Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1. Beroep tot nietigverklaring ° Natuurlijke of rechtspersonen ° Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken ° Uitvoering van lening die door Gemeenschap is toegekend aan Sovjet-Unie en haar republieken ° Beschikking van Commissie, gericht tot lener en houdende weigering om wijzigingen van contracten die zijn gesloten tussen door uitlener gemachtigd vertegenwoordiger en onderneming waaraan contract is gegund, als in overeenstemming met toepasselijke communautaire bepalingen te erkennen ° Beroep van onderneming ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 173, vierde alinea)
2. Beroep tot schadevergoeding ° Zelfstandig rechtsmiddel ten opzichte van beroep tot nietigverklaring ° Beroep strekkende tot intrekking van definitief geworden individuele beschikking ° Niet-ontvankelijkheid ° Bewijslast ° Aansprakelijkstelling van Gemeenschap ° Toelaatbaarheid
(EG-Verdrag, art. 178 en 215, tweede alinea)
Samenvatting
1. In het kader van de uitvoering van een lening die door de Gemeenschap aan de Sovjet-Unie en haar republieken is toegekend om de invoer van landbouw- en voedselprodukten en medische artikelen mogelijk te maken, wordt een onderneming waaraan een contract voor de levering van tarwe is gegund, niet rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag, door een beschikking van de Commissie die is gericht tot de financieel vertegenwoordiger van de republiek waaraan de lening is toegekend, en waarbij wordt geweigerd om wijzigingen van de contracten die zijn gesloten tussen de onderneming waaraan het contract is gegund en de gemachtigd vertegenwoordiger van de republiek waaraan de lening is toegekend, als in overeenstemming met de toepasselijke communautaire bepalingen te erkennen, voor zover er uitsluitend een rechtsverhouding bestaat tussen de onderneming waaraan het contract is gegund en haar wederpartij, namelijk de vertegenwoordiger die is gemachtigd om aankoopcontracten te sluiten, voor zover de Commissie slechts rechtsbetrekkingen onderhoudt met haar wederpartij, te weten de financieel vertegenwoordiger van de republiek waaraan de lening is toegekend, en voor zover de tussenkomst van de Commissie, wier rol uitsluitend erin bestaat, na te gaan of aan de door de gemeenschapsbepalingen gestelde voorwaarden is voldaan, geen invloed heeft op de rechtsgeldigheid van vorenbedoelde contracten.
Derhalve is het beroep tot nietigverklaring dat tegen deze beschikking is ingesteld door de onderneming waaraan het contract is gegund, niet-ontvankelijk.
2. De schadevergoedingsactie bedoeld in de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag, is een zelfstandig rechtsmiddel met een eigen functie in het stelsel der beroepsmogelijkheden, zodat de niet-ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring in beginsel niet de niet-ontvankelijkheid meebrengt van een beroep tot vergoeding van schade die beweerdelijk is geleden als gevolg van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd. Dit is evenwel anders, wanneer het beroep tot schadevergoeding in werkelijkheid strekt tot intrekking van een definitief geworden individuele beschikking en wanneer het dus misbruik van procedure oplevert. De bewijslast voor een dergelijk misbruik van procedure rust op de partij die dit misbruik stelt.
Aan deze verplichting voldoet niet de exceptie van niet-ontvankelijkheid waarin uitsluitend wordt gesteld, dat het de verzoeker er enkel om te doen was, langs de weg van schadevergoeding dezelfde prijs te verkrijgen als hij zou hebben gekregen indien de Commissie in het kader van de uitvoering van een door de Gemeenschap toegekende lening de wijzigingen van een door een verzoeker gesloten commercieel contract als in overeenstemming met de toepasselijke gemeenschapsbepalingen had erkend. Aangezien voorts niet kan worden uitgesloten, dat derden schade kunnen lijden door handelingen of gedragingen van de Commissie, haar diensten of personeelsleden, dient eenieder die stelt door zulke handelingen of gedragingen te zijn geschaad, de mogelijkheid te hebben om beroep in te stellen, op voorwaarde dat wordt bewezen dat er schade is die is veroorzaakt door een aan de Gemeenschap toe te rekenen onrechtmatige handeling of gedraging. Derhalve moet een vordering tot vergoeding van de materiële schade die een verzoeker stelt te hebben geleden door de beschikking van de Commissie waarbij zij weigert de wijzigingen van het contract als in overeenstemming met de toepasselijke communautaire bepalingen te erkennen, ontvankelijk worden verklaard.
Partijen
In zaak T-491/93,
Richco Commodities Ltd, vennootschap naar het recht van Bermuda, gevestigd te Hamilton (Bermuda), vertegenwoordigd door P. V. F. Bos en J. G. A. van Zuuren, advocaten te Rotterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Loesch, advocaat aldaar, Rue Goethe 11,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B. J. Drijber en N. Khan, leden van haar juridische dienst, en ter terechtzitting door M.-J. Jonczy, juridisch adviseur, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende in de eerste plaats een verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 1 april 1993, gericht tot de Vnesheconombank, en in de tweede plaats tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van de bestreden beschikking,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. P. Briët, kamerpresident, B. Vesterdorf en A. Potocki, rechters,
griffier: J. Palacio González, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 25 april 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Toepasselijke wettelijke regeling
1 Na de noodzaak te hebben vastgesteld van het verlenen van voedselhulp en medische bijstand aan de Sovjet-Unie en haar republieken, heeft de Raad op 16 december 1991 besluit 91/658/EEG betreffende de toekenning van een lening op middellange termijn aan de Sowjetunie en haar Republieken (PB 1991, L 362, blz. 89; hierna: "besluit 91/658") vastgesteld, dat bepaalt:
"Artikel 1
1. De Gemeenschap verstrekt de USSR en haar Republieken een lening op middellange termijn voor een hoofdsom van ten hoogste 1 250 miljoen ecu, die in drie achtereenvolgende tranches zal worden uitbetaald en een looptijd van maximaal drie jaar heeft, om de invoer mogelijk te maken van landbouw- en voedselprodukten en medische artikelen (...)
Artikel 2
Met het oog op het bepaalde in artikel 1 wordt de Commissie gemachtigd namens de Europese Economische Gemeenschap de nodige middelen op te nemen die in de vorm van een lening ter beschikking van de USSR en haar Republieken worden gesteld.
Artikel 3
De in artikel 2 bedoelde lening wordt door de Commissie beheerd.
Artikel 4
1. De Commissie wordt gemachtigd om met de autoriteiten van de USSR en haar Republieken (...) de economische en financiële voorwaarden uit te werken voor de toekenning van de lening, de regels voor de terbeschikkingstelling van de middelen en de voor de aflossing van de lening vereiste garanties.
(...)
3. De produkten waarvan de invoer met de leningsmiddelen wordt gefinancierd, worden tegen wereldmarktprijzen geïmporteerd. Voor de aankoop en de levering van deze produkten, die aan internationaal erkende kwaliteitsnormen moeten voldoen, moet de vrije concurrentie worden gewaarborgd."
2 Op 9 juli 1992 stelde de Commissie verordening (EEG) nr. 1897/92 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor besluit 91/658/EEG inzake een lening op middellange termijn aan de Sowjetunie en haar Republieken (PB 1992, L 191, blz. 22; hierna: "verordening nr. 1897/92") vast, die bepaalt:
"Artikel 2
De leningen worden gesloten op grond van overeenkomsten tussen de Republieken en de Commissie waarin de voorschriften van de artikelen 3 tot en met 7 als voorwaarden voor de uitbetaling van de betrokken bedragen zijn opgenomen.
(...)
Artikel 4
1. Met de leningen kunnen alleen aankopen en leveringen van produkten worden gefinancierd die gebeuren in het kader van contracten die door de Commissie zijn goedgekeurd, omdat zij voldoen aan het bepaalde in besluit 91/658/EEG en in de in artikel 2 bedoelde overeenkomsten.
2. De Republieken of de door hen aangewezen financiële vertegenwoordigers moeten de contracten voor goedkeuring aan de Commissie voorleggen.
Artikel 5
De in artikel 4 bedoelde goedkeuring wordt slechts verleend wanneer met name de onderstaande voorwaarden zijn vervuld:
1. Het contract moet worden afgesloten volgens een procedure die vrije concurrentie waarborgt (...)
2. Het contract moet de gunstigste aankoopcondities bieden in vergelijking met de normale prijs op de wereldmarkt."
3 Op 9 december 1992 sloten de EEG, de Russische Federatie en haar financieel vertegenwoordiger, de Vnesheconombank (hierna: "VEB"), overeenkomstig verordening nr. 1897/92 een "Memorandum of Understanding" (hierna: "memorandum"), op basis waarvan de Gemeenschap Rusland de bij besluit 91/658 in het leven geroepen lening zou verstrekken. Zo was bepaald dat de EEG, als uitlener, aan de VEB, als lener, onder garantie van de Russische Federatie, een lening op middellange termijn voor een hoofdsom van 349 miljoen ECU zou verstrekken met een maximale looptijd van drie jaar. Het memorandum vermeldt onder meer:
"6. Het bedrag van de lening, minus commissies en kosten van de EEG, zal aan de lener worden uitbetaald en zal, overeenkomstig de voorwaarden van de leningsovereenkomst, enkel worden gebruikt ter dekking van onherroepelijke documentaire kredieten die door de lener volgens de internationale standaardmodellen zijn geopend op basis van leveringscontracten, op voorwaarde dat dergelijke contracten en documentaire kredieten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn goedgekeurd als zijnde in overeenstemming met het besluit van de Raad van 16 december 1991 en met dit Memorandum."
Volgens punt 7 van het memorandum moest voor goedkeuring van de overeenkomst aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Een van deze voorwaarden was, dat de leveranciers werden geselecteerd door daartoe door de regering van de Russische Federatie aangewezen Russische organisaties.
4 Op 9 december 1992 sloten de Commissie en de VEB de in verordening nr. 1897/92 en het memorandum voorziene leningsovereenkomst. In deze overeenkomst was een nauwkeurige omschrijving van het mechanisme van uitbetaling van de lening opgenomen. Er werd een kredietfaciliteit gecreëerd, waarvan gedurende de trekkingsperiode (15 januari 1993-15 juli 1993) gebruik kon worden gemaakt en die tot doel had, de bedragen voor te schieten die waren goedgekeurd voor de betaling van de leveringen.
5 Het mechanisme voor de uitbetaling, dat was gebaseerd op klassieke regelingen die in de internationale handel gewoonlijk worden toegestaan, wordt in deel III van de leningsovereenkomst als volgt beschreven:
"5. Trekking
5.1. Procedure
a) De lener zal de uitlener op de hoogte stellen van een voorgenomen uitbetaling door middel van de indiening van een verzoek om goedkeuring (...)
b) Indien de trekkingsperiode is ingegaan en de uitlener op basis van de informatie in het verzoek om goedkeuring en naar zijn volstrekt eigen oordeel ervan overtuigd is, dat het doel van de voorgenomen uitbetaling in overeenstemming is met artikel 3 en met het Memorandum en de adviserende/confirmerende bank die in het verzoek om goedkeuring is genoemd, voor de uitlener aanvaardbaar is, geeft hij binnen een redelijke termijn een bericht van bevestiging overeenkomstig het model in bijlage 3.
c) Na ontvangst van een bericht van bevestiging betreffende een voorgenomen uitbetaling dient de lener binnen de betalingsperiode een verzoek tot uitbetaling in overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.3.
(...)
5.3. Uitbetaling
a) Een betaling zal, onverminderd artikel 5.5, slechts ter beschikking worden gesteld voor trekking na een verzoek tot uitbetaling dat de uitlener van de lener heeft ontvangen, om een betaling te doen die door de lener aan een goedgekeurde confirmerende bank verschuldigd is. Alle ingediende verzoeken tot uitbetaling zijn onherroepelijk en verbinden de lener (behoudens de artikelen 10 en 12) als debiteur van het aangegeven bedrag op de aangegeven dag en verplichten hem de uitbetalingsvoorwaarden te aanvaarden.
b) Elk verzoek tot uitbetaling moet:
i) worden gedaan overeenkomstig het in bijlage 4 voorgeschreven model;
ii) worden ondertekend door de lener;
iii) een verzoek inhouden dat de relevante betaling uiterlijk op de laatste werkdag van de trekkingsperiode aan de goedgekeurde confirmerende bank wordt verricht, door de rekening van die bank te crediteren met het bedrag van die betaling;
iv) vergezeld gaan van de in bijlage 4 gespecificeerde documenten."
6 Het voorziene instrument van het onherroepelijke documentaire krediet is in overeenstemming met de door de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs vastgestelde "Uniforme Regelen en Usances met betrekking tot Documentaire Kredieten", die door de Gemeenschap als standaardmodel voor documentaire kredieten voor de kredietopenende banken zijn aanvaard.
7 Op 15 januari 1993 sloot de Commissie als lener overeenkomstig artikel 2 van besluit 91/658 namens de Gemeenschap een leningsovereenkomst met een bankconsortium onder leiding van Crédit Lyonnais.
De feitelijke grondslag van het geschil
8 Verzoekster, een internationale handelsmaatschappij, werd te zamen met andere maatschappijen benaderd in het kader van een onderhandse aanbesteding, georganiseerd door de vennootschap Exportkhleb, een staatsonderneming die door de Russische Federatie was belast met de onderhandelingen over de aankoop van graan.
9 Op 28 november 1992 sloot verzoekster met Exportkhleb een overeenkomst voor de verkoop van tarwe, waarbij zij zich verplichtte tot leverantie van 700 000 ton maaltarwe tegen een prijs van 140 USD per ton, cif Free Out ° Baltische havens. In de overeenkomst was bedongen, dat de handelswaar vóór 28 februari 1993 zou worden verscheept.
10 Na ondertekening van de leningsovereenkomst (zie r.o. 4) verzocht de VEB de Commissie om goedkeuring van de tussen Exportkhleb en de exporterende vennootschappen gesloten overeenkomsten, waaronder die met verzoekster.
11 Nadat de Commissie van verzoekster enkele noodzakelijke aanvullende inlichtingen had verkregen, onder meer over de wisselkoers ECU/USD, die in de overeenkomst niet was vastgelegd, gaf zij op 27 januari 1993 uiteindelijk haar goedkeuring in de vorm van een bericht van bevestiging, gericht aan de VEB. Volgens verzoekster is bij dit bericht van bevestiging de overeenkomst echter op twee punten gewijzigd, namelijk de duur van de aflading, die de Commissie eenzijdig zou hebben verlengd tot 31 maart 1993, en de wisselkoers ECU/USD. Bij addendum nr. 2, ondertekend op 28 januari 1993, zijn Exportkhleb en verzoekster uiteindelijk overeengekomen om de wisselkoers vast te stellen op basis van de officiële koers van 15 januari 1993, hetgeen de prijs bracht op 115,86 ECU per ton.
12 Volgens verzoekster werd het documentaire krediet pas operationeel op 22 februari 1993, dat wil zeggen één week voor de afloop van de in de contracten opgenomen aflaadtermijn (28 februari 1993).
13 Weliswaar was een belangrijk deel van het goed geleverd of onderweg, maar volgens verzoekster werd duidelijk, dat de totale hoeveelheid niet kon worden geleverd vóór 28 februari 1993.
14 Op 19 februari 1993 riep de vennootschap Exportkhleb alle exporteurs bijeen voor een vergadering te Brussel. Tijdens deze vergadering, die plaatsvond op 22 en 23 februari 1993, verzocht Exportkhleb de exporteurs om nieuwe offertes uit te brengen voor de levering van wat zij noemde het "te verwachten restant", dat wil zeggen de hoeveelheden waarvan redelijkerwijs kon worden verwacht, dat zij niet vóór 28 februari 1993 zouden worden geleverd. Volgens verzoekster was de koers van tarwe op de wereldmarkt tussen november 1992, de maand waarin de verkoopovereenkomst was gesloten, en februari 1993, de maand waarin nieuwe onderhandelingen werden gevoerd, aanzienlijk gestegen.
15 Na afloop van de onderhandelingen, tijdens welke de vennootschappen hun offertes moesten aanpassen aan de laagste offerte, dat wil zeggen 155 USD per ton, die volgens verzoekster de prijs op de wereldmarkt op dat moment weerspiegelde, werd tussen Exportkhleb en haar wederpartijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de nieuwe hoeveelheden die elke vennootschap zou leveren. De vennootschap Richco kreeg een contract voor 450 000 ton maaltarwe, te leveren gedurende de periode maart/april 1993. Op grond van de nieuwe, door de partijen vastgestelde wisselkoers bedroeg de contractsprijs 132 ECU.
16 Volgens verzoekster werd wegens de nijpende voedselsituatie in Rusland op verzoek van Exportkhleb besloten, deze wijzigingen vast te leggen in een, op 23 februari 1993 gedateerd, eenvoudig addendum bij de oorspronkelijke overeenkomst (addendum nr. 3). Bij de opstelling van dit addendum werd overeengekomen, de te leveren hoeveelheid tarwe naar beneden bij te stellen tot 430 200 ton, teneinde, aldus verzoekster, te voorkomen dat de nieuwe totale prijs boven de oorspronkelijk voorziene totale prijs zou uitstijgen.
17 Op 9 maart 1993 deelde de vennootschap Exportkhleb de Commissie mee, dat de met verzoekster gesloten overeenkomst was gewijzigd.
18 Op 12 maart 1993 antwoordde de heer Legras, directeur-generaal Landbouw (DG VI), aan Exportkhleb, dat hij haar aandacht erop vestigde dat, aangezien de maximumwaarde van deze contracten reeds was vastgesteld bij het bericht van bevestiging van de Commissie en het totaalbedrag van de voor de tarwe beschikbare kredieten reeds bij contract was vastgelegd, de Commissie een dergelijk verzoek enkel kon accepteren, indien de totale waarde van de contracten dezelfde bleef, hetgeen kon worden bereikt door een overeenkomstige verlaging van de hoeveelheden die nog moesten worden geleverd. Hij voegde hieraan toe, dat de Commissie het verzoek om goedkeuring van de wijzigingen slechts in overweging kon nemen, indien door de VEB formeel daarom werd verzocht.
19 Volgens verzoekster is deze informatie aldus uitgelegd, dat de Commissie instemde met de wijzigingen.
20 Volgens verzoekster heeft de VEB de stukken met de nieuwe offertes en de contractswijzigingen formeel aan de Commissie voorgelegd op 23 en 26 maart 1993. Verzoekster stelt, dat zij op 7 april 1993 door Exportkhleb op de hoogte werd gesteld van de weigering van de Commissie om de wijzigingen van het oorspronkelijk gesloten contract goed te keuren, een weigering die was vervat in een brief die het lid van de Commissie dat is belast met landbouwvraagstukken, op 1 april 1993 aan de VEB had gezonden.
21 In zijn brief van 1 april 1993 liet het Commissielid R. Steichen in hoofdzaak weten, dat de Commissie, na onderzoek van de wijzigingen van de tussen Exportkhleb en bepaalde leveranciers gesloten contracten, de wijzigingen betreffende de verschuiving van de leverings- en de betalingstermijnen kon aanvaarden. Hij stelde evenwel, dat "de omvang van de prijsverhogingen van dien aard is, dat de Commissie deze niet kan aanmerken als een noodzakelijke aanpassing, doch als een wezenlijke wijziging van de oorspronkelijk onderhandelde contracten beschouwt". Hij vervolgde: "Het huidige prijsniveau op de wereldmarkt (eind maart 1993) verschilt in feite niet veel van het prijsniveau op de datum waarop de oorspronkelijke prijzen werden overeengekomen (eind november 1992)." Het Commissielid herinnerde eraan, dat de eis om een vrije mededinging tussen potentiële leveranciers alsmede de gunstigste aankoopcondities te waarborgen, een van de belangrijkste factoren voor de goedkeuring van de Commissie was. Na te hebben vastgesteld, dat de wijzigingen in casu rechtstreeks waren overeengekomen met de betrokken ondernemingen, zonder mededinging van andere leveranciers, concludeerde hij: "De Commissie kan dergelijke ingrijpende veranderingen niet goedkeuren als een loutere wijziging van bestaande contracten." Het Commissielid verklaarde zich bereid, de wijzigingen betreffende de verschuiving van de leveringen en betalingen goed te keuren, op voorwaarde dat de normale procedure in acht zou worden genomen. Daarentegen gaf hij te kennen: "Indien het noodzakelijk mocht worden geacht om de prijzen of de hoeveelheden te wijzigen, moet worden onderhandeld over nieuwe contracten die overeenkomstig de gebruikelijke volledige procedure (met inbegrip van de indiening van ten minste drie offertes) ter goedkeuring aan de Commissie moeten worden voorgelegd."
Het procesverloop en de conclusies van partijen
22 Onder deze omstandigheden heeft verzoekster bij op 5 juli 1993 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer C-343/93.
23 Bij beschikking van 27 september 1993 heeft het Hof de zaak krachtens besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21) naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen verwezen.
24 De zaak is ter griffie van het Gerecht ingeschreven onder nummer T-491/93. Bij op 30 september 1993 ter griffie neergelegde akte heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen.
25 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Derde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
26 Partijen zijn gehoord in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht ter openbare terechtzitting van 25 april 1996.
27 Verzoekster verzoekt het Gerecht:
° de beschikking of althans de aan de VEB gerichte handeling van de Commissie van 1 april 1993 nietig te verklaren;
° de Gemeenschap te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van 7 374 023,78 ECU, dat wil zeggen 6 615 990,36 ECU, zijnde het verschil tussen de overeengekomen en de betaalde prijs, plus 758 033,42 ECU aan gederfde interest, het geheel vermeerderd met rente vanaf de dag van de instelling van het beroep;
° de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding.
28 In haar exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de Commissie het Gerecht:
° het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren;
° het beroep tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren;
° verzoekster te verwijzen in de kosten van het geding.
29 In haar opmerkingen betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt verzoekster het Gerecht:
° de exceptie van niet-ontvankelijkheid, zowel wat het beroep tot nietigverklaring als het beroep inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid betreft, af te wijzen;
° subsidiair, de exceptie te voegen met de zaak ten gronde;
° de Commissie te gelasten, de volledige tekst van de twee leningsovereenkomsten toe te voegen aan het dossier en Richco in staat te stellen hierover haar opmerkingen te maken.
De ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring
Argumenten van partijen
30 De Commissie werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid op, op grond dat verzoekster door de bestreden handeling niet rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag.
31 Om te beginnen geeft de Commissie een uitvoerige beschrijving van het stelsel van de betrokken wettelijke regelingen en overeenkomsten. Haars inziens zijn deze regelingen van dien aard dat het beroep op grond van artikel 173 van het Verdrag niet-ontvankelijk is.
32 Het memorandum vormt volgens de Commissie de basis van de overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Russische Federatie, op grond waarvan de lening is toegekend. In het memorandum worden het bedrag van de lening (349 miljoen ECU) en de voorwaarden voor goedkeuring van de contracten vastgelegd.
33 Met betrekking tot de leningsovereenkomst merkt zij in de eerste plaats op, dat er geen aanleiding bestond ervan uit te gaan, dat de daarin voorziene faciliteit met ingang van 15 januari 1993 beschikbaar zou zijn, aangezien in artikel 4 is bepaald, dat deze slechts beschikbaar wordt wanneer diverse voorwaarden zijn vervuld, en in de tweede plaats dat de leningsovereenkomst haar geen enkele rol toebedeelt bij het sluiten van de leveringscontracten, waarvan zij slechts verifieert, of zij in aanmerking komen voor de communautaire lening.
34 Wat het eigenlijke documentaire krediet betreft, merkt de Commissie op, dat het onherroepelijke krediet weliswaar een juridisch bindende overeenkomst tot stand brengt tussen de bankier die het krediet opent en de debiteur, doch dat een dergelijke overeenkomst geen enkele verbintenis van de Gemeenschap bevat, dat de vordering tot betaling van de leverancier door de communautaire autoriteiten zal worden voldaan. Zoals bij ieder niet geconfirmeerd krediet leidt het door de bank geopende krediet enkel tot een potentiële verplichting van deze bank jegens de leverancier, aangezien diens aanspraak op betaling slechts ontstaat wanneer de vennootschap de documenten overlegt die aantonen dat de voor betaling noodzakelijke handelingen zijn verricht, bij voorbeeld die documenten waaruit de levering van het graan blijkt. De Commissie leidt hieruit af, dat de Gemeenschap derhalve geen enkele verplichting op zich neemt ten opzichte van de leverancier of zijn bank en merkt op, dat de Gemeenschap in de praktijk aan de bank van de leverancier weliswaar de terugbetaling toezegt na ontvangst van een bevredigend betalingsverzoek, doch dat deze toezegging in elk geval afhangt van de voorwaarde dat de gegevens in het bericht van bevestiging overeenkomen met die van het documentaire krediet, en dat deze toezegging bovenal slechts een verbintenis jegens de bank van de leverancier is, waaraan de Gemeenschap slechts garandeert, dat aan de verplichting van de kredietopenende bank zal worden voldaan overeenkomstig het documentaire krediet. Het recht van een leverancier op betaling op grond van een niet geconfirmeerd documentair krediet geldt uitsluitend jegens de bank die het krediet heeft geopend, in casu de VEB.
35 Het met Exportkhleb gesloten verkoopcontract werd volgens de Commissie ondertekend voordat het memorandum en de leningsovereenkomst tot stand waren gekomen en verzoekster had geen enkele invloed op de datum van ondertekening van de Russische lening en evenmin op de datum waarop de kredietopenende bank zou voldoen aan de voorwaarden voor de beschikbaarstelling van de lening.
36 Wat het bericht van bevestiging betreft, merkt de Commissie op, dat zij het door de VEB overgelegde contract heeft getoetst aan de bepalingen van de leningsovereenkomst en dit bericht heeft opgesteld op 27 januari 1993, dat wil zeggen voordat het contract werd gewijzigd.
37 De Commissie wijst nog op de overeenkomsten tussen dit systeem en het systeem dat de financiering van ontwikkelingsprojecten in het kader van de Overeenkomst van Lomé regelt. Zoals het Hof heeft gepreciseerd in het arrest van 10 juli 1984 (zaak 126/83, STS, Jurispr. 1984, blz. 2769), wordt in artikel 120 van de Overeenkomst van Lomé het fundamentele beginsel vastgelegd, dat alleen de staten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de projecten en actieprogramma' s. In dat verband zijn zij verantwoordelijk voor het uitwerken van, het onderhandelen over en het sluiten van de nodige contracten voor de tenuitvoerlegging van deze operaties. Hetzelfde geldt volgens de Commissie voor het systeem dat is ingevoerd om de invoer van tarwe te financieren, aangezien het memorandum bepaalt, dat de lening wordt verstrekt ter dekking van door de lener ter uitvoering van leveringscontracten afgegeven onherroepelijke documentaire kredieten. Volgens de Commissie is haar rol in het systeem van Lomé zelfs belangrijker dan in het systeem van de Ruslandlening, aangezien zij in casu niet betrokken is bij de gunning van het contract.
38 Volgens de Commissie wordt verzoekster door de litigieuze brief van 1 april 1993 niet rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag. Verzoekster verwart de rol van de Commissie, die uitsluitend bestaat in het machtigen tot uitbetaling van de Ruslandlening, met de contractuele verhouding tussen Exportkhleb en de Commissie. De weigering van de Commissie zou dus geen enkel rechtsgevolg hebben voor deze contractuele verhouding. Exportkhleb blijft, ongeacht de beslissing van de Commissie, verplicht tot betaling van de hogere prijs. De brief van de Commissie zou enkel tot gevolg hebben, dat de lening niet meer kan worden gebruikt om tarweleveranties volgens de gewijzigde contractvoorwaarden te betalen.
39 De Commissie verwijst hiervoor naar het reeds aangehaalde arrest STS, waarin soortgelijke problemen in het kader van de Overeenkomst van Lomé aan de orde kwamen en waarvan de oplossing dus ook op deze zaak zou kunnen worden toegepast.
40 De Commissie concludeert, dat evenals zijzelf een derde partij is bij de verkoopovereenkomst tussen Exportkhleb en verzoekster, verzoekster een derde partij is bij de leningsovereenkomst. Onder die omstandigheden kan verzoekster niet rechtstreeks worden geraakt in de zin van artikel 173 van het Verdrag.
41 Verzoekster, die stelt door de brief van 1 april 1993 individueel te zijn geraakt, betoogt dat zij om meerdere redenen ook rechtstreeks wordt geraakt.
42 In de eerste plaats heeft het Hof in het arrest van 1 juli 1965 (gevoegde zaken 106/63 en 107/63, Toepfer en Getreide-Import, Jurispr. 1965, blz. 507) geoordeeld, dat een particulier rechtstreeks wordt geraakt door een beslissing van een instelling, wanneer die beslissing in de plaats treedt van die van de nationale autoriteit. Deze oplossing geldt ook voor de onderhavige zaak, omdat de goedkeuringsbeslissing van de Commissie in de plaats treedt van de beslissing van de Russische Federatie, de VEB of Exportkhleb om de aankoop van tarwe al dan niet door te zetten. De uitvoering van het contract is immers geheel afhankelijk van de toewijzing van communautaire kredieten, hetgeen overigens volgt uit de opschortende voorwaarde in het leveringscontract.
43 In de tweede plaats heeft de VEB, tot wie de beschikking van de Commissie is gericht, geen enkele beoordelingsmarge indien de Commissie weigert het contract goed te keuren. Gelet op de redenering van het Hof in het arrest van 13 mei 1971 (gevoegde zaken 41/70-44/70, International Fruit Company, Jurispr. 1971, blz. 411), wordt verzoekster wel degelijk rechtstreeks geraakt door de beschikking van de Commissie.
44 In de derde plaats heeft de Commissie geen enkele beoordelingsmarge bij de toepassing van de voorwaarden, die worden genoemd in verordening nr. 1897/92, die rechtstreekse werking heeft. De contracterende ondernemingen hebben dus recht op een ° positieve dan wel negatieve ° beslissing van de Commissie over de goedkeuring van het contract. Indien de ondernemingen dit recht wordt ontnomen, worden zij in hun belang getroffen en hierdoor rechtstreeks geraakt.
45 In de vierde plaats rechtvaardigen ook de aard en de draagwijdte van de beschikking de conclusie, dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt (arrest Hof van 18 november 1975, zaak 100/74, CAM, Jurispr. 1975, blz. 1393). De beschikking is er immers op gericht, de Russische Federatie in staat te stellen eerste levensbehoeften aan te schaffen tegen normale commerciële voorwaarden. Een negatieve beschikking kan betekenen, dat het contract afspringt of, zoals in casu, een leverancier wordt gedwongen tegen niet-marktconforme prijzen te leveren.
46 In de vijfde plaats kan de rechtspraak van het Hof in het kader van de Overeenkomst van Lomé niet op de onderhavige zaak worden toegepast, aangezien de Commissie actief betrokken is geweest bij de totstandkoming en de afwikkeling van het contract, evenals overigens bij de totstandkoming en de uitvoering van diverse andere contracten die verzoekster met Exportkhleb heeft gesloten.
Beoordeling door het Gerecht
47 Volgens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken.
48 Derhalve moet worden nagegaan, of verzoekster door de brief van 1 april 1993 van de Commissie aan de VEB rechtstreeks en individueel wordt geraakt.
49 Om te beginnen stelt het Gerecht vast, dat de Commissie niet heeft betwist, dat verzoekster individueel wordt geraakt. Gelet op de omstandigheden van het onderhavige geval meent het Gerecht, dat enkel behoeft te worden onderzocht, of verzoekster door de in geding zijnde beschikking rechtstreeks wordt geraakt.
50 In dit verband dient te worden vastgesteld, dat door de communautaire regelgeving en de tussen de Gemeenschap en de Russische Federatie gesloten overeenkomsten een verdeling van bevoegdheden tot stand is gebracht tussen de Commissie en de vertegenwoordiger die door de Russische Federatie is gemachtigd om tarwe aan te kopen. Het is immers de taak van deze vertegenwoordiger, in casu Exportkhleb, om via een aanbesteding de contractpartner te kiezen, te onderhandelen over de contractvoorwaarden en de overeenkomst te sluiten. Aan de Commissie is enkel de rol toebedeeld, na te gaan of aan de voorwaarden voor de financiering door de Gemeenschap is voldaan en, in voorkomend geval, voor de betaling van de lening vast te stellen dat deze overeenkomsten voldoen aan het bepaalde in besluit 91/658 en de met de Russische Federatie gesloten overeenkomsten. De Commissie dient het commerciële contract derhalve niet te toetsen aan andere criteria dan de zojuist genoemde.
51 Dit betekent, dat er uitsluitend een rechtsverhouding bestaat tussen de onderneming waaraan een contract wordt gegund, en haar wederpartij, Exportkhleb, die door de Russische Federatie is gemachtigd tot het sluiten van contracten voor de aankoop van tarwe. De Commissie onderhoudt slechts rechtsbetrekkingen met de lener, te weten de financieel vertegenwoordiger van de Russische Federatie, de VEB, die haar de commerciële contracten ter goedkeuring voorlegt en tot wie de beschikking van de Commissie ter zake is gericht.
52 Derhalve heeft de tussenkomst van de Commissie geen invloed op de rechtsgeldigheid van het tussen verzoekster en Exportkhleb gesloten commerciële contract en brengt zij geen wijziging in de contractvoorwaarden, waaronder de tussen partijen overeengekomen prijzen. Los van het besluit van de Commissie om de contracten niet als conform de toepasselijke bepalingen te erkennen, blijft de op 23 februari 1993 door de partijen in hun contract van 28 november 1992 aangebrachte wijziging derhalve geldig in de tussen hen overeengekomen bewoordingen.
53 Het feit dat de Commissie met verzoekster of Exportkhleb contact heeft gehad doet niet af aan deze beoordeling van de rechten en verplichtingen die voor elk van de betrokken partijen voortvloeien uit de toepasselijke wettelijke regelingen en overeenkomsten. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring merkt het Gerecht bovendien op, dat uit de briefwisseling waarop verzoekster zich beroept, niet blijkt dat de Commissie buiten haar rol is getreden, die erin bestaat het oorspronkelijke of gewijzigde contract al dan niet als conform te erkennen. Zo hadden de gestelde contacten tussen de Commissie en verzoekster in januari 1993 uitsluitend tot doel, te bewerkstelligen dat de partijen in hun contract een onontbeerlijke voorwaarde voor de conformverklaring zouden opnemen, maar werd het aan de partijen overgelaten om hun contract te wijzigen indien zij voor de voorziene financiering in aanmerking wilden komen. Ook het feit dat verzoekster door de diensten van de Commissie van het verloop van de zaak op de hoogte werd gehouden, met name doordat zij een afschrift ontving van het aan de VEB gerichte bericht van bevestiging, is geen gegeven dat aantoont dat verzoekster door deze beschikking rechtstreeks wordt geraakt.
54 Voorts kan de VEB weliswaar, wanneer zij van de Commissie een beschikking ontvangt waarin wordt vastgesteld dat het contract niet in overeenstemming is met de toepasselijke bepalingen, geen documentair krediet openen waarvoor een communautaire garantie geldt, maar dit neemt niet weg dat, zoals hiervoor is vastgesteld, noch de geldigheid van het tussen verzoekster en Exportkhleb gesloten contract, noch de voorwaarden daarvan door de beschikking worden aangetast. Dienaangaande moet worden beklemtoond, dat de beschikking van de Commissie niet in de plaats treedt van een beslissing van de Russische autoriteiten, aangezien de Commissie alleen bevoegd is, de conformiteit van de contracten te onderzoeken met het oog op de financiering door de Gemeenschap.
55 Verder merkt het Gerecht met betrekking tot de rechtstreekse toepasselijkheid van de door verzoekster ingeroepen verordening nr. 1897/92 op, dat deze verordening in artikel 5, blijkens het gebruik van de uitdrukking "met name", een niet-uitputtende opsomming geeft van de voorwaarden waaraan de contracten moeten voldoen om voor financiering door de Gemeenschap in aanmerking te komen; voorts verwijst artikel 4, lid 1, van de verordening uitdrukkelijk naar de bepalingen van de tussen de Russische Federatie en de Commissie gesloten overeenkomsten. In de leningsovereenkomst, waarin nauwkeurig de procedure wordt geregeld volgens welke de financiering door de Gemeenschap wordt toegekend, is in artikel 5.1 sprake van een volstrekt discretionaire bevoegdheid van de Commissie. In die omstandigheden gaat het argument van verzoekster niet op.
56 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat verzoekster niet kan staven dat zij rechtstreeks door de in geding zijnde beschikking wordt geraakt, met een beroep op het feit dat in de commerciële contracten een opschortende voorwaarde voorkomt, volgens welke de uitvoering van het contract en de betaling van de prijs afhankelijk zijn van de erkenning van de Commissie dat aan de voorwaarden voor uitbetaling van de communautaire lening is voldaan. Een dergelijke voorwaarde is immers een verband dat de partijen bij een overeenkomst wensen te leggen tussen de overeenkomst die zij sluiten en een toekomstige onzekere gebeurtenis, die enkel indien zij intreedt hun overeenkomst bindende werking zal verlenen. Het Gerecht is van oordeel, dat de ontvankelijkheid van een beroep krachtens artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag niet afhankelijk kan worden gemaakt van de wil van partijen. Dientengevolge moet verzoeksters argument worden afgewezen.
57 Gezien het voorgaande, acht het Gerecht verzoekster niet rechtstreeks geraakt in de zin van artikel 173, vierde alinea, van het Verdrag door de tot de VEB gerichte beschikking van de Commissie van 1 april 1993. Mitsdien moet het tegen deze beschikking ingestelde beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard.
De ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
58 De Commissie stelt in de eerste plaats, dat de brief van 1 april 1993 niet in strijd is met de bepalingen van de met de Russische Federatie gesloten leningsovereenkomst, zodat haar geen onwettig gedrag kan worden verweten, waardoor zij aansprakelijk zou zijn, zeker niet jegens een persoon die door deze beschikking niet rechtstreeks wordt geraakt.
59 Ofschoon het Hof volgens de Commissie het beginsel heeft bevestigd dat het beroep tot schadevergoeding autonoom is ten opzichte van het beroep tot nietigverklaring (arrest Hof van 28 april 1971, zaak 4/69, Luetticke, Jurispr. 1971, blz. 325, r.o. 6, waarin het Hof zou zijn teruggekomen op de uitspraak in zijn arrest van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr. 1963, blz. 205; alsook arrest Hof van 10 juli 1985, zaak 118/83, CMC, Jurispr. 1985, blz. 2325, r.o. 31), is het beroep tot schadevergoeding toch niet-ontvankelijk, wanneer de vordering in werkelijkheid geen betrekking heeft op schadevergoeding, maar gericht is tegen de geldigheid van de handeling. In casu is het verzoekster volgens de Commissie er slechts om te doen, langs de weg van schadevergoeding dezelfde prijs te verkrijgen als zij zou hebben gekregen indien de Commissie de prijsverhoging had goedgekeurd, zodat de vordering een poging is om de vereisten van artikel 173 van het Verdrag te omzeilen.
60 De Commissie herinnert er ten slotte aan, dat een groot deel van de leveringen waarvoor verzoekster schadevergoeding vordert, heeft plaatsgehad nog voordat de VEB de Commissie om goedkeuring van de wijzigingen had verzocht. Uitsluitend op basis van de met Exportkhleb overeengekomen contractuele verplichtingen kan verzoekster van deze laatste betaling van het door haar gevorderde prijsverschil verkrijgen. De Commissie kan niet worden aangesproken voor een contractbreuk van Exportkhleb of de VEB, zolang de Gemeenschap zich nog niet had verbonden met betrekking tot het documentaire krediet.
61 Verzoekster herinnert eraan, dat het beroep tot schadevergoeding een zelfstandige beroepsweg is. Haar vordering op basis van artikel 215 van het Verdrag verschilt van de vordering tot nietigverklaring in die zin, dat zij niet strekt tot vernietiging van de beschikking, doch tot vergoeding van de door de Gemeenschap veroorzaakte schade (arrest van 26 februari 1986, zaak 175/84, Krohn, Jurispr. 1986, blz. 753). De vordering tot schadevergoeding is niet ingediend om betaling van de met Exportkhleb overeengekomen, herziene prijs te verkrijgen, maar om de schade vergoed te krijgen die de Commissie haar heeft berokkend door ten onrechte en met schending van gerechtvaardigd vertrouwen deze overeengekomen prijs niet goed te keuren.
Beoordeling door het Gerecht
62 Het Gerecht stelt vast, dat de Commissie in wezen drie argumenten aanvoert tot staving van de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot vergoeding van de materiële schade die verzoekster als gevolg van de beschikking van 1 april 1993 zou hebben geleden. In de eerste plaats zou de beschikking volstrekt wettig zijn; in de tweede plaats zou de Commissie niet kunnen worden aangesproken voor een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door Exportkhleb of de VEB, terwijl zij zich nog in geen enkel opzicht had gebonden; ten slotte zou in casu het beroep tot schadevergoeding niet autonoom zijn ten opzichte van het beroep tot nietigverklaring.
63 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat de argumenten betreffende de wettigheid van de beschikking en een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door een van de Russische partijen de zaak ten gronde betreffen en geen reden voor een niet-ontvankelijkheid kunnen zijn.
64 In de tweede plaats herinnert het Gerecht eraan, dat volgens vaste rechtspraak de schadevergoedingsactie bedoeld in de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag, een zelfstandig rechtsmiddel is met een eigen functie in het stelsel der beroepsmogelijkheden (arrest Krohn, reeds aangehaald, r.o. 26). Derhalve brengt de niet-ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring in beginsel niet de niet-ontvankelijkheid van een beroep tot vergoeding van beweerdelijk geleden schade mee.
65 Bij wijze van uitzondering op het hiervoor vermelde beginsel is evenwel geoordeeld, dat de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring wel de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot schadevergoeding meebrengt, wanneer het beroep tot schadevergoeding in werkelijkheid strekt tot intrekking van een definitief geworden individuele beschikking (arrest Krohn, reeds aangehaald, r.o. 33, en arrest Gerecht van 15 maart 1995, zaak T-514/93, Cobrecaf e.a., Jurispr. 1995, blz. II-621, r.o. 59), zodat het misbruik van procedure oplevert. De bewijslast voor een dergelijk misbruik van procedure rust op degene die dit misbruik stelt.
66 In casu is het Gerecht van oordeel, dat de Commissie niet aan deze verplichting heeft voldaan. Enerzijds heeft verweerster immers slechts gesteld, dat het verzoekster er enkel om te doen was, dezelfde prijs te verkrijgen als zij zou hebben gekregen indien de Commissie de contractswijziging had goedgekeurd. Anderzijds kan, gelijk het Hof in het arrest CMC (reeds aangehaald) inzake een aanbesteding in het kader van de overeenkomst van Lomé heeft verklaard, in een situatie als de onderhavige niet worden uitgesloten, dat derden schade kunnen lijden door handelingen of gedragingen van de Commissie, haar diensten of personeelsleden. Eenieder die stelt door zulke handelingen of gedragingen te zijn geschaad, dient derhalve de mogelijkheid te hebben om beroep in te stellen, op voorwaarde dat de aansprakelijkheid wordt bewezen, dat wil zeggen het bestaan van een schade veroorzaakt door een aan de Gemeenschap toe te rekenen onrechtmatige handeling of gedraging (arrest CMC, reeds aangehaald, r.o. 31).
67 Gelet op al deze elementen moet de vordering tot vergoeding van de materiële schade die verzoekster door de beschikking van de Commissie stelt te hebben geleden, ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
68 Ingevolge artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verklaart het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk.
2) Verwerpt de exceptie van niet-ontvankelijkheid, voor zover deze betrekking heeft op de vordering tot vergoeding van de door verzoekster gestelde schade.
3) Verstaat dat de procedure betreffende deze vordering tot schadevergoeding wordt voortgezet ten gronde.
4) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Full & Egal Universal Law Academy