Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Verordening houdende vervroegde aanpassing van in Spanje toepasselijke suikerprijzen aan gemeenschappelijke prijzen
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea, en 189; verordening nr. 3814/92 van de Raad)
2. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert ° Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel
(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
3. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert ° Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel ° Vervroegde aanpassing van in Spanje toepasselijke suikerprijzen aan gemeenschappelijke prijzen ° Ontbreken van compensatie voor isoglucoseproducenten ° Vertrouwensbeginsel en non-discriminatiebeginsel ° Schending ° Geen ° Geen aansprakelijkheid
(EG-Verdrag, art. 40, lid 3, tweede alinea, en 215, tweede alinea; Toetredingsakte van 1985, art. 70, lid 3; verordening nr. 3814/92 van de Raad)
Samenvatting
1. Het beroep van de Spaanse isoglucoseproducenten strekkende tot nietigverklaring van verordening nr. 3814/92, die de in Spanje toepasselijke suikerprijzen vervroegd aanpast aan de gemeenschappelijke prijzen, steun toekent aan de producenten van suikerbieten en rietsuiker en aan de suikerproducenten voor suiker die zich in opslag bevindt, en Spanje toestaat aanpassingssteun aan de suikerproducenten toe te kennen, is niet-ontvankelijk.
Deze verordening voert immers maatregelen met een algemene strekking in, die objectief van toepassing zijn op bepaalde situaties en rechtsgevolgen teweegbrengen voor een in algemene en abstracte termen omschreven categorie van personen, namelijk de producenten in de sector suiker. Gesteld dat de verordening de Spaanse isoglucoseproducenten raakt die op het ogenblik van de vaststelling van de verordening actief waren, ofschoon zij daarin niet worden genoemd, dan zou zij hen slechts raken in hun objectieve hoedanigheid van isoglucoseproducenten, juist zoals iedere andere ondernemer van de betrokken economische sector die zich actueel of potentieel in een identieke situatie zou bevinden.
De ongunstige concurrentiepositie waarin verzoeksters zich naar hun zeggen bevinden, omdat zij, anders dan de Spaanse suikerproducenten, na de bij de verordening ingevoerde vervroegde aanpassing van de prijs geen compensatie hebben gekregen, is geen bijzondere situatie die ertoe leidt, dat zij beroep kunnen instellen. De gemeenschapswetgever heeft immers een economische beleidskeuze gemaakt, die gebaseerd was op de specifieke situatie van de suikerproducenten, die verschilt van de hunne.
Ten slotte doet de omstandigheid dat een rechtsvoorschrift met objectieve werking voor verschillende categorieën van rechtssubjecten in concreto uiteenlopende gevolgen kan hebben, niet af aan het regelgevend karakter van dat voorschrift.
2. De Gemeenschap kan voor schade veroorzaakt door normatieve handelingen van haar instellingen slechts niet-contractueel aansprakelijk worden gesteld ingeval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. In een normatief kader dat wordt gekenmerkt door de uitoefening van een ruime discretionaire bevoegdheid, zoals voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vereist is, kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk ernstig heeft miskend.
3. Verordening nr. 3814/92, die de in Spanje toepasselijke suikerprijzen vervroegd aanpast aan de gemeenschappelijke prijzen, steun toekent aan de producenten van suikerbieten en rietsuiker en aan de suikerproducenten voor suiker die zich in opslag bevindt, en Spanje toestaat aanpassingssteun aan de suikerproducenten toe te kennen, leidt niet tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de Spaanse isoglucoseproducenten, jegens wie door vaststelling van de verordening het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, noch het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag neergelegde non-discriminatiebeginsel is geschonden.
Bij uitlegging van artikel 70, lid 3, sub a en b, van de Toetredingsakte van Spanje blijkt namelijk dat verzoeksters op basis van die bepaling niet mochten verwachten, dat de periode voor aanpassing van de Spaanse prijzen aan de gemeenschappelijke prijzen in de sector suiker tot na de inwerkingtreding van de verordening zou reiken. Voorts kon ook verordening nr. 1716/91, die in een aanpassing van de prijzen in twee etappes tot 1995 voorziet, bij verzoekster geen gewettigd vertrouwen wekken. Wat de eerste etappe betreft, moesten voorzichtige en bezonnen ondernemers, gelet op de bij de Europese Akte aan de gemeenschapswetgever ten tot doel gestelde verwezenlijking van de interne markt uiterlijk op 1 januari 1993, op een versnelde aanpassing van de prijzen bedacht zijn. Wat de tweede etappe betreft, blijkt uit artikel 7 van de verordening, dat de aanpassingsvoorwaarden voor die periode niet bij de vaststelling van die verordening zijn bepaald, doch dat zij op een latere datum zouden worden bepaald.
De omstandigheid dat de verordening voor de Spaanse isoglucoseproducenten niet in overgangsmaatregelen voorziet die hun in staat stellen de gevolgen van de vervroegde aanpassing van de prijzen op te vangen, terwijl zij daarin wel voorziet voor de suikerproducenten, met name in de vorm van steun, levert geen discriminatie van de isoglucoseproducenten op, daar de twee soorten producenten zich, in het bijzonder wat bevoorrading met grondstoffen en produkten betreft, in een objectief verschillende situatie bevinden.
Partijen
In zaak T-472/93,
Campo Ebro Industrial, SA, Levantina Agrícola Industrial, SA, Cerestar Ibérica, SA, vennootschappen naar Spaans recht, vertegenwoordigd door P. Glazener, advocaat te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoeksters,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur A. Brautigam en G. Houttuin, lid van zijn juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij X. Herlin, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door X. Lewis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
interveniënte,
betreffende, enerzijds, een op grond van artikel 173 van het Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 3814/92 van de Raad van 28 december 1992 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 1785/81 en houdende toepassing van de bij die verordening voor de sector suiker vastgestelde prijzen in Spanje (PB 1992, L 387, blz. 7), en, anderzijds, een op grond van de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag ingesteld beroep tot schadevergoeding,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen, kamerpresident, R. García-Valdecasas, H. Kirschner, B. Vesterdorf en C. W. Bellamy, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 8 juli 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is geregeld in basisverordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 (PB 1981, L 177, blz. 4; hierna: "verordening nr. 1785/81"), nadien meermaals gewijzigd.
2 Artikel 70, lid 3, sub a, van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, gehecht aan het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap, ondertekend op 12 juni 1985 (PB 1985, L 302, blz. 9; hierna: "Toetredingsakte"), dat ingevolge artikel 108 van dezelfde Akte van toepassing is op suiker en isoglucose, bepaalt, dat indien de prijs van een landbouwprodukt in Spanje op de datum van toetreding hoger is dan de gemeenschappelijke prijs, de hoogste in Spanje geldende prijs wordt gehandhaafd en dat de aanpassing van de prijzen zal voortvloeien uit de ontwikkeling van de gemeenschappelijke prijzen tijdens de zeven jaar volgend op de toetreding. Artikel 70, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte bepaalt, dat indien aan het einde van het vierde jaar volgend op de toetreding de prijs van een landbouwprodukt in Spanje aanzienlijk hoger is dan de gemeenschappelijke prijs, de Raad overgaat tot een analyse van de ontwikkeling van de aanpassing der prijzen, zulks aan de hand van een advies van de Commissie, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen.
3 Toen de in de Toetredingsakte bedoelde prijsaanpassing niet tot stand kwam, ging de Raad na de eerste vijf jaar over tot een onderzoek van de prijzen en stelde hij verordening (EEG) nr. 1716/91 van 13 juni 1991 vast, betreffende de aanpassing aan de gemeenschappelijke prijzen van de in Spanje toe te passen prijzen voor suikerbieten (PB 1991, L 162, blz. 18; hierna: "verordening nr. 1716/91").
4 De Raad besloot de periode voor de aanpassing van de prijzen tot 1 juli 1995 te verlengen en die aanpassing in twee etappes tot stand te brengen. Artikel 2 van verordening nr. 1716/91 luidt als volgt:
"De periode voor de aanpassing van de prijzen in Spanje wordt verlengd tot en met 1 juli 1995. De in artikel 1 bedoelde aanpassing gebeurt in twee etappes, te weten een eerste etappe bestaande uit de verkoopseizoenen 1991/1992 en 1992/1993 en een tweede etappe bestaande uit de verkoopseizoenen 1993/1994, 1994/1995 en 1995/1996."
5 Bij verordening (EEG) nr. 1718/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 1991/1992, van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, de drempelprijzen, het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten, alsmede de voor Spanje en Portugal geldende prijzen (PB 1991, L 162, blz. 23), werd de interventieprijs voor suiker in Spanje voor het verkoopseizoen 1991/1992 verlaagd. Voor het verkoopseizoen 1992/1993 geschiedde dat bij verordening (EEG) nr. 1749/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot vaststelling, voor het verkoopseizoen 1992/1993, van de afgeleide interventieprijzen voor witte suiker, de interventieprijs voor ruwe suiker, de minimumprijzen voor A-suikerbieten en B-suikerbieten, de drempelprijzen, het bedrag van de vergoeding voor de verevening van de opslagkosten, alsmede de voor Spanje en Portugal geldende prijzen (PB 1992, L 180, blz. 14; hierna: "verordening nr. 1749/92"). De verlaging bedroeg respectievelijk 0,41 en 1,72 ECU per 100 kg witte suiker.
6 Met het oog op de totstandbrenging van de interne markt werd in een algehele aanpassing van de prijzen per 1 januari 1993 voorzien bij verordening (EEG) nr. 3814/92 van de Raad van 28 december 1992 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 1785/81 en houdende toepassing van de bij die verordening voor de sector suiker vastgestelde prijzen in Spanje (PB 1992, L 387, blz. 7; hierna: "bestreden verordening"). De interventieprijs voor suiker in Spanje werd verlaagd tot 5,16 ECU per 100 kg witte suiker; de nieuwe prijs kwam in de plaats van de hoogste prijs, vastgesteld in het kader van de krachtens de Toetredingsakte getroffen overgangsmaatregelen, waaronder verordening nr. 1716/91, die bij de bestreden verordening dus is afgeschaft.
7 Artikel 2 van de bestreden verordening voorziet in een tijdelijke degressieve steun voor de suikerbieten- en rietsuikerproducenten in Spanje. Aan suikerproducenten wordt voor de produkten die onder quota vallen en die zich op 31 december 1992 om 24 uur in opslag, met uitzondering van de minimumopslag, bevinden bij degenen die ingevolge artikel 8 van verordening nr. 1785/81 recht hebben op terugbetaling van de opslagkosten, steun toegekend ten bedrage van 5,16 ECU per 100 kg suiker uitgedrukt in witte suiker.
8 Voorts stelt artikel 1, lid 2, sub b, van de bestreden verordening voor de periode van 1 januari 1993 tot en met 30 juni 1993 de nieuwe ° en lagere ° minimumprijs voor suikerbieten vast, die producenten die suikerbieten als grondstof gebruiken, moeten betalen.
9 Ten slotte mag Spanje volgens artikel 3 van de bestreden verordening in het kader van herstructureringsplannen tot rationalisatie van de suikerindustrie in Spanje tijdens de verkoopseizoenen 1993/1994 tot en met 1995/1996 aanpassingssteun aan de suikerproducerende ondernemingen toekennen.
10 Verzoeksters zijn de enige isoglucoseproducenten in Spanje. Toen bij de toetreding van Spanje een quotaregeling voor de produktie van isoglucose werd ingevoerd, werden de quota voor de isoglucoseproducenten (75 000 ton quotum A en 8 000 ton quotum B) aan verzoeksters toegewezen. Bij de inwerkingtreding van de bestreden verordening hebben verzoeksters geen communautaire steun gekregen.
Het procesverloop
11 In deze context hebben verzoeksters op 23 maart 1993 beroep ingesteld bij het Hof van Justitie.
12 Bij beschikking van 13 september 1993 heeft de president van het Hof de Commissie toegestaan in de zaak te interveniëren ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
13 Aangezien ingevolge besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21) sedert 1 augustus 1993 het Gerecht bevoegd is ter zake van dit beroep, heeft het Hof bij beschikking van 27 september 1993 de zaak naar het Gerecht verwezen.
14 Het Gerecht (Eerste kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
15 Ter terechtzitting van 8 juli 1994 zijn partijen in hun pleidooien gehoord en hebben zij vragen van het Gerecht beantwoord.
Conclusies van partijen
16 Verzoeksters concluderen, dat het het Gerecht behage:
i) de bestreden verordening nietig te verklaren;
ii) de Raad te veroordelen tot vergoeding van de door verzoeksters als gevolg van deze verordening geleden schade en deze schade vast te stellen op 3 540 650 ECU voor Campo Ebro Industrial, SA, 1 313 415 ECU voor Levantina Agrícola Industrial, SA, en 1 865 029 ECU voor Cerestar Ibérica, SA, of op enig ander door het Gerecht passend geacht bedrag, vermeerderd met interessen op de voet van 8 % per jaar vanaf de instelling van het beroep tot de datum van betaling; en/of
iii) de Raad te veroordelen tot elke andere door het Gerecht rechtmatig of billijk geachte vergoeding;
iv) de Raad in de kosten te verwijzen.
17 De Raad concludeert, dat het het Gerecht behage:
i) het door verzoeksters ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond te verklaren;
ii) het door verzoeksters ingestelde beroep tot schadevergoeding ongegrond te verklaren;
en in beide gevallen:
iii) verzoeksters in de kosten te verwijzen.
18 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
i) het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond te verklaren;
ii) het beroep tot schadevergoeding ongegrond te verklaren;
iii) verzoeksters in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring
Argumenten van partijen
19 De Raad werpt weliswaar geen formele exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering op, doch is niettemin van mening, dat het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is, omdat de bestreden verordening geen beschikking is die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, verzoeksters rechtstreeks en individueel zou raken.
20 Om te beginnen is de bestreden verordening een handeling van algemene strekking en worden verzoeksters enkel geraakt in hun objectieve hoedanigheid van marktdeelnemers die in de betrokken sector actief zijn.
21 Voorts volstaat het feit dat voor de sector isoglucose een quotaregeling is ingevoerd, niet als bewijs dat de rechtspositie van verzoeksters wordt beïnvloed "uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortelijke wijze als een adressaat", zoals 's Hofs rechtspraak verlangt (arrest van 24 februari 1987, zaak 26/86, Deutz und Geldermann, Jurispr. 1987, blz. 941, en beschikkingen van 24 mei 1993, zaak C-131/92, Arnaud e.a., Jurispr. 1993, blz. I-2573, en 21 juni 1993, zaak C-282/93, Comafrica e.a., niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Volgens dezelfde rechtspraak "[houdt] de mogelijkheid om het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig te bepalen, geenszins [in], dat deze subjecten moeten worden geacht daardoor individueel te worden geraakt, zolang maar vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven".
22 Bovendien, aldus de Raad, hebben verzoeksters in repliek erkend, dat de bestreden verordening zowel voor de Spaanse suikerproducenten als voor henzelf in gelijke mate een daling van de winstmarge over hun verkopen tot gevolg heeft. Verzoeksters worden door de bestreden verordening dus niet méér "individueel" geraakt dan de Spaanse suikerproducenten.
23 Uit een en ander concludeert de Raad, dat het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig de rechtspraak van het Hof (arresten van 6 oktober 1982, zaak 307/81, Alusuisse, Jurispr. 1982, blz. 3463, en 24 november 1992, gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91, Buckl, Jurispr. 1992, blz. I-6061) niet-ontvankelijk moet worden verklaard, op grond dat de bestreden verordening verzoeksters niet individueel raakt.
24 Verzoeksters betogen, dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag. Om te beginnen is de bestreden verordening rechtstreeks toepasselijk: zij laat de Lid-Staten niet de minste keus met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten ervan, terwijl zij, volgens de criteria die het Hof heeft ontwikkeld in zijn arresten van 15 juli 1963 (zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1962, blz. 207) en 17 januari 1985 (zaak 11/82, Piraiki-Patraiki e.a., Jurispr. 1985, blz. 207), verzoeksters individueel raakt.
25 Ten bewijze daarvan voeren verzoeksters in de eerste plaats aan, dat zij na de invoering van de quotaregeling bij de toetreding van Spanje de enige Spaanse isoglucoseproducenten zijn en dat zij dat in de voorzienbare toekomst zullen blijven. In de tweede plaats zijn zij de enige producenten die door de verlaging van de interventieprijs voor suiker met betrekking tot hun concurrentiepositie bijzonder worden benadeeld. Wegens de zeer nauwe concurrentieverhouding tussen de interventieprijs voor suiker en de verkoopprijs van isoglucose, welke samenhang door de Raad is erkend (zie met name de tweede en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81 en arrest Hof van 25 oktober 1978, gevoegde zaken 103/77 en 145/77, Royal Scholten-Honig e.a., Jurispr. 1978, blz. 2037), konden zij hun verkoopprijzen niet verhogen om zo de door de verlaging van de interventieprijs voor suiker veroorzaakte waardevermindering van de groene peseta op te vangen. Anders dan de suikerproducenten hebben zij voor de uit de bestreden verordening voortvloeiende verlaging van hun winstmarge geen enkele compensatie ontvangen.
26 Bovendien had de Raad kunnen weten, dat indien hij de bestreden verordening vaststelde zonder te voorzien in overgangsmaatregelen voor de isoglucoseproducenten, deze verordening enkel de belangen van verzoeksters zou schaden (arrest Piraiki-Patraiki, reeds aangehaald).
27 In repliek voegen verzoeksters daaraan nog toe, dat het Hof in zijn arrest Alusuisse (reeds aangehaald), waarin het het beroep niet-ontvankelijk verklaarde, erop wees, dat de verzoekster in die zaak voor de nationale rechterlijke instanties had kunnen opkomen tegen de individuele handelingen die de nationale autoriteiten met het oog op de toepassing van de betrokken gemeenschapsverordeningen hadden verricht. Die mogelijkheid hebben zijzelf echter niet.
28 De Commissie, interveniënte, sluit zich in wezen aan bij het betoog van de Raad, waaraan zij toevoegt, dat de situatie van verzoeksters dezelfde is als die van de verzoekster in de zaak AEFMA (beschikking Hof van 12 juli 1993, zaak C-107/93, Jurispr. 1993, blz. I-3999), in welke zaak het Hof het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Beoordeling door het Gerecht
29 Ingevolge artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag, waarin de bepalingen van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag zijn overgenomen, kunnen natuurlijke of rechtspersonen beroep instellen tegen tot hen gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hen rechtstreeks en individueel raken. Volgens vaste rechtspraak is een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring evenwel niet ontvankelijk wanneer het is gericht tegen een verordening van algemene strekking in de zin van artikel 189, tweede alinea, van het Verdrag, waarbij het criterium ter onderscheiding van verordeningen en beschikkingen volgens 's Hofs vaste rechtspraak in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling moet worden gezocht (arrest Alusuisse, reeds aangehaald). In casu dient derhalve de aard van de bestreden verordening te worden onderzocht, en in het bijzonder de rechtsgevolgen die zij beoogt teweeg te brengen of daadwerkelijk teweegbrengt.
30 Uit de bestreden verordening blijkt, dat zij is vastgesteld tot wijziging van verordening nr. 1785/81, de basisverordening in de sector suiker, en dat zij de toepassing in Spanje betreft van de bij die verordening voor de sector suiker vastgestelde prijzen. Zij voorziet in een aanpassing van de in Spanje geldende suikerprijzen aan de gemeenschappelijke prijzen, en wel in de zin van een verlaging van de interventieprijs voor suiker en de minimumprijs voor suikerbieten in Spanje. Om die prijsaanpassing te vergemakkelijken, wordt ingevolge de verordening steun toegekend, enerzijds aan de producenten van suikerbieten en suikerriet, en anderzijds aan de suikerproducenten voor de suiker die zich op 31 december 1992 in opslag bevond.
31 Dergelijke bepalingen zijn maatregelen van algemene strekking in de zin van artikel 189 van het Verdrag, die van toepassing zijn op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen teweegbrengen voor in algemene en abstracte termen omschreven categorieën van personen, te weten de producenten in de sector suiker. Opgemerkt zij, dat de isoglucoseproducenten in die bepalingen niet worden genoemd.
32 Het is vaste rechtspraak, dat aan de algemene strekking en dus aan het regelgevend karakter van een handeling niet wordt afgedaan door de omstandigheid dat het aantal ° of zelfs de identiteit ° van de rechtssubjecten op wie zij op een gegeven ogenblik van toepassing is, kan worden bepaald, zolang maar vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtstoestand die in de handeling in relatie tot haar doelstelling wordt omschreven (zie, bij voorbeeld, arrest Alusuisse, reeds aangehaald, en beschikking Hof van 12 juli 1993, zaak C-128/91, Gibraltar en Gibraltar Development, Jurispr. 1993, blz. I-3971, r.o. 15).
33 Ook al zijn verzoeksters thans, na de invoering van een quotaregeling, de enige isoglucoseproducenten in Spanje, en zelfs in de veronderstelling dat zij door de bestreden verordening werden geraakt, voor zover deze op toekomstige situaties van toepassing is, zouden zij in ieder geval slechts worden geraakt in hun objectieve hoedanigheid van isoglucoseproducenten, juist zoals iedere andere ondernemer in de sector suiker die zich actueel of potentieel in een identieke situatie zou bevinden.
34 Waar verzoeksters stellen, dat zij de enige marktdeelnemers zijn die zich in een bijzonder ongunstige concurrentiepositie bevinden, omdat zij, anders dan de Spaanse suikerproducenten, na de verlaging van de interventieprijs voor suiker geen compensatie hebben gekregen, moet worden onderzocht of die situatie is aan te merken als een bijzondere omstandigheid in de zin van 's Hofs arrest van 10 december 1969 (gevoegde zaken 10/68 en 18/68, Eridania e.a., Jurispr. 1969, blz. 459).
35 Zoals blijkt uit de beoordeling ten gronde van het beroep tot schadevergoeding (zie r.o. 82-91 infra), was de economische beleidskeuze van de gemeenschapswetgever gebaseerd op feitelijke omstandigheden die specifiek zijn voor de rechtstreeks door de bestreden verordening beoogde marktdeelnemers. Het enkele feit dat verzoeksters zich in een naar hun zeggen ongunstige concurrentiepositie bevinden, kan dus niet een bijzondere omstandigheid zijn die ertoe leidt, dat zij door de bestreden verordening individueel worden geraakt; zij bevinden zich immers in een andere feitelijke situatie dan die welke in de verordening objectief is omschreven.
36 Zelfs in de veronderstelling dat verzoeksters in de bestreden verordening zouden zijn bedoeld, is het bovendien vaste rechtspraak, dat de omstandigheid dat een rechtsvoorschrift voor de verschillende betrokken rechtssubjecten in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, niet afdoet aan het regelgevend karakter van dat voorschrift, zolang van een objectief bepaalde situatie sprake is (arresten Hof van 11 juli 1968, zaak 6/68, Zuckerfabrik Watenstedt, Jurispr. 1968, blz. 569, en 5 mei 1977, zaak 101/76, Koninklijke Scholten Honig, Jurispr. 1977, blz. 797). Deze rechtspraak is in casu te meer relevant, nu de bestreden verordening op verzoeksters niet van toepassing is. De vraag of zij dat wel had moeten zijn, zou overigens, conform het door het gemeenschapsrecht ingestelde stelsel van beroepswegen, in het kader van een onderzoek naar een eventuele niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap moeten worden beantwoord.
37 Uit het voorgaande volgt, dat het beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen.
Het beroep tot schadevergoeding
De grondslag van de aansprakelijkheid
Argumenten van partijen
38 Verzoeksters stellen, dat de Raad, door de bestreden verordening vast te stellen, een onwettige handeling heeft verricht die tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden.
39 Onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat bij 's Hofs arrest van 5 maart 1986 (zaak 59/84, Tezi, Jurispr. 1986, blz. 887, 889) betogen zij, dat de voorwaarden die het Hof met betrekking tot aansprakelijkheid voor normatieve handelingen stelt, niet van toepassing zijn, daar de bestreden verordening in werkelijkheid een beschikking is die hen rechtstreeks en individueel raakt. Het enkele feit dat beginselen van gemeenschapsrecht zijn geschonden, leidt, ongeacht de ernst van de inbreuk, tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor de daardoor veroorzaakte schade.
40 De Raad daarentegen is van mening, dat de bestreden verordening een normatieve handeling is, daar zij van toepassing is op alle marktdeelnemers die in Spanje economisch met de sector suiker zijn verbonden. Het gaat om een economische beleidskeuze in een normatief kader, dat wordt gekenmerkt door de uitoefening van een ruime, voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onmisbare, discretionaire bevoegdheid.
Beoordeling door het Gerecht
41 Vooraf zij eraan herinnerd, dat de bestreden verordening, gezien het kader waarin zij is vastgesteld, te weten de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, een normatieve handeling van algemene strekking is, die economische beleidskeuzen impliceert. Hiervóór heeft het Gerecht bovendien reeds vastgesteld, dat verzoeksters door de bestreden verordening derhalve niet rechtstreeks en individueel worden geraakt.
42 Artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag bepaalt, dat inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid de Gemeenschap overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, de schade moet vergoeden die door haar instellingen in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. In het geval van normatieve handelingen die economische beleidskeuzen impliceren, is de Gemeenschap slechts aansprakelijk bij een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (arresten Hof van 2 december 1971, zaak 5/71, Zuckerfabrik Schoeppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975, en 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061).
43 Het is vaste rechtspraak, dat een voldoende gekwalificeerde schending in een normatief kader als het onderhavige, dat wordt gekenmerkt door de uitoefening van een ruime, voor de uitvoering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid onmisbare, discretionaire bevoegdheid, inhoudt, dat de Gemeenschap slechts aansprakelijk kan worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk ernstig heeft miskend (arresten Hof van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76 en 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL e.a., Jurispr. 1978, blz. 1209, en Mulder e.a., reeds aangehaald).
44 Derhalve moet worden nagegaan, of in het onderhavige geval van een dergelijke schending sprake is. Daartoe dienen de middelen te worden onderzocht die verzoeksters ontlenen aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen en van het non-discriminatiebeginsel.
Schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
Argumenten van partijen
45 Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 14 mei 1975 (zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533) stellen verzoeksters, dat de Raad het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden door de bestreden verordening onverhoeds vast te stellen en zonder voor hen in overgangsmaatregelen te voorzien.
46 Tot staving van die stelling voeren zij aan, dat de aanpassing van de interventieprijzen voor suiker had moeten voortvloeien uit de invoering in Spanje van de gemeenschappelijke prijzen tijdens de zeven jaren volgend op de toetreding. Aangezien de prijzen zich echter niet ontwikkelden zoals verwacht, werd de aanpassingsperiode bij verordening nr. 1716/91 in twee etappes verlengd tot het verkoopseizoen 1995/1996.
47 Bij hen was onbetwistbaar een gewettigd vertrouwen gewekt met betrekking tot de vaststelling van het aanpassingsniveau voor de resterende periode van de eerste etappe, dat wil zeggen van 1 januari 1993 tot 1 juli 1993. Verordening nr. 1716/91 bevatte weliswaar geen precieze bepaling betreffende de aanpassing van de prijzen in de loop van de tweede etappe, doch verlengde de aanpassingsperiode wel tot het verkoopseizoen 1995/1996, hetgeen impliceerde dat de prijzen tijdens die gehele periode geleidelijk zouden worden gewijzigd.
48 Verzoeksters merken op, dat verordening nr. 1716/91, die overeenkomstig artikel 43, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte op een analyse van de suikermarkt is gebaseerd, is vastgesteld toen reeds aan de totstandbrenging van de interne markt moest worden gedacht. De bestreden verordening, die met het oog op de totstandbrenging van die markt werd vastgesteld, kwam voor hen echter als een complete verrassing.
49 De Raad brengt om te beginnen in herinnering, dat verzoeksters in repliek hebben erkend, dat zij op 1 januari 1993 hun prijzen in peseta niet hebben verlaagd, omdat de verlaging van de interventieprijs voor suiker volledig was geabsorbeerd door de daling van de groene koers van de peseta. Aangezien verzoeksters hun bedrijf in nationale munt voeren en aangezien, volgens de Raad, hun gewettigd vertrouwen hierin bestond, dat zij er op basis van verordening nr. 1716/91 van uitgingen, dat de suikerprijzen (in peseta) tot het verkoopseizoen 1995/1996 in Spanje hoger zouden blijven, kan er in casu geen sprake zijn van een gewettigd vertrouwen dat geschonden kan zijn.
50 Maar ook wanneer dat niet het geval was geweest, moet, volgens vaste rechtspraak, een voorzichtig en bezonnen ondernemer bedacht zijn op wijzigingen van de relevante regeling, die noodzakelijk zijn om rekening te houden met de ontwikkeling van de markt (arresten van 1 februari 1978, zaak 78/77, Luehrs, Jurispr. 1978, blz. 169, en 14 februari 1990, zaak C-350/88, Delacre e.a., Jurispr. 1990, blz. I-395). Ondernemers kunnen zich niet beroepen op een te beschermen gewettigd vertrouwen op het voortduren van een economisch voordeel dat hun in het kader van een gemeenschappelijke marktordening is toegekend, en dit zeker niet wanneer de economische rechtvaardiging voor die maatregel intussen verdwenen is. Dienaangaande stelt de Raad, dat de datum van 1 juli 1995, waarop de in verordening nr. 1716/91 bedoelde aanpassingsperiode eindigt, geen gewettigd vertrouwen kon wekken, daar die verlenging gerechtvaardigd was uit hoofde van de economische situatie waarin de Spaanse producenten van suikerbieten en suiker zich bevonden, welke situatie intussen dermate was gewijzigd, dat een vervroegde aanpassing van de prijzen op 1 januari 1993 mogelijk was.
51 De Commissie ondersteunt de argumenten van de Raad en voegt eraan toe, dat de betrokken bepalingen van de bestreden verordening identiek zijn met de overeenkomstige bepalingen van het voorstel dat zij op 11 november 1992 aan de Raad had gezonden en dat reeds in juli 1992 in de Spaanse pers was besproken.
Beoordeling door het Gerecht
52 Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen geschonden is, wanneer een gemeenschapsinstelling, zonder dat er een dwingend algemeen belang in tegengestelde zin aanwezig is, met onmiddellijke ingang en zonder waarschuwing een specifiek te beschermen voordeel voor de betrokken ondernemingen intrekt zonder passende overgangsmaatregelen te nemen (arrest CNTA, reeds aangehaald). Uit de rechtspraak blijkt echter ook, dat aan het vertrouwensbeginsel niet een dusdanig ruime draagwijdte mag worden gegeven, dat een nieuwe regeling nooit van toepassing zou kunnen zijn op de toekomstige gevolgen van situaties die onder de oude regeling zijn ontstaan, zulks met name op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (arrest Hof van 20 september 1988, zaak 203/86, Spanje/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 4563).
53 Het Gerecht moet dus nagaan, of de vóór de bestreden verordening bestaande regeling bij de ondernemers in de betrokken sector een gewettigd vertrouwen heeft gewekt.
54 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat artikel 70, lid 3, sub a, van de Toetredingsakte voor de aanpassing van de in Spanje geldende suikerprijzen aan de gemeenschappelijke prijzen voorziet in een overgangsperiode van zeven jaar volgend op de toetreding, en dat de gemeenschappelijke prijzen, onverminderd het bepaalde in lid 3, sub b, van toepassing worden vanaf de zevende aanpassing. Volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1716/91 diende de overgangsperiode te eindigen met het verkoopseizoen 1992/1993.
55 In de tweede plaats volgt uit artikel 70, lid 3, sub b, van de Toetredingsakte, dat indien de suikerprijs in Spanje aanzienlijk hoger was dan de gemeenschappelijke prijs, de Raad aan het einde van het vierde jaar volgend op de toetreding tot een analyse van de ontwikkeling van de prijsaanpassing moest overgaan, aan de hand van een advies van de Commissie, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen. Met name kon de Raad de periode voor de aanpassing van de prijzen verlengen en andere methoden voor een versnelde aanpassing vaststellen.
56 Daaruit volgt, dat de Raad na de eerste vier verkoopseizoenen een andere aanpassingsmethode kon kiezen en, althans vanaf de zevende aanpassing volgend op de toetreding, bij verordening tot een algehele aanpassing van de suikerprijzen kon overgaan. Op grond van de Toetredingsakte mochten verzoeksters dus niet verwachten, dat ook na het begin van het verkoopseizoen 1992/1993 een overgangsperiode voor aanpassing gegarandeerd bleef.
57 Vervolgens moet worden beoordeeld, of verordening nr. 1716/91 bij verzoeksters een gewettigd vertrouwen kon wekken.
58 Met betrekking tot de eerste etappe van aanpassing waarin deze verordening voorziet, wijst het Gerecht er vooraf op, dat de bestreden verordening de regeling betreffende de suikerprijzen voor het verkoopseizoen 1992/1993, zoals die bij verordening nr. 1749/92 in het kader van de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 1716/91 was vastgesteld, heeft gewijzigd. De vraag is dus, of deze wijziging van de prijsregeling neerkomt op een onverhoedse, onmiddellijk ingaande intrekking van een te beschermen specifiek voordeel.
59 Volgens de vierde en de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 1716/91 wordt de periode voor aanpassing van de prijzen verlengd met een nieuwe periode van vijf verkoopseizoenen, en wel tot 1 juli 1995, enerzijds om te voorkomen dat met name de landbouwers worden getroffen door een te snelle verlaging van de prijzen voor suikerbieten, en anderzijds om rekening te houden met de uiterst moeilijke situatie van de suikersector in Spanje, zoals die uit de destijds gemaakte analyse was gebleken.
60 Ook blijkt uit de bestreden verordening, dat de gemeenschapswetgever, toen hij de bestreden handeling vaststelde, van mening was (zie de derde overweging van de considerans van de verordening), dat een algehele aanpassing van de prijzen per 1 januari 1993 mogelijk was, indien zowel het inkomen van de Spaanse suikerbietenproducenten als, in voorkomend geval, dat van de suikerrietproducenten werd gecompenseerd door toekenning van tijdelijke en degressieve steun. De gemeenschapswetgever was immers van mening, dat de totstandbrenging van de interne markt op 1 januari 1993 het wenselijk maakte, dat de belemmeringen in het handelsverkeer uit de weg werden geruimd (eerste overweging van de considerans van de verordening).
61 Voorts is het vaste rechtspraak, dat de gemeenschapsinstellingen op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een ruime discretionaire bevoegdheid bezitten en dat de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd (arrest Delacre e.a., reeds aangehaald).
62 Op grond van het voorgaande is het Gerecht van oordeel, dat de Raad door de economische beleidskeuze die hij heeft gemaakt, de grenzen van zijn beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden. Uit de motivering van de bestreden handeling blijkt immers, dat de toekenning van de steun op overwegingen berustte die binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid bleven. De beslissing om een einde te maken aan de aanpassingsperiode, was dus een legitieme economische beleidskeuze, die deel uitmaakte van de normatieve handelingen die de Gemeenschap in het hogere belang van de totstandbrenging van de interne markt mocht verrichten.
63 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat ofschoon verordening nr. 1716/91, waarbij de aanpassingsperiode werd verlengd, na de inwerkingtreding van de Europese Akte is vastgesteld, voorzichtige en bezonnen ondernemers erop bedacht moesten zijn, dat de totstandbrenging van de interne markt ook een vervroegde aanpassing van de interventieprijzen voor suiker tot gevolg kon hebben, omdat de regeling compenserende bedragen "toetreding", die wegens de prijsverschillen in die sector was ingesteld, de verwezenlijking van de interne markt in de weg stond doordat zij het handelsverkeer tussen de Lid-Staten kon belemmeren.
64 Dit geldt te meer, nu de voorstellen van de Commissie aan de Raad van 11 november 1992, die tot vaststelling van de bestreden verordening hebben geleid, voordien al, namelijk in juli 1992, in de Spaanse pers waren besproken.
65 Bijgevolg stelt het Gerecht vast, dat verzoeksters wat de eerste aanpassingsperiode betreft, niet hebben aangetoond, dat bij hen een gewettigd vertrouwen was gewekt en dat dit is geschonden.
66 Met betrekking tot de tweede aanpassingsperiode volstaat het op te merken, dat zowel uit de zevende overweging van de considerans als uit artikel 7 van verordening nr. 1716/91 blijkt, dat de aanpassingsvoorwaarden voor die periode niet bij de vaststelling van die verordening zijn bepaald. Volgens artikel 7 moest de Raad de aanpassingsvoorwaarden voor de tweede etappe vóór 1 januari 1993 vaststellen. Daarom alleen al is het uitgesloten, dat met betrekking tot de voorwaarden voor aanpassing van de prijzen vanaf het verkoopseizoen 1993/1994 bij verzoeksters een te beschermen gewettigd vertrouwen kon ontstaan.
67 Daaruit volgt, dat verzoeksters niet hebben aangetoond, dat bij hen een gewettigd vertrouwen was gewekt dat door de volledige aanpassing van de suikerprijs per 1 januari 1993 is geschonden.
68 Mitsdien moet het middel ontleend aan schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen worden afgewezen.
Schending van het non-discriminatiebeginsel
Argumenten van partijen
69 Verzoeksters stellen, dat de bestreden verordening eveneens in strijd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag is vastgesteld.
70 Om te beginnen betogen zij, dat de verschillende behandeling van ondernemers niet objectief gerechtvaardigd is en dat de bestreden verordening dienaangaande geen enkele motivering bevat. Alleen al om die reden zou zij moeten worden nietigverklaard wegens schending van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag.
71 In de tweede plaats herinneren verzoeksters eraan, dat volgens 's Hofs arrest Royal Scholten-Honig e.a. (reeds aangehaald) suiker en isoglucose in beginsel op dezelfde wijze moeten worden behandeld. De bestreden verordening daarentegen behandelt deze twee produkten verschillend: anders dan verzoeksters profiteerden suikerproducenten zowel van de steun voor de produkten die op 1 januari 1993 in opslag waren (artikel 2, lid 2), als van een verlaging van de prijs voor suikerbieten, een van hun grondstoffen (artikel 1, lid 2, sub b).
72 Dienaangaande merken verzoeksters enerzijds op, dat het door de Raad ter sprake gebrachte probleem van de opslag irrelevant is, omdat zowel de suikerproducenten als zijzelf minder winst maken op hun verkopen na de inwerkingtreding van de bestreden verordening, ongeacht welke hoeveelheden zich op 1 januari 1993 in opslag bevonden. Anderzijds zijn verzoeksters ook verplicht hun grondstof, namelijk graan, te kopen tegen minimumprijzen in het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor graan, die een interventieprijs invoert welke de bodemprijs op de markt bepaalt.
73 Met betrekking ten slotte tot de aan Spanje verleende machtiging om onder bepaalde voorwaarden aan de suikerproducenten aanpassingssteun toe te kennen, betogen verzoeksters, dat zij met dezelfde problemen te kampen hebben als de suikerproducenten, daar door de invoering van de quotaregeling hun produktiecapaciteit met ongeveer 30 % is verminderd.
74 De Raad betwist, dat de bestreden verordening in strijd is met het non-discriminatiebeginsel, daar de situatie van de suikerproducenten objectief verschilt van die van de isoglucoseproducenten.
75 In de eerste plaats was de steun voor suiker in opslag objectief gerechtvaardigd, omdat het verwerkingsproces voor de suikerproducenten onvermijdelijk tot voorraadvorming leidt, wat niet het geval is voor de isoglucoseproducenten, daar isoglucose onmiddellijk na de fabricage moet worden gebruikt. Voor de suiker die zich op 1 januari 1993 in opslag bevond, hadden de suikerproducenten immers de hoogste tijdens het verkoopseizoen 1991/1992 geldende minimumprijs voor de suikerbieten van de oogst 1992 moeten betalen en hadden zij dus niet het voordeel gehad van de prijsverlaging voor suikerbieten na de inwerkingtreding van de bestreden verordening. De isoglucoseproducenten daarentegen kunnen hun grondstoffen vrij kopen, zonder een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs te moeten betalen.
76 Wat vervolgens de nationale steun betreft die Spanje ingevolge artikel 3 van de bestreden verordening aan de suikerproducenten mag toekennen om de structurele aanpassingen te vergemakkelijken, betoogt de Raad, dat de Spaanse isoglucoseproducenten geen vergelijkbare structurele problemen kennen. Zij beschikken immers over betere en modernere produktiemethoden en installaties dan de suikerproducenten.
77 Ten slotte betwist de Raad het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de inwerkingtreding van de bestreden verordening en de verliezen die verzoeksters stellen te hebben geleden. De Raad wijst erop, dat verzoeksters hebben erkend, hun verkoopprijzen in peseta na de inwerkingtreding van de bestreden verordening niet te hebben verlaagd, en dat de door hen verstrekte gegevens hun stelling, dat zij hun verkoopprijzen verhoogd zouden hebben indien de verordening niet was vastgesteld, lijken tegen te spreken.
78 De Commissie merkt op, dat de bestreden verordening niet echt steun toekent aan de suikerproducenten, gelijk verzoeksters stellen. Afgezien van de steun aan degenen die op 31 december 1992 suiker in opslag hadden, is de steun aan de suikerproducenten beperkt tot de nationale steun die krachtens artikel 3 van de bestreden verordening in het kader van het herstructureringsplan mag worden toegekend. Was in de verordening steun toegekend aan de isoglucoseproducenten, dan zouden deze ten opzichte van de suikerproducenten verschillend zijn behandeld, daar zij geen herstructureringssteun nodig hadden.
Beoordeling door het Gerecht
79 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de door artikel 190 van het Verdrag verlangde redengeving op de aard van de betrokken handeling behoort te zijn afgestemd. De redenering van het communautaire gezagsorgaan waarvan de gewraakte handeling is uitgegaan, moet er duidelijk en ondubbelzinnig aan kunnen worden afgelezen, zodat de belanghebbenden zich kunnen vergewissen van de redenen welke tot het nemen van de maatregel hebben geleid, en het Hof zijn controle kan uitoefenen (arrest Hof van 30 september 1982, zaak 108/81, Amylum, Jurispr. 1982, blz. 3107).
80 De bestreden verordening vermeldt als motivering, "dat de totstandbrenging van de interne markt per 1 januari 1993 het wenselijk maakt dat de belemmeringen in het handelsverkeer (...) uit de weg worden geruimd", "dat in het handelsverkeer in de sector suiker tussen Spanje en de overige Lid-Staten tot het einde van het verkoopseizoen 1994/1995 compenserende bedragen toetreding van toepassing zijn", en voorts "dat het mogelijk is per 1 januari 1993 een vervroegde prijsaanpassing tot stand te brengen en bijgevolg de compenserende bedragen toetreding af te schaffen door de Spaanse producenten van suikerbieten een tijdelijke en degressieve steun toe te kennen". Ten slotte blijkt uit de considerans van de verordening, "dat de marktsituatie in Spanje ertoe leidt in dit land de bij deze verordening vastgestelde prijzen toe te passen".
81 Deze motivering, hoe beknopt ook, voldoet aan de eis van artikel 190 van het Verdrag. Men kan immers niet verlangen, dat de bestreden verordening aangeeft waarom niet voorzien is in overgangsmaatregelen voor producenten die er indirect door zouden kunnen worden geraakt. Het argument van verzoeksters, dat de bestreden verordening ongeldig is wegens motiveringsgebreken, moet dus worden afgewezen.
82 Voorts is het vaste rechtspraak, dat het non-discriminatiebeginsel inhoudt, dat vergelijkbare situaties niet verschillend mogen worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is (zie laatstelijk arrest Hof van 21 februari 1990, gevoegde zaken C-267/88 tot en met C-285/88, Wuidart e.a., Jurispr. 1990, blz. I-435).
83 Wat de concurrentieverhouding tussen isoglucose en suiker betreft, merkt het Gerecht in de eerste plaats op, dat uit de tweede en de derde overweging van de considerans van verordening nr. 1785/81 blijkt, dat "isoglucose een rechtstreeks vervangingsprodukt is voor vloeibare suiker die wordt verkregen door verwerking van suikerbieten of suikerriet; dat bijgevolg de markten voor suiker en isoglucose nauw met elkaar verbonden zijn; (...) dat elke communautaire beslissing met betrekking tot een van deze produkten noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor het andere produkt; (...) dat deze voor suiker toegekende prijsgaranties in feite ook saccharosestropen en isoglucose ten goede komen, daar hun prijzen afhankelijk zijn van die van suiker".
84 In de tweede plaats zij eraan herinnerd, dat het Hof in zijn arrest Royal Scholten-Honig e.a. (reeds aangehaald), welke zaak de invoering van een bijdrageregeling inzake de produktie van isoglucose betrof, van oordeel was, dat suiker en isoglucose zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden. Het Hof verwees daarbij naar de overwegingen van de betrokken verordeningen inzake het bestaan van een concurrentieverhouding tussen die twee produkten, welke overwegingen nadien inhoudelijk in verordening nr. 1785/81 zijn overgenomen.
85 Niettemin is het Gerecht van oordeel, dat het niet uitgesloten is, dat er zich bij de suikerproduktie bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, die in voorkomend geval kunnen rechtvaardigen, dat suikerproducenten anders worden behandeld dan isoglucoseproducenten.
86 Het Gerecht dient dus te onderzoeken, of suikerproducenten anders worden behandeld dan isoglucoseproducenten en, in voorkomend geval, in hoeverre die verschillende behandeling gerechtvaardigd is.
87 Wat in de eerste plaats de steun betreft die Spanje in het kader van de herstructureringsplannen met het oog op de rationalisatie van de suikerindustrie aan de suikerproducenten mag toekennen, constateert het Gerecht, dat verzoeksters niets hebben aangevoerd ter weerlegging van het betoog van de Raad. Op basis van wat de Raad heeft gesteld (zie r.o. 76), is het Gerecht van oordeel, dat de gemeenschapswetgever, door die steun toe te staan, de grenzen van zijn bevoegdheid niet klaarblijkelijk en ernstig heeft overschreden.
88 Met betrekking tot de steun aan producenten die op 31 december 1992 suiker in opslag hadden, zij er vervolgens aan herinnerd, dat, zoals de Raad terecht stelt, deze steun een compensatie was voor de suikerproducenten die voor de produkten die op die datum in opslag waren, de hoogste vóór de inwerkingtreding van de bestreden verordening geldende minimumprijs voor suikerbieten van de oogst 1992 hadden betaald.
89 Uit het dossier blijkt ° en door verzoeksters is dat niet weersproken °, dat het verwerkingsproces van suiker (oogst van de suikerbieten in de herfst van een bepaald jaar, vervolgens verwerking van de suikerbieten tot suiker en geleidelijke verhandeling in de loop van het verkoopseizoen) de suikerproducenten in feite onvermijdelijk dwingt tot voorraadvorming en dat alle suiker die tijdens het verkoopseizoen 1992/1993 moest worden verkocht, op 31 december 1992 in opslag was. In de loop van de schriftelijke procedure nu hebben verzoeksters erkend, dat slechts een klein gedeelte ° te weten ongeveer 7 % (Campo Ebro Industrial), 2 % (Levantina Agrícola Industrial) en 1 % (Cerestar Ibérica) ° van hun produkten die tijdens de laatste zes maanden van bedoeld verkoopseizoen moesten worden verkocht, zich bij de inwerkingtreding van de bestreden verordening in opslag bevond. Verder blijkt uit het dossier, dat de isoglucoseproduktie naar haar aard niet noodzakelijkerwijs leidt tot vorming van voorraden eindprodukt; integendeel, anders dan suiker leent isoglucose zich wegens haar eigenschappen niet voor langdurige opslag.
90 Anders dan suikerproducenten behoeven isoglucoseproducenten bovendien voor hun grondstoffen niet een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs te betalen. Uit wat verzoeksters ter terechtzitting hebben verklaard, blijkt immers dat de prijs die zij voor hun grondstoffen hebben betaald, bepaald werd door de marktvoorwaarden, waarvan de interventieprijs slechts één element is.
91 Wat ten slotte de verlaging van de minimumprijs voor suikerbieten ingevolge artikel 1, lid 2, sub b, van de bestreden verordening betreft, zij erop gewezen, dat ook al geldt voor de produktie van isoglucose, evenals voor die van suiker, een quotaregeling, dit niet wegneemt dat, zoals hierboven gezegd, de isoglucoseproducenten niet verplicht zijn voor hun grondstoffen een door de Gemeenschap vastgestelde minimumprijs te betalen. In voorkomend geval kunnen verzoeksters dus rechtstreeks profiteren van eventuele gunstiger condities op de graanmarkt, terwijl de suikerproducenten dat voor hun grondstoffen niet kunnen.
92 Onder die omstandigheden is het Gerecht van oordeel, dat niet is aangetoond dat de Raad, door voor de isoglucoseproducenten niet in soortgelijke overgangsmaatregelen te voorzien, de grenzen van zijn bevoegdheid klaarblijkelijk en ernstig heeft overschreden, daar verzoeksters zich in een situatie bevonden die objectief verschilde van die van de suikerproducenten.
93 Dienvolgens moet ook het middel ontleend aan schending van het non-discriminatiebeginsel worden afgewezen.
94 Uit al het voorgaande volgt, dat de Raad geen schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel kan worden verweten. Mitsdien moet het beroep tot schadevergoeding worden verworpen, zonder dat behoeft te worden onderzocht, of de gestelde schade de grenzen van de normale economische risico' s in de betrokken sector overschrijdt.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
95 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld en de Raad zulks heeft gevorderd, moeten zij in hun kosten alsmede in die van de Raad worden verwezen.
96 Volgens artikel 87, lid 4, van genoemd Reglement dragen de instellingen die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten. Onder die omstandigheden zal de Commissie haar eigen kosten dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het strekt tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 3814/92 van de Raad van 28 december 1992 houdende wijziging van verordening (EEG) nr. 1785/81 en houdende toepassing van de bij die verordening voor de sector suiker vastgestelde prijzen in Spanje.
2) Verwerpt het beroep voor zover het strekt tot toekenning van schadevergoeding.
3) Verwijst verzoeksters in hun eigen kosten alsmede, hoofdelijk, in de kosten van de Raad.
4) Verstaat dat de Commissie haar eigen kosten zal dragen.
Full & Egal Universal Law Academy