Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschappen ° Spanje ° Portugal ° Visserij ° Handhaving van visserijactiviteiten die uit overeenkomsten met derde landen voortvloeien ° Overeenkomst EEG-Marokko inzake betrekkingen op gebied van zeevisserij ° Doorzending van aanvragen om visserijvergunning naar Marokkaanse autoriteiten ° Voorrang voor Spaanse en Portugese vissers ° Schending van verbod van discriminatie op grond van nationaliteit ° Geen
(EEG-Verdrag, art. 7; Toetredingsakte van 1985, art. 167, lid 3, en 354, lid 3; verordening nr. 3760/92 van de Raad)
Samenvatting
De artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte Spanje en Portugal, gelezen met inachtneming van de overige bepalingen van de hoofdstukken waarin zij staan, en van de voorstukken, alsmede van verordening nr. 3760/92 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur, verplichten de Raad tot handhaving van de visserijactiviteiten van Spanje en Portugal die zij uitoefenen op basis van overeenkomsten die zij vóór hun toetreding tot de Gemeenschappen hadden gesloten. Hieruit volgt, dat de Commissie bij de doorzending van aanvragen om een visserijvergunning naar de Marokkaanse autoriteiten, op grond van de overeenkomst van 1992 inzake de betrekkingen tussen de Gemeenschap en Marokko op het gebied van de zeevisserij, terecht voorrang aan de Spaanse en Portugese vissers heeft verleend, aangezien deze overeenkomst geen grotere visserijmogelijkheden in het leven heeft geroepen dan die welke door de Spaanse en Portugese vissers werden gebruikt op basis van de in lid 1 van de genoemde artikelen bedoelde bilaterale overeenkomsten.
Deze voorrang is niet in strijd met het in artikel 7 van het Verdrag neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit. Vissers die in een bepaalde zone geen visserijactiviteiten hadden uitgeoefend, verkeren namelijk niet in dezelfde situatie als zij die wel in deze zones hadden gevist, en op grond van dit verschil kan worden gerechtvaardigd, dat laatstgenoemden met voorrang visserijvergunningen krijgen om in de betrokken zones te vissen. De vereisten van de Toetredingsakte stemmen dus volledig overeen met die van het beginsel van gelijke behandeling, daar het toepasselijke onderscheidingscriterium is voorgeschreven in de genoemde artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3.
Partijen
In zaak T-493/93,
Hansa-Fisch GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Schenefeld (Duitsland), aanvankelijk vertegenwoordigd door H.-W. Goltz, vervolgens door R. Barber-Llorente, advocaten te Hamburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door T. van Rijn en U. Woelker, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie, waarbij zij weigert om verzoeksters aanvraag om een visserijvergunning conform bijlage I bij de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij, zoals goedgekeurd bij de verordeningen (EEG) nrs. 2054/88 en 3954/92 van de Raad, van 23 juni 1988 en 19 december 1992 (PB 1988, L 181, blz. 1, respectievelijk PB 1992, L 407, blz. 1), bij de Marokkaanse autoriteiten in te dienen,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 30 november 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De toepasselijke bepalingen
1 De Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, die is gehecht aan het op 12 juni 1985 ondertekende Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap (PB 1985, L 302, blz. 9; hierna: "Toetredingsakte"), bepaalt in de artikelen 167 en 354, die identiek zijn:
"1. Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van de visserijovereenkomsten tussen het Koninkrijk Spanje en derde landen door de Gemeenschap waargenomen.
2. De rechten en plichten die voor het Koninkrijk Spanje voortvloeien uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten blijven onverlet gedurende de periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.
3. Zo spoedig mogelijk en in ieder geval voor het verstrijken van de in lid 1 bedoelde overeenkomsten stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor het handhaven van de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste een jaar te verlengen."
2 Bij verordening (EEG) nr. 2054/88 van de Raad van 23 juni 1988 (PB 1988, L 181, blz. 1; hierna: "overeenkomst EEG-Marokko)", heeft de Raad de Overeenkomst inzake de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko op het gebied van de zeevisserij goedgekeurd en bepalingen voor de uitvoering van die overeenkomst vastgesteld.
3 Bij verordening (EEG) nr. 3954/92 van 19 december 1992 (PB 1992, L 407, blz. 1) heeft de Raad de sluiting van een nieuwe overeenkomst over het zelfde onderwerp goedgekeurd. Deze overeenkomst bepaalt in artikel 8, lid 1, eerste zin:
"Vaartuigen van de Gemeenschap mogen uitsluitend in de visserijzone van Marokko vissen, indien daarvoor door de autoriteiten van Marokko, op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap, een vergunning is afgegeven (...)"
In punt A.1 van bijlage I is bepaald:
"De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap dienen elk kwartaal, via de delegatie van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in Marokko, bij de bevoegde autoriteiten van Marokko de lijsten in van de vaartuigen waarvoor, met inachtneming van de in de technische notities bij het Protocol vastgestelde maxima (...) een vergunning wordt aangevraagd voor de uitoefening van de visserij."
4 De ondernemingen moeten hun aanvragen indienen bij de autoriteiten van hun Lid-Staat (in Duitsland het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft; hierna: het "Bundesamt"), die zich ervan vergewissen of aan de technische voorwaarden is voldaan en die de aanvragen vervolgens doorgeleiden naar de Commissie.
De feiten
5 Verzoekster is een vennootschap naar Duits recht, die zich onder meer bezighoudt met de exploitatie van vissersvaartuigen. Zij is eigenaar van het vaartuig "De Hoop", waarmee zij in het kader van de overeenkomst EEG-Marokko binnen de visserijzone van Marokko de beugvisserij wil uitoefenen. Daarom heeft zij via het Bundesamt bij de Commissie verschillende aanvragen om een vergunning ingediend.
6 Wegens overschrijding van de toegestane tonnage weigerde de Commissie krachtens bijlage I verzoeksters aanvragen voor de vergunningen die nodig waren voor het eerste, het tweede en het vierde kwartaal van 1992, aan de Marokkaanse autoriteiten voor te leggen. Daarentegen werd de aanvraag voor het eerste kwartaal van 1993, na moeizame onderhandelingen tussen de Commissie en de Marokkaanse autoriteiten, wel aanvaard, waarbij de tonnage licht werd overschreden. Voor verzoekster was dit aanleiding om het vistuig van het vaartuig "De Hoop" aan te passen aan de vereisten voor de beugvisserij voor de Marokkaanse kust.
7 Bij brieven van 28 december 1992 en vervolgens 1 februari 1993 diende verzoekster bij het Bundesamt een aanvraag in om een vergunning voor het tweede kwartaal van 1993, die aan de Commissie is doorgezonden.
8 De Commissie heeft eveneens over deze aanvraag van verzoekster voor dat kwartaal met de Marokkaanse autoriteiten onderhandeld. Deze hebben aanvankelijk voorlopig te kennen gegeven, dat het betrokken vaartuig zou worden aanvaard, hoewel de tonnage daardoor opnieuw licht zou worden overschreden. Vervolgens drongen zij aan op strikte inachtneming van de tonnage. Om die reden weigerde de Commissie het vaartuig "De Hoop" op te nemen in de lijst van vergunningaanvragen voor het tweede kwartaal van 1993, die aan de Marokkaanse autoriteiten is voorgelegd. Deze weigering is op 7 mei 1993 telefonisch aan de heer Fiedler van het Bundesamt meegedeeld. Op 12 mei 1993 werd verzoekster per faxbericht van dit besluit en de motivering ervan in kennis gesteld.
9 Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 13 juli 1993, het onderhavige beroep ingesteld. Het Gerecht (Vierde kamer) heeft op rapport van de rechter-rapporteur besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft partijen evenwel verzocht om schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden.
10 Bij beschikking van 7 juli 1994 heeft het Gerecht, nadat partijen in hun opmerkingen waren gehoord, de zaak verwezen naar de Vierde kamer, die uit drie rechters is samengesteld.
11 Bij brief van 18 juli 1994 heeft het Gerecht krachtens artikel 21, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG de Raad twee vragen gesteld met betrekking tot de uitlegging van de artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte.
12 De Raad heeft deze vragen bij brief van 30 september 1994 beantwoord.
13 De mondelinge behandeling heeft op 30 november 1994 plaatsgevonden. Partijen zijn in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.
Conclusies van partijen
14 Verzoekster concludeert in haar verzoekschrift, dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren de weigering van de Commissie, de aanvraag om een visserijvergunning voor het vaartuig HF 571 "De Hoop" op te nemen in de lijst van vergunningaanvragen voor "de beugvisserij", die in het kader van de overeenkomst EEG-Marokko bij de Marokkaanse autoriteiten moet worden ingediend.
In repliek concludeert zij bovendien dat het het Gerecht behage:
° verweerster in de kosten te verwijzen.
De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep te verwerpen;
° verzoekster in de kosten te verwijzen.
Middelen en argumenten van partijen
15 Tot staving van haar beroep voert verzoekster in wezen twee middelen aan: schending van artikel 7 EEG-Verdrag, omdat de Commissie uit naam van het beginsel van de relatieve stabiliteit Spaanse en Portugese vissers zou bevoordelen ten koste van vissers uit andere Lid-Staten van de Gemeenschap, alsmede schending van het vertrouwensbeginsel, omdat verweerster verzoekster had verzekerd, dat zij voorkwam in de aan de Marokkaanse autoriteiten voorgelegde lijst.
Eerste middel: schending van artikel 7 EEG-Verdrag
Argumenten van partijen
16 Verzoekster betoogt, dat de weigering van de Commissie om haar aanvraag voor een visserijvergunning aan de bevoegde Marokkaanse autoriteiten voor te leggen, een schending van artikel 7 EEG-Verdrag oplevert, omdat deze weigering het gevolg is van een discriminerend beleid van de Commissie waarbij, naar zij zelf erkent, aanvragen van Spaanse en Portugese vissers gunstiger worden behandeld dan die van vissers uit andere Lid-Staten.
17 Zij beklemtoont, dat voor deze discriminatie geen steun kan worden gevonden in de overeenkomst EEG-Marokko, noch in een tussenstaatse overeenkomst betreffende de verdeling van de door de Gemeenschap bij deze overeenkomst verworven vangstquota, noch in het beginsel van de relatieve stabiliteit. In repliek verbindt zij hieraan de conclusie dat het aangevochten besluit geen rechtsgrondslag heeft.
18 In de eerste plaats voorziet de visserijovereenkomst EEG-Marokko volgens verzoekster absoluut niet in een recht van voorrang bij de afgifte van vergunningen voor vissers uit Lid-Staten die van oudsher de Marokkaanse wateren bevissen, maar bepaalt zij, dat de visserijrechten aan de Gemeenschap toebehoren, voor een bedrag van 360 miljoen ECU, dat door de Gemeenschap en niet door bepaalde Lid-Staten wordt betaald. Deze rechten zouden dus aan alle vissers van de Gemeenschap ten goede moeten komen.
19 In de tweede plaats stelt zij, dat de door de overeenkomst met Marokko aan de Gemeenschap toebehorende vangstmogelijkheden niet bij een "tussenstaatse overeenkomst" zijn verdeeld en, in repliek, dat de Raad deze vangstmogelijkheden evenmin heeft verdeeld, zoals hem werd voorgeschreven in zowel artikel 11 van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1), als artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening (EEG) nr. 3760/92 van de Raad van 20 december 1992 tot invoering van een communautaire regeling voor de visserij en de aquacultuur (PB 1992, L 389, blz. 1). Het stond dus niet aan de Commissie om in plaats van de Raad criteria voor de verdeling van de betrokken vangstmogelijkheden vast te stellen en toe te passen, die bovendien discriminerend waren.
20 In de derde plaats beklemtoont verzoekster, dat de Commissie haar discriminerend beleid niet kan rechtvaardigen met een verwijzing naar het beginsel van de relatieve stabiliteit, dat is neergelegd in de verordeningen nrs. 170/83 en 3760/92. Haars inziens is dit beginsel namelijk niet van toepassing op de verdeling van uit overeenkomsten met derde landen, zoals Marokko, voortvloeiende vangstmogelijkheden in de visserijzone van deze landen. In repliek voegt zij daaraan toe, dat het vaste rechtspraak van het Hof (arresten van 16 juni 1987, zaak 46/86, Romkes, Jurispr. 1987, blz. 2671, en 13 oktober 1992, gevoegde zaken C-63/90 en C-67/90, Portugal en Spanje/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-5073) is, dat dit beginsel enkel de verdeling van de visrechten tussen de oude Lid-Staten dient te beschermen tegen aanspraken van de nieuwe Lid-Staten zoals Spanje en Portugal.
21 Ten slotte is zij van mening, dat de Commissie haar discriminerend beleid evenmin op de artikelen 167, lid 3 (voor Spanje) en 354, lid 3 (voor Portugal) van de Toetredingsakte kan stoelen. Deze bepalingen schrijven de Raad namelijk enkel voor om "passende besluiten (vast te stellen) voor het handhaven van de (...) visserijactiviteiten" die voortvloeien uit door Spanje en Portugal vóór hun toetreding gesloten overeenkomsten, maar bepalen niet aan wie de handhaving van deze visserijactiviteiten ten goede dient te komen. De Raad kan de door Spanje en Portugal gesloten overeenkomsten verlengen, dan wel een overeenkomst met de betrokken derde staat sluiten. Indien de Raad de eerste mogelijkheid kiest, zou hij de status quo voor Spanje en Portugal, zowel wat hun rechten als hun verplichtingen betreft, handhaven. Indien hij daarentegen de tweede mogelijkheid kiest, is hij enkel verplicht, de uit deze overeenkomsten voortvloeiende visserijactiviteiten te handhaven. In casu heeft de Raad de tweede mogelijkheid gekozen, door met Marokko een nieuwe overeenkomst te sluiten. Daarom staat het hem vrij om de aldus aangeboden vangstmogelijkheden tussen de verschillende Lid-Staten te verdelen, omdat zij via de Gemeenschap de financiële lasten van de overeenkomst dragen. In casu is dus beslissend, dat de overeenkomst EEG-Marokko een zelfstandige, nieuwe overeenkomst vormt en niet de verlenging van voordien door Spanje en Portugal gesloten bilaterale overeenkomsten.
22 Verzoekster concludeert hieruit, dat de duidelijke bevoordeling van Spanje en Portugal bij de toekenning van de vangstquota die uit de overeenkomst met Marokko voortvloeien, niet op grond van de Toetredingsakte kan worden verdedigd.
23 Voorts stelt zij, dat haar opvatting niet leidt tot een rechtsvacuum met betrekking tot de criteria voor de verdeling van de vangstmogelijkheden uit hoofde van de overeenkomst EEG-Marokko. Deze verdeling moet plaatsvinden op basis van algemene beginselen die uit de verordeningen betreffende het visserijbeleid voortvloeien, zoals uitgelegd in 's Hofs rechtspraak (arrest Portugal en Spanje/Raad, reeds aangehaald). Volgens verzoekster creëert de overeenkomst met Marokko "nieuwe vangstmogelijkheden (...) die voorheen niet onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vielen", in de zin van artikel 8, lid 4, sub iii, van verordening nr. 3760/92. Hieruit leidt zij af, dat de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, de wijze van verdeling moet vaststellen, rekening houdend met de belangen van alle Lid-Staten. Door Spanje en Portugal bij de verdeling van de nieuwe vangstmogelijkheden die de overeenkomst met Marokko biedt, duidelijk te bevoordelen, houdt de Commissie haars inziens geen rekening met het belang van alle Lid-Staten.
24 De Commissie geeft onmiddellijk toe, dat zij bij voorrang en dus ° gelet op het aantal aanvragen uit Spanje en Portugal ° grotendeels schepen uit die landen opneemt op de lijsten die zij krachtens de overeenkomst EEG-Marokko bij de Marokkaanse autoriteiten indient.
25 Zij stelt, dat zij daartoe verplicht is, in de eerste plaats op grond van de artikelen 167, lid 3 (voor Spanje), en 354, lid 3 (voor Portugal), van de Toetredingsakte en in de tweede plaats op grond van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 170/83 en artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92, waarin het beginsel van de relatieve stabiliteit is neergelegd.
26 Met betrekking tot de artikelen 167, lid 3 (voor Spanje), en 354, lid 3 (voor Portugal), van de Toetredingsakte betoogt de Commissie, dat uit de structuur van deze bepalingen, in het bijzonder na vergelijking van de eerste twee leden met lid 3, volgt dat de verwijzing in lid 3 naar "het handhaven van de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten" enkel kan gelden voor de periode nadat de geldigheidsduur van de tussen Spanje en Portugal enerzijds en derde staten anderzijds gesloten bilaterale overeenkomsten definitief is verstreken, en dat dit "handhaven" enkel Spanje en Portugal ten goede kan komen. Het gaat namelijk om "hun" visserijovereenkomsten, dat wil zeggen de overeenkomsten die zij bij de Gemeenschap hebben "ingebracht" en als gevolg van de overdracht van de desbetreffende bevoegdheid aan de Gemeenschap niet meer bilateraal kunnen voortzetten. Dit "verlies" moet dus worden gecompenseerd door "het handhaven" van de visserijactiviteiten van de Spaanse en de Portugese vaartuigen. Deze uitlegging van de Toetredingsakte wordt bevestigd door de "Gemeenschappelijke verklaring inzake de betrekkingen op visserijgebied met derde landen", die aan de Toetredingsakte is gehecht, en die zelf weer verwijst naar "richtsnoeren die terzake tijdens de onderhandelingsconferenties zijn overeengekomen" en die zijn vervat in de interne onderhandelingsstukken nr. 305 (E) van 2 mei 1985 (voor Spanje) en nr. 259 (P) van 7 mei 1985 (voor Portugal).
27 De verordeningen leveren volgens de Commissie hetzelfde resultaat op als de Toetredingsakte. Zowel in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 170/83 als in artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92 wordt verklaard, dat "de vangstmogelijkheden op een zodanige wijze over de Lid-Staten (worden verdeeld), dat elke Lid-Staat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk betrokken bestand". Op grond daarvan dient de Commissie de visserijactiviteiten van de Spaanse en de Portugese vissers te handhaven die voortvloeien uit de bilaterale overeenkomsten die de betrokken Lid-Staten met Marokko hadden gesloten en die zij in de Gemeenschap hadden "ingebracht".
28 Volgens de Commissie vormen de voordelen die voor de Spaanse en de Portugese vissers voortvloeien uit het beginsel van de relatieve stabiliteit, dat zowel uit artikel 167, lid 3, of artikel 354, lid 3, van de Toetredingsakte, als uit artikel 4 van verordening nr. 170/83 en artikel 8, lid 4, sub ii, van verordening nr. 3760/92 kan worden afgeleid, in feite een compensatie voor de nadelen die zij ondervinden als gevolg van dit beginsel dat hun de toegang tot bepaalde communautaire vangstquota ontzegt.
29 Ten slotte stelt de Commissie, dat verzoekster, voor zover zij in haar betoog ter sprake brengt dat het bestreden besluit geen rechtsgrondslag heeft, een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht aanvoert, dat niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het pas in repliek is voorgedragen.
Beoordeling door het Gerecht
30 Het Gerecht stelt vast, dat in het onderhavige geding de vraag aan de orde wordt gesteld, of op grond van de artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte Spanje en Portugal, waarin wordt gesproken van "het handhaven van de (uit de in lid 1 bedoelde overeenkomsten) voortvloeiende visserijactiviteiten", in het licht van artikel 7 van het Verdrag, zich een praktijk laat verdedigen, waarbij de Commissie de aanvragen van Spaanse en Portugese vissers om een visserijvergunning bij voorrang opneemt in de lijsten die zij krachtens punt A.1 van bijlage I bij de overeenkomst EEG-Marokko bij de Marokkaanse autoriteiten indient.
31 Vooraf zij opgemerkt, dat in casu verzoeksters grief enkel betrekking heeft op het feit dat zij ten opzichte van Spaanse en Portugese vissers is benadeeld en dus niet op het feit dat zij ten opzichte van andere dan Spaanse of Portugese vissers zou zijn benadeeld.
32 Het Gerecht is van mening, dat ter beantwoording van deze vraag de artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte moeten worden gelezen met inachtneming van de overige bepalingen van de hoofdstukken waarin zij staan, en van de voorstukken op basis waarvan de betrokken bepalingen tot stand zijn gekomen.
33 De woorden die moeten worden uitgelegd, zijn "visserijactiviteiten" die voortvloeien uit de visserijovereenkomsten die Spanje en Portugal vóór hun toetreding met derde landen hebben gesloten. Om te beginnen zij opgemerkt, dat de term "visserijactiviteiten" ° of synonieme termen in enige taalversies ° in de hoofdstukken van de Toetredingsakte en in verordening nr. 3760/92 veelvuldig wordt gebruikt. Met deze term worden activiteiten aangeduid, die reeds daadwerkelijk door onderdanen van een bepaalde Lid-Staat worden uitgeoefend.
34 Het Gerecht is van mening dat, indien de auteurs van de Toetredingsakte, zoals verzoekster betoogt, de Raad hadden willen verplichten om de uit die overeenkomsten voortvloeiende visserijmogelijkheden ten gunste van de gehele Gemeenschap te handhaven, de termen "visserijmogelijkheden" of "vismogelijkheden" zouden hebben gebruikt, zoals zij hebben gedaan in artikel 161, lid 4, respectievelijk artikel 349, leden 2 en 3. In deze laatstgenoemde bepaling komt namelijk het onderscheid tussen vismogelijkheden en visserijactiviteiten duidelijk tot uiting, waar de Raad volgens deze bepaling de "vismogelijkheden" en het aantal desbetreffende vaartuigen kan vaststellen op de grondslag van "de situatie van de visserijactiviteiten", hetgeen erop wijst, dat de visserijactiviteiten het resultaat zijn van het gebruik van de vismogelijkheden door identificeerbare vaartuigen.
35 De juistheid van deze uitlegging wordt bevestigd door de voorstukken van de onderhandelingsconferentie, waarin onder de titel "Bilaterale betrekkingen, door Spanje (en Portugal) aangegane visserijovereenkomsten" valt te lezen:
"ii) de Conferentie heeft akte genomen van de oriëntaties waardoor de Gemeenschap zich in de internationale betrekkingen op visserijgebied laat leiden:
° het handhaven van visrechten die in het kader van eerder door de Lid-Staten of de Gemeenschap gesloten bilaterale visserijovereenkomsten zijn verworven, het weer tot bloei brengen van de visserijactiviteiten van de Gemeenschap, alsmede het verkrijgen van nieuwe rechten van toegang om de totale vismogelijkheden van communautaire vaartuigen te vergroten. De Gemeenschap zal dus overeenkomstig deze richtsnoeren handelen ten einde de activiteiten van Spaanse (Portugese) vaartuigen te handhaven en zal derde landen passende compensatie bieden;
° eerbiediging van de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten."
36 Deze interpretatie van de strekking van de termen "visserijactiviteiten" respectievelijk "visserijmogelijkheden" en "vismogelijkheden" in de Toetredingsakte wordt bevestigd door de wijze waarop deze termen of synonieme termen in de verschillende taalversies worden gebruikt in verordening nr. 3760/92 en in het bijzonder in artikel 8, lid 4, sub ii, waarin wordt verklaard, dat de "vangstmogelijkheden" op een zodanige wijze over de Lid-Staten worden verdeeld, dat elke Lid-Staat verzekerd is van de relatieve stabiliteit van de "visserijactiviteiten" voor elk betrokken bestand.
37 Uit het voorgaande volgt, dat de artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte, voor zover daarin sprake is van visserijactiviteiten, de Raad verplichten, de visserijactiviteiten die Spanje en Portugal uitoefenden op basis van de visserijovereenkomsten die zij voor hun toetreding tot de Gemeenschappen hadden gesloten, te handhaven.
38 Aangezien de in de artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte gebezigde term "visserijactiviteiten" doelt op de activiteiten van de Spaanse en Portugese vissers die waren toegestaan op grond van door Spanje en Portugal vóór hun toetreding gesloten bilaterale overeenkomsten, wordt deze vissers dus terecht voorrang verleend met betrekking tot de indiening van hun aanvragen om een visserijvergunning bij de Marokkaanse autoriteiten, waar niet is gesteld, dat de door de overeenkomst EEG-Marokko geopende visserijmogelijkheden groter zijn dan die welke door de Spaanse en de Portugese vissers werden gebruikt op basis van de in de artikelen 167, lid 1, en 354, lid 1, van de Toetredingsakte bedoelde bilaterale overeenkomsten. Hieruit volgt eveneens, dat de Commissie op basis van de artikelen 167 en 354 van de Toetredingsakte wel het verdelingscriterium kon gebruiken, ten aanzien waarvan verzoekster de Raad verwijt dat hij dit niet had vastgesteld.
39 Verzoekster kan deze oplossing ook niet in strijd met het in artikel 7 van het Verdrag neergelegde non-discriminatiebeginsel achten. Het is namelijk vaste rechtspraak van het Hof (zie met name arrest Romkes, reeds aangehaald, r.o. 23, en arresten van 13 oktober 1992, gevoegde zaken C-63/90 en C-67/90, Portugal en Spanje/Raad, reeds aangehaald, r.o. 43 en 44, zaak C-71/90, Spanje/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-5175, r.o. 28 en 29, en zaak C-73/90, Spanje/Raad, Jurispr. 1992, blz. I-5191, r.o. 34 en 35), dat ervan mag worden uitgegaan, dat vissers die in een bepaalde zone geen visserijactiviteiten hadden uitgeoefend, niet in dezelfde situatie verkeren als zij die wel in deze zones hadden gevist, en dat het op grond van dit verschil kan worden gerechtvaardigd, dat enkel laatstgenoemden in de betrokken zones mogen vissen. De vereisten van de Toetredingsakte stemmen dus volledig overeen met die van het gelijkheidsbeginsel, daar het toepasselijke onderscheidingscriterium als zodanig is voorgeschreven in de artikelen 167, lid 3, en 354, lid 3, van de Toetredingsakte.
40 Hieraan moet nog worden toegevoegd, dat aan deze conclusie niet wordt afgedaan door het feit, dat op grond daarvan de overeenkomst EEG-Marokko uiteindelijk door de gehele Gemeenschap wordt gefinancierd en dat de Spaanse en Portugese vissers daarvan bij voorrang profiteren. De financiering van de verschillende communautaire beleidsterreinen waarmee uitvoering wordt gegeven aan de artikelen 2 en 3 EEG-Verdrag, is namelijk het resultaat van keuzes die in de begroting van de Gemeenschap tot uiting komen. In een situatie waarin geen schending van het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, kan een particulier de wijze waarop de Gemeenschap haar uitgaven bestemt, niet in het geding brengen.
41 Met betrekking tot het in repliek voorgedragen middel betreffende het ontbreken van rechtsgrondslag zij opgemerkt, dat dit een nieuw middel in de zin van artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
42 Het Gerecht is hoe dan ook van mening, dat dit middel ongegrond is. Aangezien de criteria voor de selectie van de aanvragen die bij de Marokkaanse autoriteiten worden ingediend, door de in de artikelen 167 en 354 van de Toetredingsakte genoemde bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap hun geen enkele beoordelingsruimte laten, kwam de bevoegdheid om deze selectie in de praktijk uit te voeren krachtens artikel 155 van het Verdrag toe aan de Commissie.
43 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel moet worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het vertrouwensbeginsel
Argumenten van partijen
44 Verzoekster betoogt, dat de Commissie het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, door te weigeren haar vergunningaanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten voor te leggen, terwijl een ambtenaar van de Commissie het Bundesamt had meegedeeld, dat de vergunning was verleend.
45 Zij voegt hieraan toe, dat zij alle reden had om op deze "mondelinge bevestiging" af te gaan, aangezien zij afkomstig was van de ambtenaar die haar met betrekking tot het voorafgaande kwartaal had meegedeeld, dat haar een vergunning was verleend. De Commissie kan zich niet verschuilen achter de onbevoegdheid van de betrokken ambtenaar om haar te binden, omdat de enige relevante vraag is of de verklaring van de betrokken ambtenaar een situatie van gewettigd vertrouwen heeft doen ontstaan op basis waarvan de Commissie verplicht was verzoekster te behandelen zoals zij zou hebben gedaan, indien de visserijvergunning daadwerkelijk was verleend.
46 De Commissie betwist, dat haar ambtenaar de hem door verzoekster toegeschreven verklaring heeft kunnen afgeven, ook al geeft zij toe, dat hij tussentijds verslag heeft kunnen doen van de stand van de onderhandelingen met Marokko, dat op dat tijdstip een positieve houding innam. Hoe dan ook kan de verklaring van haar ambtenaar in geen geval als een toezegging harerzijds worden beschouwd, aangezien deze verklaring betrekking heeft op het verleden en afkomstig is van een ambtenaar die niet gemachtigd was namens de Commissie te spreken of haar te binden.
47 Ten slotte verklaart zij, dat zelfs indien de door verzoekster aangevoerde feiten zouden vaststaan, haar enkel kan worden verweten, dat zij verzoekster een onjuiste inlichting heeft verstrekt. Stellig kan een dergelijke inlichting onder bepaalde omstandigheden schade veroorzaken die zou moeten worden vergoed, of zelfs een zeker gewettigd vertrouwen wekken, maar in casu heeft verzoekster bij het Gerecht geen vordering tot schadevergoeding ingediend, zoals zij toegeeft, en heeft zij niet aangetoond, dat haar vertrouwen daadwerkelijk op een of andere manier verdiende te worden beschermd. Bovendien, indien op 17 maart of op 27 april 1993 een verkeerde inlichting is gegeven, is deze in elk geval reeds op 5 mei 1993 rechtgezet, dus voordat de geldigheidsduur van de aangevraagde vergunning op 15 mei 1993 zou ingaan.
Beoordeling door het Gerecht
48 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster de Commissie verwijt dat zij haar ten onrechte heeft meegedeeld, dat haar een vergunning was verleend, en niet dat de Commissie had toegezegd verzoekster een vergunning te verlenen of haar aanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten voor te leggen.
49 Bij gebreke van een toezegging van de Commissie betreffende haar toekomstige houding jegens verzoekster kan er geen sprake zijn van schending van het vertrouwensbeginsel op grond waarvan de Commissie verplicht zou zijn "verzoekster te behandelen zoals zij zou hebben gedaan, indien de visserijvergunning daadwerkelijk was verleend", zoals verzoekster stelt.
50 Bovendien merkt het Gerecht op, dat verzoekster niet stelt, dat zij naar aanleiding van de haar door een ambtenaar van de Commissie verstrekte inlichtingen beslissingen heeft genomen die schadelijk bleken te zijn.
51 Bijgevolg dient het tweede middel te worden afgewezen.
52 Uit al het voorgaande volgt dat het beroep moet worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
53 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd. Daar verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient deze vordering van de Commissie te worden toegewezen en verzoekster in de kosten te worden verwezen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten.
Full & Egal Universal Law Academy