Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Verweerder ° Instelling van tewerkstelling
(Ambtenarenstatuut, art. 2)
2. Voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen ° Ambtenaren en overige personeelsleden van Gemeenschappen ° Onderwerping aan nationaal recht voor rechtsbetrekkingen in privé-sfeer ° Derdenbeslag op bezoldiging van ambtenaar bevolen door nationale rechter ° Verplichtingen van betrokken instelling
(Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen, art. 1; Ambtenarenstatuut, art. 23, eerste alinea)
3. Procedure ° Beroep van natuurlijk of rechtspersoon, strekkende tot vaststelling dat Lid-Staat gemeenschapsrecht heeft geschonden ° Onbevoegdheid van gemeenschapsrechter ° Niet-ontvankelijkheid
(EG-Verdrag, art. 164 e.v.)
Samenvatting
1. Het tot aanstelling bevoegd gezag treedt op namens de instelling die dat gezag heeft aangewezen, zodat de handelingen die ingrijpen in de rechtspositie van de ambtenaren en voor hen bezwarend kunnen zijn, moeten worden aangerekend aan de instelling waarbij die ambtenaren tewerk zijn gesteld en een eventueel beroep in rechte moet worden ingesteld tegen de instelling die het bezwarend besluit heeft genomen.
2. De voorrechten en immuniteiten die door het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen aan ambtenaren worden verleend, hebben enkel een functioneel karakter, in zoverre zij bedoeld zijn om te voorkomen dat de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid worden belemmerd. Wat hun rechtsbetrekkingen als particulier met andere particulieren betreft, zijn ambtenaren overeenkomstig artikel 23, eerste alinea van het Statuut, onverminderd de bepalingen van het genoemde Protocol, volledig onderworpen aan het toepasselijke nationale recht.
Wanneer in het kader van een beslagprocedure voor een nationale rechter een derde bij een instelling in haar hoedanigheid van werkgever beslag wil leggen op het salaris van een ambtenaar, moet de betrokken instelling in de eerste plaats vaststellen of de in het Protocol bedoelde voorrechten en immuniteiten in die procedure van toepassing zijn en, zo ja, in hoeverre het gewenst is zich erop te beroepen.
Wanneer de instelling het niet strijdig met de belangen van de Gemeenschap acht om zich niet op zijn privileges en immuniteiten te beroepen, moet hij ingevolge zijn verplichting tot loyale samenwerking met de nationale autoriteiten gevolg geven aan het door de nationale rechter toegestane beslag.
3. Het Verdrag voorziet niet in een beroepsweg die het voor natuurlijke of rechtspersonen mogelijk maakt, zich tot de communautaire rechter te wenden met een vraag betreffende de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van handelingen van de autoriteiten van een Lid-Staat. Vorderingen strekkende tot vaststelling dat een Lid-Staat het gemeenschapsrecht heeft geschonden, zijn derhalve niet-ontvankelijk.
Partijen
In zaak T-497/93,
A. Hogan, ambtenaar van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg, vertegenwoordigd door G. Lattanzi, advocaat te Massa-Carrara, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg, Rue Godchaux 33,
verzoekster,
tegen
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door L. Maggioni en N. Lierow als gemachtigden, bijgestaan door P. Ferrari, advocaat te Rome, domicilie gekozen hebbende bij L. Maggioni, Hof van Justitie, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de besluiten van het Hof, waarbij een gedeelte van verzoeksters bezoldiging naar aanleiding van een derden-beslag is ingehouden, tot terugbetaling van het ingehouden bedrag, tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster zou hebben geleden en, subsidiair, tot vaststelling van de onwettigheid van de nationale procedure die aan het derden-beslag ten grondslag ligt,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Schintgen en R. García-Valdecasas, rechters,
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 14 december 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Hogan (hierna: "verzoekster"), is ambtenaar in de rang C 1 bij het Europees Parlement. Ten tijde van de aan het geding ten grondslag liggende feiten was zij gedetacheerd bij het Hof van Justitie. Sinds 1 november 1993 is zij weer bij het Europees Parlement werkzaam.
2 Op een verzoekschrift van 18 mei 1993 van een Luxemburgse advocaat, die stelde dat hij een vordering had "voor op 3 februari 1993 gedeclareerde kosten en honoraria", heeft de juge de paix te Luxemburg bij beschikking van 21 mei 1993, op 25 mei 1993 aan het Hof betekend en aldaar ingeschreven, toestemming gegeven voor loonbeslag onder de werkgever ° het Hof ° op het voor beslag vatbare gedeelte van verzoeksters bezoldiging, tot het bedrag waarop de schuldvordering door de rechter voorlopig werd begroot, te weten 43 811 LFR.
3 Op 27 mei 1993 deed het Hof via het hoofd van de afdeling Personeel een bevestigende verklaring ("déclaration affirmative") toekomen aan de hoofdgriffier van het Tribunal de paix te Luxemburg; daarin werd meegedeeld, hoeveel verzoeksters bezoldiging bedroeg en dat het onder beslag gestelde bedrag op een speciale rekening zou worden gestort. Overeenkomstig deze verklaring werd vervolgens blijkens verzoeksters salarisafrekening over de maand juli 1993, een bedrag van 43 811 LFR daadwerkelijk ingehouden en op een speciale rekening bij het Hof gestort.
4 Nadat de schuldeiser op 26 mei 1993 een vordering tot vanwaardeverklaring van het beslag had ingediend, riep de juge de paix partijen op 1 juni 1993 op om op 28 juli 1993 ter terechtzitting te verschijnen. Op deze terechtzitting was het Hof niet vertegenwoordigd. In haar hoedanigheid van beslagene maakte verzoekster formele en materiële bezwaren en vorderde zij in reconventie schadevergoeding van haar schuldeiser.
5 Tegelijkertijd diende verzoekster op 1 juni 1993 bij het tot aanstelling bevoegd gezag een verzoek in als bedoeld in artikel 90, lid 1, Ambtenarenstatuut, waarin zij vroeg de personeelsafdeling te gelasten geen inhouding op haar bezoldiging toe te passen. Op 3 juni 1993 diende zij een klacht in als bedoeld in artikel 90, lid 2, van het Statuut, tegen de eerdergenoemde "bevestigende verklaring". Op 15 juli 1993 stelde de president van het Hof verzoekster ervan in kennis, dat het administratief comité van het Hof haar verzoek en haar klacht had onderzocht en had besloten ze af te wijzen.
6 Bij vonnis van 30 september 1993 verklaarde het Tribunal de paix te Luxemburg de vordering om verzoekster te veroordelen tot betaling van 43 811 LFR, gegrond met vanwaardeverklaring van het het op 21 mei 1993 toegestane loonbeslag. Dit vonnis werd op 26 november 1993 aan het Hof betekend.
7 Op 23 februari 1994 ontving de beslagleggende schuldeiser van de hoofdgriffier van het Tribunal de paix te Luxemburg een verklaring waaruit bleek dat geen hoger beroep was ingesteld. Vervolgens stelde hij het Hof daarvan in kennis bij brief van 24 februari 1994. Gelet op deze verklaring, betaalde de afdeling Personeel van het Hof de beslagleggende schuldeiser in maart 1994 het bedrag van 43 811 LFR, waarvan zij verzoekster bij brief van 23 maart 1994 in kennis stelde.
8 Een door verzoekster bij het Tribunal d' arrondissement te Luxemburg ingediende vordering tot heropening van de beroepstermijn tegen het vonnis van 30 september 1993, werd bij vonnis van 5 mei 1994, ingekomen bij de afdeling Personeel van het Hof op 20 mei 1994, niet-ontvankelijk verklaard.
Het procesverloop voor het Gerecht en de conclusies van partijen
9 In deze omstandigheden heeft verzoekster op 6 augustus 1993 het onderhavige beroep ingesteld, dat volgens het inleidend verzoekschrift gericht is tegen "het tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof van Justitie".
10 Bij afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op dezelfde dag, verzocht verzoekster om voorlopige maatregelen, strekkende tot onmiddellijke terugbetaling van het betwiste bedrag, in afwachting van het arrest ten gronde en onder voorbehoud van eventuele terugvordering. Nadat verzoekster het Gerecht bij brief van 12 augustus 1993 had medegedeeld, dat zij afstand wilde doen van haar verzoek om voorlopige maatregelen, heeft de president van het Gerecht op 16 augustus 1993 gelast zaak T-497/93 R in het register door te halen.
11 Bij een andere afzonderlijke akte, ingeschreven ter griffie van het Gerecht op 24 augustus 1993, diende verzoekster opnieuw een verzoek om voorlopige maatregelen in, van dezelfde strekking als het eerdere. Dit verzoek is bij beschikking van de president van het Gerecht van 29 september 1993 afgewezen (zaak T-497/93 R II, Hogan, Jurispr. 1993, blz. II-1005).
12 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 oktober 1993, verzocht verzoekster het Gerecht de onregelmatigheid van deze beschikking van 29 september 1993 vast te stellen, ze nietig te verklaren en te wijzigen, en herhaalde zij de voordien in kort geding ingediende vorderingen. Dit verzoek is bij beschikking van de president van het Gerecht van 26 oktober 1993 wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afgewezen (zaak T-497/93 R II, Hogan, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
13 Op het verzoek van het Gerecht om nauwkeuriger aan te geven wie als de verwerende partij moest worden beschouwd, heeft verzoekster bij brief van 30 september 1993 verklaard, dat zij niets aan de inhoud van haar verzoekschrift had toe te voegen.
14 De schriftelijke procedure is met de nederlegging van het verweerschrift beëindigd, aangezien verzoekster binnen de gestelde termijn geen repliek heeft ingediend.
15 Bij brief van 21 juni 1994 heeft verweerder het Gerecht aanvullende gegevens verstrekt over het verloop van de beslagprocedure die aan de zaak ten grondslag ligt.
16 Bij brief van 18 juli 1994 heeft verzoekster opmerkingen over deze aanvullende gegevens ingediend.
17 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vierde kamer) besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
18 Verzoekster concludeert dat het het Gerecht behage:
primair:
° te verklaren, dat de inhouding door de personeelsdienst van een bedrag van 43 811 LFR op haar bezoldiging over de maand juli geen wettelijke grondslag heeft;
° te gelasten, dat dit ten onrechte door de personeelsdienst ingehouden bedrag wordt terugbetaald, daaronder begrepen de bijkomende kosten, in het bijzonder de bankrente en de geldontwaarding over de periode van 15 juli 1993 tot het tijdstip van betaling;
° te verklaren, dat zij recht heeft op een passende vergoeding van haar materiële en immateriële schade, waarvan het bedrag en marge van de procedure zal moeten worden vastgesteld;
subsidiair:
° vast te stellen, dat de beschikking van de juge de paix te Luxemburg onwettig is;
meer subsidiair:
° vast te stellen, dat een procedure als de betrokken Luxemburgse procedure gemakkelijk vexatoir kan worden.
19 Verweerder concludeert dat het het Gerecht behage:
primair:
° het beroep, voor zover gericht tegen het tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof, niet-ontvankelijk te verklaren;
subsidiair:
° alle andere vorderingen dan die tot nietigverklaring en tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren;
° het beroep hoe dan ook te verwerpen;
° over de kosten te beslissen overeenkomstig de artikelen 87, lid 2, en 88 van het Reglement voor de procesvoering.
20 Bij brief van 10 december 1994 heeft verzoekster verscheidene verzoeken gedaan met betrekking tot het procesverloop voor het Gerecht, te weten:
° toewijzing van de zaak aan het Gerecht in volle samenstelling;
° wraking van de rechter van Luxemburgse nationaliteit;
° aanwijzing van een advocaat-generaal;
° met toepassing van artikel 65 van het Reglement voor de procesvoering met name de comparitie te bevelen van de partijen, van verzoeksters echtgenoot en van een vertegenwoordiger van de Luxemburgse regering;
° voeging van deze zaak met de zaken T-479/93 en T-559/93.
21 In dezelfde brief van 10 december 1994 heeft verzoekster bovendien, zonder daarvoor een reden te geven, verzocht om uitstel van de voor 14 december 1994 bepaalde mondelinge behandeling, en herhaald dat haar beroep tegen het tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof was gericht en niet tegen het Hof zelf, en dat de vertegenwoordigers van het Hof op onwettige wijze namens het tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof optraden. Het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling is op 13 december 1994 door het Gerecht afgewezen.
22 Tijdens de terechtzitting, die op 14 december 1994 plaatsvond, was verzoekster niet door haar advocaat vertegenwoordigd.
23 Bij brief van 20 december 1994 heeft verzoekster de in rechtsoverweging 20 genoemde verzoeken herhaald en gewezen op de noodzaak de mondelinge behandeling te heropenen. Verder insisteert zij in deze brief op het feit, dat het beroep was gericht tegen het tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof en niet tegen het Hof zelf.
24 Het Gerecht is van oordeel, dat deze verzoeken om de hiernavolgende redenen moeten worden afgewezen.
25 Wat het verzoek betreft om de zaak aan het Gerecht in volle samenstelling toe te wijzen, moet eraan worden herinnerd, dat de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden ingevolge artikel 12, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden toegewezen aan kamers bestaande uit drie rechters, en dat ingevolge artikel 14, lid 1, van dat Reglement enkel wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van een zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren, de zaak naar het Gerecht in volle samenstelling of naar een kamer bestaande uit een ander aantal rechters kan worden verwezen. Naar het oordeel van de Vierde kamer is in deze zaak niet voldaan aan de voorwaarden voor een dergelijke verwijzing.
26 Met betrekking tot het verzoek om wraking van de rechter van Luxemburgse nationaliteit, heeft het Gerecht er in zijn beschikking van 29 november 1994 (gevoegde zaken T-479/93 en T-559/94, Bernardi, Jurispr. 1994, blz. II-0000, r.o. 19) reeds op gewezen, dat artikel 16, laatste alinea, van 's Hofs Statuut-EEG, dat krachtens artikel 44 van dat Statuut op het Gerecht van toepassing is, zich ertegen verzet, dat een partij zich op de nationaliteit van een rechter beroept teneinde te verlangen, dat de samenstelling van het Gerecht of een van zijn kamers wordt gewijzigd.
27 Wat het verzoek betreft om een advocaat-generaal aan te wijzen, bepaalt artikel 18 van het Reglement voor de procesvoering, dat wanneer het Gerecht in kamersamenstelling zit, het door een advocaat-generaal kan worden bijgestaan, indien het meent dat de juridische moeilijkheid of de feitelijke ingewikkeldheid van de zaak dit vereist. Naar het oordeel van het Gerecht is in casu niet aan deze voorwaarde voldaan.
28 Met betrekking tot verzoeken om de comparitie van bepaalde personen te gelasten, zij eraan herinnerd, dat het Gerecht heeft beslist dat zonder instructie tot de mondelinge behandeling kon worden overgegaan.
29 Wat de voeging van de onderhavige zaak met de gevoegde zaken T-479/93 en T-559/93 betreft, moet worden vastgesteld, dat de beroepen in die zaken zijn verworpen bij de beschikking van het Gerecht van 29 november 1994, zodat voeging met de onderhavige zaak is uitgesloten.
30 Ten slotte is het Gerecht van oordeel, dat verzoekster geen omstandigheden heeft aangevoerd die de heropening van de mondelinge behandeling zouden kunnen rechtvaardigen.
Ten gronde
31 Het Gerecht stelt vast, dat verzoekster het beroep niet enkel in haar verzoekschrift tegen het tot aanstelling bevoegd gezag heeft gericht, maar voorts herhaaldelijk heeft benadrukt, dat haar beroep gericht is tegen "het tot aanstelling bevoegd gezag van het Hof" en niet tegen de instelling "Hof van Justitie". Dit zou al voldoende zijn om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, want volgens vaste rechtspraak (zie met name arresten Hof van 19 maart 1964, zaak 18/63, Schmitz, Jurispr. 1964, blz. 179, en 10 juni 1987, zaak 307/85, Gavanas, Jurispr. 1987, blz. 2435; arrest Gerecht van 22 november 1990, zaak T-162/89, Mommer, Jurispr. 1990, blz. II-679, r.o. 18 en 19) vloeit uit artikel 2 Ambtenarenstatuut in de eerste plaats voort, dat het tot aanstelling bevoegd gezag optreedt namens de instelling die dat gezag heeft aangewezen, zodat de handelingen die ingrijpen in de rechtspositie van de ambtenaren en voor hen bezwarend kunnen zijn, moeten worden aangerekend aan de instelling waarbij die ambtenaren tewerk zijn gesteld, en in de tweede plaats, dat een eventueel beroep in rechte moet worden ingesteld tegen de instelling die het bezwarend besluit heeft genomen. Gelet op de omstandigheden van het geval en om wille van de rechtsbescherming is het Gerecht niettemin van oordeel, dat er termen aanwezig zijn om het gehele beroep ten gronde te onderzoeken.
De vordering tot nietigverklaring
32 Verzoekster voert in wezen vier middelen tegen het bestreden besluit aan, respectievelijk ontleend aan onbevoegdheid, overschrijding van bevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften en schending van de verdragsregels of van op de uitvoering daarvan betrekking hebbende regels.
Het middel ontleend aan onbevoegdheid
° Argumenten van partijen
33 Verzoekster is van mening, dat de afdeling Personeel van het Hof niet bevoegd was, de betrokken loonbeslagbeschikking rechtstreeks binnen de gemeenschapssfeer uit te voeren. Verder was de afdeling Personeel van het Hof niet bevoegd, de werkelijke rechtsinhoud van een dergelijke beschikking uit te leggen en de regelmatigheid van een handeling van een andere dan de gemeenschapsrechter te erkennen.
34 Volgens verzoekster is de Luxemburgse beschikking in de context van het gemeenschapsrecht juridisch non-existent, aangezien de nationale rechter het Hof niet kan machtigen wat dan ook te doen.
35 Verweerder betoogt, dat uit artikel 183 EEG-Verdrag voortvloeit, dat nationale rechterlijke instanties in voorkomend geval veroordelende vonnissen kunnen uitspreken tegen gemeenschapsinstellingen, en dat gedwongen tenuitvoerlegging van dergelijke vonnissen in beginsel mogelijk is, met als enig voorbehoud dat het Hof overeenkomstig artikel 1 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Protocol") daarvoor toestemming geeft. Overigens staat het betrokken loonbeslag volstrekt buiten de betrekkingen tussen de Luxemburgse rechter en het Hof, maar betreft het enkel de verbintenissen van verzoekster privé.
36 Verweerder beklemtoont, dat de bezoldiging van de ambtenaren het voorwerp kan zijn van loonbeslag krachtens een beslissing van een nationale rechter. Artikel 1 van het Protocol is enkel van toepassing wanneer de gemeenschapsinstelling waaronder een derde beslag wil leggen, daartegen bezwaar maakt omdat het beoogde beslag de goede werking en de onafhankelijkheid van de Gemeenschappen kan belemmeren. In het onderhavige geval zag de betrokken instelling geen enkele reden om zich tegen het beslag te verzetten, omdat haar goede werking en onafhankelijkheid er niet door in gevaar kwam. Bijgevolg was de afdeling Personeel van het Hof gemachtigd gevolg te geven aan het verzoek van de nationale rechter.
° Beoordeling door het Gerecht
37 Om te beginnen wijst het Gerecht erop, dat elke gemeenschapsinstelling ingevolge haar verplichting tot loyale samenwerking met de nationale rechterlijke instanties, gehouden is in te gaan op verzoeken als die waarom het in casu gaat.
38 Vervolgens wijst het Gerecht erop, dat het in geding zijnde beslag een uitvloeisel is van rechtsbetrekkingen tussen verzoekster als particulier en een andere particulier. Ter zake van die betrekkingen, met name wat de nakoming van hun persoonlijke verbintenissen betreft, zijn de gemeenschapsambtenaren overeenkomstig artikel 23, eerste alinea, van het Statuut, volledig onderworpen aan het toepasselijke nationale recht, ongeacht het bestaan van bepaalde privileges en immuniteiten krachtens het Protocol.
39 In een beslagprocedure is de gemeenschapsinstelling slechts als derde betrokken, dat wil zeggen als werkgever en niet als partij bij een geschil tussen een van zijn ambtenaren en een andere particulier.
40 Verweerder, in de persoon van het hoofd van de afdeling Personeel, was dus bevoegd op het verzoek van de nationale rechter in te gaan. Dat is gebeurd door middel van de "bevestigende verklaring" van het hoofd van de afdeling Personeel van het Hof van 27 mei 1993 en concreet door de bestreden inhouding.
41 Aangezien het Hof statutair en institutioneel zelfstandig kan beslissen over klachten van ambtenaren, was het daartoe door het Hof ingestelde administratief comité bevoegd zich namens het Hof uit te spreken over de klacht die verzoekster tegen het vorenbedoelde besluit had ingediend.
42 Het middel ontleend aan onbevoegdheid, moet derhalve worden afgewezen.
Het middel ontleend aan overschrijding van bevoegdheid
° Argumenten van partijen
43 Volgens verzoekster heeft de afdeling Personeel, met miskenning van de zelfstandigheid en het primaat van de communautaire rechtsorde, haar bevoegdheden misbruikt door zich aan het gezag van een andere dan de gemeenschapsrechter te onderwerpen en diens beslissingen uit te voeren.
44 Ook de brief van de president van het Hof van 15 juli 1993, aldus verzoekster, is onwettig wegens overschrijding van bevoegdheid, doordat daarin slechts informeel en onvolledig gewag wordt gemaakt van een afwijzend besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, dat haar integraal en formeel ter kennis had moeten worden gebracht. Het krachtens artikel 90 van het Statuut genomen besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag, te weten het besluit van het administratief comité van 12 juli 1993, is voorts gebrekkig omdat het een administratieve stellingname vormt van een orgaan dat wordt voorgezeten en is samengesteld uit magistraten die tevens lid zijn van het in artikel 91 van het Statuut bedoelde hogere rechterlijke orgaan.
45 Verweerder merkt op, dat een instelling zelf kan beslissen over de modaliteiten van de precontentieuze administratieve procedure en dat niets het Hof belet, uit zijn eigen leden een administratief comité samen te stellen, dat het bevoegd gezag is voor besluiten over klachten.
46 Verweerder ziet dan ook niet, in welk opzicht de bevoegde instanties van het Hof bij hun beslissingen in deze zaak hun bevoegdheden zouden hebben overschreden.
° Beoordeling door het Gerecht
47 Het Gerecht beklemtoont, dat dit middel in wezen de vraag betreft, of het bestreden besluit in het licht van de bepalingen van het Protocol juist was.
48 In dit verband wijst het Gerecht erop, dat de door het Protocol geschapen voorrechten uitsluitend in het belang van de Gemeenschappen aan hun ambtenaren en overige personeelsleden worden verleend. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, hebben de door het Protocol aan de Gemeenschappen toegekende voorrechten en immuniteiten immers "enkel een functioneel karakter, in zoverre zij bedoeld zijn om te voorkomen dat de Gemeenschappen in hun werking en onafhankelijkheid worden belemmerd" (zie beschikkingen Hof van 11 april 1989, zaak 1/88 SA, NV Generale Bank, Jurispr. 1989, blz. 857, r.o. 9, en 13 juli 1990, zaak 2/88 Imm., Zwartveld e.a., Jurispr. 1990, blz. I-3365, r.o. 19 en 20, en arrest Gerecht van 19 november 1992, zaak T-80/91, Campogrande, Jurispr. 1992, blz. II-2459, r.o. 42).
49 Voorts blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof (zie bij voorbeeld beschikkingen van 11 mei 1971, zaak SA 1/71, Jurispr. 1971, blz. 363, r.o. 7, en 17 juni 1987, zaak 1/87 SA, Universe Tankship, Jurispr. 1987, blz. 2807, r.o. 5), dat, gelet op de door het Protocol nagestreefde bescherming, de belanghebbende schuldeiser het Hof enkel kan verzoeken om toestemming voor beslaglegging, wanneer de gemeenschapsinstelling waaronder een derde beslag wil leggen, daartegen bezwaar maakt omdat zij meent, dat het beoogde beslag de goede werking en de onafhankelijkheid van de Gemeenschappen zou belemmeren.
50 In het kader van een beslagprocedure moet de betrokken gemeenschapsinstelling vaststellen, of de in het Protocol bedoelde privileges en immuniteiten in die procedure van toepassing zijn en, zo ja, in hoeverre het gewenst is zich erop te beroepen.
51 Blijkens zijn verklaringen in de brief van 15 juli 1993 achtte verweerder het in de onderhavige zaak niet strijdig met de belangen van de Gemeenschap om zich niet op zijn privileges en immuniteiten te beroepen. Derhalve moest hij ingevolge zijn verplichting tot loyale samenwerking met de nationale autoriteiten gevolg geven aan het door de nationale rechter toegestane beslag.
52 Wat verzoeksters argument met betrekking tot de samenstelling van het administratief comité van het Hof betreft, volstaat het erop te wijzen, dat volgens artikel 2, eerste alinea, van het Statuut iedere instelling bepaalt, welke gezagsorganen bij haar de bevoegdheden uitoefenen die volgens het Statuut aan het tot aanstelling bevoegd gezag toekomen. Hieruit volgt, dat niets het Hof belet om uit haar eigen leden een administratief comité te vormen dat het tot aanstelling bevoegd gezag is voor beslissingen of klachten.
53 Het middel ontleend aan overschrijding van bevoegdheid, moet mitsdien worden afgewezen.
Het middel ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften
° Argumenten van partijen
54 Verzoekster stelt, dat de bestreden inhouding een zonder medeweten van de betrokkene genomen voorlopige maatregel van conservatoire aard is, waarin het Statuut niet voorziet. Het gaat dus om een procedure zonder wettelijke grondslag, waarbij vreemde procedures analogisch worden toegepast op een speciaal gebied waarop analogie niet toelaatbaar is.
55 De inhouding is volgens verzoekster evenmin in overeenstemming met de waarborgen die het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken biedt. De niet op tegenspraak gegeven beschikking van de nationale rechter kan immers in de communautaire rechtsorde niet rechtstreeks worden uitgevoerd.
56 De inhouding is eveneens onwettig in het licht van de rechten van de verdediging overeenkomstig het Verdrag en de internationale overeenkomsten betreffende de mensenrechten. De administratie van het Hof mag immers geheime computerinformatie van individuele en vertrouwelijke aard niet aan derden bekend maken.
57 Verweerder betoogt, dat het ter zake geldende Luxemburgse recht de werkgever onder wie beslag is gelegd, ertoe verplicht de "bevestigende verklaring" te doen, omdat hij anders tot debiteur van de niet verrichte inhoudingen wordt verklaard. Het staat niet aan de derde-beslagene om de juistheid van het beslag te beoordelen, en het is hem verboden de beslagen debiteur te betalen zolang het beslag niet is opgeheven. Door de bevestigende verklaring te doen en het ingehouden bedrag op een speciale rekening te storten, heeft de administratie van het Hof zich enkel gedragen zoals zij als werkgever moest doen.
58 Volgens verweerder is de verwijzing naar het Verdrag van Brussel niet relevant. In casu gaat het niet om de tenuitvoerlegging van een beslissing van een rechterlijke instantie van een andere Lid-Staat, maar om de tenuitvoerlegging in Luxemburg van een Luxemburgse rechterlijke beslissing.
59 Het recht op geheimhouding van computergegevens betreffende het bedrag van verzoeksters bezoldiging is niet geschonden, want de omvang van de bescherming van die gegevens worden bepaald door de nationale bepalingen, waaraan de administratie van het Hof zich dient te houden. In de "bevestigende verklaring" waarin het Luxemburgse recht voorziet, moet immers het bedrag van de bezoldiging van de ambtenaar worden vermeld, omdat uitgaande van dit bedrag het voor beslag vatbare gedeelte wordt berekend. Ook de rechten van de verdediging zijn niet geschonden, want dat punt rijst niet in de betrekkingen tussen verzoekster en de administratie van het Hof, maar in het kader van de nationale procedure tussen verzoekster en haar schuldeiser voor de Luxemburgse rechter.
° Beoordeling door het Gerecht
60 Het Gerecht merkt om te beginnen op, dat de bestreden procedure een privaatrechtelijke procedure is, die niet door het Statuut wordt beheerst, maar door het Luxemburgse recht ter zake. Op het gebied van het privaatrecht zijn de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ° behoudens hetgeen in het Protocol en het Statuut is bepaald ° juist zoals iedere andere burger volledig onderworpen aan de nationale bepalingen die de rechtsbetrekkingen waarbij zij partij zijn, beheersen (conclusie van advocaat-generaal Cruz Vilaça bij arrest Hof van 7 oktober 1987, zaak 401/85, Schina, Jurispr. 1987, blz. 3911, 3918, punt 32).
61 Wat het onderhavige geval betreft, herinnert het Gerecht eraan, dat de in geding zijnde beslagprocedure op een naar gemeenschapsrecht wettelijke grondslag berust, zoals uiteengezet in de rechtsoverwegingen 48-53 supra.
62 Met betrekking tot verzoeksters argument betreffende het Verdrag van Brussel moet met verweerder worden opgemerkt, dat dit Verdrag niet van toepassing is op een beslagprocedure als de onderhavige.
63 Het Gerecht stelt eveneens vast, dat de administratie van het Hof geen enkel persoonlijk gegeven van verzoekster aan de Luxemburgse rechter heeft meegedeeld. In de "bevestigende verklaring" is immers enkel het bedrag van de bezoldiging van de beslagen ambtenaar vermeld, zoals de Luxemburgse wettelijke regeling voorschrijft, omdat dit bedrag het uitgangspunt is voor de berekening van het voor beslag vatbare gedeelte van de bezoldiging.
64 Met betrekking tot het argument betreffende de eerbiediging van de rechten van de verdediging, wijst het Gerecht erop, dat verzoekster door de afdeling Personeel in kennis is gesteld van het verzoek van de nationale rechter en van het voornemen van de administratie van het Hof om er gevolg aan te geven.
65 Het middel ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften, moet mitsdien worden afgewezen.
Het middel ontleend aan schending van de verdragsregels of van regels betrekking hebbende op de uitvoering daarvan
° Argumenten van partijen
66 Verzoekster stelt, dat de inhouding in strijd is met de begrotingsregels van de Gemeenschap. Ingevolge deze regels moeten zowel de bestemming en het gebruik van op de begroting ingeschreven bedragen, waaronder de bezoldigingen van de ambtenaren, als het gebruik van inhoudingen daarop strikt berusten op gemeenschapsregels en niet op vreemde wettelijke regelingen en rechterlijke beslissingen.
67 De betrokken inhouding, aldus verzoekster, is in strijd met de geldende communautaire begrotingsregels verricht en aldus is haar recht op integrale betaling voor haar werk binnen een gemeenschapsinstelling aangetast. De bezoldigingen worden uitbetaald in het kader van de wettelijke procedure van uitvoering van de gemeenschapsbegroting, die niet voorziet in de mogelijkheid ze via nationale gerechtelijke procedures te verminderen.
68 Volgens verweerder vormt het recht op de bezoldiging, dat voor zover het de verhouding tussen de ambtenaar en de instelling betreft, in het Statuut is neergelegd, geen beletsel om ten opzichte van derden het algemene beginsel toe te passen, dat het vermogen van de schuldenaar tot gemeenschappelijk onderpand voor zijn schuldeisers dient.
69 Wat de vermeende schending van de begrotingsregels betreft, wijst verweerder erop, dat de gemeenschapsbegroting door de betrokken inhouding niet wordt getroffen, ook al wordt een gedeelte van dat bedrag gestort op een rekening die speciaal is geopend om de beschikking tot loonbeslag ten uitvoer te leggen.
° Beoordeling door het Gerecht
70 Met betrekking tot de wettigheid van de bestreden inhouding in het licht van de communautaire begrotingsregels, is het Gerecht van oordeel, dat een beslaglegging de tenuitvoerlegging van de begroting van het Hof onverlet laat en geen invloed heeft op de door de communautaire begrotingsregels beheerste geldstromen noch op de in deze regels vastgestelde budgettaire voorrechten van de instellingen. De kredieten waarover het Hof beschikt, zijn immers exact gedebiteerd met het bedrag dat overeenkomt met verzoeksters bezoldiging.
71 Het middel ontleend aan schending van de verdragsregels en van de regels betrekking hebbende op de uitvoering daarvan, moet mitsdien worden afgewezen.
72 Gelet op al het voorgaande moet de vordering tot nietigverklaring van de besluiten van het Hof met betrekking tot de op verzoeksters bezoldiging verrichte inhouding worden verworpen.
De vordering tot terugbetaling van het in geding zijnde bedrag
73 Verzoekster vordert, dat het Gerecht het Hof zou gelasten het ingehouden bedrag terug te betalen. Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat het Gerecht verzoeksters primaire vordering tot nietigverklaring heeft verworpen. De vordering tot terugbetaling is dus eveneens ongegrond.
De vordering tot schadevergoeding
Argumenten van partijen
74 Verzoekster stelt, dat zij door het gedrag van de administratie van het Hof en het hier in geding zijnde beslag materiële en immateriële schade heeft geleden.
75 Verweerder beklemtoont, dat een besluit dat in geen enkel opzicht onwettig is, hoe dan ook niet tot aansprakelijkheid van de betrokken instelling kan leiden.
Beoordeling door het Gerecht
76 Zoals reeds vastgesteld, zijn bij de inhouding op verzoeksters bezoldiging de geldende rechtsregels in acht genomen, zodat van een aansprakelijkheid van verweerder geen sprake kan zijn.
77 Mitsdien moet de vordering tot schadevergoeding worden verworpen.
De subsidiaire vordering tot bepaalde vaststellingen
78 Verzoekster vordert subsidiair, dat het Gerecht zou vaststellen dat de beschikking van de juge de paix te Luxemburg onwettig is, en meer subsidiair, dat een procedure als de betrokken Luxemburgse procedure gemakkelijk van vexatoire aard kan zijn.
79 Opgemerkt zij, dat het Verdrag niet voorziet in een beroepsweg die het voor natuurlijke of rechtspersonen mogelijk maakt, zich tot de communautaire rechter te wenden met een vraag betreffende de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van handelingen van de autoriteiten van een Lid-Staat (zie beschikking Bernardi, reeds aangehaald, r.o. 35). Deze vordering moet mitsdien niet-ontvankelijk worden verklaard.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
80 Volgens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Ingevolge artikel 88 van dit Reglement blijven evenwel in de gedingen tussen de Gemeenschappen en hun personeelsleden de kosten door de instellingen gemaakt, te hunnen laste.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt de vorderingen van verzoekster vervat in haar brieven van 10 en 20 december 1994.
2) Verwerpt het beroep.
3) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen.
Full & Egal Universal Law Academy