen in artikel 2, sub c en sub g, van het Verdrag, waarop verzoekster zich heeft beroepen, en waarvan de concrete verwezenlijking meer in het bijzonder is geregeld in de hoofdstukken IV en V, betreffende de investeringen en de gemeenschappelijke ondernemingen, en in hoofdstuk IX, betreffende de gemeenschappelijke markt op het gebied van de kernenergie. Bij de uitvoering van de bij hoofdstuk VI van het Verdrag ingevoerde voorzieningsregeling is echter voor bescherming van de belangen van de communautaire producenten alleen plaats, indien die bescherming verband houdt met de eisen betreffende de zekerheid van de voorziening.
60 Tegen deze achtergrond moet worden vastgesteld, dat overeenkomstig artikel 2, sub d, van het Verdrag het preferentiebeginsel uitsluitend in de voorzieningsregeling is opgenomen ten gunste van de gebruikers van de Gemeenschap, en dat het niet de afzet van de communautaire ertsproduktie garandeert. Het beginsel van preferentie ten gunste van de gebruikers van de Gemeenschap wordt verzekerd door het in artikel 52, lid 2, sub b, neergelegde optierecht van het Agentschap op het in de Gemeenschap geproduceerde uranium. Ingevolge artikel 57 van het Verdrag wordt dit optierecht in beginsel uitgeoefend door het sluiten van contracten met de producenten. Naar luid van dit artikel immers is elke producent in principe gehouden, de ertsen of splijtstoffen welke hij op het grondgebied van de Lid-Staten voortbrengt, aan het Agentschap aan te bieden. Slechts wanneer "het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent ten aanzien van de gehele produktie of een gedeelte daarvan (...), wordt de producent bij beschikking van de Commissie toestemming verleend om de beschikbare produktie buiten de Gemeenschap te verkopen onder voorbehoud dat geen gunstiger voorwaarden worden bedongen dan bij het eerder gedane aanbod aan het Agentschap", aldus artikel 59, sub b, van het Verdrag.
61 Daarentegen bevat het Verdrag geen bepaling die expliciet of impliciet de preferentiële afzet van de uit de Gemeenschap afkomstige produktie garandeert. Integendeel, in het het stelsel van centralisatie bij het Agentschap van het aanbod van de producenten van de Gemeenschap en van de vraag van de gebruikers van de Gemeenschap, welk stelsel het Agentschap in staat moet stellen de regelmatige en billijke voorziening van alle gebruikers te verzekeren, wordt geen enkel onderscheid gemaakt naar gelang van de herkomst van de produkten. In artikel 65, eerste alinea, van het Verdrag heet het namelijk, dat artikel 60, betreffende de procedure voor het afwegen van vraag en aanbod, "van toepassing is op de aanvragen van de gebruikers en op de contracten tussen de gebruikers en het Agentschap, betreffende de levering van ertsen, grondstoffen of bijzondere splijtstoffen, herkomstig van buiten de Gemeenschap".
62 Anders dan verzoekster stelt, geldt de bij artikel 60, eerste alinea, van het Verdrag aan de gebruikers van de Gemeenschap opgelegde verplichting om aan het Agentschap hun behoeften aan materialen mede te delen, waarbij zij bij de in de voorgenomen leveringscontracten opgenomen gegevens met name de plaatsen van herkomst moeten opgeven, dus eveneens voor niet uit de Gemeenschap afkomstige produkten. Deze vallen dus in beginsel onder dezelfde regels inzake afweging van vraag en aanbod als de produkten uit de Gemeenschap. In het bijzonder kan het Agentschap krachtens artikel 65, tweede alinea, van het Verdrag alleen dan de geografische oorsprong van de leveringen bepalen, wanneer het daarbij de gebruiker ten minste even gunstige voorwaarden verzekert als in de bestelling zijn gestipuleerd. Voorts is het op grond van artikel 61, eerste alinea, verplicht aan alle bestellingen te voldoen, tenzij juridische of materiële bezwaren daaraan in de weg staan, zodat het zich bij ontbreken van dergelijke bezwaren niet kan verzetten tegen de invoer van ertsen tegen een meer concurrerende prijs, teneinde aldus de afzet te verzekeren van de communautaire produktie tegen een hogere prijs, ook wanneer deze niet onredelijk is in de zin van artikel 66. Dit is de context waarvan moet worden uitgegaan bij de uitlegging van artikel 59 EGA-Verdrag, dat uitdrukkelijk voorziet in het geval dat het Agentschap zijn optierecht niet uitoefent ten aanzien van de gehele produktie of een gedeelte daarvan, hetgeen dus bevestigt, dat het Agentschap niet verplicht is de afzet te garanderen van de ertsen en splijtstoffen afkomstig uit de Gemeenschap, die hem krachtens artikel 60, tweede alinea, worden aangeboden.
63 De door ENU verdedigde stelling, dat het Verdrag de afzet zou garanderen van communautaire produkten die tegen een "billijke" prijs worden aangeboden, en de gebruikers enkel zou toestaan zich buiten de Gemeenschap te bevoorraden in de in artikel 66 van het Verdrag bedoelde omstandigheden, dat wil zeggen wanneer de communautaire produktie onvoldoende is of de door de producenten van de Gemeenschap toegepaste prijzen "onredelijk" zijn, kan niet worden aanvaard. Artikel 66 van het Verdrag omschrijft immers juist de gevallen waarin mag worden afgeweken van de gewone procedure van artikel 60 van het Verdrag, betreffende de afweging van vraag en aanbod, die het Agentschap in staat moet stellen zijn exclusieve rechten uit te oefenen teneinde de zekerheid van de voorziening te waarborgen. Artikel 66 sluit elke tussenkomst van het Agentschap uit. Het bepaalt in wezen, dat indien de Commissie vaststelt dat het Agentschap niet in staat is hen binnen een redelijke termijn te bevoorraden, of dit slechts kan doen tegen onredelijke prijzen, de gebruikers het recht hebben voor een ° verlengbare ° periode van één jaar, rechtstreeks contracten te sluiten voor leveringen van buiten de Gemeenschap. Hieruit volgt, dat in de systematiek van hoofdstuk VI het criterium "onredelijke prijzen", dat in artikel 66 speciaal is opgenomen om de werkingssfeer van een afwijkende procedure te beperken, in de context van het Verdrag niet aldus kan worden uitgelegd, dat het eveneens is bedoeld om in het kader van de gewone procedure van artikel 60 een preferentie te verzekeren ten gunste van produkten uit de Gemeenschap. Verzoeksters stelling, dat de invoer van ertsen of andere splijtstoffen onder de procedure van artikel 66 zou vallen, die iedere bevoegdheid van het Agentschap uitsluit, is bovendien onverenigbaar met de bepalingen van artikel 52, lid 2, sub b, in samenhang met die van de in de voorgaande rechtsoverweging besproken artikelen 60, 61, 64 en 65, die in beginsel het uitsluitend recht van het Agentschap om dergelijke contracten te sluiten, bevestigen en de bevoegdheden van het Agentschap bij de uitoefening van dit exclusieve recht afbakenen.
64 Bovendien is het de afweging van vraag en aanbod, waarnaar in artikel 60 wordt verwezen voor de levering van alle ertsen en andere splijtstoffen zonder onderscheid, ongeacht hun herkomst (zie r.o. 61 en 62 supra), die in de regel leidt tot vaststelling van de prijs volgens de wet van vraag en aanbod en zonder dat het Agentschap daar een stem in heeft. Artikel 67 van het Verdrag bepaalt immers, dat "behoudens de in dit Verdrag bepaalde uitzonderingen, de prijzen tot stand komen door afweging tegen elkaar van vraag en aanbod, volgens de bepalingen van artikel 60; hierop mogen de Lid-Staten geen inbreuk maken door middel van hun nationale regelingen". Het Agentschap beschikt in dit opzicht krachtens artikel 69, tweede alinea, EGA-Verdrag enkel over de bevoegdheid de gebruikers een prijsverevening voor te stellen, doch kan hen hiertoe niet verplichten. In dit kader zou het Agentschap zich dus alleen dan kunnen verzetten tegen de invoer van ertsen of andere splijtstoffen tegen lagere prijzen dan die gevraagd door de producenten van de Gemeenschap, wanneer die invoer afbreuk zou kunnen doen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag, met name door de invloed ervan op de bevoorradingsbronnen. Een dergelijk risico zou immers kunnen worden aangemerkt als een juridisch bezwaar dat zich verzet tegen het voldoen aan een bestelling, in de zin van artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag. Het zou het Agentschap ontslaan van zijn verplichting om aan alle bestellingen te voldoen of om alle contracten te sluiten die hem in de praktijk worden voorgelegd in het kader van de vereenvoudigde procedure van artikel 5 van de verordening, ongeacht de herkomst van de produkten, zodra zij worden aangeboden tegen een gunstiger prijs. De door het Verdrag in het kader van de voorzieningsregeling ingestelde prijsvaststellingsmechanismen bevestigen aldus, dat geen voorkeursbehandeling mag worden gegeven aan ertsen en andere splijtstoffen uit de Gemeenschap, wanneer deze worden aangeboden tegen hogere prijzen dan die op de wereldmarkt en er zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die een belemmering kunnen vormen voor de door hoofdstuk VI beoogde verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag, behoudens een interventie van de Raad krachtens artikel 69 van het Verdrag.
65 De door verzoekster verdedigde uitlegging van bovengenoemde verdragsbepalingen, die ertoe zou leiden dat systematisch eerst de gehele communautaire produktie wordt afgezet tegen prijzen die "in een juiste verhouding tot de kostprijs" staan, en dat pas dan de invoer van splijtstoffen wordt toegestaan tegen prijzen die voor de gebruikers interessanter zijn, zou bovendien ten koste gaan van de industrietakken van de Gemeenschap waar nucleaire produkten worden gebruikt, en zou een belemmering vormen voor hun ontwikkeling, hetgeen in strijd is met de opdracht waarmee de Gemeenschap ingevolge artikel 1 van het Verdrag is belast. Om al deze redenen ware de erkenning van een systematische communautaire preferentie ten gunste van de producenten van ertsen in strijd met de doelstellingen van het Verdrag.
66 Uit een en ander volgt, dat in het stelsel van het Verdrag de aanbiedingen van de producenten van de Gemeenschap normalerwijze moeten concurreren met die van buiten de Gemeenschap. Tenzij er sprake is van buitengewone omstandigheden die afbreuk kunnen doen aan de doelstellingen van het Verdrag, is het Agentschap, anders dan verzoekster stelt, derhalve niet gerechtigd zijn optierecht uit te oefenen wanneer de vraagprijs van de producent van de Gemeenschap te hoog is om de afzet van zijn produktie op de markt te verzekeren. Voorts staat de prijsvaststellingsregeling van hoofdstuk VI van het Verdrag, "behoudens in het Verdrag voorziene uitzonderingen", niet toe, dat de gebruikers worden verplicht ertsen uit de Gemeenschap te kopen tegen een hogere prijs dan de marktprijs, die het resultaat is van de afweging van vraag en aanbod. Concreet houdt dit in, dat bij ontbreken van juridische bezwaren die ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Verdrag een beletsel vormen voor het voldoen aan een bestelling, het Agentschap zich in voorkomend geval alleen dan op de communautaire preferentie ten gunste van de producenten van de Gemeenschap kan beroepen en zich op die grond kan verzetten tegen invoer, indien de vraagprijs van laatstbedoelde producenten gelijk was aan of lager dan de prijs vermeld hetzij in de bestelling die de gebruiker aan het Agentschap heeft doen toekomen volgens de procedure van de eerste vijf alinea' s van artikel 60 van het Verdrag, hetzij, in de praktijk, in het contract dat vooraf ter ondertekening aan het Agentschap is voorgelegd in het kader van de procedure van artikel 5 bis van de verordening, of ook nog, indien de aanbiedingen van de producenten van de Gemeenschap voor de gebruikers voordelen meebrachten die een eventueel prijsverschil kunnen compenseren.
67 Voorts zij erop gewezen, dat zelfs in het geval dat het Agentschap gerechtigd is zijn optierecht op in de Gemeenschap geproduceerde ertsen uit te oefenen ° namelijk wanneer deze worden aangeboden tegen prijzen die voor de gebruikers even gunstig zijn als de prijzen die de concurrenten vragen voor ertsen van buiten de Gemeenschap °, het niet verplicht is voorrang te geven aan de afzet van de communautaire produktie, want zoals reeds aangetoond (zie r.o. 61 en 62 supra), is de bij het Verdrag ingevoerde voorzieningsregeling niet gebaseerd op het beginsel van communautaire preferentie ten gunste van de producenten. Meer in het bijzonder kan het Agentschap zijn uitsluitende rechten slechts uitoefenen om de afzet te verzekeren van het door een producent van de Gemeenschap aangeboden natuurlijk uranium, zodat deze in staat is zijn bedrijf op het grondgebied van de Gemeenschap voort te zetten, indien de uitoefening van die rechten verband houdt met de verwezenlijking van de doelstellingen van het Verdrag. Bij beslissingen op het gebied van het economisch, handels- en nucleair beleid beschikt het Agentschap in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheden over een ruime beoordelingsmarge. Onder deze omstandigheden dient de controle van het Gerecht in elk geval beperkt te blijven tot gevallen van kennelijk verkeerde beoordeling of van misbruik van bevoegdheid (zie, onder meer, arrest Hof van 5 oktober 1994, zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 51 en 89-91).
68 Ook de bepalingen van hoofdstuk VI, volgens welke in voorkomend geval kan worden afgeweken van het bij het Verdrag ingevoerde commerciële mechanisme van afweging van vraag en aanbod (zie r.o. 62-64 supra), voorzien enkel in een mogelijkheid voor het Agentschap en voor de Commissie of de Raad. Zo heeft het Agentschap, met name ter verzekering van een geografische spreiding van de bevoorradingsbronnen buiten de Gemeenschap, de discretionaire bevoegdheid om zich ° door middel van zijn uitsluitend recht om contracten te sluiten voor de levering van ertsen en andere splijtstoffen, teneinde aldus, overeenkomstig de hem door het Verdrag opgedragen taak, de zekerheid van de voorziening te waarborgen met inachtneming van het beginsel van gelijke toegang tot de hulpbronnen ° te verzetten tegen bepaalde uraniumimporten die voor die spreiding nadelig zouden zijn. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid van de Commissie bij de toepassing van artikel 72, tweede alinea, van het Verdrag, dat die instelling machtigt veiligheidsvoorraden aan te leggen, waarvan de wijze van financiering door de Raad moet worden goedgekeurd. De Raad ten slotte is ingevolge artikel 69 van het Verdrag bevoegd prijzen vast te stellen, daarbij afwijkend van de bepalingen van artikel 67, bepalende dat de prijzen volgens commerciële beginselen worden vastgesteld na afweging van vraag en aanbod volgens de bepalingen van artikel 60.
69 In het licht van deze juridische context moet worden vastgesteld, dat verzoekster in deze zaak geen enkele bijzondere omstandigheid heeft genoemd die, enerzijds, een juridisch bezwaar kan opleveren tegen de bevoorrading van de gebruikers van de Gemeenschap met ertsen van buiten de Gemeenschap en, anderzijds, het Agentschap ertoe kan verplichten om, gelet op de doelstellingen van het Verdrag, zijn optierecht uit te oefenen ten aanzien van verzoeksters produktie. Waar het Agentschap en de Commissie tot het oordeel zijn gekomen, dat de door ENU gestelde bedreiging van de verdere exploitatie van haar natuurlijk-uraniummijnen, waarvan de produktie ongeveer 1,5 % van het verbruik in de Gemeenschap vertegenwoordigt, de zekerheid van een regelmatige en billijke voorziening van de gebruikers van de Gemeenschap niet in gevaar brengt, hebben zij de grenzen van hun beoordelingsvrijheid niet overschreden.
70 Wat meer in het bijzonder verzoeksters argument betreft, dat bepaalde aanbiedingen van buiten de Gemeenschap het karakter van dumpingpraktijken hebben, zij opgemerkt, dat het EGA-Verdrag geen enkele specifieke bepaling bevat over de verhouding tussen de voorzieningsregeling van hoofdstuk VI van het Verdrag en maatregelen ter bestrijding van dumpingpraktijken met betrekking tot nucleaire stoffen. De toepassing van de anti-dumpingbepalingen van het EG-Verdrag op de kernenergiesector kan derhalve niet bij voorbaat worden uitgesloten. Gelijk immers het Hof overwoog in zijn uitspraak van 14 november 1978 krachtens artikel 103 EGA-Verdrag (reeds aangehaald, punt 15), lijken de bepalingen van het EGA-Verdrag "in het licht van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap niets anders te zijn dan de toepassing, op een uiterst specifiek gebied, van rechtsbegrippen die ten grondslag liggen aan de structuur van de gemeenschappelijke markt in het algemeen (...) Evenals het EEG-Verdrag beoogt het EGA-Verdrag in zijn materieel toepassingsgebied één ongedeelde economische ruimte te scheppen." Verzoekster heeft evenwel bij de Commissie geen klacht tegen de door haar gestelde dumpingpraktijken ingediend en zij heeft in de onderhavige zaak geen enkel specifiek gegeven tot staving van haar grieven aangevoerd. Bovendien vallen dergelijke grieven hoe dan ook buiten het kader van het onderhavige beroep, dat uitsluitend strekt tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie uit hoofde van artikel 53 van het Verdrag en geen betrekking heeft op een onderzoek van een klacht over dumping.
71 Onder deze omstandigheden, en zonder dat behoeft te worden beslist over de regelmatigheid van de vereenvoudigde procedure van afweging van vraag en aanbod, ingevoerd bij artikel 5 bis van de verordening, kan het Gerecht slechts vaststellen, dat de afwijzing door de Commissie van het verzoek van ENU, ertoe strekkende dat het Agentschap gebruik zou maken van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om contracten voor de levering van ertsen te sluiten, om aldus de afzet van verzoeksters uraniumproduktie te verzekeren, gelet op de in het Verdrag neergelegde voorzieningsregeling, geen enkele onregelmatigheid vertoont.
72 Gelet op wat hiervoor is uiteengezet, is verzoeksters betoog over onwettigheid van de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening immers irrelevant, daar de beslechting van het onderhavige geding uitsluitend afhangt van de vraag, of de verdragsbepalingen aldus kunnen worden uitgelegd, dat zij het Agentschap en/of de Commissie verplichten de afzet van het door ENU aangeboden natuurlijk uranium te garanderen. Uit het voorgaande blijkt, dat nu zich geen bijzondere omstandigheden voordeden die een afwijking van de voorzieningsregeling van het Verdrag konden rechtvaardigen, het Agentschap en de Commissie verplicht noch gerechtigd waren de afzet van die produktie tegen een hogere prijs dan de voor soortgelijke contracten geldende marktprijs te garanderen. Maar ook wanneer ENU gedurende korte tijd bereid zou zijn geweest haar produktie aan te bieden tegen een prijs die ten minste even gunstig was als die van sommige van haar concurrenten, wat niet is komen vast te staan, dan nog hebben het Agentschap en de Commissie, naar het Gerecht heeft vastgesteld (zie r.o. 69 supra), de grenzen van hun beoordelingsvrijheid niet overschreden door de afzet van haar produktie niet te garanderen.
73 Doch ook in het geval dat verzoeksters betoog over artikel 5 en, meer in het bijzonder, over artikel 5 bis van de verordening toch relevant was, zou de wettigheidstoetsing door het Gerecht van de bij deze artikelen ingevoerde vereenvoudigde procedures van afweging van vraag en aanbod, hoe dan ook niet tot een andere oplossing kunnen leiden ten aanzien van verzoeksters eisen. Die vereenvoudigde procedures beantwoorden immers aan het doel van de bepalingen van artikel 60 van het Verdrag en, meer in het algemeen, aan dat van de voorzieningsregeling van hoofdstuk VI, die beogen te verzekeren, dat de gebruikers van de Gemeenschap worden bevoorraad met nucleaire produkten tegen prijzen die het resultaat zijn van het marktmechanisme. De invoering van een vereenvoudigde procedure naast de gecentraliseerde procedure van afweging van vraag en aanbod overeenkomstig de eerste vijf alinea' s van artikel 60, vindt met name een verklaring in de conjuncturele ontwikkeling, gekenmerkt door een aanbodoverschot, waardoor die centralisatie overbodig werd. Die procedure houdt rekening met deze marktontwikkeling, overeenkomstig de doeleinden van de voorzieningsregeling, waarvan het Verdrag de uitvoering aan het Agentschap opdraagt (in die zin conclusie van advocaat-generaal Roemer bij het arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, Jurispr. 1971, blz. 1023, 1032).
Wat meer in het bijzonder de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis betreft, wijst het Gerecht erop, dat deze procedure de gebruikers weliswaar toestaat om met de producenten van hun keuze rechtstreeks te onderhandelen over leveringscontracten, doch het Agentschap niet zijn uitsluitende rechten ontneemt, die volgens het stelsel van het Verdrag in elk geval moeten worden uitgeoefend volgens de regels van een markteconomie. Dit artikel bepaalt immers, dat het contract waarover de marktdeelnemers vrijelijk hebben onderhandeld, "binnen een termijn van 10 werkdagen aan het Agentschap ter ondertekening [moet] worden voorgelegd", en dat het Agentschap "binnen een termijn van 10 werkdagen na de ontvangst moet mededelen of het contract al dan niet wordt afgesloten". Om het Agentschap in staat te stellen zijn prerogatieven daadwerkelijk uit te oefenen, preciseert dit artikel de gegevens die elk aan het Agentschap voorgelegd leveringscontract ten minste moet bevatten. Hieruit volgt, dat de bij artikel 5 bis van de verordening ingevoerde vereenvoudigde procedure in overeenstemming is met de voorzieningsregeling van het Verdrag.
74 Uit een en ander volgt, dat het beroep ongegrond moet worden verklaard, voor zover het strekt tot nietigverklaring van de weigering van de Commissie om gevolg te geven aan het verzoek van ENU om op basis van het stelsel van hoofdstuk VI van het Verdrag de afzet van haar uraniumproduktie te garanderen.
B ° Het verzoek om uitvoering van het "speciale onderdeel"
Samenvatting van de argumenten van partijen
75 Verzoekster vordert voorts nietigverklaring van de beschikking, voor zover daarin haar verzoek om uitvoering van het "speciale onderdeel" wordt afgewezen. Zij stelt vooraf, dat dit speciale onderdeel de gebruikers eraan herinnert, dat zowel het Verdrag als de verordening het Agentschap machtigen hen te verplichten tot aankoop van het uranium van ENU tegen de prijs waarmee ENU in het kader van dit "onderdeel" had ingestemd. Ingevolge artikel 5 bis, sub f en g, van de verordening kan het Agentschap immers bij met redenen omkleed besluit de sluiting van een contract weigeren. Hiertoe behoeft het enkel een beroep te doen op artikel 66 van het Verdrag, dat zich verzet tegen de invoer van uranium door de gebruikers, wanneer het Agentschap beschikt over uranium tegen een redelijke prijs, zoals in het geval van de produktie van ENU. Daar de gebruikers zich dan niet kunnen bevoorraden buiten de Gemeenschap, vanwaar ongeveer 70 % van het communautaire verbruik afkomstig is, moeten zij het door ENU aangeboden uranium wel kopen.
76 Voorts stelt verzoekster, dat het Agentschap gehouden was het "speciale onderdeel" toe te passen, aangezien de Commissie het krachtens artikel 53, tweede alinea, van het Verdrag een richtlijn in die zin had gegeven. Zij baseert zich op de brief die Cardoso e Cunha, het lid van de Commissie bevoegd voor het energiebeleid van de Gemeenschap, haar op 8 december 1989 had gezonden; volgens die brief moest "het voorzieningsbeleid van het Agentschap voortaan een 'speciaal onderdeel' (...) omvatten dat het mogelijk maakt gevallen als dat van ENU op te lossen", en was het Agentschap uitgenodigd "over te gaan tot de concrete verwezenlijking van de hiertoe ingediende actievoorstellen" (bijlage 11 bij het verzoekschrift).
77 Verzoekster wijst de verklaring van de Commissie van de hand, dat het in de brief van Cardoso e Cunha om een "persoonlijke mening" ging en niet om een besluit van de Commissie zelf, vastgesteld door tussenkomst van het bevoegde lid van de Commissie. Zij herinnert eraan, dat dit Commissielid op energiegebied de bevoegdheden uitoefent die de Commissie hem heeft verleend in het kader van de verdeling van taken en bevoegdheden overeenkomstig artikel 27 van haar reglement van orde.
78 Vervolgens verwerpt verzoekster de stelling van de Commissie, dat het "speciale onderdeel" het Agentschap enkel verplicht "het meest geschikte instrument in te zetten om te pogen het probleem op te lossen door overreding en door inzet van zijn goede diensten". Volgens haar bevat het "speciale onderdeel" een nauwkeurig mechanisme, dat zowel voor ENU als voor de gebruikers in de Gemeenschap bindend is. Dit door de Commissie goedgekeurde "speciale onderdeel" vormt daarom niet alleen ten aanzien van de te bereiken resultaten, maar ook ten aanzien van de te gebruiken middelen een bindende handeling.
79 Verzoekster stelt in de tweede plaats, dat de Commissie, door in de bestreden beschikking het verzoek van ENU om een dwingende toepassing van het "speciale onderdeel" af te wijzen, de beginselen van goede trouw en bescherming van gewettigd vertrouwen heeft geschonden, daar het Agentschap ENU had verzekerd, dat het voorrang zou geven aan een bevredigende oplossing van haar probleem (bijlage 6 bij het verzoekschrift). Ook de Commissie heeft zich bij brief van 14 november 1988 verplicht, "het door ENU opgeworpen probleem nauwgezet te onderzoeken (...), teneinde een gunstige oplossing te vinden" (bijlage 7 bij het verzoekschrift). Verder heeft zij ENU bij brief van 8 december 1989 meegedeeld, dat zij "de mening deelt, dat het voorzieningsbeleid van het Agentschap voortaan een 'speciaal onderdeel' moet omvatten dat het mogelijk maakt gevallen als dat van ENU op te lossen" (bijlage 11 bij het verzoekschrift). Tot slot herinnert verzoekster eraan, dat de Commissie in antwoord op een schriftelijke vraag tijdens de zitting van het Europees Parlement van april 1990 heeft verklaard, "dat zij zich in het kader van het Euratom-Verdrag ertoe had verbonden een oplossing te zoeken voor het probleem van de afzet van de Portugese uraniumproduktie" (vraag 190/90).
80 De Commissie merkt op, dat het "speciale onderdeel" krachtens de bepalingen van hoofdstuk VI van het Verdrag enkel kon bestaan in serieuze en aanhoudende inspanningen van het Agentschap om de gebruikers van de Gemeenschap ertoe te bewegen, zich bij ENU te bevoorraden. Zij voegt hieraan toe, dat de brief van Cardoso e Cunha, waarin dit "speciale onderdeel" ter sprake komt, niet kan worden uitgelegd als een richtlijn, aangezien de bevoegdheid om dergelijke richtlijnen tot het Agentschap te richten op grond van artikel 53, eerste alinea, van het Verdrag bij de Commissie als college berust. Om al deze redenen is de Commissie van mening, dat het "speciale onderdeel" het Agentschap slechts een "middelenverplichting oplegde (...) om de meest geschikte mechanismen in te zetten om te pogen het probleem op te lossen door overreding en door inzet van zijn goede diensten".
81 Tot slot ontkent de Commissie elke schending van de beginselen van goede trouw en van bescherming van gewettigd vertrouwen. Zij betoogt, dat zij via het bevoegde Commissielid de inspanningen van het Agentschap heeft gevolgd om ENU in staat te stellen haar uraniumvoorraad op de markt af te zetten. Zijzelf noch het Agentschap heeft zich echter formeel verplicht een oplossing te vinden voor het door ENU voorgelegde probleem.
Beoordeling door het Gerecht
82 Verzoeksters betoog over het dwingende karakter van het "speciale onderdeel" kan niet worden aanvaard. Om te beginnen zij opgemerkt, dat de brief van Cardoso e Cunha van 8 december 1989 in geen geval kan worden geacht kan te verwijzen naar een tot het Agentschap gerichte richtlijn. Formeel gezien geeft de brief slechts aan, in welke richting het bevoegde Commissielid in het kader van zijn bevoegdheden de actie van het Agentschap wil sturen. Het gaat dus om een mededeling met een beleidskarakter, ter inleiding van onderhandelingen die eventueel kunnen uitmonden in verplichtingen voor de ondernemingen. De brief verwijst dus niet naar een richtlijn die de Commissie als college, op basis van artikel 53, eerste alinea, van het Verdrag, reeds zou hebben vastgesteld. Maar ook door zijn materiële inhoud kan het verzoek aan het Agentschap geen dwingend karakter verlenen aan het "speciale onderdeel". De auteur van de brief deelt slechts mee, dat hij "het Agentschap heeft uitgenodigd over te gaan tot de fase van de concrete verwezenlijking van de hiertoe ingediende actievoorstellen" en de brief bevat geen enkele aanwijzing over het al dan niet bindende karakter van de voorgestelde oplossingen. Deze uitlegging wordt bevestigd door de formulering van het "speciale onderdeel", dat een geheel is van niet-bindende voorstellen, hetgeen onder meer blijkt uit het gebruik van de voorwaardelijke wijs (zie r.o. 8 supra). Het lag dus niet in de bedoeling van het bevoegde lid van de Commissie, aan de in het "speciale onderdeel" voorgestelde oplossingen een bindend karakter te geven.
83 In elk geval konden de in het "speciale onderdeel" voorgestelde oplossingen, die moesten worden uitgevoerd in het kader van de vereenvoudigde procedure van artikel 5 bis van de verordening, door het Agentschap enkel worden toegepast binnen de grenzen van zijn eigen bevoegdheden en van die van de Commissie in het kader van de voorzieningsregeling van het Verdrag. Het al dan niet dwingende karakter van het "speciale onderdeel" moet daarom worden beoordeeld aan de hand van de relevante verdragsregels.
84 Dienaangaande is reeds beslist, dat het niet aan het Agentschap toekwam zich te verzetten tegen de invoer van uranium door de gebruikers van de Gemeenschap tegen een prijs die aanzienlijk lager was dan de vraagprijs van ENU, op de enkele grond dat de produktie van ENU tegen een redelijke prijs verkrijgbaar was (zie r.o. 66 supra). De prijs echter die ENU bereid was te aanvaarden in het kader van het "speciale onderdeel", dat haar op 12 december 1989 werd meegedeeld, bedroeg volgens de door de Commissie niet weersproken opmerkingen van de betrokkene 19 ECU per pound en was dus, volgens de ° door de Commissie in dit geding overgelegde en door verzoekster niet betwiste ° vertrouwelijke informatie van het Agentschap, aanzienlijk hoger dan de prijzen die gedurende diezelfde periode werden overeengekomen in meerjarige contracten tussen de gebruikers van de Gemeenschap en andere leveranciers dan ENU. De prijzen die verzoekster bereid was te aanvaarden, moesten bij de in het Verdrag voorziene afweging van vraag en aanbod namelijk worden vergeleken met de door haar concurrenten op datzelfde tijdstip gevraagde prijzen, en niet ° gelijk de belanghebbende stelt ° met de door het Agentschap in zijn jaarverslag gepubliceerde gemiddelde prijs voor leveringen gedurende een jaar op grond van de lopende meerjarige contracten, dat wil zeggen in het kader van eerdere meerjarige contracten die op dat moment werden uitgevoerd. Uit bovenbedoelde vertrouwelijke gegevens van het Agentschap nu blijkt, dat in 1990 geen enkel meerjarig contract is gesloten en dat de acht meerjarige contracten die de gebruikers van de Gemeenschap in 1991 met andere leveranciers dan ENU hebben gesloten en die gelden tot het jaar 2000, prijzen bevatten die aanzienlijk lager zijn dan de prijs die ENU in het kader van het "speciale onderdeel" vroeg. Mitsdien kon verzoekster in geen geval de dwingende toepassing van het "speciale onderdeel" verlangen, daar er geen sprake was van bijzondere omstandigheden die, ter verwezenlijking van de in het Verdrag genoemde doelstellingen, een dergelijke afwijking van de voorzieningsregeling van hoofdstuk VI van het Verdrag konden rechtvaardigen.
85 Zelfs indien de door ENU voorgestelde prijzen ten minste even gunstig waren geweest als die welke op dat moment waren overeengekomen in sommige gelijksoortige contracten tussen gebruikers van de Gemeenschap en andere leveranciers, beschikte het Agentschap in het kader van de uitoefening van zijn uitsluitende rechten hoe dan ook over een discretionaire bevoegdheid om, eventueel, te zorgen voor een preferentiële afzet van in de Gemeenschap geproduceerde ertsen. Dienaangaande is reeds vastgesteld, dat het Agentschap en de Commissie, door hun weigering de communautaire gebruikers te verplichten zich bij ENU te bevoorraden, de grenzen van hun beoordelingsvrijheid niet hebben overschreden (zie r.o. 67-69 supra).
86 Ook de argumenten die verzoekster ontleent aan het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen, kunnen niet worden aanvaard. De documenten waarop ENU zich beroept en die afkomstig zijn van het Agentschap, de Commissie of het bevoegde lid van de Commissie, behelzen geen verbintenis ten aanzien van de dwingende uitvoering van het "speciale onderdeel", noch enig gegeven dat bij de belanghebbende gewettigde verwachtingen in die zin kon wekken. Integendeel, uit het dossier en in het bijzonder uit verzoeksters opmerkingen blijkt duidelijk, dat er voor haar geen enkele twijfel over bestond, dat het "speciale onderdeel" niet meer dan een aansporing was (zie r.o. 9 supra).
87 Mitsdien moet het beroep ongegrond worden verklaard, voor zover het strekt tot nietigverklaring van de weigering van de Commissie om gevolg te geven aan het verzoek betreffende de uitvoering van het "speciale onderdeel".
De schadevordering
88 Verzoekster vordert in wezen de veroordeling van de Gemeenschap, krachtens artikel 188, tweede alinea, Euratom-Verdrag, tot vergoeding van de schade die het Agentschap haar zou hebben berokkend door geen gebruik te maken van zijn optierecht en van zijn uitsluitend recht om leveringscontracten te sluiten, teneinde de afzet van haar produktie van natuurlijk uranium te verzekeren, en die de Commissie haar zou hebben berokkend door de voor haar uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet na te komen.
89 Hoewel zij wel opmerkingen ten gronde over de schadevordering heeft gemaakt, heeft de Commissie te dien aanzien een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
90 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens artikel 188, tweede alinea, EGA-Verdrag de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap pas ontstaat, wanneer is voldaan aan een aantal voorwaarden betreffende de onrechtmatigheid van de aan de gemeenschapsinstellingen verweten gedraging, de werkelijk geleden schade en een oorzakelijk verband tussen die gedraging en de gestelde schade (zie, bij voorbeeld, arrest Hof van 27 maart 1990, zaak C-308/87, Grifoni, blz. I-1203, r.o. 6).
91 Aangezien de handelwijze die het Agentschap in deze zaak wordt verweten, en de weigering van de Commissie om te voldoen aan de verzoeken van ENU geen enkele onregelmatigheid vertonen, gelijk eerder in dit arrest reeds is vastgesteld, moet de schadevordering in elk geval ongegrond worden verklaard, zonder dat behoeft te worden beslist over de ontvankelijkheid ervan.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
92 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer ° uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen.
2) Verwijst verzoekster in de kosten van het geding.
Full & Egal Universal Law Academy