Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Verordening houdende instelling van compenserende heffing bij invoer van appelen ° Importeur die gevolgen van instelling van heffing ondergaat op goederen onderweg naar Gemeenschap
(EEG-Verdrag, art. 173, tweede alinea; verordeningen nrs. 384/93 en 846/93 van de Commissie)
2. Beroep tot schadevergoeding ° Zelfstandig rechtsmiddel ten opzichte van beroep tot nietigverklaring ° Niet-ontvankelijkheid van beroep tot nietigverklaring van verordening ° Niet van invloed op ontvankelijkheid van beroep strekkende tot vergoeding van door vaststelling van zelfde verordening veroorzaakte schade
(EEG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea)
3. Niet-contractuele aansprakelijkheid ° Voorwaarden ° Normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert ° Voldoende gekwalificeerde schending van ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel
(EEG-Verdrag, art. 215, tweede alinea)
4. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Groenten en fruit ° Invoer uit derde landen ° Instelling van compenserende heffing bij invoer van appelen ° Niet-inaanmerkingneming van bijzonder geval van produkten onderweg ° Beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen ° Schending ° Geen
(Verordening nr. 846/93 van de Commissie)
5. Landbouw ° Gemeenschappelijk landbouwbeleid ° Doelstellingen ° Afweging ° Beoordelingsbevoegdheid van instellingen ° Beginsel van communautaire preferentie ° Groenten en fruit ° Invoer uit derde landen ° Verordening houdende instelling van compenserende heffing bij invoer van appelen ° Evenredigheidsbeginsel ° Schending ° Geen
(EEG-Verdrag, art. 39; verordening nr. 846/93 van de Commissie)
6. Landbouw ° Gemeenschappelijke ordening der markten ° Groenten en fruit ° Invoer uit derde landen ° Instelling van compenserende heffing bij invoer van appelen ° Gebonden bevoegdheid ° Misbruik van bevoegdheid ° Geen
(Verordening nr. 846/93 van de Commissie)
Samenvatting
1. Het feit dat bepaalde goederen van een importeur onderweg naar de Gemeenschap waren, toen verordening nr. 846/93 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili werd vastgesteld, volstaat niet om deze importeur als door de betrokken verordening rechtstreeks en individueel geraakt te kunnen beschouwen in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag, zodat het uit dien hoofde tegen die verordening ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is.
Een dergelijk importeur behoort weliswaar tot een besloten groep van personen die bij de vaststelling van de verordening identificeerbaar waren, doch hij heeft niet een recht om beroep in te stellen, tenzij de gemeenschapsregeling de betrokken groep een specifieke bescherming verleent waarvan hij de eerbiediging in rechte kan afdwingen. De regeling betreffende de instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen verplicht de Commissie evenwel niet om bij de instelling van een dergelijke heffing rekening te houden met de bijzondere situatie van de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap.
Evenmin verleent het feit dat die producent, wat de betrokken produkten betreft, aan de toezichtregeling van verordening nr. 846/93 onderworpen was, hem een recht om beroep in te stellen, daar de bij die verordening ingestelde maatregelen ten doel hebben elke invoer van appelen ongeacht de herkomst onder controle te houden en hem dus op dezelfde wijze als elke andere importeur van appelen troffen.
2. Het in de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag voorziene beroep tot schadevergoeding is een zelfstandig rechtsmiddel, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot nietigverklaring niet automatisch de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot vergoeding van de beweerdelijk door de vaststelling van laatstbedoelde veroorzaakte schade meebrengt.
3. Ter zake van normatieve handelingen die economische beleidskeuzen impliceren, kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld, wanneer er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. Een dergelijke schending kan voortvloeien uit misbruik van bevoegdheid, alsmede uit schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, doch niet uit een motiveringsgebrek van een normatieve handeling.
4. Een importeur van appelen uit Chili kan niet stellen, dat het feit dat hij ingevolge verordening nr. 846/93 een compenserende heffing heeft moeten betalen voor goederen die op het ogenblik waarop die verordening werd vastgesteld, onderweg naar de Gemeenschap waren, schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen oplevert.
Op dit beginsel kan immers geen beroep worden gedaan, wanneer een voorzichtig en bezonnen handelaar de vaststelling van de voor zijn belangen nadelige maatregel van gemeenschapsrecht kon voorzien. Dit laatste was in casu het geval, gelet op de navolgende omstandigheden: ingevolge artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 wordt automatisch een compenserende heffing ingesteld, wanneer de invoerprijs van appelen gedurende een bepaalde tijdspanne lager is dan een bepaalde drempel; de uitzonderlijke gevallen waarin de heffing eventueel niet wordt ingesteld, houden enkel verband met situaties waarin de Commissie, ofschoon aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan, besluit om zulks niet te doen, en niet met bepaalde goederen, zoals goederen die onderweg zijn naar de Gemeenschap; de verschillen tussen een compenserende heffing en een vrijwaringsmaatregel ° de compenserende heffing maakt de invoer alleen maar duurder, terwijl de vrijwaringsmaatregel de invoer onmogelijk maakt ° zijn van dien aard, dat bij vrijwaringsmaatregelen een analogische toepassing van bijzondere bepalingen voor goederen die onderweg naar de Gemeenschap zijn, niet verplicht is; het bestaan van vrijwaringsmaatregelen sluit de instelling van een compenserende heffing niet uit, en ten slotte de verplichting voor een bepaald importeur om een compenserende heffing te betalen, wanneer deze is ingesteld, staat volstrekt los van de prijs van de door hem ingevoerde produkten.
5. De bij verordening nr. 846/93 ingestelde compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili kan niet in strijd worden geacht met het evenredigheidsbeginsel, dat de gemeenschapsinstellingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten naleven.
Enerzijds zou de ° evenwel niet aangetoonde ° voorrang aan de belangen van de landbouwers boven die van de consumenten, die is getroffen om de naleving van het beginsel van de communautaire preferentie te garanderen, namelijk niet in strijd daarmee zijn, voor zover, daar de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet alle tegelijkertijd volledig kunnen worden verwezenlijkt, tijdelijk voorrang mag worden verleend aan deze of gene doelstelling.
Anderzijds is een compenserende heffing als zodanig minder beperkend voor de importeurs dan de opschorting van de invoer, een maatregel die volgens de relevante gemeenschapsregeling eveneens mogelijk was, en lijkt de compenserende heffing dus meer in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel, zonder dat behoeft te worden stilgestaan bij het feit dat voor een bepaalde groep importeurs schorsing van de invoer minder bezwaarlijk zou zijn geweest dan een compenserende heffing.
6. Aangezien niet is aangetoond dat, toen bij verordening nr. 846/93 een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili werd ingesteld, er sprake was van een uitzonderlijk geval waarin krachtens artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit een degelijke heffing niet kan worden ingesteld, ook al is aan de voorwaarden voldaan waaronder de Commissie deze normaliter moet instellen, kan een verzoeker niet met succes aanvoeren, dat de Commissie door de heffing in te stellen, zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van bevoegdheid, want een dergelijk misbruik is slechts denkbaar voor zover er een ruime beoordelingsbevoegdheid bestaat.
Partijen
In zaak T-489/93,
Unifruit Hellas EPE, vennootschap naar Grieks recht, gevestigd te Athene, vertegenwoordigd door I. Soufleros, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij A. May, advocaat aldaar, Grand-Rue 31,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur X. Yataganas, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende, in de eerste plaats, een beroep tot nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 846/93 van de Commissie van 7 april 1993 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili (PB 1993, L 88, blz. 30) en van de verordeningen (EEG) nrs. 915/93, 1396/93 en 1467/93 van de Commissie van respectievelijk 19 april 1993, 7 juni 1993 en 15 juni 1993 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 846/93 (respectievelijk PB 1993, L 94, blz. 26, PB 1993, L 137, blz. 9 en PB 1993, L 144, blz. 11), en, in de tweede plaats, veroordeling van de Commissie tot betaling van schadevergoeding,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: J. Biancarelli, president, C. P. Briët en C. W. Bellamy, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 22 september 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Het rechtskader
1 Het rechtskader van het geding wordt gevormd door verordening (EEG) nr. 1035/72 van de Raad van 18 mei 1972 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (PB 1972, L 118, blz. 1, nadien verscheidene keren gewijzigd; hierna: "verordening nr. 1035/72"). Meer in het bijzonder gaat het om de in die verordening voorziene beschermingsmaatregelen in verband met het handelsverkeer met derde landen, namelijk de compenserende heffing en de vrijwaringsmaatregelen.
2 De compenserende heffing beoogt een bepaald prijsniveau voor groenten en fruit op de gemeenschappelijke markt te beschermen. Daartoe bepaalt artikel 23 van verordening nr. 1035/72, dat voor elk onder de gemeenschappelijke marktordening voor groenten en fruit vallend produkt jaarlijks een referentieprijs wordt vastgesteld "teneinde verstoringen als gevolg van aanbiedingen uit derde landen tegen abnormale prijzen te voorkomen". Artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 luidt als volgt: "Wanneer de invoerprijs van een uit een derde land ingevoerd produkt zich gedurende twee opeenvolgende marktdagen handhaaft op een peil dat ten minste 0,6 rekeneenheid beneden de referentieprijs ligt, wordt, behoudens uitzonderlijke gevallen, een compenserende heffing voor de betrokken herkomst ingesteld. Deze heffing is gelijk aan het verschil tussen de referentieprijs en het rekenkundig gemiddelde van de laatste twee invoerprijzen welke voor deze herkomst bekend zijn, hierna genoemd 'gemiddelde invoerprijs' . Deze gemiddelde invoerprijs wordt dan elke marktdag voor elke herkomst berekend tot de heffing voor deze herkomst wordt afgeschaft." Krachtens artikel 24, lid 3, van dezelfde verordening is de in voormeld artikel bedoelde invoerprijs gelijk aan de marktprijs van de uit derde landen ingevoerde produkten, berekend op basis van het rekenkundig gemiddelde van de laagste prijzen, geconstateerd voor ten minste 30 % van de hoeveelheden van de betrokken herkomst, die op alle representatieve markten in de handel zijn gebracht.
3 De compenserende heffing, die voor alle Lid-Staten gelijk is, wordt aan de geldende douanerechten toegevoegd (artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1035/72). Zij wordt niet gewijzigd "zolang de veranderingen in de elementen voor de berekening daarvan gedurende drie opeenvolgende marktdagen vanaf de daadwerkelijke toepassing van de heffing niet leiden tot wijziging van het heffingsbedrag met meer dan 1,2 rekeneenheid", en zij wordt afgeschaft wanneer de invoerprijzen gedurende twee opeenvolgende marktdagen op een peil liggen dat ten minste gelijk is aan de referentieprijs (artikel 26, lid 1, van verordening nr. 1035/72).
4 Wat de vrijwaringsmaatregelen betreft, bepaalt artikel 29, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 1035/72, dat "in het handelsverkeer met derde landen passende maatregelen (kunnen) worden toegepast: indien in de Gemeenschap de markt voor een (...) produkt als gevolg van invoer of uitvoer ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, welke de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen". Ingevolge artikel 29, lid 1, tweede streepje, kunnen ° onder meer voor appelen ° vrijwaringsmaatregelen worden ingesteld, indien de "transacties in verband met het uit de markt nemen of het aankopen (...) betrekking hebben op aanzienlijke hoeveelheden". Artikel 3, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2707/72 van de Raad van 19 december 1972 houdende omschrijving van de wijze van toepassing van vrijwaringsmaatregelen in de sector groenten en fruit (PB 1972, L 291, blz. 3; hierna: "verordening nr. 2707/72") bepaalt, dat de vrijwaringsmaatregelen kunnen bestaan in de schorsing van de invoer of de uitvoer, dan wel in de inning van heffingen bij uitvoer. Wanneer de toestand, bedoeld in artikel 29, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 1035/72 zich voordoet, kunnen de maatregelen bestaan in "de schorsing van de invoer of heffing van een bijkomend bedrag dat gelijk is aan 50 % van het verschil tussen de basisprijs en (een maximum voor de bodemprijs). Dit bijkomende bedrag wordt toegevoegd aan de douanerechten en, in voorkomend geval, aan de eventueel krachtens artikel 25 van verordening (EEG) nr. 1035/72 ingestelde compenserende heffingen."
5 Ten slotte bepaalt artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, dat bij de vrijwaringsmaatregelen "rekening (wordt) gehouden met de bijzondere situatie van de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap. Deze maatregelen mogen slechts betrekking hebben op produkten afkomstig uit of met bestemming naar derde landen. Zij kunnen worden beperkt tot bepaalde herkomsten, oorsprongen, bestemmingen, kwaliteiten, grootteklassen of groepen van variëteiten."
6 Op 19 februari 1993 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 384/93 houdende specifieke maatregelen voor de bewaking van de invoer van tafelappelen uit derde landen (PB 1993, L 43, blz. 33; hierna: "verordening nr. 384/93") vast. Deze verordening is gebaseerd op artikel 29 van verordening nr. 1035/72. Krachtens artikel 1 van verordening nr. 384/93 geldt vanaf 1 september 1993 als voorwaarde voor de invoer ten verbruik van appelen in de Gemeenschap, dat een invoercertificaat wordt overgelegd. Artikel 2, lid 1, van dezelfde verordening bepaalt enerzijds, dat dit invoercertificaat slechts wordt afgegeven op voorwaarde dat een zekerheid van 1,5 ECU/100 kg netto is gesteld, en, anderzijds, dat de zekerheid geheel of gedeeltelijk wordt verbeurd wanneer de daarin vermelde hoeveelheden tijdens de geldigheidsduur van het certificaat niet of slechts gedeeltelijk ten verbruik worden ingevoerd.
7 Op 7 april 1993 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 846/93 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili (PB 1993, L 88, blz. 30; hierna: "verordening nr. 846/93") vast. In deze verordening, die uitdrukkelijk naar artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 verwijst, werd de heffing vastgesteld op 1,84 ECU per 100 kg netto. Verordening nr. 846/93 is op 9 april 1993 in werking getreden.
8 De compenserende heffing is met name gewijzigd bij verordeningen (EEG) nrs. 915/93, 1396/93 en 1467/93 van de Commissie van respectievelijk 19 april 1993, 7 juni 1993 en 15 juni 1993 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 846/93 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili (respectievelijk PB 1993, L 94, blz. 26; PB 1993, L 137, blz. 9, en PB 1993, L 144, blz. 11; hierna: "verordening nr. 915/93", "verordening nr. 1396/93" en "verordening nr. 1467/93").
De feiten en het procesverloop
9 Verzoekster houdt zich voornamelijk bezig met de in- en uitvoer van groenten en fruit. Begin 1993 kocht zij bij twee in Chili gevestigde vennootschappen ongeveer 2 miljoen kg appelen.
10 De appelen werden in de haven van Valparaiso (Chili) op twee schepen met bestemming Griekenland geladen. Volgens verzoekster verliet het eerste schip Chili op 25 maart 1993 en kwam het op 18 april in Griekenland aan; het tweede schip verliet Chili op 13 april 1993 en bereikte Griekenland op 6 mei 1993.
11 Verzoekster stelt, dat zij reeds op 18 maart 1993 invoercertificaten had aangevraagd bij het Griekse interventiebureau. Op de door haar ingevoerde appelen is de bij verordening nr. 846/93 ingestelde compenserende heffing toegepast, zoals gewijzigd bij verordeningen nrs. 915/93, 1396/93 en 1467/93.
12 Onder die omstandigheden heeft verzoekster bij ter griffie van het Hof op 30 juni 1993 ingeschreven verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
13 Het Hof heeft de zaak bij beschikking van 27 september 1993 naar het Gerecht verwezen krachtens artikel 4 van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21).
14 Het Gerecht (Derde kamer) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft verzoekster evenwel verzocht enkele schriftelijke vragen te beantwoorden.
15 Partijen zijn in hun pleidooien en antwoorden op mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 22 september 1994.
Conclusies van partijen
16 Verzoekster concludeert, dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren, althans op verzoekster niet-toepasselijk te verklaren, de verordeningen nrs. 846/93, 915/983, 1396/93 en 1467/93;
° voor recht te verklaren, dat de Europese Economische Gemeenschap gehouden is tot vergoeding van alle schade (geleden verlies en gederfde winst) die verzoekster ten gevolge van de onwettige bepalingen van voormelde verordeningen alsmede ten gevolge van alle krachtens die verordeningen vastgestelde of vast te stellen besluiten of handelingen heeft geleden of zal leiden; voorts voor recht te verklaren, dat zij de hoogte van de schadevergoeding moet vaststellen, die de reeds geleden, op 104 614 783 DR geraamde schade moet omvatten, vermeerderd met de conventionele interessen, alsmede het bedrag van de schade die nog zal ontstaan ten gevolge van de onwettige en schadeveroorzakende handelingen van de Commissie en waaromtrent verzoekster zich het recht voorbehoudt dit bedrag op een later tijdstip vast te stellen, met wettelijke rente over de bedoelde bedragen vanaf de indiening van het verzoekschrift;
° elke andere maatregel te nemen die het noodzakelijk of passend acht;
° de Commissie in de kosten te verwijzen.
17 De Commissie concludeert, dat het het Gerecht behage:
° het beroep tot nietigverklaring en het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren;
° subsidiair, beide beroepen ongegrond te verklaren;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
De ontvankelijkheid
De op artikel 173 EEG-Verdrag gebaseerde vordering
18 De Commissie is van mening, dat de vordering tot nietigverklaring van de verordeningen nrs. 846/93, 915/983, 1396/93 en 1467/93 kennelijk niet-ontvankelijk is, daar het om verordeningen met algemene strekking gaat die op alle handelaren in vers fruit van de Gemeenschap van toepassing zijn. Zij merkt op, dat de compenserende heffingen nagenoeg op wiskundige wijze worden opgelegd, wanneer de referentieprijs een bepaald peil ten opzichte van de representatieve markten bereikt. Haars inziens raken de betrokken verordeningen verzoekster in ieder geval niet rechtstreeks en individueel.
19 Verzoekster betoogt, dat zij door de betrokken verordeningen rechtstreeks wordt geraakt, daar deze de nationale autoriteiten, zonder hun enige beoordelingsmarge te laten, verplichten om voor de betrokken produkten een compenserende heffing op te leggen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 26 juni 1990 (zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477) stelt zij verder, dat zij door de litigieuze verordeningen individueel wordt geraakt, daar zij tot een beperkte, ten opzichte van andere importeurs voldoende gekarakteriseerde groep importeurs behoort: de op de Chileense markt gekochte appelen vielen onder de bij verordening nr. 384/93 ingestelde bewakingsmaatregelen en waren bovendien onderweg naar de Gemeenschap.
20 Het Gerecht wijst op de vaste rechtspraak (zie in het bijzonder arrest Hof van 24 februari 1987, zaak 26/86, Deutz und Geldermann, Jurispr. 1987, blz. 941, r.o. 6), dat volgens het ten tijde van de indiening van het verzoekschrift geldende artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag "een beroep tot nietigverklaring, ingesteld door een particulier, slechts ontvankelijk (is) indien de bestreden handeling, hoewel genomen in de vorm van een verordening, in werkelijkheid een beschikking is die verzoeker rechtstreeks en individueel raakt". In zijn beschikking van 28 oktober 1993 (zaak T-476/93, FRSEA en FNSEA, Jurispr. 1993, blz. II-1187, r.o. 19) herinnerde het Gerecht eraan, dat "deze bepaling met name dient te voorkomen dat de gemeenschapsinstellingen, enkel door de vorm van een verordening te kiezen, het beroep van een particulier tegen een hem rechtstreeks en individueel rakende beschikking onmogelijk kunnen maken" (zie ook arresten Hof van 17 juni 1980, gevoegde zaken 789/79 en 790/79, Calpak, Jurispr. 1980, blz. 1949, r.o. 7, en Deutz und Geldermann, reeds aangehaald, r.o. 6).
21 Voorts is het vaste rechtspraak, dat het normatieve karakter van een handeling niet wordt aangetast doordat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop deze handeling op een bepaald moment van toepassing is, met meer of mindere mate van zekerheid kan worden bepaald, zolang maar vaststaat, dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of juridische situatie die in de handeling in relatie tot haar doelstelling wordt omschreven (arresten Hof van 16 april 1970, zaak 64/69, Compagnie française commerciale et financière, Jurispr. 1970, blz. 221, r.o. 11; 5 mei 1977, zaak 101/76, Koninklijke Scholten Honig, Jurispr. 1977, blz. 797, r.o. 23; 16 maart 1978, zaak 123/77, Unicme e.a., Jurispr. 1978, blz. 845, r.o. 16; Calpak, reeds aangehaald, r.o. 9; 30 september 1982, zaak 242/81, Roquette Frères, Jurispr. 1982, blz. 3213, r.o. 7, Deutz und Geldermann, reeds aangehaald, r.o. 8; 24 november 1992, gevoegde zaken C-15/91 en C-108/91, Buckl e.a., Jurispr. 1992, blz. I-6061, r.o. 25; 15 juni 1993, zaak C-213/91, Albertal e.a., Jurispr. 1993, blz. I-3177, r.o. 17 en 18 mei 1994, zaak C-309/89, Codorníu, Jurispr. 1994, blz. I-1853, r.o. 18; beschikking FRSEA en FNSEA, reeds aangehaald, r.o. 19). Willen marktdeelnemers kunnen worden geacht individueel te zijn geraakt door een handeling met algemene strekking van een gemeenschapsinstelling, dan moeten zij in hun rechtspositie worden geraakt uit hoofde van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (zie arresten Hof van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 211, 232, en Codorníu, reeds aangehaald, r.o. 20; beschikking Hof van 21 juni 1993, zaak C-257/93, Van Parijs e.a., Jurispr. 1993, blz. I-3335, r.o. 9; beschikking FRSEA en FNSEA, reeds aangehaald, r.o. 20).
22 In casu vordert verzoekster nietigverklaring van verordening nr. 846/93 houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili, alsmede van een aantal latere verordeningen waarbij het bedrag van de heffing is gewijzigd.
23 Het Gerecht is van oordeel, dat de litigieuze verordeningen houdende oplegging van een compenserende heffing bij invoer van appelen uit Chili, niet specifiek op verzoekster betrekking hebben, doch haar enkel in haar objectieve hoedanigheid van importeur van Chileense appelen treffen, net zoals iedere andere marktdeelnemer die zich in dezelfde situatie bevindt.
24 Verzoeksters op voormeld arrest Sofrimport gebaseerde argument, dat zij voldoende wordt geïndividualiseerd doordat haar produkten reeds onderweg naar de Gemeenschap waren toen de compenserende heffing bij de litigieuze verordeningen werd ingesteld, faalt. Sofrimport had met name nietigverklaring gevorderd van de verordeningen van de Commissie (EEG) nrs. 962/88 van 12 april 1988 houdende schorsing van de afgifte van invoercertificaten voor tafelappelen van oorsprong uit Chili, en 984/88 van 14 april 1988 tot wijziging van verordening nr. 962/88 (resp. PB 1988, L 95, blz. 10, en PB 1988, L 98, blz. 37). In die zaak merkte het Hof om te beginnen op, dat verzoekster zich bevond in de situatie bedoeld in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, volgens hetwelk de Commissie bij de vaststelling van dergelijke maatregelen verplicht is rekening te houden met de bijzondere situatie van produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap. De importeurs wier produkten reeds onderweg waren naar de Gemeenschap op het ogenblik dat de verordening werd vastgesteld, vormden volgens het Hof aldus een beperkte en besloten groep die voldoende gekarakteriseerd was ten opzichte van elke andere importeur van Chileense appelen. Voorts stelde het Hof vast dat, aangezien genoemd artikel 3, lid 3, deze importeurs een specifieke bescherming verleent, dezen dan ook in staat moeten worden gesteld deze bescherming te doen gelden en daartoe een beroep in te stellen. Om die redenen verklaarde het Hof het door Sofrimport ingestelde beroep tot nietigverklaring ontvankelijk, voor zover het betrekking had op de toepassing van vrijwaringsmaatregelen op produkten die reeds onderweg waren naar de Gemeenschap.
25 In casu vormden de importeurs wier produkten onderweg waren naar de Gemeenschap toen de compenserende heffing werd ingesteld bij verordening nr. 846/93, naar het oordeel van het Gerecht eveneens een besloten groep van personen die bij de vaststelling van de verordening identificeerbaar waren. Blijkens voormelde rechtspraak (zie r.o. 21) volstaat deze enkele omstandigheid evenwel niet om deze importeurs reeds als door de betrokken verordening individueel geraakt te kunnen beschouwen. Voor de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep tot nietigverklaring is overeenkomstig de in de zaak Sofrimport opgestelde criteria bovendien vereist, dat de regeling betreffende de instelling van de compenserende heffingen de Commissie verplichtte rekening te houden met de bijzondere situatie van de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap.
26 In tegenstelling tot wat artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72 voor de vrijwaringsmaatregelen bepaalt, verplicht echter noch artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72, dat voorziet in een compenserende heffing wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, noch enige andere bepaling betreffende de compenserende heffing, de Commissie om in een verordening houdende instelling van een dergelijke heffing rekening te houden met de bijzondere situatie van produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap.
27 Evenmin wordt verzoekster ten opzichte van elke andere importeur van appelen geïndividualiseerd doordat de door haar gekochte appelen aan de bewakingsmaatregelen van verordening nr. 384/93 onderworpen zijn. In dit verband moet er immers op worden gewezen, dat de bij deze verordening ° waarvan de wettigheid in casu niet in geding is ° ingestelde maatregelen ten doel hadden elke invoer in de Gemeenschap van appelen ongeacht de herkomst onder controle te houden, en verzoekster dus op dezelfde wijze als elke andere importeur van appelen troffen. In die omstandigheden kan verzoekster niet stellen, dat juist vanwege de toepassing van de in verordening nr. 384/93 voorziene bewakingsmaatregelen, zij door de verordeningen tot instelling en wijziging van de compenserende heffing op soortgelijke wijze in haar rechtspositie wordt geraakt als een adressaat van een individuele beschikking.
28 Zelfs indien dus kwam vast te staan, dat verzoeksters produkten bij de vaststelling van verordening nr. 846/93 onderweg waren naar de Gemeenschap, betekent dat nog niet, dat verzoekster door die verordening of door de nadien vastgestelde verordeningen tot wijziging van verordening nr. 846/93 individueel werd geraakt.
29 Onder die omstandigheden en zonder dat behoeft te worden onderzocht of verzoekster door de litigieuze verordeningen rechtstreeks wordt geraakt, moet het beroep derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het tot nietigverklaring van de verordeningen nrs. 846/93, 915/983, 1396/93 en 1467/93 strekt.
De op de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag gebaseerde vordering
30 De Commissie stelt, dat de schadevordering kennelijk niet-ontvankelijk is, daar zij nauw verband houdt met de vordering tot nietigverklaring van de litigieuze verordeningen.
31 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het beroep tot schadevergoeding een zelfstandig rechtsmiddel is met een eigen functie binnen het in het Verdrag voorziene stelsel van rechtsmiddelen (zie met name arrest Hof van 26 februari 1986, zaak 175/84, Krohn, Jurispr. 1986, blz. 753, r.o. 32). Uit deze rechtspraak betreffende het autonome karakter van het beroep tot schadevergoeding volgt, dat niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot nietigverklaring niet automatisch de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding meebrengt (beschikking Van Parijs e.a., reeds aangehaald, r.o. 14).
32 Bijgevolg dient het Gerecht zich uit te spreken over de vordering strekkende tot veroordeling van de Gemeenschap tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van de litigieuze verordeningen.
Ten gronde
Voorafgaande overwegingen
33 Verzoekster betoogt, dat de handelingen en nalatigheden waarop de middelen tot nietigverklaring zijn gebaseerd, fouten van de Commissie opleveren die haar ernstige schade hebben berokkend waarvan zij vergoeding eist. In de conclusies van haar verzoekschrift raamt zij de door haar geleden schade op 104 614 783 DR, te vermeerderen met conventionele interessen alsmede met wettelijke interessen vanaf de indiening van het verzoekschrift.
34 Om te beginnen zij opgemerkt, dat verzoekster zes middelen tot staving van haar vordering tot nietigverklaring aanvoert: 1) schending van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72; 2) misbruik van bevoegdheid; 3) gebrekkige motivering van de litigieuze handelingen; 4) schending van het evenredigheidsbeginsel; 5) schending van het beginsel van gelijke behandeling, en 6) schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
35 Voorts zijn de handelingen die verzoeksters schade zouden hebben veroorzaakt, normatieve handelingen. Op dit punt herinnert het Gerecht aan de vaste rechtspraak volgens welke de Gemeenschap ter zake van een normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert, slechts aansprakelijk kan worden gesteld wanneer er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel (arresten Hof van 2 juni 1976, gevoegde zaken 56/74-60/74, Kampffmeyer e.a., Jurispr. 1976, blz. 711, r.o. 13; 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76 en 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL e.a., Jurispr. 1978, blz. 1209, r.o. 4, en 4 oktober 1979, zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr. 1979, blz. 2955, r.o. 9).
36 Aangezien een compenserende heffing wordt ingesteld bij een normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert, moet de gegrondheid van het onderhavige beroep worden beoordeeld met inachtneming van die eisen. Bijgevolg moet worden onderzocht, in hoeverre de afzonderlijke middelen op schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel zijn gebaseerd.
37 Het eerste middel, schending van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72, bevat twee onderdelen. In de eerste plaats betoogt verzoekster, dat de door de compenserende heffing getroffen Chileense appelen van betere kwaliteit waren dan de appelen waarvoor de referentieprijs was berekend; door een compenserende heffing in te stellen, zou de Commissie dus een ernstige en kennelijke beoordelingsfout hebben begaan. Met dit eerste onderdeel van het middel komt verzoekster in werkelijkheid derhalve slechts op tegen een kennelijke beoordelingsfout die de Commissie zou hebben begaan met betrekking tot de kwaliteit van de ingevoerde Chileense appelen; uit deze kennelijke beoordelingsfout leidt zij echter niet rechtstreeks een schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel af. Dit middel, dat overigens door de stukken geenszins wordt gestaafd, volstaat derhalve niet om tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap te concluderen.
38 Het tweede onderdeel van dit middel houdt in, dat bij de vaststelling van verordening nr. 846/93 rekening had moeten worden gehouden met de bijzondere situatie van de produkten die op dat tijdstip onderweg waren naar de Gemeenschap.
39 Alleen dit tweede onderdeel ° dat overigens samenvalt met het zesde middel ° stelt schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel, namelijk het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen, aan de orde (zie arresten Hof van 14 mei 1975, zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533, r.o. 44; Sofrimport, reeds aangehaald, r.o. 26, en 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder, Jurispr. 1992, blz. I-3061, r.o. 15).
40 Wat het tweede middel tot nietigverklaring betreft, namelijk misbruik van bevoegdheid, wijst het Gerecht op 's Hofs rechtspraak, dat wanneer een gemeenschapsinstelling, in casu de Commissie, zich bij de vaststelling van een normatieve handeling schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid, dit de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap meebrengt (arrest Hof van 6 juni 1990, zaak C-119/88, AERPO e.a., Jurispr. 1990, blz. I-2189, r.o. 19).
41 In verband met het derde middel, gebrekkige motivering van de litigieuze handelingen, zij opgemerkt, dat een ontoereikende motivering van een normatieve handeling volgens vaste rechtspraak niet tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap kan leiden (arresten Hof van 15 september 1982, zaak 106/81, Kind, Jurispr. 1982, blz. 2885, r.o. 14, en AERPO, reeds aangehaald, r.o. 20). Bovendien blijkt uit onderzoek van de consideransen van de litigieuze verordeningen, dat deze handelingen in ieder geval voldoen aan de motiveringseisen van artikel 190 van het Verdrag.
42 Met betrekking tot de andere middelen van verzoekster zij opgemerkt, dat deze gezien de vaste rechtspraak alle betrekking hebben op schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. Dat geldt voor het vierde middel, namelijk schending van het evenredigheidsbeginsel (arrest Hof van 14 januari 1987, zaak 281/84, Zuckerfabrik Bedburg e.a., Jurispr. 1987, blz. 49), het vijfde middel, schending van het beginsel van gelijke behandeling (arrest HNL e.a., reeds aangehaald, r.o. 5), en voor het zesde middel, schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen (zie de reeds aangehaalde arresten Sofrimport, r.o. 26; Mulder e.a., r.o. 15, en CNTA, r.o. 44).
43 Derhalve dient het Gerecht de navolgende middelen van verzoekster te onderzoeken: i) schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen; ii) schending van het evenredigheidsbeginsel; iii) schending van het beginsel van gelijke behandeling, en iv) misbruik van bevoegdheid.
Schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen
Argumenten van partijen
44 In haar eerste en in haar zesde middel stelt verzoekster, dat de Commissie het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen heeft geschonden. Daartoe voert zij in wezen vier argumenten aan.
45 Om te beginnen betoogt zij, dat zowel het voorbehoud betreffende "uitzonderlijke gevallen" bedoeld in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72, als artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, dat in casu analogische toepassing zou moeten vinden, tot doel hebben de communautaire importeurs van de in voormelde verordeningen bedoelde produkten te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van eventueel door de gemeenschapsinstellingen vast te stellen maatregelen. De oplegging van een compenserende heffing door de Commissie aan importeurs wier produkten onderweg zijn naar de Gemeenschap, is derhalve een maatregel die in strijd is met het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen.
46 In de tweede plaats betoogt verzoekster, dat de invoering van specifieke bewakingsmaatregelen, gecombineerd met zekerheidsstelling, bij verordening nr. 384/93 reeds een eerste vrijwaringsmaatregel was die als zodanig de oplegging van een compenserende heffing aan ondernemingen die er zich vrijwillig en te goeder trouw aan hadden onderworpen, uitsloot. Haars inziens was de oplegging van een compenserende heffing onmogelijk te voorzien, daar de heffing tot het volgende paradoxale resultaat leidt: wanneer de goederen niet worden ingevoerd, dreigt de importeur de in verordening nr. 384/93 voorziene zekerheid te verliezen; worden ze wel ingevoerd, dan wordt hem een compenserende heffing opgelegd, ook al heeft hij geen fout begaan die de oplegging van de heffing rechtvaardigt.
47 In de derde plaats voert verzoekster aan, dat het feit dat de invoerprijs van haar produkten 40 tot 63 % hoger lag dan de referentieprijs, de oplegging van een compenserende heffing volstrekt onwaarschijnlijk maakte.
48 Ten slotte stelt verzoekster, dat de op 20 december 1990 gesloten kaderovereenkomst inzake samenwerking tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Chili (PB 1991, L 79, blz. 1) een klimaat van vertrouwen tussen de Gemeenschap en Chili heeft geschapen, dat niet toelaat dat zonder enige voorafgaande onderhandeling eenzijdige maatregelen worden vastgesteld.
49 De Commissie betoogt, dat met de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 bedoelde "uitzonderlijke gevallen" enkel wordt gedoeld op de gevallen waarin cijfermatig gezien een compenserende heffing zou moeten worden opgelegd, doch deze heffing niet noodzakelijk is wegens de geringe omvang van het handelsverkeer. Haars inziens vallen de Chileense appelen gezien de omvang van de invoer niet onder dit voorbehoud.
50 Volgens de Commissie had verzoekster zich op schending van het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen kunnen beroepen, indien zij geconfronteerd was geweest met een vrijwaringsmaatregel die niet in een vrijstelling voor produkten in doorvoer voorzag. In het onderhavige geval gaat het evenwel om een permanent toepasselijke regulerende maatregel in het kader van de gemeenschappelijke marktordening in de sector groenten en fruit, en niet om een vrijwaringsmaatregel, wat een uitzonderlijke maatregel is die in dringende conjuncturele omstandigheden wordt genomen. Indien goederen die onderweg waren, waren vrijgesteld, dan zou de compenserende heffing als marktregulerende maatregel in de sector groenten en fruit haar doel hebben gemist en zonder nuttig effect zijn geweest. Ten slotte ziet de Commissie geen enkel verband tussen de handelsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Chili en het onderhavige geschil.
Beoordeling van het Gerecht
51 Volgens vaste rechtspraak kan op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen een beroep worden gedaan door iedere ondernemer bij wie een instelling gegronde verwachtingen heeft opgewekt. Wanneer echter een voorzichtig en bezonnen handelaar de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel kan voorzien, kan hij zich niet op dit beginsel beroepen wanneer die maatregel wordt vastgesteld (arresten Hof van 1 februari 1978, zaak 78/77, Luehrs, Jurispr. 1978, blz. 169, r.o. 6, en 11 maart 1987, zaak 265/85, Van den Bergh en Jurgens, Jurispr. 1987, blz. 1155, r.o. 44).
52 Derhalve moet worden onderzocht, of een voorzichtig en bezonnen handelaar begin 1993 had kunnen voorzien, dat op Chileense appelen een compenserende heffing zou worden ingesteld.
53 Er zij aan herinnerd, dat wanneer de Commissie vaststelt dat de invoerprijs van uit derde landen ingevoerde appelen zich gedurende twee opeenvolgende marktdagen handhaaft op een peil dat ten minste 0,6 rekeneenheid beneden de referentieprijs ligt, zij overeenkomstig artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72, behoudens uitzonderlijke gevallen, een compenserende heffing voor de betrokken produkten instelt. Aangezien deze bepaling automatisch toepassing vindt, is het Gerecht van oordeel, dat een voorzichtig en bezonnen handelaar gewoonlijk moet worden geacht de vaststelling van een compenserende heffing op binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1035/72 vallende produkten te kunnen voorzien.
54 Met betrekking tot verzoeksters argument, dat haar situatie onder de in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 bedoelde "uitzonderlijke gevallen" valt, welke bepaling onder meer voor de naar de Gemeenschap onderweg zijnde produkten een vrijstelling zou inhouden, zij erop gewezen, dat artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 bepaalt: "Wanneer de invoerprijs van een uit een derde land ingevoerd produkt zich gedurende twee opeenvolgende marktdagen handhaaft op een peil dat ten minste 0,6 rekeneenheid beneden de referentieprijs ligt, wordt, behoudens uitzonderlijke gevallen, een compenserende heffing voor de betrokken herkomst ingesteld." Volgens het Gerecht moet het voorbehoud betreffende "uitzonderlijke gevallen" aldus worden uitgelegd, dat daarmee uitsluitend de situaties worden bedoeld, waarin de Commissie besluit om geen compenserende heffing in te stellen, ofschoon aan alle voorwaarden daarvoor voldaan is. Deze bepaling geeft de Commissie daarentegen niet de mogelijkheid om bij de instelling van een compenserende heffing bepaalde produkten, zoals de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap, vrij te stellen.
55 Daaruit volgt, dat het in artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 bedoelde voorbehoud betreffende "uitzonderlijke gevallen" bij verzoekster niet een gewettigd vertrouwen kon wekken dat haar produkten, die, naar wordt gesteld, onderweg naar de Gemeenschap waren, niet meer door een compenserende heffing konden worden getroffen.
56 Vervolgens moet worden nagegaan of, zoals verzoekster stelt, artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72, volgens hetwelk de Commissie ter bescherming van het gewettigd vertrouwen van de marktdeelnemers (arrest Sofrimport, reeds aangehaald, r.o. 26) bij de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen verplicht is rekening te houden met de bijzondere situatie van de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap, naar analogie moet worden toegepast op een verordening waarbij een compenserende heffing wordt ingesteld.
57 Het is vaste rechtspraak (zie arresten Hof van 11 juli 1978, zaak 6/78, Union française des céréales, Jurispr. 1978, blz. 1675, r.o. 4, en 12 december 1985, zaak 165/84, Krohn, Jurispr. 1985, blz. 3997, r.o. 14), dat de marktdeelnemers met succes een beroep kunnen doen op "analogische toepassing" van een verordening die eigenlijk niet op hen van toepassing is, wanneer zij aantonen, dat de voor hen geldende regeling enerzijds in hoge mate overeenstemt met de regeling waarvan analogische toepassing wordt gevraagd, en anderzijds een leemte bevat die onverenigbaar is met een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht en die door deze analogische toepassing kan worden opgevuld.
58 Uit het voorgaande volgt, dat voor analogische toepassing van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72 in het kader van artikel 25 van verordening nr. 1035/72 in de eerste plaats vereist is, dat een compenserende heffing in hoge mate overeenstemt met een vrijwaringsmaatregel.
59 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat artikel 29, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 1035/72 onder meer bepaalt, dat vrijwaringsmaatregelen kunnen worden vastgesteld, "indien in de Gemeenschap de markt voor een (...) produkt als gevolg van invoer (...) ernstige verstoringen ondergaat of dreigt te ondergaan, welke de doeleinden van artikel 39 van het Verdrag in gevaar kunnen brengen". Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2707/72 bepaalt, dat wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, een van de maatregelen die de Commissie kan nemen "de schorsing van de invoer" is. Wanneer de toestand, bedoeld in artikel 29, lid 1, tweede streepje, zich voordoet, namelijk dat de transacties in verband met het uit de markt nemen of het aankopen van appelen betrekking hebben op aanzienlijke hoeveelheden, kan de Commissie krachtens artikel 3, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 2707/72 overgaan tot "de schorsing van de invoer of [tot] heffing van een bijkomend bedrag dat gelijk is aan 50 % van het verschil tussen de basisprijs en [een maximum voor de bodemprijs]".
60 De krachtens artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72 op de Commissie rustende verplichting om bij de vaststelling van vrijwaringsmaatregelen rekening te houden met de produkten die onderweg zijn naar de Gemeenschap hangt naar het oordeel van het Gerecht hiermee samen, dat vrijwaringsmaatregelen, zoals duidelijk blijkt uit artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2707/72, in wezen de schorsing van de invoer van een bepaald produkt in de Gemeenschap beogen. Zo werd bij de in voormelde zaak Sofrimport aan de orde zijnde verordeningen de afgifte van invoercertificaten voor Chileense appelen geschorst. De in artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72 neergelegde verplichting dient dus ter bescherming van het gewettigd vertrouwen van de marktdeelnemers, dat hun produkten die reeds onderweg zijn naar de Gemeenschap bij aankomst op het communautaire grondgebied niet zullen worden geweigerd.
61 Een compenserende heffing daarentegen belet een marktdeelnemer niet, de door de heffing getroffen produkten in te voeren en op de communautaire markt te brengen. Anders dan de vrijwaringsmaatregelen waarin verordening nr. 2707/72 voorziet teneinde op te treden tegen ernstige verstoringen als gevolg van de invoer, heeft een compenserende heffing niet ten doel, de verkoop van niet-communautaire produkten op de communautaire markt te verhinderen; zij strekt er enkel toe, het prijspeil op laatstgenoemde markt te beschermen door in het algemeen de invoerprijs op te trekken tot de referentieprijs.
62 Aangezien een compenserende heffing niet in hoge mate overeenstemt met een vrijwaringsmaatregel, bestaat er dus geen reden voor analogische toepassing van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72 op een maatregel houdende instelling van een compenserende heffing.
63 Wat het argument betreft, dat verordening nr. 384/93, waarbij specifieke bewakingsmaatregelen in combinatie met zekerheidsstelling zijn vastgesteld, reeds een eerste vrijwaringsmaatregel inhield die naar zijn aard oplegging van een compenserende heffing uitsloot, zij opgemerkt, dat artikel 3, lid 1, tweede streepje, van verordening nr. 2707/72 uitdrukkelijk spreekt van de oplegging van een vrijwaringsmaatregel die "in voorkomend geval, aan de eventueel krachtens artikel 25 van verordening (EEG) nr. 1037/72 ingestelde compenserende heffingen" wordt toegevoegd. Aangezien dus in verordening nr. 2707/72 uitdrukkelijk wordt erkend, dat de compenserende heffing en de vrijwaringsmaatregel naast elkaar kunnen bestaan, kan verzoekster niet stellen, dat de vaststelling van een vrijwaringsmaatregel bij haar een gewettigd vertrouwen heeft gewekt dat geen compenserende heffing meer zou worden ingesteld, ook al zou zij vóór de vaststelling van verordening nr. 846/93 zekerheid hebben gesteld, wat niet uit het dossier blijkt.
64 Met betrekking tot het argument, dat de invoerprijs van de door verzoekster ingevoerde produkten 40 tot 63 % hoger lag dan de referentieprijs, hetgeen volgens verzoekster de oplegging van een compenserende heffing onvoorzienbaar maakte, moet worden opgemerkt, dat artikel 25, lid 3, van verordening nr. 1035/72 bepaalt, dat de compenserende heffing "voor alle Lid-Staten gelijk is", ongeacht de invoerprijs van een bepaalde lading. Krachtens het stelsel dat is ingevoerd bij verordening nr. 1035/72, waarvan de wettigheid in de onderhavige zaak niet aan de orde is, is de compenserende heffing dus van toepassing op elke invoer van een produkt van een bepaalde herkomst; de verordening voorziet niet in vrijstellingen wanneer de invoerprijs hoger is dan de referentieprijs. Uit dit stelsel blijkt overigens, dat de marktprijs op een gegeven ogenblik in een bepaalde Lid-Staat lager of hoger dan de referentieprijs of de invoerprijs kan zijn, zoals die in artikel 24 van de verordening is gedefinieerd. Dit doet niet af aan de gegrondheid van het bij verordening nr. 1035/72 ingevoerde stelsel, dat is gebaseerd op het beginsel van de eenheid van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna: "GLB") en een referentieprijs bepaalt die uniform op het gehele communautaire grondgebied geldt en niet alleen maar op de markt van deze of gene Lid-Staat, zoals verzoekster stelt.
65 Zelfs indien dus in casu kwam vast te staan, dat de invoerprijs van de door verzoekster ingevoerde produkten hoger was dan de referentieprijs, kon dit bij verzoekster niet een gewettigd vertrouwen wekken dat haar produkten niet door een compenserende heffing zouden worden getroffen.
66 Met betrekking tot het argument dat de sluiting, in 1990, van een kaderovereenkomst inzake samenwerking tussen de Gemeenschap en de Republiek Chili een klimaat van vertrouwen tussen de Gemeenschap en die staat had geschapen dat eraan in de weg stond, dat zonder enige voorafgaande onderhandeling eenzijdige maatregelen werden vastgesteld, kan worden volstaan met de opmerking, dat uit het onderzoek van de bepalingen van die overeenkomst blijkt, dat deze niet tot doel had, de bepalingen van verordening nr. 1035/72 betreffende de compenserende heffingen in de relaties tussen de Gemeenschap en de Republiek Chili te wijzigen. Dit argument moet dus eveneens worden afgewezen.
67 Uit het voorgaande volgt, dat de instelling van een compenserende heffing op appelen van oorsprong uit Chili een mogelijkheid was waarmee een voorzichtig en bezonnen handelaar rekening moest houden, in het bijzonder op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, waarvan het doel juist een voortdurende aanpassing aan wijzigingen van de economische situatie meebrengt (zie arresten Hof van 16 mei 1979, zaak 84/78, Tomadini, Jurispr. 1979, blz. 1801, r.o. 22; 17 juni 1987, gevoegde zaken 424/85 en 425/85, Frico e.a., Jurispr. 1987, blz. 2755, r.o. 33, en 14 februari 1990, zaak C-350/88, Delacre, Jurispr. 1990, blz. I-395, r.o. 33). Deze conclusie dringt zich des te meer op, nu de invoer van appelen uit Chili in het verleden meermaals door compenserende heffingen is getroffen [zie met name verordeningen (EEG) nrs. 1039/89, 1263/89, 1574/89 en 2580/92 van de Commissie, resp. van 20 april 1989, 8 mei 1989, 6 juni 1989 en 3 september 1992, houdende instelling van een compenserende heffing bij invoer van appelen van oorsprong uit Chili (resp. PB 1989, L 110, blz. 45; PB 1989, L 126, blz. 18; PB 1989, L 154, blz. 15, en PB 1992, L 258, blz. 12)]. Als verzoekster vóór de vaststelling van de litigieuze verordeningen bepaalde koopovereenkomsten betreffende appelen van oorsprong uit Chili heeft gesloten, heeft zij het enkel aan zichzelf te wijten wanneer zij geen rekening heeft gehouden met de mogelijke instelling van een compenserende heffing (arrest Frico, reeds aangehaald, r.o. 34).
68 Uit het onderzoek van verzoeksters eerste en zesde middel tot nietigverklaring is derhalve niet gebleken van een schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel, waarvoor de Gemeenschap aansprakelijk zou kunnen worden gehouden.
Schending van het evenredigheidsbeginsel
69 In haar vierde middel tot nietigverklaring stelt verzoekster, dat de Commissie de regel heeft geschonden volgens welke de doelstellingen van artikel 39 EEG-Verdrag op evenwichtige wijze moeten worden nagestreefd, en dat zij dus het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Haars inziens moet elke doelstelling van dat artikel op zodanige wijze worden nagestreefd, dat de verwezenlijking van de andere doelstellingen zo min mogelijk wordt beïnvloedt. Het doel van de compenserende heffing is, de landbouwbevolking op selectieve wijze een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit is een van de in artikel 39 genoemde doelstellingen van het GLB, doch de verwezenlijking ervan is nagestreefd op een manier die een andere doelstelling van dat artikel, namelijk het verzekeren van redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers, in het gedrang brengt. Had de Commissie een vrijwaringsmaatregel opgelegd, dan had zij die maatregel op grond van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2707/72 kunnen beperken tot die markten waar de invoerprijs lager was dan de interventieprijs. De invoer van Chileense appelen heeft de Griekse markt niet de minste schade berokkend. Het was dus mogelijk geweest, de produkten die onderweg waren naar de Griekse markt van een dergelijke vrijwaringsmaatregel vrij te stellen. Bovendien bestond er geen gevaar, dat de verkoop van Chileense appelen in Griekenland andere markten zou verstoren, daar Griekenland geografisch gezien ver van die markten verwijderd is en de daaruit voortvloeiende vervoerskosten de intracommunautaire verhandeling van de appelen totaal onaantrekkelijk maakten.
70 De Commissie is van mening, dat de regel volgens welke bij de vaststelling van maatregelen van het GLB de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag op evenwichtige wijze moeten worden nagestreefd, niet uitsluit dat tijdelijk aan een of meer van die doelstellingen meer belang wordt gehecht. De oplegging van een compenserende heffing op Chileense appelen, gezien in het algemene kader van de betrokken verordeningen, beoogt met een minimum aan kosten een conjuncturele anomalie op de betrokken produktmarkt op te heffen. De door verzoekster gesuggereerde oplegging van quota is een veel beperkendere maatregel dan de oplegging van een compenserende heffing. Uitputting van een quotum brengt immers een invoerverbod mee, terwijl een compenserende heffing de invoer alleen maar duurder maakt en voortzetting van invoer niet onmogelijk maakt, zolang de markt de betrokken kosten kan absorberen.
71 Volgens vaste rechtspraak kunnen de gemeenschapsinstellingen tijdelijk voorrang verlenen aan deze of gene doelstelling van artikel 39 van het Verdrag, wanneer de economische omstandigheden dit vereisen (zie met name arresten Hof van 20 september 1988, zaak 203/86, Jurispr. 1988, blz. 4563, r.o. 10; 19 maart 1992, zaak C-311/90, Hierl, Jurispr. 1992, blz. I-2061, r.o. 13, en 5 oktober 1994, zaak C-280/93, Duitsland/Raad, Jurispr. 1994, blz. I-0000, r.o. 47). In zijn arrest van 13 maart 1968 (zaak 5/67, Beus, Jurispr. 1968, blz. 119, 138) oordeelde het Hof, dat tot de in artikel 39 van het Verdrag omschreven doelstellingen "het verzekeren van de belangen van de landbouwers en die van de verbruikers behoort, zodat deze doeleinden niet alle tegelijkertijd volledig kunnen worden verwezenlijkt" en dat "de Raad bij afweging dezer belangen ten behoeve van de landbouwers eventueel het beginsel, dat aan de gemeenschapsbelangen de voorkeur toekomt (...) tot gelding moet brengen". De oplegging van een compenserende heffing beoogt met name deze communautaire preferentie te garanderen (arrest Hof van 11 februari 1988, zaak 77/86, National Dried Fruit Trade Association, Jurispr. 1988, blz. 757, r.o. 32). Zelfs indien de Commissie dus tijdelijk voorrang zou hebben gegeven aan het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking, dit ten detrimente van de andere doelstellingen van artikel 39, dan betekent dat nog niet noodzakelijkerwijs dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.
72 Bovendien wordt verzoeksters argument, dat de compenserende heffing op selectieve wijze slechts één doelstelling van artikel 39 EEG-Verdrag beoogde te verwezenlijken, namelijk het verzekeren van een redelijke levensstandaard voor de landbouwbevolking, dit ten detrimente van een andere doelstelling van hetzelfde artikel, namelijk het verzekeren van redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers, niet gestaafd door gegevens waaruit blijkt, dat de oplegging van een compenserende heffing afbreuk deed aan laatstgenoemde doelstelling. Zo heeft verzoekster niet aangetoond, dat de voor de appelen vastgestelde referentieprijs, die de compenserende heffing beoogde te beschermen, onredelijk was.
73 Met betrekking tot het argument, dat de Commissie een vrijwaringsmaatregel in plaats van een compenserende heffing had moeten vaststellen, zij er om te beginnen aan herinnerd, dat de vrijwaringsmaatregel waarin artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2707/72 voorziet voor het geval dat de invoer van een bepaald produkt ernstige verstoringen op de communautaire markt veroorzaakt, de schorsing van de invoer is. Ofschoon een compenserende heffing de invoer duurder maakt, heeft zij niet een zo vergaand gevolg. Het Gerecht is derhalve van oordeel, dat een compenserende heffing minder beperkend is dan een vrijwaringsmaatregel (zie met name arrest National Dried Fruit Trade Association, reeds aangehaald, r.o. 26) en dat verzoekster dus in geen geval kan klagen, dat geen vrijwaringsmaatregel is vastgesteld.
74 Daaraan zij toegevoegd, dat zelfs al was een vrijwaringsmaatregel in het onderhavige geval voor verzoekster minder beperkend geweest, dat argument in ieder geval irrelevant is. De Commissie moet in de uitoefening van haar bevoegdheden weliswaar ervoor waken aan de marktdeelnemers zwaardere lasten op te leggen dan nodig is om de door de overheid te realiseren doeleinden te bereiken, doch daaruit volgt niet, dat deze verplichting moet worden afgemeten aan de bijzondere situatie van een bepaalde marktdeelnemer of van een bepaalde groep marktdeelnemers (zie arrest Hof van 24 oktober 1973, zaak 5/73, Balkan, Jurispr. 1973, blz. 1091, r.o. 22).
75 Uit het voorgaande volgt, dat bij onderzoek van verzoeksters vierde middel tot nietigverklaring niet is gebleken, dat de Commissie het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de litigieuze verordeningen vast te stellen.
Schending van het beginsel van gelijke behandeling
76 In haar vijfde middel voert verzoekster aan, dat zij ongunstiger wordt behandeld dan andere importeurs van kwalitatief gelijkwaardige, doch uit andere landen afkomstige appelen. Zij stelt, dat ook uit Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Argentinië veel appelen werden ingevoerd, zonder dat de Commissie voor die produkten compenserende heffingen heeft ingesteld.
77 De Commissie betoogt, dat de gelijke behandeling enkel voor soortgelijke situaties geldt. Zij stelt, dat zij ook de uit Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland afkomstige appelen aan een compenserende heffing heeft onderworpen en dat die heffing voor ieder land afzonderlijk is berekend. Zij merkt op, dat oplegging van dezelfde heffing voor produkten waarvan de invoerprijs in de Gemeenschap verschillend is, een discriminerende behandeling zou opleveren.
78 Het Gerecht herinnert eraan, dat het beginsel van gelijke behandeling verbiedt om gelijke situaties verschillend of verschillende situaties gelijk te behandelden (arrest Hof van 5 maart 1980, zaak 265/78, Ferwerda, Jurispr. 1980, blz. 617, r.o. 7).
79 Het Gerecht is evenwel van oordeel, dat verzoekster geen schending van dit algemene beginsel van gemeenschapsrecht heeft aangetoond. Om te beginnen wordt niet betwist, dat de compenserende heffing op elke invoer van Chileense appelen van toepassing is. Wat voorts uit andere derde landen afkomstige appelen betreft, heeft verzoekster niet aangetoond, dat de invoerprijs van die appelen dezelfde was als die van de Chileense appelen, wat de oplegging van een identieke compenserende heffing noodzakelijk had gemaakt.
80 Uit het onderzoek van het vijfde middel tot nietigverklaring is derhalve niet gebleken van een schending van het beginsel van gelijke behandeling door de Commissie.
Misbruik van bevoegdheid
81 Verzoekster betoogt, dat de compenserende heffing van verordening nr. 846/93 een verkapte maatregel van structuurbeleid is en de problemen moet oplossen van de produktie van appelen van middelmatige kwaliteit.
82 Volgens de Commissie levert de compenserende heffing, zoals zij is berekend en ingesteld, geen misbruik van bevoegdheid op. De Commissie stelt, dat de structurele problemen door het mechanisme van het uit de markt nemen worden opgelost.
83 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster geen enkel concreet element heeft aangevoerd waaruit blijkt, dat de litigieuze verordeningen verkapte maatregelen van structuurbeleid zouden zijn.
84 Voorts is het Gerecht van oordeel, dat gevaar van misbruik van bevoegdheid slechts bestaat, wanneer de betrokken instelling over een ruime beoordelingsmarge beschikt. Zoals reeds gezegd, verplicht artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72, dat de rechtsgrondslag van verordening nr. 846/93 vormt, de Commissie echter om, behoudens uitzonderlijke gevallen, een compenserende heffing in te stellen wanneer de invoerprijs van een uit een derde land ingevoerd produkt zich gedurende twee opeenvolgende marktdagen handhaaft op een peil dat ten minste 0,6 rekeneenheid beneden de referentieprijs ligt. In casu zou van misbruik van bevoegdheid dus slechts sprake kunnen zijn, indien zich een "uitzonderlijk geval" in de zin van artikel 25, lid 1, van verordening nr. 1035/72 voordeed. Aangezien verzoeksters betoog, dat haar situatie een "uitzonderlijk geval" in de zin van die bepaling vormt, is afgewezen (zie r.o. 53 en 54 hierboven), faalt ook dit middel.
85 Uit het onderzoek van de verschillende relevante middelen tot nietigverklaring is derhalve niet gebleken, dat de Commissie bij de vaststelling van de litigieuze verordeningen een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel heeft geschonden, ter zake waarvan de Gemeenschap aansprakelijk zou kunnen worden gehouden.
86 Onder die omstandigheden, en zonder dat behoeft te worden onderzocht of aan de overige voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is voldaan, moet het beroep ongegrond worden verklaard voor zover het strekt tot veroordeling van de Gemeenschap tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden.
87 Mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
88 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy