Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Verlaging van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld, zonder vergoeding ° Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen ° Schending ° Afwezigheid
(Verordening nr. 816/92 van de Raad)
2. Handelingen van de instellingen ° Motivering ° Verplichting ° Draagwijdte ° Verordeningen
(EEG-Verdrag, art. 190)
3. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Doelstellingen ° Afweging ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Stabilisering van markt in sector zuivelprodukten ° Verlaging van referentiehoeveelheden die van extra heffing zijn vrijgesteld
(EEG-Verdrag, art. 39, lid 1, sub c, 40 en 43; verordening nr. 816/92 van de Raad)
4. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Melk en zuivelprodukten ° Extra heffing op melk ° Verlaging van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld, zonder vergoeding ° Eigendomsrecht ° Vrije beroepsuitoefening ° Evenredigheidsbeginsel ° Non-discriminatiebeginsel ° Schending ° Afwezigheid
(EEG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea; verordening nr. 816/92 van de Raad)
Samenvatting
1. Aangezien de vaststelling van de gegarandeerde totale hoeveelheden in het kader van het bij verordening nr. 816/92 ingevoerde stelsel van een extra heffing op melk behoort tot de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad om de gemeenschappelijke ordening in de sector melk en zuivelprodukten aan te passen aan de gewijzigde economische situatie, kan in beginsel geen enkele marktdeelnemer erop vertrouwen, dat de Raad in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek in de toekomst de gegarandeerde totale hoeveelheden en dus ook de individuele referentiehoeveelheden van de producenten niet zal verlagen, en kan hij er evenmin op vertrouwen, dat elke verlaging van individuele referentiehoeveelheden gepaard zal gaan met een vergoeding. In het bijzonder kan het enkele feit, dat bij de verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden in eerdere verordeningen wel een vergoeding is toegekend, bij de betrokken marktdeelnemers, wat de verlaging van de referentiehoeveelheden voor de periode 1992/1993 zonder vergoeding betreft, geen gewettigd vertrouwen hebben gewekt, dat bij elke verdere verlaging van de betrokken hoeveelheden een vergoeding zou worden toegekend.
Dit klemt te meer, omdat de gehele regeling betreffende de extra heffing op 31 maart 1992 afliep. Aangezien de Raad met betrekking tot de voorwaarden voor de voortzetting van deze regeling voor de toekomst over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte, kon in beginsel geen enkele marktdeelnemer gewettigd vertrouwen stellen in de strekking van de regeling die de Raad voor de periode na deze datum zou vaststellen, met name wat de handhaving van de gegarandeerde totale hoeveelheden aangaat.
Nu immers dezelfde referentiehoeveelheden gedurende de vijf voorafgaande jaren waren geschorst, en tijdens deze periode reeds een degressieve vergoeding van in totaal 45,5 ECU per 100 kg aan de producenten was uitbetaald, en er nog steeds te veel melk werd geproduceerd, kon een voorzichtig en bezonnen handelaar voorzien dat de referentiehoeveelheden voor de periode van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993 zonder vergoeding zouden worden verlaagd, wat gebeurd is bij verordening nr. 816/92. Door de bekendmaking van de Commissievoorstellen op 31 december 1991 waren alle belanghebbenden bovendien uitdrukkelijk gewaarschuwd voor een dergelijke verlaging van de betrokken hoeveelheden zonder vergoeding. Aangezien de melkproduktie hoofdzakelijk op jaarbasis wordt gepland vanaf 1 april van elk jaar, konden de producenten de weerslag van de voorgestelde maatregelen dus tijdig inschatten en op de gepaste wijze daarop reageren.
2. De door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering moet aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden. De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Bij verordeningen kan evenwel geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende, soms zeer talrijke en ingewikkelde onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen.
3. Bij het toewerken naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten de instellingen van de Gemeenschap voortdurend ervoor zorgen, mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen, en dienen zij in voorkomend geval aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang dienen te verlenen overeenkomstig de eis van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen.
De gemeenschapswetgever die op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 van het Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid, kon dus, zonder de hem bij artikel 39 van het Verdrag toegekende bevoegdheden te overschrijden, tijdelijk voorrang verlenen aan het doel de door structurele overschotten gekenmerkte markt voor melk en zuivelprodukten te stabiliseren, zoals hij heeft gedaan door voor het tijdvak 1992/1993 bij verordening nr. 816/92 te besluiten tot verlaging van de referentiehoeveelheden die van de extra heffing zijn vrijgesteld.
4. De bij verordening nr. 816/92 voor het tijdvak 1992/1993 ingevoerde verlaging van referentiehoeveelheden die van de extra heffing op melk zijn vrijgesteld, zonder vergoeding, maakt geen inbreuk op het recht van eigendom, het recht op vrije beroepsuitoefening, het evenredigheidsbeginsel en het discriminatieverbod.
Deze maatregel kan namelijk op zich niet worden beschouwd als een schending van het recht van eigendom of het recht op vrije beroepsuitoefening, die volgens het gemeenschapsrecht zeker geen absolute gelding hebben, maar aan bepaalde in het algemeen belang gerechtvaardigde beperkingen kunnen worden onderworpen, noch als een schending van het evenredigheidsbeginsel omdat zij in verhouding tot het doel ervan, namelijk stabilisatie van de melk- en zuivelmarkt, niet kennelijk ongeschikt is, noch als een inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling, dat in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in artikel 40, lid 3, tweede alinea, is neergelegd, omdat het gaat om een maatregel die voor alle producenten van de Gemeenschap geldt en objectieve elementen ontbreken waaruit blijkt, dat bepaalde producenten op grond van hun bijzondere situatie, terecht aanspraak zouden hebben kunnen maken op een daaraan, in naam van de gelijkheid, aangepaste behandeling.
Partijen
In de gevoegde zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 en T-477/93,
T. O' Dwyer, T. Keane, T. Cronin en J. Reidy, wonende respectievelijk te Drumdowney, Snowhill, Waterford (Ierland), Corbally, Gurtymadden, Loughrea, County Galway (Ierland), Ardmore, Waterford (Ierland) en Carrowreagh, Cooper, Tubbercurry, County Sligo (Ierland), vertegenwoordigd door A. Burke, Solicitor, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. Kronshagen, advocaat aldaar, Boulevard de la Foire 12,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en C. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende, in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93, vergoeding van de schade die verzoekers zouden hebben geleden wegens de toepassing van verordening (EEG) nr. 816/92 van de Raad van 31 maart 1992 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 86, blz. 83), en in zaak T-477/93, vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden wegens de toepassing van verordening (EEG) nr. 748/93 van de Raad van 17 maart 1993 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 3950/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1993, L 77, blz. 16),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, kamerpresident, C. P. Briët en C. W. Bellamy, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 14 februari 1995,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten en toepasselijke verordeningen
1 Alle verzoekers zijn melkproducenten, gevestigd in Ierland. Hun bedrijven hebben een oppervlakte van respectievelijk 42 ha (O' Dwyer), 30 ha (Keane), 51 ha (Cronin) en 33 ha (Reidy). O' Dwyer heeft 50 melkkoeien, Keane 23, Cronin 32 en Reidy 45.
2 In 1984 heeft de Raad ter bestrijding van de overproduktie van melk verordening (EEG) nr. 856/84 van 31 maart 1984 vastgesteld, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 10; hierna: "verordening nr. 856/84"). Daarbij is aan verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB 1968, L 148, blz. 13; hierna: "verordening nr. 804/68") een nieuw artikel 5 quater toegevoegd, bepalende dat gedurende vijf opeenvolgende tijdvakken van twaalf maanden, te beginnen op 1 april 1984, een extra heffing op melk wordt ingesteld (thans gelijk aan 115 % van de richtprijs voor melk) over geleverde hoeveelheden melk die een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden ("quotum"), die voor elke producent of koper wordt bepaald (lid 1) binnen de grenzen van de voor iedere Lid-Staat vastgestelde "gegarandeerde totale hoeveelheid", die gelijk is aan de som van de hoeveelheden melk die in het kalenderjaar 1981 zijn geleverd, verhoogd met 1 % (lid 3), en eventueel aangevuld met een extra hoeveelheid uit de "communautaire reserve" (lid 4). De extra heffing kon naar keuze van de Lid-Staat worden toegepast hetzij op de producenten, op basis van de geleverde hoeveelheden ("formule A"), hetzij op de kopers, op basis van de hoeveelheden die hun door de producenten waren geleverd, in welk geval de heffing naar evenredigheid van hun leveringen aan de producenten wordt doorberekend ("formule B"). Ierland heeft voor formule B gekozen.
3 Toen er in 1986 nog steeds overschotten waren in de melksector, heeft de Raad bij verordeningen (EEG) nrs. 1335/86 van 6 mei 1986 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1986, L 119, blz. 19), en 1343/86 van 6 mei 1986 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1986, L 119, blz. 34), de gegarandeerde totale hoeveelheden voor het tijdvak 1987/1988 met 2 % en voor het tijdvak 1988/1989 met 1 % verlaagd, zonder vergoeding. Deze verlaging ging gepaard met een vergoedingsregeling voor de beëindiging van de produktie, ingevoerd bij verordening (EEG) nr. 1336/86 van de Raad van 6 mei 1986 tot vaststelling van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie (PB 1986, L 119, blz. 21).
4 Aangezien er in 1987 nog steeds geen evenwicht was tussen vraag en aanbod, is bij artikel 1, lid 1, van verordening (EEG) nr. 775/87 van de Raad van 16 maart 1987 betreffende de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater, lid 1, van verordening nr. 804/68 (PB 1987, L 78, blz. 5; hierna: "verordening nr. 775/87") overgegaan tot een tijdelijke schorsing van 4 % van elke referentiehoeveelheid voor het tijdvak 1987/1988 en van 5,5 % voor het tijdvak 1988/1989. Daartegenover stond, dat artikel 2 van verordening nr. 775/87 in de toekenning voorzag van een vergoeding van 10 ECU per 100 kg voor elk van deze tijdvakken.
5 In 1988 werd het stelsel van extra heffingen met drie jaar verlengd, tot het einde van het achtste tijdvak van 12 maanden (te weten tot 31 maart 1992), ingevolge verordening (EEG) nr. 1109/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1988, L 110, blz. 27). Tevens werd bij artikel 1 van verordening (EEG) nr. 1111/88 van de Raad van 25 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 775/87 (PB 1988, L 110, blz. 30; hierna: "verordening nr. 1111/88") de in verordening nr. 775/87 voorziene tijdelijke schorsing van 5,5 % van de referentiehoeveelheden gedurende drie extra tijdvakken van 12 maanden gehandhaafd (1989/1990, 1990/1991 en 1991/1992). Artikel 1, lid 2, van verordening nr. 1111/88 bepaalde ook, dat ter compensatie van de schorsing een degressieve vergoeding moest worden betaald van 8 ECU per 100 kg voor 1989/1990, 7 ECU per 100 kg voor 1990/1991 en 6 ECU per 100 kg voor 1991/1992.
6 In 1989 zijn bij verordening (EEG) nr. 3879/89 van de Raad van 11 december 1989 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1989, L 378, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3879/89") de gegarandeerde totale hoeveelheden met 1 % verminderd teneinde de communautaire reserve te verhogen en aldus de toewijzing van extra referentiehoeveelheden aan bepaalde minder begunstigde producenten mogelijk te maken. Teneinde de niet-geschorste hoeveelheden op peil te houden is bovendien bij verordening (EEG) nr. 3882/89 van de Raad van 11 december 1989 tot wijziging van verordening nr. 775/87 (PB 1989, L 378, blz. 6; hierna: "verordening nr. 3882/89") het percentage van de tijdelijk geschorste referentiehoeveelheden verlaagd van 5,5 tot 4,5 %. Bij dezelfde verordening is bovendien de in verordening nr. 1111/88 bedoelde vergoeding verhoogd tot 10 ECU per 100 kg voor 1989/1990, 8,5 ECU per 100 kg voor 1990/1991 en 7 ECU per 100 kg voor 1991/1992, teneinde de producenten een bedrag te blijven betalen dat overeenkomt met een schorsing van 5,5 %.
7 In 1991 zijn bij verordening (EEG) nr. 1630/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1991, L 150, blz. 19), de gegarandeerde totale hoeveelheden opnieuw met 2 % verlaagd. Hiervoor werd een vergoeding toegekend ingevolge de artikelen 1 en 2 van verordening (EEG) nr. 1637/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van een vergoeding met betrekking tot de verlaging van de in artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheden en van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie (PB 1991, L 150, blz. 30).
8 Op 31 maart 1992 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 816/92 vast tot wijziging van verordening nr. 804/68 (PB 1992, L 86, blz. 83; hierna: "verordening nr. 816/92"). Deze verordening is in geding in de gevoegde zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93. De eerste twee overwegingen van de considerans van verordening nr. 816/92 luiden als volgt:
"Overwegende dat de regeling inzake de extra heffing die is ingesteld bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 (...) op 31 maart 1992 afloopt; dat in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een nieuwe regeling dient te worden vastgesteld die tot het jaar 2000 van kracht is; dat de huidige regeling derhalve in de tussenliggende tijd verlengd dient te worden met een negende tijdvak van twaalf maanden; dat, overeenkomstig de voorstellen van de Commissie, de krachtens de onderhavige verordening vastgestelde totale hoeveelheid voor dat tijdvak tegen een vergoeding kan worden verlaagd, om de reeds aangevangen sanering voor te zetten;
Overwegende dat de tijdelijke schorsing van een deel van de referentiehoeveelheden van het vierde tot en met het achtste tijdvak van twaalf maanden als vastgesteld in verordening (EEG) nr. 775/87 (...), noodzakelijk was in verband met de marktsituatie; dat, wegens de aanhoudende overschotsituatie, 4,5 % van de referentiehoeveelheden voor leveringen niet in aanmerking moeten worden genomen in de gegarandeerde totale hoeveelheden voor het negende tijdvak; dat de Raad in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid definitief zal besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren; dat het, daarvan uitgaande, dienstig is de betrokken hoeveelheid voor elke Lid-Staat te preciseren".
9 Bij artikel 1 van verordening nr. 816/92 is artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr. 804/68 gewijzigd en is daaraan het volgende punt toegevoegd:
"g) bedraagt de gegarandeerde totale hoeveelheid voor het tijdvak van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993, onverminderd een verlaging, in de loop van het tijdvak, rekening houdend met de voorstellen van de Commissie in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met 1 % berekend op de in de tweede alinea van dit lid bedoelde hoeveelheden:
(...)
Ierland 4 725,600
(...)
De in verordening (EEG) nr. 775/87 bedoelde hoeveelheden die niet in de eerste alinea zijn opgenomen, luiden als volgt (in 1 000 ton):
(...)
Ierland 237,600
(...)
De Raad zal in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid definitief besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren."
10 Bij verordeningen (EEG) van 30 juni 1992, nrs. 2071/92 tot wijziging van verordening nr. 804/68, 2072/92 tot vaststelling van de richtprijs voor melk en van de interventieprijzen voor bepaalde zuivelprodukten voor twee perioden van twaalf maanden die lopen van 1 juli 1993 tot en met 30 juni 1995, 2073/92 inzake maatregelen om de consumptie van melk en zuivelprodukten in de Gemeenschap te stimuleren en de markten voor melk en zuivelprodukten te verruimen, en 2074/92 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 215, respectievelijk blz. 64, 65, 67 en 69), heeft de Raad de nodige wetgeving vastgesteld met betrekking tot de werking van de markten voor melk en zuivelprodukten voor de periode 1992/1993, zonder de in verordening nr. 816/92 bedoelde, niet in aanmerking genomen referentiehoeveelheden te vermelden.
11 Bij brief van 16 december 1992 verzocht de Irish Creamery Milk Suppliers Association namens al haar leden, waaronder verzoekers, de Raad een vergoeding toe te kennen wegens de schorsing van de in verordening nr. 816/92 bedoelde referentiehoeveelheden en aan deze schorsing geen permanent karakter toe te kennen, of anders aan de betrokken producenten een passende vergoeding toe te kennen. Bij brief van dezelfde datum verzocht de Irish Creamery Milk Suppliers Association de Commissie te bevestigen, dat de door haar aan de Raad voorgelegde voorstellen niet strekten tot een permanente verlaging van de referentiehoeveelheden met 4,5 %, of anders die voorstellen in te trekken en te bevestigen dat zij een voorstel zou indienen ter compensatie van de schorsing gedurende het tijdvak 1992/1993, alsmede voor elke definitieve verlaging van de betrokken hoeveelheden.
12 Aangezien een stelsel van extra heffingen noodzakelijk bleef, verlengde en codificeerde de Raad vervolgens bij verordening (EEG) nr. 3950/92 van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1992, L 405, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3950/92") de regeling inzake de referentiehoeveelheden en de extra heffingen voor een nieuwe periode van zeven jaar, waarbij de vroegere communautaire reserve in de gegarandeerde totale hoeveelheden werd opgenomen (zie met name de eerste en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 3950/92). Artikel 3 van verordening nr. 3950/92 bepaalt, dat de sommen van de individuele referentiehoeveelheden van dezelfde aard niet groter mogen zijn dan de overeenkomstige totale hoeveelheden die voor elke Lid-Staat worden vastgesteld. Artikel 4 bepaalt, dat de individuele referentiehoeveelheden gelijk zijn aan de op 31 maart 1993 beschikbare hoeveelheden, onder voorbehoud van aanpassingen op nationaal niveau, binnen de grenzen van de totale hoeveelheid bedoeld in artikel 3.
13 Op 5 februari 1993 liet de Raad de Irish Creamery Milk Suppliers Association weten, dat tijdens de zitting van de Raad van 14 tot en met 17 december 1992 geen maatregelen waren genomen met betrekking tot de tijdelijke schorsing als bedoeld in verordening nr. 816/92.
14 Op 17 februari 1993 deelde de Commissie de Irish Creamery Milk Suppliers Association mee, dat in de door de Raad op voorstel van de Commissie vastgestelde besluiten rekening was gehouden met het algemeen belang, zodat de mogelijkheid bestond, dat daarbij niet aan alle particuliere belangen in ieder opzicht recht was gedaan. In deze brief maakte de Commissie eveneens melding van de "vaststelling van de verordening van de Raad waarbij de in verordening (EEG) nr. 775/87 bedoelde hoeveelheden zonder andere compensaties in een definitieve verlaging zijn omgezet".
15 Op 17 maart 1993 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 748/93 tot wijziging van verordening nr. 3950/92 vast (PB 1993, L 77, blz. 16; hierna: "verordening nr. 748/93"), die in zaak T-477/93 in geding is. De laatste drie overwegingen van de considerans van verordening nr. 748/93 luiden als volgt:
"Overwegende dat het dringend geboden is met ingang van 1 april 1993 de gegarandeerde totale hoeveelheden van de Lid-Staten vast te stellen om te voorkomen dat de bepalingen van verordening (EEG) nr. 3950/92 door het ontbreken van regelgeving hun effect zouden verliezen;
Overwegende dat, in afwachting van een later besluit, moet worden overgegaan tot verlenging van de op 31 maart 1993 van kracht zijnde gegarandeerde totale hoeveelheden, vermeerderd met de op diezelfde datum bestaande, uit de communautaire reserve afkomstige bedragen;
Overwegende dat de bij deze verordening vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheden zo nodig zullen worden aangepast op het ogenblik waarop alle problemen in verband met de vaststelling van de prijzen voor het verkoopseizoen 1993/1994 zullen worden heroverwogen (...)".
16 Bij artikel 1 van verordening nr. 748/93 is aan artikel 3 van verordening nr. 3950/92 de volgende alinea toegevoegd:
"Voor het tijdvak van twaalf maanden van 1 april 1993 tot en met 31 maart 1994 worden de gegarandeerde totale hoeveelheden van de Lid-Staten vastgesteld op hetzelfde niveau als die welke zijn vastgesteld in artikel 5 quater, lid 3, onder g), van verordening (EEG) nr. 804/68, vermeerderd met de uit de communautaire reserve afkomstige bedragen zoals verdeeld op 31 maart 1993 en op het niveau van de hoeveelheden die zijn vastgesteld in de bijlage bij verordening (EEG) nr. 857/84."
17 Verordening nr. 748/93 heeft dus de door verordening nr. 816/92 voor het tijdvak 1992/1993 niet in aanmerking genomen referentiehoeveelheden van de voor het tijdvak 1993/1994 gegarandeerde totale hoeveelheden uitgesloten.
18 Ten slotte is bij verordening (EEG) nr. 1560/93 van de Raad van 14 juni 1993 houdende wijziging van verordening nr. 3950/92 (PB 1993, L 154, blz. 30; hierna: "verordening nr. 1560/93") artikel 3 van verordening nr. 3950/92 vervangen door een nieuwe tekst, waarbij voor elke Lid-Staat totale hoeveelheden zijn vastgesteld. Voor Ierland werd de totale hoeveelheid verhoogd met 0,6 % met het oog op de toekenning van extra hoeveelheden aan bepaalde categorieën producenten (artikel 1 van verordening nr. 1560/93).
19 De aanvankelijk aan iedere verzoeker toegekende referentiehoeveelheden, alsmede de latere evolutie van deze hoeveelheden zijn vermeld in de tabellen in bijlage I bij dit arrest. De door verzoekers geleverde hoeveelheden melk zijn vermeld in de tabellen in bijlage II. Deze tabellen maken integrerend deel uit van dit arrest.
Procesverloop
20 Verzoekers' beroepen zijn ingesteld bij verzoekschriften neergelegd ter griffie van het Hof op 8 februari 1993 (O' Dwyer), 15 februari 1993 (Keane), 24 maart 1993 (Cronin), 30 maart 1993 (Reidy) en 13 april 1993 (O' Dwyer). Zij zijn respectievelijk ingeschreven onder nummers C-36/93, C-67/93, C-106/93, C-129/93 en C-152/93.
21 Bij beschikkingen van 2 september 1993 in zaak C-67/93, van 6 september 1993 in zaak C-36/93 en van 8 september 1993 in de zaken C-106/93, C-129/93 en C-152/93 is de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van verweerder.
22 Bij beschikkingen van 27 september 1993 heeft het Hof krachtens besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21), de zaken C-36/93, C-67/93, C-106/93, C-129/93 en C-152/93 naar het Gerecht verwezen. De griffie van het Gerecht heeft deze zaken respectievelijk ingeschreven onder de nummers T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 en T-477/93.
23 Bij beschikkingen van 11 oktober 1994 en 14 januari 1995 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht besloten de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 en T-477/93 voor de mondelinge behandeling en het arrest te voegen.
24 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. In het kader van de organisatie van de procesgang heeft het verzoekers evenwel gevraagd bepaalde gegevens mee te delen betreffende hun produktie en het bedrag van de extra heffing waaraan zij waren onderworpen gedurende het tijdvak 1992/1993 en voor zaak T-477/93 gedurende het tijdvak 1993/1994. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 1995.
Conclusies van partijen
In de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93
25 In hun verzoekschriften concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:
° verordening nr. 816/92 nietig te verklaren;
° verzoekers een schadevergoeding toe te kennen ten bedrage van:
° 1 048,2 ECU (1 003,44 IRL) in zaak T-466/93,
° 280,9 ECU (268,90 IRL) in zaak T-469/93,
° 535,2 ECU (512,33 IRL) in zaak T-473/93 en
° 943,8 ECU (903,47 IRL) in zaak T-474/93,
of ieder ander door het Gerecht passend geacht bedrag;
° dit bedrag te vermeerderen met 8 % rente per jaar, te rekenen vanaf 1 april 1993;
° verweerder in de kosten te verwijzen.
26 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° in de zaken T-469/93, T-473/93 en T-474/93
° het beroep tot nietigverklaring van verordening nr. 816/92 niet-ontvankelijk te verklaren;
° in alle zaken
° de schadevorderingen af te wijzen;
° verzoekers in de kosten te verwijzen.
27 Interveniënte concludeert dat het het Gerecht behage:
° de schadevorderingen af te wijzen;
° verzoekers te verwijzen in de kosten van interventie in hun respectieve zaken.
28 In hun opmerkingen over de memorie tot interventie van de Commissie concluderen verzoekers dat het het Gerecht behage:
° de conclusies van de Commissie af te wijzen;
° de conclusies van het verzoekschrift toe te wijzen;
° indien verweerder niet in de kosten van interventie van de Commissie wordt verwezen, de Commissie in verzoekers' kosten te verwijzen.
In zaak T-477/93
29 In zijn verzoekschrift concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
° verordening nr. 748/93 nietig te verklaren;
° verzoeker een schadevergoeding toe te kennen ten bedrage van 5 759,50 ECU (5 513,39 IRL) of ieder ander door het Gerecht passend geacht bedrag, wegens de schade die hij ten gevolge van verordening nr. 748/93 heeft geleden;
° dit bedrag te vermeerderen met 8 % rente per jaar, te rekenen vanaf 1 april 1993;
° verweerder in de kosten te verwijzen.
30 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk, subsidiair, ongegrond te verklaren;
° verzoeker in de kosten te verwijzen.
31 Interveniënte concludeert dat het het Gerecht behage:
° de schadevordering af te wijzen;
° verzoeker in de kosten van interventie te verwijzen.
32 In zijn opmerkingen over de memorie tot interventie van de Commissie concludeert verzoeker dat het het Gerecht behage:
° de conclusies van de Commissie af te wijzen;
° de conclusies van het verzoekschrift toe te wijzen;
° indien verweerder niet in de kosten van interventie van de Commissie wordt verwezen, de Commissie in verzoekers kosten te verwijzen.
33 Tijdens de mondelinge behandeling op 14 februari 1995 hebben verzoekers in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93, alsmede verzoeker O' Dwyer in de zaak T-477/93, afgezien van hun verzoeken om nietigverklaring van respectievelijk verordening nr. 816/92 en verordening nr. 748/93. Het Gerecht dient dus akte te verlenen van de gedeeltelijke afstand van instantie, wat de conclusies strekkende tot nietigverklaring betreft.
De schadevorderingen in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93
34 Verzoekers in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93 stellen, dat de Raad door de vaststelling van verordening nr. 816/92, waarbij de gegarandeerde totale hoeveelheden voor de periode van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993 zonder vergoeding zijn verlaagd, de grenzen van zijn bevoegdheid kennelijk en ernstig heeft overschreden en hogere, ter bescherming van particulieren vastgestelde rechtsregels heeft geschonden, zodat de Gemeenschap uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag (hierna: het "Verdrag") niet-contractueel aansprakelijk kan worden gesteld. In dit verband voert elk van de verzoekers zes middelen aan betreffende achtereenvolgens schending van het vertrouwensbeginsel, schending van artikel 190 van het Verdrag, schending van de artikelen 39 en 40 van het Verdrag, schending van het eigendomsrecht en het recht op vrije beroepsuitoefening, schending van het evenredigheidsbeginsel, en ten slotte schending van het discriminatieverbod.
35 In de zaken T-469/93, T-473/93 en T-474/93 voeren de verzoekers, Keane, Cronin en Reidy, bovendien tot staving van hun schadevordering een aantal middelen aan die hieraan zijn ontleend, dat verordening nr. 816/92 referentiehoeveelheden zonder vergoeding heeft geschorst of ingetrokken, die hun oorsprong niet vonden in artikel 5 quater, leden 1 en 3, van verordening nr. 804/68. Deze middelen moeten worden onderzocht nadat de door de vier verzoekers samen aangevoerde middelen zijn besproken.
Eerste middel: schending van het vertrouwensbeginsel
Samenvatting van de argumenten van partijen
36 Verzoekers voeren in wezen twee hoofdargumenten aan. In de eerste plaats zijn zij van mening, dat het vóór de vaststelling van verordening nr. 816/92 bestaande wettelijke kader bij hen een gewettigd vertrouwen had gewekt dat, wat het tijdvak 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993 betreft, is geschonden, hetzij omdat geen vergoeding is toegekend, hetzij omdat de 4,5 % van de eerder bij verordening nr. 775/87 geschorste referentiehoeveelheden gedurende dat tijdvak niet zijn teruggegeven. In de tweede plaats vormt ook de intrekking van de bij verordening nr. 775/87 ingestelde vergoeding, zonder voorafgaande waarschuwing en zonder overgangsmaatregelen, huns inziens een schending van hun gewettigd vertrouwen.
37 Wat de rechtsgrondslag betreft, maakt verordening nr. 816/92 volgens verzoekers deel uit van hetzelfde wettelijke kader als verordening nr. 775/87, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 1111/88 en 3879/89, waarbij 4,5 % van de referentiehoeveelheden "tijdelijk" werd geschorst tegen een vergoeding. Dit blijkt uit het arrest van het Hof van 19 maart 1992 (zaak C-311/90, Hierl, Jurispr. 1992, blz. I-2061). In deze omstandigheden zou verordening nr. 816/92, waarin het in de tweede overweging van de considerans (r.o. 8 hiervoor) heet, dat de betrokken hoeveelheden "niet in aanmerking moeten worden genomen" en dat "de Raad definitief zal besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren", moeten worden uitgelegd als een verlenging van de tijdelijke schorsing van 4,5 %, althans voor het tijdvak 1992/1993. Met een dergelijke verlenging van de tijdelijke schorsing zou noodzakelijkerwijs een verlenging voor deze zelfde periode moeten samengaan van de vergoeding, die steeds aan de tijdelijke schorsing was gekoppeld.
38 Ten betoge dat de referentiehoeveelheden bij verordening nr. 816/92 niet definitief zijn verlaagd, doen verzoekers onder meer een beroep op de tekst zelf van verordening nr. 816/92, op de brief van de Raad van 5 februari 1993 (r.o. 13 hiervoor), op het tijdens de zitting van de Raad van 24 tot en met 26 mei 1993 goedgekeurde compromisvoorstel van de voorzitter, waarin naar "geschorste hoeveelheden" wordt verwezen, en op twee perscommuniqués van het Ierse Ministerie van Landbouw van 1 juli 1992 en 17 december 1992, waarin staat, dat het probleem van de tijdelijk geschorste referentiehoeveelheden niet definitief was geregeld en dat de minister een verklaring in die zin in het proces-verbaal van de zitting van de Raad in december 1992 had laten opnemen.
39 Bovendien stellen verzoekers, dat er geen enkel ander overtuigend voorbeeld is te vinden van een quotaverlaging zonder toekenning van een vergoeding. De onderhavige situatie zou dus vergelijkbaar zijn met die welke het Hof in zijn arrest van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321; hierna: "Mulder I") heeft onderzocht, omdat de niet-betaling van een vergoeding noch uit de context van eerdere verordeningen, noch uit een wijziging van de materiële omstandigheden kon worden afgeleid.
40 Bovendien is de melkproduktie van een zodanige aard dat zij een planning noodzakelijk maakt, onder meer vanwege de financiële en contractuele verplichtingen die de producent grotendeels op jaarbasis moet nakomen; daarbij komt nog, dat de producent moet zien te voorkomen dat hij de extra heffing moet betalen. In deze omstandigheden kan de Gemeenschap voor de intrekking van de vergoeding zonder voorafgaande waarschuwing of overgangsmaatregelen aansprakelijk worden gesteld (arrest Hof van 14 mei 1975, zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533, r.o. 43).
41 Ten slotte is irrelevant, dat verzoekers gedurende de vijf voorafgaande jaren een compensatie hebben ontvangen, omdat de bij verordening nr. 775/87 toegekende vergoeding steeds verband hield met de eerder daarin opgelegde tijdelijke schorsing, en niet passend was, zoals het Hof in het reeds genoemde arrest Hierl heeft erkend. Bovendien betwisten verzoekers verweerders bewering, dat de melkprijs in Ierland sinds 1987 is gestegen.
42 Verweerder beklemtoont, dat de erkenning van een gewettigd vertrouwen bij melkproducenten met betrekking tot de handhaving van de vergoeding zonder beperking qua duur, zou neerkomen op erkenning van verworven rechten ter zake, wat indruist tegen vaste rechtspraak (zie arresten Hof van 22 januari 1986, zaak 250/84, Eridania e.a., Jurispr. 1986, blz. 117, en 20 september 1988, zaak 203/86, Spanje/Raad, Jurispr. 1988, blz. 4563).
43 Verweerder verklaart, dat de bij verordening nr. 775/87 ingevoerde schorsing om te beginnen een tijdelijke maatregel was, in die zin dat het percentage ervan aan de hand van de marktontwikkeling kon worden herzien. Uit de eerste overweging van de considerans van deze verordening blijkt, dat de vergoeding in verhouding moet staan tot de van de producenten gevraagde extra inspanning, hetgeen de degressieve aard ervan verklaart, nu deze inspanning mettertijd minder zwaar wordt. Wanneer de melkprijs namelijk daalt of constant blijft, zijn de producenten gedwongen om ter compensatie van het inkomensverlies vervangende activiteiten te zoeken, en wanneer de prijs stijgt ° hetgeen in casu het geval zou zijn °, wordt het aanvankelijke inkomensverlies geleidelijk opgeheven.
44 Wegens de ongunstige ontwikkeling van de vraag moest het aanbod nog verder worden verminderd, zodat de Commissie in haar voorstellen met betrekking tot de hervorming van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek, die op 31 december 1991 werden gepubliceerd, heeft voorgesteld deze tijdelijke schorsing van de quota in een definitieve verlaging om te zetten en de degressieve vergoeding niet meer te betalen (PB 1991, C 337, blz. 35).
45 Bij de vaststelling van verordening nr. 816/92 heeft de Raad het voorstel van de Commissie om de degressieve vergoeding niet te verlengen, gevolgd. De geschorste referentiehoeveelheden werden van de gegarandeerde totale hoeveelheden afgetrokken, wat leidde tot een definitieve verlaging van individuele quota, en de Raad behield zich het recht voor om in het licht van de marktontwikkeling opnieuw te bekijken wat er met deze hoeveelheden diende te gebeuren. Aan de producenten werd dus enkel beloofd, dat later zou worden onderzocht wat er met deze 4,5 % van de referentiehoeveelheden moest gebeuren, wat bij de vaststelling van verordening nr. 1560/93 is gebeurd (r.o. 18 hiervoor).
46 Volgens verweerder was reeds enkele malen tot verlaging van referentiehoeveelheden besloten, en niet altijd tijdelijk of tegen een vergoeding. Bovendien moet volgens vaste rechtspraak van het Hof een voorzichtig en bezonnen marktdeelnemer rekening houden met maatregelen die gelet op de marktontwikkeling noodzakelijk zijn (zie arrest Hof van 14 februari 1990, zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395). Het in het eerder genoemde arrest CNTA ontwikkelde beginsel waarop verzoekers zich beroepen, was in casu niet van toepassing, omdat het algemeen belang nieuwe verlagingen van referentiehoeveelheden absoluut rechtvaardigt, en omdat deze verlagingen, gelet op de ongunstige marktontwikkeling, gemakkelijk voorspelbaar waren. Bovendien heeft de op grond van verordening nr. 775/87 uitbetaalde vergoeding van in totaal 45,5 ECU per 100 kg, in de vijf jaren die aan de inwerkingtreding van de bestreden verordening vooraf gingen, de producenten ruimschoots schadeloos gesteld voor mogelijke inkomensverliezen en voor de verlangde inspanning om zich aan te passen.
47 De Commissie, interveniënte, stelt onder meer, dat de bij verordening nr. 816/92 ingevoerde wijzigingen voorspelbaar waren (arrest Hof van 11 maart 1987, zaak 265/85, Van den Bergh en Jurgens, Jurispr. 1987, blz. 1155). De verlaging van de betrokken hoeveelheden sedert vijf jaar, de uitbetaling van een degressieve vergoeding gedurende die periode, het voortduren van de overschotsituatie en de motivering van voorstel COM(91) 409 def. van de Commissie van 31 oktober 1991, hadden een voorzichtig en bezonnen producent moeten doen inzien, dat het nooit meer zou worden als tevoren, en dat rekening moest worden gehouden met nieuwe verlagingen van de referentiehoeveelheden en met de intrekking van de vergoeding.
Beoordeling door het Gerecht
48 In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat elke marktdeelnemer bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft gewekt, zich op het vertrouwensbeginsel kan beroepen. Hij mag evenwel geen gewettigd vertrouwen stellen in het voortduren van een situatie die in het kader van de beoordelingsbevoegdheid van de instellingen kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke ordeningen van de landbouwmarkten, die voortdurend moeten kunnen worden aangepast, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (arresten Hof van 14 februari 1990, Delacre e.a., reeds aangehaald, r.o. 33, en 5 oktober 1994, zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-4973, r.o. 80; en arresten Gerecht van 15 december 1994, zaak T-489/93, Unifruit Hellas, Jurispr. 1994, blz. II-1201, r.o. 67, en 21 februari 1995, zaak T-472/93, Campo Ebro e.a., Jurispr. 1995, blz. II-421, r.o. 71). In dit verband kan aan het vertrouwensbeginsel niet een zo ruime strekking worden toegekend, dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan (arresten Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 19, en Campo Ebro e.a., reeds aangehaald, r.o. 52).
49 In casu behoort de vaststelling van de gegarandeerde totale hoeveelheden in het kader van het extra heffingstelsel van verordening nr. 856/84, tot de ruime beoordelingsbevoegdheid van de Raad om de gemeenschappelijke ordening in de sector melk en zuivelprodukten aan te passen aan de gewijzigde economische situatie. Hieruit volgt, dat in beginsel geen enkele marktdeelnemer erop kan vertrouwen dat de Raad in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek in de toekomst de gegarandeerde totale hoeveelheden en dus ook de individuele referentiehoeveelheden van de producenten niet zal verlagen (arrest Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 19 en 20).
50 Tevens is het Gerecht van oordeel, dat melkproducenten in een dergelijke context niet erop kunnen vertrouwen dat elke verlaging van hun individuele referentiehoeveelheden gepaard zal gaan met een vergoeding. Het eerdergenoemde arrest Hierl, waarop verzoekers zich beroepen, wijst niet in een andere richting. In het bijzonder is het Gerecht van oordeel, dat het enkele feit dat bij de verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden in eerdere verordeningen wel een vergoeding is toegekend, bij de betrokken marktdeelnemers geen gewettigd vertrouwen kon wekken, dat bij elke verdere verlaging van de betrokken hoeveelheden een vergoeding zou worden toegekend.
51 Dit klemt te meer, omdat in het onderhavige geval de gehele regeling betreffende de extra heffing, vastgesteld bij verordening nr. 856/84, daaronder begrepen verordening nr. 775/87, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs. 1111/88 en 3879/89, op 31 maart 1992 afliep. Aangezien de Raad met betrekking tot de voorwaarden voor de voortzetting van deze regeling voor de toekomst over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikte, is het Gerecht van oordeel, dat in beginsel geen enkele marktdeelnemer enig gewettigd vertrouwen kon stellen in de strekking van de regeling die de Raad voor de periode na 31 maart 1992 zou vaststellen, met name wat de handhaving van de gegarandeerde totale hoeveelheden aangaat.
52 In beginsel kunnen verzoekers zich dan ook niet beroepen op de schending van hun gewettigd vertrouwen met betrekking tot de bij verordening nr. 816/92 vastgestelde verlaging, zonder vergoeding, van de referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993.
53 Bovendien is het vaste rechtspraak dat, wanneer een voorzichtig en bezonnen handelaar de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige communautaire maatregel kan voorzien, hij zich niet op schending van het vertrouwensbeginsel kan beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (arresten Van den Bergh en Jurgens, reeds aangehaald, r.o. 44, Delacre e.a., reeds aangehaald, r.o. 37, Unifruit Hellas, reeds aangehaald, r.o. 51).
54 In het onderhavige geval is het Gerecht van oordeel, dat een voorzichtig en bezonnen handelaar de verlaging, zonder vergoeding, van de betrokken referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 kon zien aankomen. Nu immers dezelfde referentiehoeveelheden gedurende de vijf voorafgaande jaren waren geschorst, en tijdens deze periode reeds een degressieve vergoeding van in totaal 45,5 ECU per 100 kg aan de producenten was uitbetaald, en er nog steeds te veel melk werd geproduceerd, kon een voorzichtig en bezonnen handelaar voorzien dat de referentiehoeveelheden voor de periode van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993 zonder vergoeding zouden worden verlaagd, wat gebeurd is bij verordening nr. 816/92. Bovendien had de Commissie in oktober 1991 een formeel voorstel in die zin ingediend, dat op 31 december 1991 is gepubliceerd (PB 1991, C 337, blz. 35). In deze omstandigheden kunnen verzoekers zich dus niet op schending van het vertrouwensbeginsel beroepen (arrest Van den Bergh en Jurgens, reeds aangehaald, r.o. 44).
55 Om dezelfde redenen is het Gerecht, anders dan verzoekers, van oordeel, dat de Raad met de vaststelling van verordening nr. 816/92 niet in strijd met de uit het arrest CNTA voortvloeiende beginselen heeft gehandeld. Deze rechtspraak is namelijk niet van toepassing wanneer de betwiste handeling voorzienbaar was. Door de bekendmaking van de Commissievoorstellen (r.o. 54 hiervoor) waren alle belanghebbenden uitdrukkelijk gewaarschuwd voor een mogelijke verlaging van de betrokken hoeveelheden per 1 april 1992, zonder vergoeding. Aangezien de melkproduktie hoofdzakelijk op jaarbasis wordt gepland vanaf 1 april van elk jaar, konden verzoekers de weerslag van de voorgestelde maatregelen dus tijdig inschatten en op de gepaste wijze daarop reageren.
56 Eveneens ongegrond is volgens het Gerecht het door verzoekers aan de wettelijke context ontleende argument, dat verordening nr. 816/92 zou moeten worden uitgelegd als een verlenging van de bij verordening nr. 775/87 ingevoerde tijdelijke schorsing, en dat deze omstandigheid de verwachting zou wettigen dat de bij verordening nr. 816/92 vastgestelde verlaging van de referentiehoeveelheden gepaard zou gaan met een vergoeding.
57 Een beroep op het gewettigd vertrouwen kan namelijk alleen dan slagen, wanneer het vertrouwen is gewekt door handelen of nalaten vóór de handeling waarmee het vertrouwen wordt geacht te zijn geschonden. Hieruit volgt, dat de bewoordingen van verordening nr. 816/92, waartegen in casu wordt opgekomen, op zich niet de grondslag kunnen vormen voor het gewettigd vertrouwen waarop verzoekers zich beroepen. Alle andere elementen die volgens verzoekers bij hen een gewettigd vertrouwen hebben gewekt (zie r.o. 38 hiervoor) moeten eveneens buiten beschouwing blijven, omdat zij van latere datum zijn dan verordening nr. 816/92.
58 De enige omstandigheid van vóór 31 maart 1992 waarop verzoekers zich tot staving van hun gewettigd vertrouwen beroepen, is de tijdelijke schorsing bij verordening nr. 775/87, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 1111/88 en 3879/89. Om de eerder reeds genoemde redenen kunnen de bewoordingen van deze vroegere verordeningen op zich echter geen enkel gewettigd vertrouwen wekken met betrekking tot de regeling die de Raad nadien in het kader van het beheer van de gemeenschappelijke landbouwpolitiek zou treffen. In het bijzonder is het Gerecht van oordeel, dat het in verordening nr. 775/87 gebruikte woord "tijdelijk" geen enkel gewettigd vertrouwen deed ontstaan wat de vraag betreft of de betrokken hoeveelheden zouden worden teruggegeven dan wel of voor een definitieve intrekking van deze hoeveelheden een vergoeding zou worden toegekend.
59 Bovendien kan verzoekers' argument dat verordening nr. 816/92 moet worden uitgelegd als een verlenging van de bij verordening nr. 775/87 vastgestelde tijdelijke schorsing, volgens het Gerecht niet worden aanvaard. Verordening nr. 816/92 is namelijk een volkomen nieuwe regeling tot vaststelling van de gegarandeerde totale hoeveelheden voor het tijdvak van 1 april 1992 tot en met 31 maart 1993, aangezien de complete regeling inzake de extra heffing, met inbegrip van de tijdelijke schorsing bij verordening nr. 775/87, op 31 maart 1992 afliep. Zo gezien, zijn de totale hoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 bij verordening nr. 816/92 dus definitief verlaagd, terwijl een beslissing over de toekomst van de voor het tijdvak 1992/1993 niet in aanmerking genomen hoeveelheden tot een latere datum werd uitgesteld.
60 Verzoekers' eerste middel moet dus worden afgewezen.
Tweede middel: schending van artikel 190 van het Verdrag
Samenvatting van de argumenten van partijen
61 Met een beroep op 's Hofs rechtspraak stellen verzoekers in wezen, dat in de considerans van verordening nr. 816/92 (r.o. 8 hiervoor) geen motivering bevat voor het verschil tussen de eerdere regeling van verordening nr. 775/87, die voorzag in een tijdelijke schorsing en een vergoeding, en de regeling van verordening nr. 816/92. In het bijzonder is niet vermeld waarom de vergoeding niet meer wordt toegekend en is niet gepreciseerd in hoeverre, of eventueel om welke reden de tijdelijke schorsing van een bepaald percentage van de referentiehoeveelheden in een permanente verlaging is omgezet. Bovendien is er geen zekerheid over de verwachte duur van deze maatregel.
62 Het ontbreken van een vergoeding past niet in het algemene kader van de door de Raad genomen maatregelen; vanuit dit oogpunt wijkt verordening nr. 816/92 grondig af van de bij de verordeningen nrs. 775/87, 1111/88 en 3879/89 ingevoerde tijdelijke schorsing waaraan een vergoeding was verbonden. Verzoekers voegen hieraan toe, dat de zevende overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 1639/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1991, L 150, blz. 35), waarin het heet "dat verordening (EEG) nr. 775/87 (...) voorziet in een over vijf jaar gespreide degressieve vergoeding voor de vermindering van de produktiecapaciteit als gevolg van deze schorsing", geen deel uitmaakt van het geheel van maatregelen betreffende de tijdelijke schorsing en in elk geval aldus zou kunnen worden uitgelegd, dat die schorsing na vijf jaar zou worden opgeheven.
63 Verweerder erkent, dat in verordening nr. 816/92 niet uitdrukkelijk en in bijzonderheden is gemotiveerd waarom geen vergoeding meer wordt uitbetaald, maar stelt dat deze verordening een onderdeel is van een geheel van maatregelen en dus geen specifieke motivering behoeft (arrest Eridania e.a., reeds aangehaald, r.o. 37 en 38; zie eveneens arrest Hof van 25 oktober 1978, zaak 125/77, Koninklijke Scholten-Honig, Jurispr. 1978, blz. 1991, r.o. 18-22, en arrest Delacre e.a., reeds aangehaald, r.o. 16).
64 Bij verordening nr. 775/87, zoals nadien verlengd, heeft de Raad namelijk een gedeelte van de referentiehoeveelheden geschorst, teneinde te zorgen voor een herstel van het evenwicht op de markt, die werd gekenmerkt door grote overschotten, en heeft hij in een tijdelijke uitbetaling van een degressieve vergoeding voorzien. Het degressief karakter en de beperkte duur van deze vergoeding zijn onder meer beklemtoond in de zevende overweging van de considerans van de reeds genoemde verordening nr. 1639/91 van 13 juni 1991 (r.o. 62 hiervoor). Het is voor de belanghebbenden dus niet moeilijk om te begrijpen in welke context verordening nr. 816/92 is te zien.
65 In elk geval kan een gebrekkige motivering van een gemeenschapshandeling niet de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap tot gevolg hebben (arrest Hof van 15 september 1982, zaak 106/81, Kind, Jurispr. 1982, blz. 2885, r.o. 14).
66 Interveniënte herinnert eraan, dat blijkens de zevende overweging van de considerans van verordening nr. 1639/91 aan de degressieve vergoeding ooit een einde zou komen, en dat zij in oktober 1991 in haar voorstellen aan de Raad zelf te kennen heeft gegeven, dat het in haar bedoeling lag de schorsing te consolideren en in een definitieve verlaging om te zetten.
Beoordeling door het Gerecht
67 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens de rechtspraak van het Hof de door artikel 190 van het Verdrag vereiste motivering aan de aard van de betrokken handeling moet beantwoorden. De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de gemeenschapsrechter zijn toezicht kan uitoefenen. Bij verordeningen kan evenwel geen specifieke motivering worden verlangd van de verschillende, soms zeer talrijke en ingewikkelde onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen (arresten Eridania e.a., reeds aangehaald, r.o. 37 en 38, en Delacre e.a., reeds aangehaald, r.o. 15 en 16).
68 Wat de verlaging van de referentiehoeveelheden bij verordening nr. 816/92 betreft, zijn bij artikel 1 voor elke Lid-Staat voor het tijdvak 1992/1993 de gegarandeerde totale hoeveelheden vastgesteld en is bepaald, dat voor ditzelfde tijdvak bepaalde hoeveelheden ° uitgesplitst in ton per Lid-Staat ° niet in de gegarandeerde totale hoeveelheden zijn opgenomen. Voorts heet het daarin, dat "de Raad in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid definitief [zal] besluiten wat er met deze hoeveelheden moet gebeuren".
69 Uit de tweede overweging van de considerans van verordening nr. 816/92 blijkt, dat deze hoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 niet in aanmerking zijn genomen omdat "wegens de aanhoudende overschotsituatie, 4,5 % van de referentiehoeveelheden voor leveringen niet in aanmerking moeten worden genomen in de gegarandeerde totale hoeveelheden voor het negende tijdvak".
70 Het Gerecht is van oordeel, dat de Raad de redenen waarom de betrokken referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 niet in de gegarandeerde totale hoeveelheden zijn opgenomen, dus genoegzaam heeft gemotiveerd.
71 Wat het achterwege blijven van een vergoeding betreft, is het Gerecht van oordeel, dat verordening nr. 816/92 binnen het kader valt van het geheel van maatregelen op het gebied van de regeling inzake de extra heffing. In dit verband was het de belanghebbenden bekend dat de degressieve vergoeding, ingesteld bij verordening nr. 775/87, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 1111/88 en 3882/89, op 31 maart 1992 afliep en dat nergens was bepaald, dat de vergoeding opnieuw zou worden toegekend. Om de reeds uiteengezette redenen was de verlaging van de betrokken hoeveelheden zonder vergoeding voor het tijdvak 1992/1993 dan ook voorspelbaar (r.o. 54 hiervoor). Hieruit volgt, dat het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering voor het feit dat voor het tijdvak 1992/1993 geen vergoeding meer zou worden uitbetaald, verzoekers niet de mogelijkheid heeft ontnomen hun rechten doeltreffend te doen gelden, en evenmin het Gerecht heeft belet zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen.
72 Ten slotte zij nog opgemerkt, dat een eventuele ontoereikende motivering van een regelgevende handeling hoe dan ook niet kan leiden tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap (arrest Kind, reeds aangehaald, r.o. 14; arrest Hof van 6 juni 1990, zaak C-119/88, AERPO e.a., Jurispr. 1990, blz. I-2189, r.o. 19; arrest Unifruit Hellas, reeds aangehaald, r.o. 41).
73 Verzoekers' tweede middel moet dus worden afgewezen.
Derde middel: schending van de artikelen 39 en 40 van het Verdrag
Samenvatting van de argumenten van partijen
74 Verzoekers stellen, dat de vastgestelde verlaging van de referentiehoeveelheden bij verordening nr. 816/92, zonder vergoeding, een flagrante schending is van de doelstellingen van artikel 39, leden 1, sub b, en 2, van het Verdrag. Zij beklemtonen, dat het delicate evenwicht tussen de in het kader van de gemeenschappelijke ordening van de markt in de sector melk en zuivelprodukten genomen maatregelen niet mag worden verstoord, met name gelet op de invloed van de sanctie die de extra heffing vormt voor de producent die zijn referentiehoeveelheid overschrijdt.
75 Anders dan verweerder stelt, verstoort verordening nr. 816/92 het evenwicht tussen de verschillende doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag en wordt daarin geen rekening gehouden met de strekking van de regeling inzake de extra heffing, in haar algemene context beschouwd (zie arrest Hierl, reeds aangehaald, r.o. 15). De redenering van het Hof in de zaak Hierl, waarin het ging over verordening nr. 775/87, kan in het onderhavige geval niet worden overgenomen, nu bij verordening nr. 816/92 referentiehoeveelheden zonder vergoeding definitief worden ingetrokken, en niet tijdelijk geschorst tegen vergoeding.
76 De betwiste maatregel heeft ingewikkelder gevolgen dan verweerder wil doen geloven, want verzoekers worden geconfronteerd met een lager niveau van leveringen, hebben niet de mogelijkheid zich daaraan aan te passen, en moeten zonder enige vergoeding de extra heffing blijven betalen. Het arrest van het Hof van 19 mei 1992 (gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder, Jurispr. 1992, blz. I-3061; hierna: "Mulder II") en het arrest Spanje/Raad (reeds aangehaald) betroffen andere situaties.
77 Verweerder is van mening, dat het doel van artikel 39, lid 1, sub b, van het Verdrag, namelijk het inkomen van de landbouwers verzekeren, moet worden verzoend met dat van artikel 39, lid 1, sub c, namelijk de markten stabiliseren, waaraan onder bepaalde omstandigheden tijdelijk prioriteit kan worden toegekend (zie de arresten Van den Bergh en Jurgens, reeds aangehaald, r.o. 20, en Hierl, reeds aangehaald, r.o. 13). In casu bestaat er grond om een dergelijke prioriteit toe te kennen.
78 Gesteld, dat de stopzetting van de vergoeding in strijd met de doelstellingen van artikel 39 zou zijn, dan nog kan de Gemeenschap niet aansprakelijk worden gesteld, nu deze stopzetting haar rechtvaardiging vindt in een hoger algemeen belang, namelijk stabilisering van een markt waarop een ernstige overschotsituatie heerst (zie arrest Mulder II, reeds aangehaald, r.o. 12). Bovendien moet rekening worden gehouden met het feit, dat dank zij het stelsel van referentiehoeveelheden de melkprijzen in deze overschotsituatie hoog zijn gebleven, terwijl de andere mogelijkheid waarover de gemeenschapsinstellingen beschikten om aan deze situatie het hoofd te bieden, namelijk een prijsdaling, voor het inkomen van de betrokken landbouwers nog veel nadeliger zou zijn uitgevallen (zie arrest Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 14).
79 Interveniënte heeft met betrekking tot dit middel geen opmerkingen ingediend.
Beoordeling door het Gerecht
80 Vooraf herinnert het Gerecht eraan, dat de instellingen van de Gemeenschap bij het toewerken naar de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voortdurend ervoor moeten zorgen, mogelijke tegenstrijdigheden tussen de afzonderlijke doelstellingen te verzoenen, en dat zij in voorkomend geval aan deze of gene ervan tijdelijk voorrang dienen te verlenen overeenkomstig de eis van de economische gegevenheden of omstandigheden met het oog waarop zij hun besluiten nemen. De rechtspraak erkent ook, dat de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 van het Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid (zie de arresten Hierl, reeds aangehaald, r.o. 13, en Duitsland/Raad, reeds aangehaald, r.o. 47).
81 In dit verband wijst het Gerecht erop, dat de bij verordening nr. 816/92 opgelegde verlaging van de referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 een integrerend deel is van de bij verordening nr. 856/84 ingevoerde en bij verordening nr. 816/92 zelf voor een negende tijdvak van twaalf maanden verlengde regeling inzake de extra heffing. Zoals reeds gezegd (r.o. 69 hiervoor), beoogde deze verlaging een stabilisering van de markt in de melk- en zuivelsector, die wordt gekenmerkt door structurele overschotten, welk doel past in het kader van de stabilisering van de markten, één van de in artikel 39, lid 1, sub c, van het Verdrag uitdrukkelijk neergelegde doelstellingen (zie arresten Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 11, en Hierl, reeds aangehaald, r.o. 10). VERVOLG VAN DE RECHTSOVERWEGINGEN ONDER NUMMER : 693A0466.1
82 Het Gerecht is van oordeel, dat de Raad dus in het kader van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tijdelijk voorrang mag verlenen aan het doel de markt voor melk en zuivelprodukten te stabiliseren, zonder de hem bij artikel 39 van het Verdrag toegekende bevoegdheden te overschrijden. Bovendien was het Hof in zijn arrest van 17 mei 1988 (zaak 84/87, Erpelding, Jurispr. 1988, blz. 2647, r.o. 26) van oordeel, dat het stelsel van de extra heffing dat is bedoeld om het evenwicht tussen vraag en aanbod op de door structurele overschotten gekenmerkte zuivelmarkt te herstellen door een beperking van de melkproduktie, een maatregel is die past in het kader van het oogmerk van een rationele ontwikkeling van de melkproduktie in de zin van artikel 39, lid 1, sub a, van het Verdrag, en bovendien bijdraagt tot de stabilisatie van het inkomen van de betrokken landbouwbevolking, en aldus tot het behoud van een redelijke levensstandaard voor die bevolking in de zin van artikel 39, lid 1, sub b, van het Verdrag.
83 Ten slotte stelt het Gerecht in elk geval vast, dat verzoekers absoluut niet hebben kunnen aantonen, dat de Raad, door voor het tijdvak 1992/1993 niet te voorzien in een vergoeding, het doel van artikel 39, lid 1, sub b, van het Verdrag, namelijk de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard verzekeren, noch artikel 39, lid 2, van het Verdrag zou hebben miskend.
84 In dit verband wijst het Gerecht er in de eerste plaats op, dat de verlaging van de betrokken referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993, niet tot gevolg heeft gehad dat verzoekers de extra heffing hebben moeten betalen die wordt opgelegd wanneer een producent zijn referentiehoeveelheid overschrijdt. Uit bijlage II bij het onderhavige arrest blijkt immers, dat de leveringen van O' Dwyer en Cronin gedurende het tijdvak 1992/1993 beneden de bovengrens zijn gebleven van de referentiehoeveelheden waarover zij destijds beschikten. Wat Keane en Reidy betreft is ter terechtzitting door hun advocaat bevestigd, dat de extra heffing deze verzoekers niet is opgelegd, al hadden zij hun quota overschreden. Volgens de in Ierland geldende formule B is een producent namelijk eerst dan een extra heffing verschuldigd, wanneer de totale aan een koper geleverde hoeveelheid melk (gewoonlijk een landbouwcooeperatie waarvan de producent lid is) de referentiehoeveelheid van de koper overschrijdt (zie arrest Hof van 28 april 1988, zaak 61/87, Thevenot e.a., Jurispr. 1988, blz. 2375). Voor Keane en Reidy was dit gedurende het tijdvak 1992/1993 niet het geval.
85 In de tweede plaats hebben verzoekers, zoals eveneens uit bijlage II bij dit arrest blijkt, hun referentiehoeveelheden tussen 1987/1988 en 1991/1992 regelmatig overschreden. Om dezelfde redenen als hiervoor reeds genoemd, is hun echter geen extra heffing opgelegd.
86 In de derde plaats heeft elke verzoeker reeds een totaal bedrag van 45,5 ECU per 100 kg ontvangen, ter vergoeding van de schorsing van 4,5 % van de referentiehoeveelheden gedurende het tijdvak 1987/1988 tot en met 1991/1992, zonder dat rekening is gehouden met overschrijdingen van de referentiehoeveelheden waarover zij gedurende ditzelfde tijdvak beschikten.
87 In de vierde plaats hebben verzoekers, met uitzondering van O' Dwyer, geprofiteerd van de mogelijkheden om hun referentiehoeveelheden aanzienlijk te verhogen overeenkomstig verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), inmiddels vervangen bij verordening nr. 3950/92. Zoals immers uit bijlage I bij dit arrest blijkt, zijn in 1989/1990 aan Keane, als kleine producent, extra referentiehoeveelheden toegekend, en kregen Keane en Cronin bij besluiten van de Milk Quota Appeals Tribunal extra referentiehoeveelheden toegekend in 1990/1991 (Keane en Cronin) en in 1991/1992 (Keane). Keane, Cronin en Reidy hebben hun individuele referentiehoeveelheden eveneens verhoogd door in het kader van de Ierse Milk Quota Restructuring Schemes extra quota te kopen; ten slotte hebben Cronin en Reidy bepaalde extra hoeveelheden gehuurd.
88 Uit het voorgaande volgt, dat de quota waarover Keane, Cronin en Reidy in 1992/1993, na de verlaging bij verordening nr. 816/92, konden beschikken, hoger waren dan hun quota onmiddellijk na de tijdelijke schorsing bij verordening nr. 775/87, respectievelijk ongeveer 132, 47 en 11 % (zie bijlage I bij dit arrest).
89 Zelfs aangenomen, dat verzoekers' inkomen zou zijn gedaald wegens het achterwege blijven van een vergoeding voor het tijdvak 1992/1993 ° waarvoor de stukken in elk geval geen enkele aanwijzing bevatten ° blijkt uit het eerdergenoemde arrest Hierl (r.o. 13 en 14), dat een inkomensverlies dat tot een tijdelijke daling van de levensstandaard van de landbouwers kan leiden, in het kader van produktiebeperkende maatregelen van de Raad met het oog op een marktsituatie die langere tijd door structurele overschotten was gekenmerkt, binnen zekere grenzen moet worden aanvaard. Bovendien heeft het Hof in het eerdergenoemde arrest Spanje/Raad (r.o. 14) verklaard, dat het alternatief voor een verordening houdende verlaging van de referentiehoeveelheden, namelijk een verlaging van de interventieprijzen voor melk en zuivelprodukten, voor het inkomen van de landbouwers nog veel nadeliger had kunnen zijn, wat de Raad terecht heeft opgemerkt.
90 Uit een en ander volgt, dat verzoekers' derde middel moet worden afgewezen.
Vierde middel: schending van het eigendomsrecht en het recht op vrije beroepsuitoefening
Samenvatting van de argumenten van partijen
91 Verzoekers stellen, dat het eigendomsrecht een van de fundamentele rechten is die in de communautaire rechtsorde worden beschermd. Volgens het arrest van het Hof van 13 december 1979 (zaak 44/79, Hauer, Jurispr. 1979, blz. 3727) moet worden bepaald welk doel met de betwiste maatregel wordt nagestreefd, en vervolgens of de betrokken beperkingen in een redelijke verhouding staan tot dit doel dan wel juist een te vergaande en onaanvaardbare ingreep in de prerogatieven van de eigenaar vormen.
92 In casu zou wegens het achterwege blijven van een vergoeding voor het tijdvak 1992/1993 een dergelijke redelijke verhouding niet bestaat. Voor verzoekers komt verordening nr. 816/92 neer op een onteigening zonder schadeloosstelling, want de melkquota hebben een reële economische waarde (zie punt 24 van de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij het arrest van het Hof van 13 juli 1989, zaak 5/88, Wachauf, Jurispr. 1989, blz. 2609, op blz. 2622). De definitieve intrekking ervan zonder vergoeding, vormt dus een onaanvaardbare ingreep in het eigendomsrecht en een bedreiging voor de landbouwbedrijven van de verzoekers.
93 Verzoekers doen eveneens een beroep op de vrije beroepsuitoefening, die ingevolge het reeds genoemde arrest Hauer (r.o. 32) door het gemeenschapsrecht is erkend. De bepalingen van verordening nr. 816/92 zouden een inbreuk op deze vrijheid vormen die niet haar rechtvaardiging vindt in het algemeen belang.
94 Volgens verweerder heeft het Hof nooit erkend, dat de melkquota een eigendomsrecht kunnen vormen dat los staat van de grond waaraan zij zijn verbonden. De in casu opgelegde verlaging van de referentiehoeveelheden kan het eigendomsrecht van de belanghebbenden dus in beginsel niet aantasten (arrest Hof van 22 oktober 1991, zaak C-44/89, von Deetzen, Jurispr. 1991, blz. 5119, r.o. 27; hierna: "von Deetzen II").
95 Overigens hebben het eigendomsrecht noch het recht van vrije beroepsuitoefening in het gemeenschapsrecht absolute gelding. Het gaat enkel om het recht om, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, te worden beschermd tegen een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de betrokken fundamentele rechten in hun kern worden aangetast (arrest van het Hof van 11 juli 1989, zaak 265/87, Schraeder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r.o. 15). In het onderhavige geval is van een dergelijke ingreep geen sprake, en beantwoordt de betwiste beperking duidelijk aan een oogmerk van algemeen belang.
96 Gelet op het geringe belang van de betrokken verlaging, komen verzoekers' landbouwbedrijven hoe dan ook niet in gevaar, en zijn hun eigendomsrechten of hun vrijheid van beroepsuitoefening niet in hun kern aangetast.
97 Interveniënte heeft met betrekking tot dit middel geen opmerkingen ingediend.
Beoordeling door het Gerecht
98 Het Gerecht herinnert er in de eerste plaats aan dat, volgens vaste rechtspraak van het Hof, zowel het recht van eigendom als het recht van vrije beroepsuitoefening tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behoren. Deze beginselen hebben echter geen absolute gelding, maar moeten in relatie tot hun sociale functie worden beschouwd. Het genot van het eigendomsrecht en de vrijheid van beroepsuitoefening kunnen dus met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening aan beperkingen worden onderworpen, voor zover zulke beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (reeds aangehaalde arresten Schraeder, r.o. 15, en Wachauf, r.o. 18; arrest Hof van 10 januari 1992, zaak C-177/90, Kuehn, Jurispr. 1992, blz. I-35, r.o. 16 en 17, en arrest Duitsland/Raad, reeds aangehaald, r.o. 78).
99 Eveneens moet worden opgemerkt, dat het in de communautaire rechtsorde gewaarborgde eigendomsrecht niet het recht omvat een voordeel als de in het kader van de gemeenschappelijke marktordening toegekende referentiehoeveelheid te verhandelen, welk voordeel noch uit het eigendom noch uit de beroepsactiviteit van de betrokkene voortvloeit (arrest von Deetzen II, reeds aangehaald, r.o. 27; arrest Hof van 24 maart 1994, zaak C-2/92, Bostock, Jurispr. 1994, blz. I-955, r.o. 19).
100 Het Gerecht heeft reeds vastgesteld (r.o. 81 en 82 hiervoor), dat de verlaging van de betrokken referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 bij verordening nr. 816/92, beantwoordde aan de doeleinden van algemeen belang die de Commissie nastreeft in het kader van een gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelprodukten, met name de stabilisatie van de markt en de vermindering van de structurele overschotten.
101 Bovendien kunnen het verlies van deze referentiehoeveelheden als zodanig, en het ontbreken van een schadevergoeding daarvoor op zich geen schending van het eigendomsrecht of van het recht op vrije beroepsuitoefening vormen, zoals deze in het gemeenschapsrecht zijn erkend (zie onder meer het arrest Bostock, reeds aangehaald, r.o. 19 en 20).
102 Wat de vraag betreft of de bij verordening nr. 816/92 vastgestelde verlaging van de referentiehoeveelheden een bedreiging vormde voor de produktiviteit van verzoekers' landbouwbedrijven, waardoor hun eigendomsrecht en hun recht op vrije beroepsuitoefening in hun kern werden aangetast, blijkt uit de bijlagen I en II bij dit arrest en uit de vaststellingen in de rechtsoverwegingen 84 tot en met 88 hiervoor, dat verzoekers een dergelijke schending van die rechten geenszins hebben aangetoond.
103 Hieruit volgt, dat verzoekers' vierde middel moet worden afgewezen.
Vijfde middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
Samenvatting van de argumenten van partijen
104 Verzoekers zijn van mening, dat verordening nr. 816/92 in het licht van het door de gemeenschapswetgever nagestreefde doel onevenredig is, en hun een zware last oplegt. Nu de toekenning van een vergoeding een integrerend deel van eerdere verordeningen vormde, de overwegingen van de considerans van verordening nr. 816/92 niet duiden op een concrete wijziging sinds de vaststelling van verordening nr. 3882/89 waarin een dergelijke vergoeding was voorzien, en uit dezelfde overwegingen blijkt, dat de verordening hoofdzakelijk bedoeld was om een voorlopige maatregel te treffen in afwachting van voorstellen van de Commissie in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, is de niet-toekenning van een vergoeding dus onevenredig aan het nagestreefde doel. Als gevolg hiervan wordt verzoekers een dubbele sanctie opgelegd, eerst doordat de extra heffing op een lager leveringsniveau wordt toegepast, en vervolgens doordat voor deze verlaging geen compensatie wordt toegekend. In het reeds genoemde arrest Hierl (r.o. 11) heeft het Hof beklemtoond, dat verordening nr. 775/87 geen schending vormde van het evenredigheidsbeginsel, aangezien een vergoeding werd toegekend; van deze vergoeding is in het onderhavige geval evenwel geen sprake meer.
105 Verweerder is van mening, dat dit middel rechtstreeks samenhangt met het vorige middel, betreffende schending van het eigendomsrecht, en dat reeds voldoende is aangetoond, dat de vastgestelde verlaging in verhouding tot het nagestreefde doel niet kennelijk ongeschikt is. Duidelijk is in elk geval, dat de Raad de grenzen van de hem ter zake door het Hof toegekende ruime beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk heeft overschreden.
106 Interveniënte heeft met betrekking tot dit middel geen opmerkingen gemaakt.
Beoordeling door het Gerecht
107 Volgens vaste rechtspraak van het Hof behoort het evenredigheidsbeginsel tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht. Volgens dit beginsel is het verbod van een economische activiteit slechts rechtmatig, wanneer de verbodsmaatregelen geschikt en noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de legitieme doelstellingen die met de betrokken regeling worden nagestreefd. Daarbij geldt, dat wanneer een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen, die maatregel moet worden gekozen die de minste belasting met zich meebrengt, en dat de op te leggen lasten niet onevenredig mogen zijn aan het nagestreefde doel. Zoals in dit arrest reeds eerder is gezegd (zie r.o. 82 hiervoor), moet evenwel worden gepreciseerd, dat de gemeenschapswetgever op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 van het Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid. Derhalve kan aan de rechtmatigheid van op dit gebied vastgestelde maatregelen slechts afbreuk worden gedaan wanneer zij kennelijk ongeschikt zijn ter bereiking van het door de bevoegde instelling ermee nagestreefde doel (zie onder meer arrest Schraeder, reeds aangehaald, r.o. 21 en 22; arrest Hof van 13 november 1990, zaak 331/88, Fedesa e.a., Jurispr. 1990, blz. I-4023, r.o. 13 en 14, en arrest Duitsland/Raad, reeds aangehaald, r.o. 88-91).
108 Om de reeds in antwoord op het eerste, het derde en het vierde middel uiteengezette redenen is het Gerecht van oordeel, dat verzoekers niet hebben aangetoond, dat de bij verordening nr. 816/92 vastgestelde maatregelen in verhouding tot het doel ervan, namelijk de stabilisatie van de melk- en zuivelmarkt, kennelijk ongeschikt zijn. Dit middel moet dus worden afgewezen.
Zesde middel: schending van het non-discriminatiebeginsel
Samenvatting van de argumenten van partijen
109 Verzoekers beklemtonen, dat het non-discriminatiebeginsel een van de meest fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht is en in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag tot uiting komt. Zij herinneren eveneens aan de bewoordingen van de achtste overweging van de considerans van verordening nr. 856/84 en van de tweede overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11), waarin het heet, dat in Ierland de bijdrage van de zuivelsector in het nationaal produkt aanzienlijk is, en verder dat de mogelijkheid om in deze gebieden alternatieven voor de zuivelproduktie te ontwikkelen zeer beperkt zijn. Zo gezien, voldoet verordening nr. 816/92 volgens verzoekers niet aan de door het Hof in het eerdergenoemde arrest Hierl (r.o. 19) gestelde voorwaarden, onder meer omdat in de verordening geen rekening is gehouden met de bijzondere moeilijkheden die voor de Ierse producenten uit de toepassing ervan voortvloeien. Hoewel het anders is voorgesteld, worden deze producenten in feite op dezelfde wijze behandeld als de producenten in de andere Lid-Staten, terwijl vaststond, dat zij in een andere situatie verkeerden.
110 De tijdelijke schorsing en het ontbreken van een vergoeding waren eveneens discriminerend, omdat de producenten in de andere Lid-Staten zich gemakkelijker konden aanpassen aan de gevolgen van de betrokken maatregel, zonder met dezelfde handicaps te worden geconfronteerd. Volgens het arrest Hierl kan het weliswaar voorkomen, dat de lokale omstandigheden irrelevant zijn bij de beoordeling of er sprake is geweest van schending van artikel 40, lid 3, van het Verdrag, maar in casu ligt dit anders, nu de Raad en de Commissie in verordening nr. 856/84 en in verordening nr. 1371/84 van 16 mei 1984 hebben erkend, dat de lokale omstandigheden in Ierland wel ter zake doen. Bovendien hebben kleine bedrijven als die van de verzoekers meer bescherming nodig dan grote bedrijven.
111 Verweerder beklemtoont, dat het Hof dergelijke argumenten in zijn arresten Spanje/Raad en Hierl heeft afgewezen. Met de bijzondere situatie van Ierland is reeds rekening gehouden in de door verzoekers genoemde regeling van 1984, waaruit blijkt, dat de nationale referentiehoeveelheid aanvankelijk was vastgesteld op een gunstiger niveau dan voor alle andere Lid-Staten, met uitzondering van Italië. Deze specifieke regeling kan de Ierse producenten evenwel niet eindeloos vrijwaren voor latere verlagingen van de referentiehoeveelheden die door het totale overschot binnen de Gemeenschap noodzakelijk waren geworden.
112 Interveniënte beklemtoont, dat bij de aanvankelijke vaststelling van de referentiehoeveelheden in 1984 niet enkel rekening is gehouden met de bijzondere situatie van Ierland, maar dat het gunstige effect van deze berekeningswijze gedurende de gehele geldigheidsduur van de regeling merkbaar was, zodat elke verlaging van de totale hoeveelheden noodzakelijkerwijs minder ingrijpend was voor de Ierse dan voor de andere producenten.
Beoordeling door het Gerecht
113 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag neergelegde verbod van discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap inhoudt, dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. De maatregelen die de gemeenschappelijke marktordening meebrengt, en met name de interventieregeling, mogen derhalve slechts streeksgewijs of op basis van andere produktie- of verbruikscondities worden gedifferentieerd, wanneer ter verzekering van een evenredige verdeling van voor- en nadelen tussen de betrokkenen, volgens objectieve maatstaven wordt te werk gegaan en tussen de Lid-Staten niet in territoriale zin wordt onderscheiden (zie de reeds aangehaalde arresten Spanje/Raad, r.o. 25, Hierl, r.o. 18, en Duitsland/Raad, r.o. 67). Verder moet met betrekking tot de rechterlijke toetsing van de voorwaarden waaronder het discriminatieverbod wordt toegepast, worden herhaald, dat de Raad op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, in overeenstemming met de hem bij de artikelen 40 en 43 van het Verdrag toegekende politieke verantwoordelijkheid (zie arrest van 21 februari 1990, gevoegde zaken C-267/88°C-285/88, Wuidart e.a., Jurispr. 1990, blz. I-435, r.o. 14).
114 Vaststaat, dat in casu bij verordening nr. 856/84 en bij verordening nr. 1371/84 van 16 mei 1984 aan Ierland reeds extra referentiehoeveelheden zijn toegekend, onder meer teneinde rekening te houden met het aandeel van de zuivelsector in het bruto nationaal produkt van Ierland en met factoren die in de landbouwsector in Ierland de ontwikkeling van alternatieven voor de zuivelproduktie belemmeren.
115 In die omstandigheden stelt het Gerecht vast, dat verzoekers niets hebben aangevoerd waaruit zou kunnen blijken, dat de Raad bij de vaststelling van verordening nr. 816/92, in afwijking van het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag neergelegde fundamentele beginsel van gelijkheid van behandeling, de Ierse producenten nog gunstiger had moeten behandelen. In het bijzonder hebben verzoekers niet kunnen aantonen, dat de melkproducenten in Ierland thans in een veel moeilijker positie verkeren dan de producenten van de overige Lid-Staten.
116 De gegevens in de bijlagen I en II van dit arrest, alsmede de vaststellingen in de rechtsoverwegingen 84-88 hiervoor, staven integendeel de conclusie, dat een preferentiële behandeling van producenten als verzoekers absoluut niet gerechtvaardigd zou zijn geweest.
117 Wat de positie van de kleine producenten betreft, moet eraan worden herinnerd, dat volgens het Hof in het arrest Hierl (r.o. 19), de omstandigheid dat een in het kader van een gemeenschappelijke marktordening genomen maatregel verschillende gevolgen kan hebben voor bepaalde producenten, al naargelang hun individuele produktie, niet als een discriminatie kan worden beschouwd, wanneer die maatregel is gebaseerd op objectieve criteria, die zijn aangepast aan wat voor de algemene werking van de gemeenschappelijke marktordening vereist is. Het Gerecht is van oordeel, dat verordening nr. 816/92, in de context van de hierboven toegelichte verordeningen, wat de objectieve en evenwichtige aard betreft van de criteria waarvan zij uitgaat, aan deze voorwaarden voldoet.
118 Het zesde middel moet dus worden afgewezen.
De door de andere verzoekers dan O' Dwyer aangevoerde middelen
Samenvatting van de argumenten van partijen
119 Keane, Cronin en Reidy betogen, dat de tijdelijke schorsingen waartoe was besloten bij verordening nr. 775/87, betrekking hadden op de aanvankelijk bij artikel 5 quater, leden 1 en 3, van verordening nr. 804/68 vastgestelde referentiehoeveelheden. Deze oorspronkelijke referentiehoeveelheden zouden onderscheiden zijn van de hoeveelheden die deel uitmaken van de bij artikel 5 quater, lid 4, van verordening nr. 804/68 ingestelde communautaire reserve. Uit artikel 1, lid 1, vierde alinea, van verordening nr. 775/87 volgt evenwel, dat de daarin bedoelde schorsing van 4,5 % van de gegarandeerde totale hoeveelheden, wegens de toepassing van formule B in Ierland, betrekking had op de referentiehoeveelheden van de kopers, die deze op hun beurt moesten doorberekenen aan de producenten, zonder rekening te kunnen houden met de bijzondere samenstelling van de referentiehoeveelheden van die producenten.
120 De schorsing zonder vergoeding, waarin verordening nr. 816/92 voorziet, heeft dus de extra referentiehoeveelheden getroffen die verzoekers uit de communautaire reserve hadden verkregen, met name in de gevallen van Keane en Cronin (zie r.o. 87 hiervoor).
121 In die omstandigheden stellen verzoekers meer in het bijzonder, dat: i) zij hun gewettigd vertrouwen erop mochten stellen, dat andere referentiehoeveelheden dan die waarop artikel 5 quater, leden 1 en 3, van verordening nr. 804/68 doelt, niet zouden worden ingetrokken zonder vergoeding; ii) verordening nr. 816/92 niet verenigbaar kan zijn met de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag, omdat bij deze verordening referentiehoeveelheden zijn geschorst die niet hun oorsprong vinden in artikel 5 quater, lid 1, van verordening nr. 804/68; iii) de intrekking van referentiehoeveelheden die niet onder artikel 5 quater, leden 1 en 3, van verordening nr. 804/68 vallen, het eigendomsrecht en het recht op vrije beroepsuitoefening schendt, alsmede het evenredigheidsbeginsel, en op zich een discriminatie vormt waardoor verzoekers' concurrentiepositie wordt aangetast.
122 Verweerder antwoordt, dat de uniforme schorsing van referentiehoeveelheden, ongeacht hun aanvankelijke oorsprong, terug te voeren is op verordening nr. 775/87 en niet op verordening nr. 816/92. In elk geval verlangt het non-discriminatiebeginsel niet, dat door de nationale autoriteiten op basis van de hun toekomende beslissingsbevoegdheid toegekende extra hoeveelheden worden uitgezonderd van de van alle producenten gevraagde inspanning inzake aanpassing en solidariteit.
123 Interveniënte heeft met betrekking tot deze middelen geen opmerkingen ingediend.
Beoordeling door het Gerecht
124 Verzoekers beklagen zich er in wezen over, dat de uit verordening nr. 816/92 voortvloeiende verlaging van de referentiehoeveelheden niet enkel de referentiehoeveelheden treft die hun uit hoofde van verordening nr. 856/84 zijn toegekend, maar eveneens de extra referentiehoeveelheden die zij sedertdien hebben verkregen, met name de door de Ierse autoriteiten aan Keane en Cronin toegekende extra referentiehoeveelheden.
125 Verzoekers betwisten evenwel niet dat, in het kader van de in Ierland toegepaste formule B, de bij verordening nr. 816/92 vastgestelde verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden naar evenredigheid moest worden verdeeld over alle kopers van melk, die op hun beurt die verlaging naar evenredigheid moesten verdelen over de referentiehoeveelheden van de betrokken melkproducenten. Tussen partijen staat vast, dat deze evenredige doorberekening plaats moet vinden ongeacht de specifieke oorsprong van de referentiehoeveelheden van individuele producenten.
126 In die omstandigheden is het Gerecht in de eerste plaats van oordeel, dat verzoekers ten onrechte een beroep doen op het vermeende juridische onderscheid tussen enerzijds de aanvankelijk bij artikel 5 quater, leden 1 en 3, van verordening nr. 804/68 vastgestelde referentiehoeveelheden, en anderzijds de referentiehoeveelheden die afkomstig zijn uit de communautaire reserve als bedoeld in lid 4 van dezelfde bepaling. Uit de bewoordingen zelf van artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 blijkt namelijk, dat lid 3 van toepassing is "onder voorbehoud van lid 4", en verder dat de communautaire reserve in de zin van lid 4 bedoeld is om de gegarandeerde hoeveelheden van de Lid-Staten "aan te vullen". De oorsprong van de betrokken hoeveelheden is dus zonder belang voor het bepalen van de referentiehoeveelheid van een individuele producent in de zin van artikel 5 quater, lid 1. Overigens is de communautaire reserve formeel afgeschaft, en zijn de desbetreffende hoeveelheden bij verordening nr. 3950/92 (zie r.o. 12 hiervoor) in de gegarandeerde totale hoeveelheden opgenomen. Het onderscheid waarop verzoekers zich beroepen, is dus irrelevant sedert de datum van deze verordening, die is vastgesteld voordat verzoekers hun beroepen hebben ingesteld.
127 In de tweede plaats is de mogelijkheid voor bepaalde melkproducenten om hun individuele referentiehoeveelheden te verhogen, uitdrukkelijk in de gemeenschapsregeling voorzien, met name in de desbetreffende bepalingen van verordening nr. 857/84 van 31 maart 1984, zoals vervangen door verordening nr. 3950/92. Daardoor is de regeling inzake de extra heffing aanzienlijk versoepeld. Voor zover de producenten van deze versoepeling gebruik maken, door op facultatieve basis hun referentiehoeveelheden te vergroten, profiteren zij ook meer van de in het kader van de gemeenschappelijke marktordening gegarandeerde prijzen, terwijl verhoudingsgewijs hun aandeel in het structurele overschot in de sector tegelijkertijd groter wordt. Het is dus terecht, dat de verlagingen van de gegarandeerde totale hoeveelheden voor hen in dezelfde mate dienen te gelden als voor andere producenten.
128 Onder deze omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat het beroep van Cronin, Keane en Reidy op schending van het vertrouwensbeginsel niet kan slagen, voor zover de in verordening nr. 816/92 bedoelde verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden de extra referentiehoeveelheden heeft getroffen die zij na de toekenning van hun oorspronkelijke hoeveelheden hebben verkregen. Ook is het feit dat de bij verordening nr. 816/92 opgelegde uniforme verlaging van de referentiehoeveelheden, zonder rekening te houden met hun bijzondere oorsprong, volgens het Gerecht niet in strijd met de doelstelling van artikel 39 van het Verdrag, en evenmin met het evenredigheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel, het eigendomsrecht, of het recht op vrije beroepsuitoefening.
129 Hieruit volgt, dat de door Keane, Cronin en Reidy aangevoerde specifieke middelen moeten worden afgewezen.
130 Uit het voorgaande volgt, dat de schadevorderingen in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93 moeten worden afgewezen aangezien er geen sprake is van enige onregelmatigheid, zonder dat behoeft te worden onderzocht of de beweerde schendingen van het gemeenschapsrecht waarop verzoekers zich beroepen, als "voldoende gekwalificeerd" kunnen worden aangemerkt, in de zin van de rechtspraak inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap (zie arrest Mulder II, reeds aangehaald, r.o. 19-21). Nu de vaststelling van de bestreden verordening niet tot een onregelmatigheid heeft geleid, behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de door verzoekers voorgelegde ramingen van de gestelde schade en evenmin over het bestaan van een oorzakelijk verband tussen die schade en de bestreden handeling.
De schadevordering in zaak T-477/93
131 O' Dwyer, verzoeker in zaak T-477/93, stelt, dat de Raad door verordening nr. 748/93 vast te stellen (zie r.o. 15 en 16 hiervoor) en dus door de in verordening nr. 816/92 vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheden voor het tijdvak van 1 april 1993 tot en met 31 maart 1994 zonder vergoeding te verlengen, de grenzen van zijn bevoegdheid opnieuw duidelijk en ernstig heeft overschreden, en ter bescherming van particulieren vastgestelde regels van hogere orde heeft geschonden, zodat de Gemeenschap uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag niet-contractueel aansprakelijk is. Verzoeker voert, mutatis mutandis, de zes middelen aan die in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93 en T-474/93 zijn aangevoerd, plus een aantal nieuwe argumenten.
132 Aangezien de middelen en argumenten in zaak T-477/93 overeenkomen met die welke hiervoor reeds zijn onderzocht, moeten zij om dezelfde redenen worden afgewezen. Bovendien wijst het Gerecht er in dit verband op, dat verzoeker blijkens de in antwoord op vragen van het Gerecht verstrekte gegevens, zijn referentiehoeveelheid voor het tijdvak 1993/1994 aanzienlijk heeft overschreden, en dat hem geen extra heffing is opgelegd.
133 Het Gerecht is van oordeel, dat slechts twee van de in zaak T-477/93 aangevoerde middelen nieuwe of aanvullende argumenten bevatten, te weten de middelen ontleend aan schending van het gewettigd vertrouwen, respectievelijk aan schending van artikel 190 van het Verdrag.
Het middel betreffende schending van het gewettigd vertrouwen
Samenvatting van de argumenten van partijen
134 Verzoeker betoogt, dat de Raad in verordening nr. 748/93 niet is ingegaan op het probleem van de geschorste referentiehoeveelheden en geen passende schadevergoeding heeft voorzien, en aldus het gewettigd vertrouwen ernstig heeft geschonden. Behalve de in rechtsoverwegingen 36-41 reeds samengevatte argumenten, voert hij de volgende bijkomende argumenten aan.
135 Uit de vergelijking tussen verordening nr. 748/93 en verordening nr. 816/92 blijkt volgens verzoeker, dat beide bedoeld waren om een rechtsvacuuem op te vullen. Uit de considerans van verordening nr. 748/93 (r.o. 15 hiervoor) blijkt, dat deze verordening overhaast is ingevoerd en zonder alle problemen, onder meer die van de tijdelijk geschorste referentiehoeveelheden, in aanmerking te nemen. In een verklaring van 17 maart 1993, na afloop van de vergadering waarin verordening nr. 748/93 is vastgesteld, stelde de Raad, dat hij "een besluit zal nemen over andere door de delegaties reeds opgeworpen problemen", hetgeen onder meer zou kunnen verwijzen naar het vraagstuk van de geschorste hoeveelheden.
136 Verzoeker meent uit de bepalingen van verordening nr. 3950/92 in samenhang met die van verordening nr. 748/93 te kunnen afleiden, dat: i) de redactie en de motivering ervan onnauwkeurig en gebrekkig zijn; ii) verordening nr. 748/93 geen definitief besluit vormt over wat met de geschorste hoeveelheden diende te gebeuren; iii) de Raad indirect heeft getracht de betrokken hoeveelheden op onrechtmatige wijze in te trekken; en iv) aangezien de bepalingen van verordening nr. 775/87 niet zijn verlengd, de geschorste hoeveelheden op 1 april 1993 opnieuw hadden moeten worden toegekend.
137 Hij betoogt met name, dat verordening nr. 816/92 niet tot een definitieve verlaging heeft geleid, wat blijkt uit de verwijzing naar een later definitief besluit. Verordening nr. 748/93 is evenwel ook geen definitief besluit. Verordening nr. 816/92, en vervolgens verordening nr. 748/93, hebben bij de producenten grote onzekerheid doen ontstaan.
138 Verordening nr. 748/93 zou dus moeten worden beschouwd als een nieuwe verlenging van de tijdelijke schorsing, die gepaard zou dienen te gaan met een vergoeding. Zou verordening nr. 748/93 evenwel aldus moeten worden uitgelegd, dat de betrokken hoeveelheden definitief zijn ingetrokken, dan zou de Raad eveneens het gewettigd vertrouwen hebben geschonden door zonder waarschuwing te handelen en niet in de toekenning van een vergoeding te voorzien.
139 Verweerder, ondersteund door interveniënte, beroept zich hiertegen op de eerder in de rechtsoverwegingen 42-46 samengevatte argumenten. Hij voegt hieraan toe, dat verordening nr. 748/93 op 17 maart 1993 is vastgesteld nadat bij verordening nr. 816/92 4,5 % van de quota definitief was ingetrokken, onder voorbehoud van een herziening. Het ging om een overgangsmaatregel teneinde voor het tijdvak 1993/1994 een rechtsvacuuem te voorkomen, maar de overwegingen van de considerans en het dispositief van de verordening bevatten niets waaruit kan worden afgeleid, dat de ingetrokken hoeveelheden weer zouden worden toegekend. De in verordening nr. 816/92 bedoelde herziening heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Raad van 24 tot 27 mei 1993, en heeft geleid tot de vaststelling van verordening nr. 1560/93 (r.o. 18 hiervoor).
Beoordeling door het Gerecht
140 Het Gerecht herinnert eraan, dat verordening nr. 748/93 tot gevolg had dat de bij verordening nr. 816/92 voor het tijdvak 1992/1993 voorziene gegarandeerde totale hoeveelheden voor het tijdvak 1993/1994 werden verlengd.
141 Mutatis mutandis is het Gerecht om de in de rechtsoverwegingen 48-60 uiteengezette redenen van oordeel, dat verzoekers beroep op het vertrouwensbeginsel in principe niet kan slagen, waar hij betoogt dat de bij verordening nr. 816/92 voor het tijdvak 1992/1993 niet in aanmerking genomen referentiehoeveelheden hadden moeten worden teruggegeven, of dat voor het tijdvak 1993/1994 een vergoeding had moeten worden toegekend.
142 Wat de specifieke elementen betreft waarop verzoeker zijn gewettigd vertrouwen meent te kunnen baseren (r.o. 38 hiervoor), zijn alleen verordening nr. 816/92, de brief van de Raad van 5 februari 1993 (r.o. 13 hiervoor) en de twee perscommuniqués van het Ierse Ministerie van Landbouw van 1 juli 1992 en van 17 december 1992, van eerdere datum dan verordening nr. 748/93.
143 In het gunstigste geval hadden deze elementen het vertrouwen kunnen wettigen, dat de Raad opnieuw zou onderzoeken wat er met de niet bij verordening nr. 816/92 in aanmerking genomen hoeveelheden moest gebeuren, en ter zake een definitief besluit zou nemen. Voor dat heronderzoek was evenwel geen termijn gesteld.
144 In die omstandigheden is het Gerecht dan ook van oordeel, dat niets de Raad belette om de voor het tijdvak 1992/1993 gegarandeerde totale hoeveelheden te verlengen voor het tijdvak 1993/1994 vóór het in artikel 1, laatste alinea, van verordening nr. 816/92 bedoelde heronderzoek.
145 Bovendien moet worden vastgesteld, dat bedoeld heronderzoek plaats heeft gehad vóór de vaststelling op 14 juni 1993 van verordening nr. 1560/93 (r.o. 18 hiervoor). Bij deze verordening is verordening nr. 748/93 ingetrokken en zijn nieuwe gegarandeerde hoeveelheden vastgesteld, wat voor Ierland een verhoging met 0,6 % inhield.
146 Hieruit volgt, dat het middel betreffende schending van het gewettigd vertrouwen moet worden afgewezen.
Het middel betreffende schending van artikel 190 van het Verdrag
Samenvatting van de argumenten van partijen
147 Verzoeker stelt dat, waar in de considerans van verordening nr. 816/92 is bepaald dat 4,5 % van de referentiehoeveelheden voor het tijdvak 1992/1993 niet in aanmerking werden genomen, in verordening nr. 748/93 had moeten worden gepreciseerd of dat percentage voor het tijdvak 1993/1994 al dan niet in aanmerking zou worden genomen. Hoewel het in verordening nr. 816/92 heet, dat de Raad definitief zal besluiten wat er met dit percentage moest gebeuren, is dit in verordening nr. 748/93 bovendien zonder opgave van redenen niet gebeurd. Laatstgenoemde verordening vormt een inbreuk op artikel 190 van het Verdrag, voor zover daarin niet is uiteengezet welke de motieven en de rechtsgrondslag waren van de blijvende verlaging zonder vergoeding, die kennelijk het doel was van verordening nr. 3950/92 in samenhang met verordening nr. 748/93.
148 In dat verband kan niet worden verwezen naar de motivering van de eerdere verordeningen, want over de referentiehoeveelheden kon alleen in verordening nr. 748/93 een correcte beslissing worden genomen, nu dit de eerste verordening was waarbij de bepalingen ten uitvoer konden worden gelegd van verordening nr. 816/92, bepalende dat daarover een definitief besluit zou worden genomen.
149 De bepaling van verordening nr. 816/92, volgens welke de daarin genoemde referentiehoeveelheden niet voor het tijdvak 1992/1993 in aanmerking zouden worden genomen, houdt in, dat daarover uiterlijk aan het eind van dit tijdvak, dus bij verordening nr. 748/93, een besluit moest worden genomen. Zou tijdens die periode echter geen besluit zijn genomen, dan had in de verordeningen nrs. 3950/92 en 748/93 moeten worden gepreciseerd, wat er met deze hoeveelheden zou gebeuren.
150 Verweerder, ondersteund door interveniënte, verklaart, dat de definitieve verlaging van de quota zonder vergoeding plaats heeft gevonden bij verordening nr. 816/92 en niet bij verordening nr. 748/93. Een motivering daarvoor in verordening nr. 748/93 was dus niet nodig.
151 Dat in verordening nr. 816/92 een later, definitief besluit in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in het vooruitzicht is gesteld, brengt niet mee, dat dit besluit tijdens het tijdvak 1992/1993 had moeten worden genomen, zodat verordening nr. 748/93 niet de enige verordening was waarin dit punt kon worden geregeld.
152 Ook al zou het Gerecht tot de conclusie komen dat de motivering ontoereikend was, toch kan een ontoereikende motivering van een gemeenschapshandeling niet tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden (arrest Kind, reeds aangehaald, r.o. 14).
Beoordeling door het Gerecht
153 Het Gerecht stelt vast, dat verordening nr. 748/93 deel uitmaakt van het geheel van maatregelen op het gebied van de extra heffing, waartoe onder meer de verordeningen nrs. 816/92 en 3950/92 behoren, waaruit blijkt, dat er nog steeds structurele overschotten waren in de melksector, en dat de regeling inzake de extra heffing noodzakelijk bleef. In dit verband heet het in de derde overweging van de considerans van verordening nr. 748/93, dat "in afwachting van een later besluit, moet worden overgegaan tot verlenging van de op 31 maart 1993 van kracht zijnde gegarandeerde totale hoeveelheden, vermeerderd met de op diezelfde datum bestaande, uit de communautaire reserve afkomstige bedragen".
154 In die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat de Raad de verlenging voor het tijdvak 1993/1994 van de voor het tijdvak 1992/1993 vastgestelde gegarandeerde totale hoeveelheden voldoende heeft gemotiveerd. Bovendien is het Gerecht van oordeel dat, gelet op het geheel van de maatregelen op het gebied van de extra heffing, het ontbreken van een motivering voor de niet-toekenning van een vergoeding voor de periode 1993/1994 verzoeker niet de mogelijkheid heeft ontnomen zijn rechten doeltreffend te doen gelden, en evenmin het Gerecht heeft belet zijn rechterlijk toezicht uit te oefenen (zie r.o. 71 hiervoor).
155 Aangezien bovendien voor het in artikel 1, laatste alinea, van verordening nr. 816/92 bedoelde heronderzoek geen termijn was voorzien, was de Raad ook niet verplicht te preciseren wat er met de in deze bepaling bedoelde hoeveelheden zou moeten gebeuren. In dit verband heet het in verordening nr. 748/93 uitdrukkelijk, dat zij is vastgesteld "in afwachting van een later besluit".
156 Zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld (r.o. 72 hiervoor), kan een eventueel ontoereikende motivering van verordening nr. 748/93 in elk geval niet tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap leiden.
157 Hieruit volgt, dat het middel betreffende ontoereikende motivering moet worden afgewezen.
158 Uit het voorgaande volgt, dat de schadevordering in zaak T-477/93 moeten worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden onderzocht of verzoeker het bestaan van alle in 's Hofs rechtspraak vereiste elementen voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap heeft bewezen (zie r.o. 130 hiervoor) en zonder dat behoeft te worden beslist over de ontvankelijkheid ervan.
159 Aangezien verzoekers afstand hebben gedaan van hun vorderingen tot nietigverklaring (zie r.o. 33 hiervoor) en hun schadevorderingen zijn afgewezen, volgt uit al het voorgaande, dat de beroepen in de zaken T-466/93, T-469/93, T-473/93, T-474/93 en T-477/93 in hun geheel moeten worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
160 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover zulks is gevorderd. Aangezien verzoekers in het ongelijk zijn gesteld en de Raad zulks heeft gevorderd, moet elk van de verzoekers in de eigen kosten worden verwezen, alsmede in de door de Raad in zijn zaak gemaakte kosten.
161 De Commissie, die heeft geïntervenieerd aan de zijde van de Raad, zal overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt de beroepen.
2) Verwijst verzoekers in hun eigen kosten en in die van de Raad.
3) Verwijst de Commissie in haar eigen kosten.
Full & Egal Universal Law Academy