Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Procedure - Voordragen van nieuwe middelen in loop van geding - Middel gesteund op gegevens waarvan in loop van behandeling is gebleken - Bevestiging bij arrest van Hof van geldigheid van handeling van gemeenschapsinstellingen - Geen nieuw gegeven
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 42, lid 1; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 48, lid 2)
2 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Bananen - Invoerregeling - Tariefcontingent - Opening en verdeling - Beginselen van non-discriminatie, bescherming van gewettigd vertrouwen, vrije beroepsuitoefening en recht van verweer - Schending - Geen - Misbruik van bevoegdheid - Geen - Niet-contractuele aansprakelijkheid van Gemeenschap - Geen
(EG-Verdrag, art. 215, tweede alinea; verordening nr. 404/93 van de Raad)
Samenvatting
3 Zowel volgens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof als volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. In dit verband kan een arrest van het Hof dat de geldigheid van een handeling van de gemeenschapsinstellingen bevestigt, niet worden beschouwd als een gegeven dat het voordragen van een nieuw middel mogelijk maakt, daar dergelijke handelingen in ieder geval worden vermoed geldig te zijn en een dergelijk arrest slechts een bevestiging inhoudt van een rechtstoestand die verzoeker bekend was op het ogenblik dat hij zijn beroep instelde.
4 De bij verordening nr. 404/93 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, tot stand gebrachte regeling voor het handelsverkeer met derde landen, inzonderheid het tariefcontingent voor de invoer en de verdeling daarvan, levert noch een schending van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht noch een misbruik van bevoegdheid op en is derhalve niet aangetast door enige onwettigheid die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap jegens de marktdeelnemers die bananen uit derde landen in de Gemeenschap invoeren, zou kunnen meebrengen.
Wat immers het non-discriminatiebeginsel betreft, beoogde de verordening weliswaar niet de gelijke behandeling van de verschillende categorieën marktdeelnemers waarover het tariefcontingent is verdeeld, doch de verschillende behandeling van deze categorieën leek inherent aan het doel om tot dan toe gecompartimenteerde markten te integreren en de afzet van de produktie uit de Gemeenschap en de produktie van traditionele ACS-bananen te garanderen.
Wat het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, kan een marktdeelnemer zich niet beroepen op een verworven recht of zelfs op een gewettigd vertrouwen in de handhaving van een situatie die door besluiten van de gemeenschapsinstellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd. Bovendien kan geen schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen worden aangevoerd wanneer de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan.
Wat het fundamentele recht op vrije beroepsuitoefening betreft, beantwoordt de beperking die is opgelegd aan de marktdeelnemers die traditioneel bananen uit derde landen afzetten, aan doeleinden van algemeen gemeenschapsbelang en tast zij het wezen zelf van dit recht niet aan.
Wat het recht van verweer in het kader van een op een artikel van het Verdrag gebaseerde procedure tot vaststelling van een gemeenschapshandeling betreft, is de gemeenschapswetgever enkel gehouden de raadplegingen te verrichten die door het betrokken artikel worden voorgeschreven, en kan het recht om te worden gehoord in een administratieve procedure betreffende een welbepaalde persoon niet worden geacht ook te gelden in een regelgevende procedure tot vaststelling van algemene maatregelen.
Wat ten slotte het eventuele misbruik van bevoegdheid betreft, blijkt niet dat de verordening andere dan de daarin genoemde doelstellingen beoogt te verwezenlijken, daar een ontwikkelingsbeleid ten gunste van de ACS-staten, zoals door de verordening wordt nagestreefd, volledig in overeenstemming is met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de gemeenschapsinstellingen in het kader van de uitvoering van het interne beleid, met name op het gebied van de landbouw, niet mogen voorbijgaan aan de internationale verplichtingen die de Gemeenschap op grond van de Overeenkomst van Lomé is aangegaan.
Partijen
In zaak T-521/93,
Atlanta AG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Bremen (Duitsland),
Atlanta Handelsgesellschaft Harder & Co. GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Bremen,
Afrikanische Frucht-Compagnie GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg (Duitsland),
Cobana Bananeneinkaufsgesellschaft mbH & Co. KG, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg,
Edeka Fruchtkontor GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg,
Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert & Co., vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg,
Pacific Fruchtimport GmbH, vennootschap naar Duits recht, gevestigd te Hamburg,
vertegenwoordigd door E. A. Undritz en G. Schohe, advocaten te Hamburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van M. Baden, advocaat aldaar, Rue Marie-Adélaïde 24,
verzoeksters,
tegen
Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door:
1) Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.-P. Jacqué, directeur bij de juridische dienst, A. Brautigam en J. Huber, juridisch adviseurs, en A. Lo Monaco, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
2) Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch hoofdadviseur P. Gilsdorf en U. Woelker, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
ondersteund door
Franse Republiek, vertegenwoordigd door E. Belliard, adjunct-directeur juridische zaken, en G. Mignot, secretaris buitenlandse zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Franse ambassade, Boulevard du Prince Henri 9,
en
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, aanvankelijk vertegenwoordigd door S. L. Hudson en vervolgens door L. Nicoll, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk, Boulevard Roosevelt 14,
interveniënten,
betreffende een beroep tot veroordeling van de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Raad en de Commissie, tot vergoeding van de schade voortvloeiend uit de vaststelling van verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (PB 1993, L 47, blz. 1),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Vierde kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. García-Valdecasas, P. Lindh, J. Azizi en J. D. Cooke, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 5 juni 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het beroep ten grondslag liggende feiten
Situatie vóór verordening nr. 404/93
1 Vóór de instelling van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen werd in de bananenconsumptie van de Lid-Staten voorzien door drie bevoorradingsbronnen: in de Gemeenschap (met name in de Canarische Eilanden en in de Franse overzeese departementen) geproduceerde bananen, die ongeveer 20 % van de communautaire consumptie dekten (hierna: "bananen uit de Gemeenschap"); bananen geproduceerd in enkele van de staten waarmee de Gemeenschap de Overeenkomst van Lomé had gesloten (met name enkele Afrikaanse staten en een aantal eilanden in de Caribische Zee), die ongeveer 20 % van de communautaire consumptie dekten (hierna: "ACS-bananen"); bananen geproduceerd in andere staten (vooral in een aantal landen van Midden- en Zuid-Amerika), die ongeveer 60 % van de communautaire consumptie dekten (hierna: "bananen uit derde landen").
2 Krachtens het protocol dat is gehecht aan de in artikel 136 EG-Verdrag bedoelde toepassingsovereenkomst betreffende de associatie tussen de landen en gebieden overzee en de Gemeenschap (hierna: "bananenprotocol"), gold voor Duitsland een bijzondere regeling. Op grond van die regeling mocht Duitsland jaarlijks een contingent bananen, berekend op basis van de in 1956 ingevoerde hoeveelheid, vrij van douanerechten invoeren. Dit contingent moest naar gelang van de voortgang in de verwezenlijking van de gemeenschappelijke markt geleidelijk worden verminderd.
Verordening nr. 404/93
3 Bij verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 (PB 1993, L 47, blz. 1; hierna: "verordening nr. 404/93"), zoals laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3290/94 van de Raad van 22 december 1994 inzake de aanpassingen en de overgangsmaatregelen in de landbouwsector voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomsten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Urguay-Ronde (PB 1994, L 349, blz. 105), werd een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen ingesteld. In de onderhavige zaak gaat het om de versie van 13 februari 1993.
4 Volgens de derde overweging van de considerans van verordening nr. 404/93 moet de gemeenschappelijke marktordening "het mogelijk maken om, zonder te tornen aan de communautaire preferentie en de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, op de markt van de Gemeenschap tegen voor zowel de telers als de consumenten redelijke prijzen bananen af te zetten uit de Gemeenschap en de ACS-staten, die traditionele leveranciers zijn van de Gemeenschap, waarbij de invoer uit de andere aan de Gemeenschap leverende derde landen niet mag worden geschaad, terwijl de producenten een behoorlijk inkomen wordt verschaft".
5 De in titel IV neergelegde regeling voor het handelsverkeer met derde landen bepaalt, dat de traditionele invoer van bananen uit de ACS-staten in de Gemeenschap met vrijstelling van douanerechten mag worden voortgezet. In een bijlage bij de verordening wordt deze invoer vastgesteld op 857 700 ton en verdeeld over de ACS-staten, de traditionele leveranciers.
6 In artikel 18 van verordening nr. 404/93 wordt bepaald:
"1. Voor elk jaar wordt een tariefcontingent van 2 miljoen ton nettogewicht geopend voor de invoer van bananen uit derde landen en niet-traditionele ACS-bananen.
In het kader van dit tariefcontingent wordt op de invoer van bananen uit derde landen 100 ECU per ton geheven en wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen een nulrecht toegepast.
(...)
2. Buiten het in lid 1 bedoelde contingent:
- wordt op de invoer van niet-traditionele ACS-bananen 750 ECU per ton geheven,
- wordt op de invoer van bananen uit derde landen 850 ECU per ton geheven."
7 Artikel 19, lid 1, bepaalt:
"Het tariefcontingent wordt met ingang van 1 juli 1993 geopend ten belope van:
a) 66,5 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit derde landen en/of niet-traditionele ACS-bananen hebben afgezet;
b) 30 % voor de categorie marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen hebben afgezet;
c) 3,5 % voor de categorie in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemers die vanaf 1992 zijn begonnen andere bananen dan bananen uit de Gemeenschap en/of traditionele ACS-bananen af te zetten."
8 Ingevolge artikel 16 wordt ieder jaar een geraamde balans van de produktie en het verbruik in de Gemeenschap en van de invoer en uitvoer opgesteld. Deze balans kan, zo nodig, in de loop van het verkoopseizoen worden herzien.
9 Artikel 18, lid 1, vierde alinea, voorziet in de mogelijkheid van een verhoging van de grootte van het jaarlijkse contingent op basis van de in artikel 16 bedoelde geraamde balans.
10 Artikel 20 machtigt de Commissie om de voorwaarden voor de overdraagbaarheid van de invoercertificaten vast te stellen.
11 Volgens artikel 21, lid 2, wordt het tariefcontingent waarin is voorzien bij het bananenprotocol, afgeschaft.
De situatie van verzoeksters
12 Verzoeksters zijn marktdeelnemers die bananen uit derde landen in de Gemeenschap invoeren. De eerste en de tweede verzoekster behoren tot de groep Atlanta: de eerste verzoekster is een doorstroomholding, de tweede een dochtervennootschap van de eerste. De eerste verzoekster, de enige waarop de in het onderhavige beroep aan de orde zijnde vordering tot schadevergoeding betrekking heeft (zie hieronder, r.o. 16 en 28), stelt dat één van haar andere dochtervennootschappen, Atlanta Handels- und Schiffahrts-Gesellschaft mbH, die was belast met de organisatie van het vervoer in koelschepen, schade heeft geleden door de inwerkingtreding van verordening nr. 404/93. Atlanta Handels- und Schiffahrts-Gesellschaft mbH had drie schepen gecharterd die zij vervolgens ter beschikking van een Amerikaanse vennootschap heeft gesteld. Deze laatste beëindigde de overeenkomst vóór de overeengekomen termijn, op grond dat zij de schepen niet meer nodig had wegens de uit verordening nr. 404/93 voortvloeiende beperkingen van de invoer van bananen. Atlanta Handels- und Schiffahrts-Gesellschaft mbH, die de scheepsverhuurder de overeengekomen huurprijs moet doorbetalen, heeft haar rechten op schadevergoeding jegens de Gemeenschap overgedragen aan haar moedervennootschap, de eerste verzoekster.
Procedure
13 Bij een op 14 mei 1993 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters, enerzijds krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag (thans artikel 173, vierde alinea, EG-Verdrag; hierna: "Verdrag") om gedeeltelijke nietigverklaring van verordening nr. 404/93 verzocht, en anderzijds krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag gevorderd dat de Europese Gemeenschap wordt veroordeeld tot vergoeding van de door de eerste verzoekster of, in voorkomend geval, door Atlanta Handels- und Schiffahrts-Gesellschaft mbH geleden schade. Het tweede onderdeel van dit beroep, dat aanvankelijk onder het nummer C-286/93 en vervolgens onder het nummer T-521/93 is ingeschreven (zie hieronder, r.o. 21), is het voorwerp van het onderhavige arrest.
14 Bij een op dezelfde dag ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 173, eerste alinea, van het Verdrag om nietigverklaring van titel IV en artikel 21, lid 2, van verordening nr. 404/93 verzocht (zaak C-280/93).
15 Bij een op 4 juni 1993 krachtens de artikelen 185 en 186 van het Verdrag ter griffie van het Hof neergelegd verzoek in kort geding hebben verzoeksters bovendien verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van titel IV van verordening nr. 404/93, met name de artikelen 17 tot en met 20 daarvan, alsmede om elke andere maatregel die de president van het Hof of het Hof zelf passend zou achten (zaak C-286/93 R).
16 Bij beschikking van 21 juni 1993 heeft het Hof het beroep van verzoeksters niet- ontvankelijk verklaard voor zover het strekte tot nietigverklaring van een aantal bepalingen van verordening nr. 404/93, maar heeft het het beroep onverlet gelaten voor zover het strekte tot veroordeling van de Europese Gemeenschap tot vergoeding van de door de vaststelling van die verordening veroorzaakte schade. Verder heeft het de beslissing omtrent de kosten aangehouden (zaak C-286/93, thans zaak T-521/93, het onderhavige beroep).
17 Bij op 28 juni 1993 en 12 juli 1993 ter griffie van het Hof neergelegde akten hebben het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek verzocht, in de onderhavige zaak te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van verweerders.
18 Bij beschikking van 6 juli 1993 heeft het Hof het door verzoeksters ingediende verzoek in kort geding niet-ontvankelijk verklaard en de beslissing omtrent de kosten aangehouden (zaak C-286/93 R).
19 Bij akten neergelegd ter griffie van het Hof tussen 29 juni 1993 en 12 juli 1993 hebben de Republiek Ivoorkust, de vennootschap Terres Rouges Consultant, de vennootschap España et fils en de vennootschap Cobana Import verzocht, in de onderhavige zaak te mogen tussenkomen ter ondersteuning van de conclusies van verweerders.
20 Bij beschikking van 15 juli 1993 heeft het Hof krachtens artikel 82 bis, lid 1, sub b, van het Reglement van de procesvoering van het Hof beslist, de procedure in de onderhavige zaak te schorsen tot aan de afdoening van zaak C-280/93.
21 Na de inwerkingtreding, op 1 augustus 1993, van besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 tot wijziging van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB 1993, L 144, blz. 21), is de onderhavige zaak bij beschikking van het Hof van 27 september 1993 naar het Gerecht verwezen.
22 Op 5 oktober 1994 heeft het Hof het door de Bondsrepubliek Duitsland ingestelde beroep tot nietigverklaring verworpen (arrest Duitsland/Raad, zaak C-280/93, Jurispr. 1994, blz. I-4973). Daarop is de schorsing beëindigd en de schriftelijke behandeling van de onderhavige zaak hervat.
23 Bij beschikkingen van de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 9 maart 1995 zijn de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van verweerders.
24 Bij beschikking van de president van de Tweede kamer (uitgebreid) van het Gerecht van 14 juli 1995 zijn de verzoeken tot tussenkomst van de Republiek Ivoorkust, de vennootschap Terres Rouges Consultant, de vennootschap España et fils en de vennootschap Cobana Import afgewezen en zijn verzoeksters tot tussenkomst verwezen in de kosten die op hun verzoeken tot tussenkomst waren gevallen.
25 Bij beschikking van 1 december 1993, ingekomen bij het Hof op 14 december daaraanvolgend, heeft het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main krachtens artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van titel IV en artikel 21, lid 2, van verordening nr. 404/93. Deze vragen waren gerezen in een geding tussen Atlanta Fruchthandelsgesellschaft mbH en zeventien andere vennootschappen van de groep Atlanta, enerzijds, en het Bundesamt fuer Ernaehrung und Forstwirtschaft, anderzijds, over de toekenning van invoercontingenten voor bananen uit derde landen.
26 Bij arrest van 9 november 1995 heeft het Hof op de vragen van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main geantwoord, dat bij onderzoek van titel IV en artikel 21, lid 2, van verordening nr. 404/93 tegen de achtergrond van de overwegingen van de verwijzingsbeschikking niet was gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid ervan konden aantasten (arrest C-466/93, Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a., Jurispr. 1995, blz. I-3799).
27 Tussen 8 december 1994 en 6 januari 1995 hebben partijen op verzoek van het Gerecht hun opmerkingen ingediend over de eventuele gevolgen van het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad voor het onderhavige geding. Tussen 4 en 16 januari 1996 hebben partijen op verzoek van het Gerecht hun opmerkingen ingediend over de eventuele gevolgen van het reeds aangehaalde arrest Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. voor het onderhavige geding.
28 Gelet op de beschikking van het Hof van 21 juni 1993, waarbij het beroep van verzoeksters niet-ontvankelijk is verklaard voor zover het strekte tot nietigverklaring van de bepalingen van verordening nr. 404/93, zal het Gerecht enkel de door verzoeksters geformuleerde vordering tot schadevergoeding behandelen.
Conclusies van partijen
29 Verzoeksters concluderen dat het het Gerecht behage:
- de Europese Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Raad en de Commissie, te veroordelen tot vergoeding van de schade die de eerste verzoekster of, in voorkomend geval, Atlanta Handels- und Schiffahrts-Gesellschaft mbH heeft geleden;
- verweerders in de kosten te verwijzen.
30 De Raad concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in alle kosten, daaronder begrepen de kosten die op het beroep tot nietigverklaring zijn gevallen.
31 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren;
- verzoeksters te verwijzen in alle kosten, daaronder begrepen die welke op het beroep tot nietigverklaring zijn gevallen.
32 De Franse Republiek concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren.
33 Het Verenigd Koninkrijk concludeert dat het het Gerecht behage:
- het beroep ongegrond te verklaren.
Ten gronde
34 Tot staving van hun vordering tot schadevergoeding voeren verzoeksters veertien middelen aan om het bestaan van een onwettige gedraging van de Raad en van de Commissie aan te tonen. In hun opmerkingen over de gevolgen die aan het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad moeten worden verbonden, en in repliek verklaarden zij, dat zij alle in hun verzoekschrift geformuleerde middelen handhaafden, maar zij concentreerden zich op de vier navolgende middelen: schending van het non-discriminatiebeginsel; schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen; schending van het grondrecht van vrije beroepsuitoefening en schending van het recht van verweer. In repliek en in hun opmerkingen van 16 januari 1996 over de gevolgen die aan het reeds aangehaalde arrest Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. moeten worden verbonden, betoogden verzoeksters verder, dat ook al zou het Gerecht oordelen dat de betrokken bepalingen van verordening nr. 404/93 geldig zijn, de eerste verzoekster toch recht heeft op schadevergoeding uit hoofde van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag. Het Gerecht zal eerst dit middel onderzoeken, vervolgens de vier middelen waarop verzoeksters zich hebben geconcentreerd, en ten slotte de andere in het verzoekschrift geformuleerde middelen.
Het middel inzake de aansprakelijkheid van de Raad voor een wettige handeling
Argumenten van partijen
35 Verzoeksters betogen, dat volgens de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de Lid-Staten gemeen hebben, de Gemeenschap ook voor wettige regelgevende handelingen kon worden aangesproken, wanneer de gemeenschapswetgever bepaalde marktdeelnemers uitzonderlijke lasten oplegt die de andere marktdeelnemers niet treffen.
36 Volgens de Raad is dit middel niet-ontvankelijk omdat het te laat is aangevoerd. Hij beroept zich enerzijds op artikel 19, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG, volgens hetwelk het verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet inhouden, en anderzijds op artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, volgens hetwelk nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken.
37 De Raad wijst erop, dat verzoeksters dit middel niet hebben aangevoerd in hun verzoekschrift en zelfs niet in hun standpuntbepaling van 5 januari 1995 over de gevolgen die aan het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad moeten worden verbonden.
38 De Commissie deelt het standpunt van de Raad, dat de kwestie van de aansprakelijkheid voor een wettige handeling te laat is opgeworpen.
Beoordeling door het Gerecht
39 Zowel volgens artikel 42, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, waarbij het beroep was ingesteld, als volgens artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogen nieuwe middelen in de loop van het geding niet worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak een arrest van het Hof dat de geldigheid van een handeling van de gemeenschapsinstellingen bevestigt, niet kan worden beschouwd als een gegeven dat het voordragen van een nieuw middel mogelijk maakt, daar dergelijke handelingen in ieder geval worden vermoed geldig te zijn, en dat de reeds aangehaalde arresten Duitsland/Raad en Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. slechts een bevestiging inhielden van een rechtstoestand die verzoeksters bekend was op het ogenblik dat zij hun beroep instelden (zie arrest Hof van 1 april 1982, zaak 1/81, Duerbeck, Jurispr. 1982, blz. 1251, r.o. 17).
40 Aangezien verzoeksters in het onderhavige geval geen enkel gegeven hebben aangevoerd dat het voordragen van een nieuw middel inzake de aansprakelijkheid van de Raad voor een wettige handeling rechtvaardigt, stelt het Gerecht vast, dat dit middel te laat is aangevoerd en derhalve niet-ontvankelijk is.
Het middel inzake schending van het non-discriminatiebeginsel
Argumenten van partijen
41 Verzoeksters geven toe, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad heeft geoordeeld, dat het gerechtvaardigd was een onderscheid te maken tussen marktdeelnemers die bananen uit derde landen afzetten en marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en ACS-bananen afzetten. Huns inziens is in dit arrest evenwel niet ingegaan op de voor eerstgenoemde marktdeelnemers bestaande onmogelijkheid om toegang te krijgen tot de markt, ofschoon het belang van een dergelijke toegang elders in dat arrest impliciet wordt erkend. Zij beroepen zich daartoe op rechtsoverweging 74 van het arrest, waarin wordt verklaard dat een van de doelstellingen van de verordening de integratie van tot dan toe gecompartimenteerde markten is. Volgens verzoeksters impliceert een dergelijke integratie, dat de marktdeelnemers die bananen uit derde landen afzetten, toegang moeten krijgen tot de bananen uit de Gemeenschap en de ACS-bananen.
42 Vervolgens verwijzen zij naar de beschikking van het Hof van 29 juni 1993 (zaak C-280/93 R, Duitsland/Raad, Jurispr. 1993, blz. I-3667), met name rechtsoverweging 41 daarvan, waarin wordt verklaard, dat "het niet voldoende zeker is, dat de aangevochten verdelingsregeling de Duitse importeurs een belangrijk deel van hun marktaandeel zal ontnemen, en dat vooral niet valt in te zien, waarom deze importeurs er niet zouden in slagen zich in te dekken met bananen uit de Gemeenschap en met ACS-bananen".
43 Verzoeksters concluderen, dat er in de omstandigheden van het onderhavige geval discriminatie bestaat tussen de marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en ACS-bananen afzetten en de marktdeelnemers die bananen uit derde landen afzetten, aangezien deze laatsten in feite geen toegang hebben tot de bananen uit de Gemeenschap en de ACS-bananen.
44 De Raad betwist deze uitlegging van het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad. Hij wijst erop, dat het Hof in dat arrest heeft verklaard, dat wanneer de gemeenschapswetgever met het oog op de vaststelling van een regeling de toekomstige gevolgen ervan dient te beoordelen en die gevolgen niet met zekerheid zijn te voorzien, zijn beoordeling slechts kan worden afgekeurd indien zij, gelet op de gegevens waarover de wetgever ten tijde van de vaststelling van de regeling beschikte, kennelijk onjuist is.
45 De Raad voegt daaraan toe, dat het Hof heeft vastgesteld dat niet was aangetoond dat de door de Raad vastgestelde maatregelen kennelijk ongeschikt waren om het met verordening nr. 404/93 nagestreefde doel te verwezenlijken. Verder betwist hij de stelling van verzoeksters, dat er op de Duitse markt geen bananen uit de Gemeenschap of ACS-bananen beschikbaar zijn.
Beoordeling door het Gerecht
46 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak het non-discriminatiebeginsel een van de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht is (zie arrest Duitsland/Raad, reeds aangehaald, r.o. 67). Dit beginsel eist, dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is. Gelijk in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad is opgemerkt, was vóór de vaststelling van de verordening de situatie van de categorieën van marktdeelnemers waartussen het tariefcontingent werd verdeeld, niet vergelijkbaar. Deze categorieën werden door de genomen maatregelen ook op verschillende wijze getroffen, en het Hof heeft uitdrukkelijk erkend, dat de marktdeelnemers die hun bananen traditioneel hoofdzakelijk uit derde landen betrokken, voortaan hun invoermogelijkheden beperkt zagen. Het Hof heeft evenwel geoordeeld, dat een dergelijk verschil in behandeling inherent leek aan het doel om tot dan toe gecompartimenteerde markten te integreren en om de afzet van de produktie uit de Gemeenschap en de produktie van traditionele ACS-bananen te garanderen (r.o. 74). Verder was het Hof van mening, dat de regeling inzake de verdeling van het tariefcontingent tussen de verschillende categorieën van marktdeelnemers bedoeld was om de marktdeelnemers die bananen uit de Gemeenschap en traditionele ACS-bananen afzetten, ertoe te brengen om bananen uit derde landen te betrekken, en tevens om de importeurs van bananen uit derde landen te stimuleren om bananen uit de Gemeenschap en ACS-bananen af te zetten (r.o. 83). Het Hof heeft derhalve erkend, dat verordening nr. 404/93 niet tot doel had een gelijke behandeling van de verschillende categorieën van marktdeelnemers tot stand te brengen.
47 Volgens het Hof was het ook noodzakelijk, dat verordening nr. 404/93 in het kader van de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening een beperking van de uit derde landen naar de Gemeenschap ingevoerde hoeveelheden bananen bevat (r.o. 82).
48 Ten slotte heeft het Hof geoordeeld, dat niet was aangetoond dat de Raad maatregelen had getroffen die kennelijk ongeschikt waren voor de verwezenlijking van het met verordening nr. 404/93 nagestreefde doel (r.o. 95).
49 Hieraan moet worden toegevoegd, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. heeft overwogen, dat de door verzoeksters aangevoerde moeilijkheden bij de toepassing van verordening nr. 404/93 niet van invloed konden zijn op de geldigheid van die verordening (r.o. 11). Op dezelfde wijze kunnen de door verzoeksters genoemde concrete gevolgen van de vaststelling van verordening nr. 404/93 in het onderhavige geval niet in aanmerking worden genomen door het Gerecht, dat de wettigheid van verordening nr. 404/93 slechts ten aanzien van de door verzoeksters aangevoerde middelen moet onderzoeken.
50 Het Gerecht stelt derhalve vast, dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de verwerende instellingen het non-discriminatiebeginsel niet in acht hebben genomen, en bijgevolg moet dit middel ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen
Argumenten van partijen
51 Verzoeksters wijzen er allereerst op, dat het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen niet behoort tot de middelen die Duitsland in de reeds aangehaalde zaak Duitsland/Raad heeft aangevoerd.
52 Vervolgens geven zij toe, dat zij zich niet kunnen beroepen op een gewettigd vertrouwen in de handhaving van de vóór 1 juli 1993 bestaande voorwaarden, maar zij stellen, dat zij mochten verwachten dat passende overgangsmaatregelen zouden worden getroffen opdat zij zich geleidelijk aan de nieuwe regeling zouden kunnen aanpassen. Een overgangsregeling zou hen in staat hebben gesteld, hun verliezen te beperken en de werkgelegenheid te handhaven of geleidelijk af te bouwen.
53 Aangezien een dergelijke regeling ontbreekt, kan de schade die zij hebben geleden, enkel worden weggewerkt door middel van een schadevergoeding. Zij beroepen zich voor hun zienswijze op het arrest van het Hof van 14 mei 1975 (zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533, r.o. 47), waarin het Hof heeft geoordeeld, dat de Gemeenschap om redenen van bescherming van het gewettigd vertrouwen het verlies moest vergoeden dat een marktdeelnemer wegens de intrekking van de compenserende bedragen had geleden bij de tenuitvoerlegging van exporten waartoe hij zich had verbonden.
54 De Raad betoogt dat, anders dan verzoeksters stellen, het Hof in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad de kwestie van schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen heeft onderzocht. Zijns inziens blijkt uit de rechtsoverwegingen van het arrest, dat het ontbreken van overgangsmaatregelen volgens het Hof geen schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen opleverde.
Beoordeling door het Gerecht
55 Het Gerecht herinnert eraan, dat het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen één van de grondbeginselen van de Gemeenschap is. Toch dient er ook op te worden gewezen, dat de marktdeelnemers niet mogen vertrouwen op de handhaving van een bestaande situatie die door de gemeenschapsinstellingen, handelend krachtens hun discretionaire bevoegdheid, kan worden gewijzigd. Dit is met name het geval op een gebied als dat van de gemeenschappelijke marktordeningen, die juist een voortdurende aanpassing mogelijk moeten maken, afhankelijk van de wijzigingen van de economische situatie (zie met name arrest Hof van 5 oktober 1994, gevoegde zaken C-133/93, C-300/93 en C-362/93, Crispoltoni e.a., Jurispr. 1994, blz. I-4863, r.o. 57). Zelfs al behoort het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen niet tot de middelen die Duitsland in de reeds aangehaalde zaak Duitsland/Raad heeft aangevoerd, toch heeft het Hof ook in dat arrest bevestigd, dat een marktdeelnemer zich niet kan beroepen op een verworven recht of zelfs op een gewettigd vertrouwen in het voortbestaan van een situatie die door besluiten van de instellingen in het kader van hun beoordelingsbevoegdheid kan worden gewijzigd (r.o. 80).
56 Bovendien was de mogelijkheid van een schending van dit beginsel ook geopperd in de prejudiciële vragen van de nationale rechter in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. heeft geleid. Door vast te stellen, dat de nationale rechter geen ongeldigheidsgronden had genoemd die de beoordeling van de geldigheid van verordening nr. 404/93 hadden kunnen wijzigen, heeft het Hof evenwel geoordeeld, dat er geen dergelijke schending was geweest.
57 Het Gerecht herinnert eraan, dat geen schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen kan worden aangevoerd wanneer de administratie geen nauwkeurige toezeggingen heeft gedaan (zie arrest Gerecht van 14 september 1995, zaak T-571/93, Lefebvre e.a., Jurispr. 1995, blz. II-2379, r.o. 72). Verzoeksters hebben evenwel niet aangetoond, dat de Commissie in haar eerdere praktijk of in de specifieke context van de invoering van de betrokken gemeenschappelijke marktordening dergelijke toezeggingen had gedaan.
58 Bijgevolg hebben verzoeksters niet aangetoond, dat er in het onderhavige geval sprake is van schending van het beginsel van de bescherming van het gewettigd vertrouwen, en moet het middel inzake schending van dit beginsel worden afgewezen.
Het middel inzake schending van het grondrecht van vrije beroepsuitoefening
Argumenten van partijen
59 Verzoeksters stellen, dat de kwestie van de grondrechten in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad slechts algemeen en in abstracto is behandeld, en dat de subjectieve rechten van de individuele marktdeelnemer in het geheel niet zijn onderzocht. Zij vragen het Gerecht derhalve, te antwoorden op de vraag, of in het onderhavige geval de concrete toepassing van verordening nr. 404/93 hun grondrechten heeft geschonden.
60 Zij wijzen met name op de bedrijfssluitingen en de collectieve ontslagen die zij sedert de vaststelling van verordening nr. 404/93 hebben moeten verrichten, en stellen, dat de omstreden verordening hun grondrecht van vrije beroepsuitoefening heeft geschonden.
61 Volgens de Raad blijkt uit het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad, dat geen enkele traditionele handelaar in bananen uit derde landen zich op schending van het grondrecht van vrije beroepsuitoefening kan beroepen.
Beoordeling door het Gerecht
62 Het Gerecht herinnert eraan, dat volgens vaste rechtspraak de vrije beroepsuitoefening één van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht is, maar niet als een absoluut prerogatief mag worden beschouwd en in verband met zijn sociale functie moet worden bezien. Dit beginsel houdt in, dat aan een marktdeelnemer niet willekeurig het recht mag worden ontnomen zijn beroep uit te oefenen, maar het garandeert hem geen bepaalde omzet of een specifiek marktaandeel. De aan de marktdeelnemers verstrekte waarborgen mogen in geen geval worden uitgebreid tot de bescherming van de belangen of kansen van de handel, welker wisselvalligheid tot het wezen van de economische werkzaamheid behoort (zie arrest Hof van 14 mei 1974, zaak 4/73, Nold, Jurispr. 1974, blz. 491, r.o. 14). Bijgevolg kan de vrije beroepsuitoefening, met name in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, aan beperkingen worden onderworpen, voor zover die beperkingen werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (zie arrest Hof van 11 juli 1989, zaak 265/87, Schraeder, Jurispr. 1989, blz. 2237, r.o. 15).
63 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad al heeft geoordeeld, dat de beperking waaraan de vrije beroepsuitoefening van de marktdeelnemers die traditioneel bananen uit derde landen afzetten, door verordening nr. 404/93 wordt onderworpen, beantwoordt aan doeleinden van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft, en dit recht niet in de kern aantast (r.o. 87). Verder zij er nogmaals aan herinnerd, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. heeft opgemerkt, dat verzoeksters weliswaar hadden gewezen op een aantal moeilijkheden die bij de toepassing van verordening nr. 404/93 waren gerezen, en op de gevolgen daarvan voor hun activiteiten, doch dat die omstandigheden niet van invloed kunnen zijn op de geldigheid van die verordening (r.o. 11).
64 Mitsdien moet het middel inzake schending van het grondrecht van vrije beroepsuitoefening ongegrond worden verklaard.
Het middel inzake schending van het recht van verweer
Argumenten van partijen
65 Verzoeksters wijzen erop, dat de eerbiediging van het recht van verweer wordt gewaarborgd als een grondrecht en het recht omvat te worden gehoord in administratieve procedures die tot sancties of andere maatregelen kunnen leiden (zie, bij voorbeeld, arrest Hof van 17 oktober 1989, gevoegde zaken C-97/87, C-98/87 en C-99/87, Dow Chemical Ibérica e.a., Jurispr. 1989, blz. 3165, r.o. 12). Zij herinneren eraan, dat de Commissie in het onderhavige geval vóór de vaststelling van verordening nr. 404/93 als voorwaarde voor een hoorzitting had gesteld, dat alle marktdeelnemers "met één stem" spreken. Deze voorwaarde was huns inziens evenwel onmogelijk te vervullen, omdat de verschillende marktdeelnemers uiteenlopende belangen hadden. In die omstandigheden heeft de Commissie hen niet gehoord, waardoor de gemeenschapsinstellingen in het geheel geen rekening hebben gehouden met de bijzondere situatie van een duidelijk afgebakende categorie van marktdeelnemers. Volgens de rechtspraak van het Hof levert een dergelijke gedraging van de gemeenschapswetgever een ernstige schending van de rechtsregels op (zie arresten Hof van 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061, r.o. 16, en 26 juni 1990, zaak C-152/88, Sofrimport, Jurispr. 1990, blz. I-2477, r.o. 27).
66 Verzoeksters betwisten de door de Raad in zijn verweerschrift geponeerde stelling, dat de eerbiediging van het recht van verweer van de marktdeelnemers, daaronder begrepen dat van verzoeksters, in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad is onderzocht, en betogen, dat het Hof daarvan geen melding heeft gemaakt.
67 Op het argument van de Raad, dat het recht om te worden gehoord niet bestaat in een procedure die tot de vaststelling van een normatieve maatregel leidt, antwoorden verzoeksters, dat het voor een particulier geen verschil uitmaakt, of zijn rechtspositie ongunstig wordt beïnvloed door een administratieve procedure dan wel door een regelgevingsprocedure. Zij voegen eraan toe, dat de gemeenschapswetgever op een gebied als het landbouwrecht, waar de instellingen over een zo grote bevoegdheid beschikken, alvorens in te grijpen, alle partijen de mogelijkheid moet bieden hun standpunt kenbaar te maken.
68 De Raad betoogt, dat hij volgens het Verdrag geenszins gehouden was, de betrokken economische kringen te raadplegen alvorens verordening nr. 404/93 vast te stellen. Hij herinnert eraan, dat in de regelgevingsprocedure van de Gemeenschap een raadpleging van de vertegenwoordigers van de verschillende groepen van het economische en sociale leven enkel gebeurt in de vorm van raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité, en wijst erop, dat die raadpleging vóór verordening nr. 404/93 heeft plaatsgevonden.
69 Met betrekking tot het door verzoeksters aangevoerde arrest van het Gerecht van 23 februari 1994 (gevoegde zaken T-39/92 en T-40/92, CB en Europay, Jurispr. 1994, blz. II-49), waarin het Gerecht heeft verklaard, dat het recht om te worden gehoord in alle omstandigheden in acht moet worden genomen, merkt de Raad op, dat deze overweging enkel geldt voor procedures die uitlopen op beschikkingen die tot welbepaalde personen zijn gericht, of op rechtshandelingen die deze personen rechtstreeks en individueel raken. Hij herinnert eraan, dat het Hof in het onderhavige geval bij zijn beschikking van 21 juni 1993 het beroep van verzoeksters heeft verworpen voor zover het strekte tot nietigverklaring van een aantal bepalingen van verordening nr. 404/93, op grond dat verzoeksters rechtstreeks noch individueel waren geraakt.
Beoordeling door het Gerecht
70 Het Gerecht is van oordeel dat, anders dan verzoeksters stellen, het recht om te worden gehoord in een administratieve procedure betreffende een welbepaalde persoon niet kan worden geacht ook te gelden in een procedure tot vaststelling van algemene maatregelen. Het reeds aangehaalde arrest CB en Europay ligt in de lijn van een vaste rechtspraak in mededingingszaken die eist, dat ondernemingen die ervan worden verdacht de regels van het Verdrag te hebben overtreden, in hun opmerkingen worden gehoord, alvorens jegens hen maatregelen, met name sancties, worden getroffen. Deze rechtspraak moet evenwel in haar eigen context worden bezien en kan niet worden uitgebreid tot een communautaire procedure tot vaststelling van normatieve maatregelen die een economische beleidskeuze impliceren en van toepassing zijn op alle betrokken marktdeelnemers.
71 Bovendien is de gemeenschapswetgever in het kader van een op een artikel van het Verdrag gebaseerde procedure tot vaststelling van een gemeenschapshandeling enkel gehouden de raadplegingen te verrichten die door het betrokken artikel worden voorgeschreven. Het Gerecht herinnert eraan, dat het Hof in zijn arrest van 29 oktober 1980 (zaak 138/79, Roquette Frères, Jurispr. 1980, blz. 3333) heeft geoordeeld, dat in de op verschillende plaatsen van het Verdrag geformuleerde verplichting om het Parlement te raadplegen zich, op communautair niveau, een democratisch grondbeginsel afspiegelt, volgens hetwelk de volkeren door tussenkomst van een representatieve vergadering aan de machtsuitoefening deelnemen.
72 Het Gerecht herinnert er ook aan, dat in de regelgevingsprocedure van de Gemeenschap raadpleging van de vertegenwoordigers van de verschillende groepen van het economische en sociale leven gebeurt in de vorm van raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité. In het onderhavige geval zijn het Parlement en dat Comité vóór de vaststelling van verordening nr. 404/93 geraadpleegd, zoals door het Verdrag wordt voorgeschreven.
73 Het Gerecht is van oordeel dat, anders dan verzoeksters stellen, de Commissie niet verplicht was, tevens de verschillende op de communautaire bananenmarkt aanwezige categorieën van marktdeelnemers te raadplegen. De gemeenschapswetgever is zeer wel in staat, de bijzondere situatie van verschillende categorieën van marktdeelnemers in aanmerking te nemen zonder deze individueel te horen. Het Gerecht herinnert er in dit verband aan, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad heeft geoordeeld, dat de verzoekster niet had aangetoond, dat de Raad kennelijk ongeschikte maatregelen had getroffen dan wel dat hij de gegevens waarover hij ten tijde van de vaststelling van de verordening beschikte, kennelijk onjuist had beoordeeld (r.o. 95). Aangezien verordening nr. 404/93 bepalingen bevat betreffende de marktdeelnemers die bananen uit derde landen afzetten, heeft het Hof derhalve reeds impliciet erkend, dat de gemeenschapswetgever niet heeft nagelaten, de belangen van deze categorie van marktdeelnemers in aanmerking te nemen.
74 Uit het voorgaande volgt, dat het middel inzake schending van het recht van verweer moet worden afgewezen.
De middelen inzake schending van de bepalingen betreffende de regelgevingsprocedure; schending van artikel 190 van het Verdrag; schending van het bananenprotocol; de keuze van een onjuiste rechtsgrondslag; schending van het evenredigheidsbeginsel; schending van het eigendomsrecht; schending van de mededingingsregels; schending van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel, en schending van de vierde Overeenkomst van Lomé
Argumenten van partijen
75 Met betrekking tot het middel inzake schending van de bepalingen betreffende de regelgevingsprocedure betogen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de Raad het initiatiefrecht van de Commissie niet heeft geëerbiedigd en dat het Parlement opnieuw had moeten worden geraadpleegd nadat het aanvankelijke voorstel van de Commissie was gewijzigd. Aangaande het middel inzake schending van artikel 190 van het Verdrag voeren verzoeksters aan, dat verordening nr. 404/93 niet afdoende is gemotiveerd. Wat het middel inzake schending van het bananenprotocol betreft, stellen verzoeksters, dat de Raad niet bevoegd was om dat protocol af te schaffen. Ter staving van het middel inzake de keuze van een onjuiste rechtsgrondslag voeren verzoeksters aan, dat het op basis van de gekozen rechtsgrondslag niet mogelijk was, de producenten die ACS-bananen afzetten, billijke prijzen op de communautaire markt te waarborgen, en dat ook voor de verhoging van de douanerechten een onjuiste grondslag was gekozen. Aangaande het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel betogen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat verordening nr. 404/93 dit beginsel schendt, omdat zij de invoer van bananen uit derde landen op overdreven wijze beperkt. Tot staving van het middel inzake schending van het eigendomsrecht stellen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de invoerbeperkingen en de regeling inzake de verdeling van het tariefcontingent voor hen neerkomen op onteigening. Met betrekking tot het middel inzake schending van de mededingingsregels stellen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat de invoerbeperkingen en het systeem van invoercertificaten waarin verordening nr. 404/93 voorziet, de mededinging tussen de marktdeelnemers in de Gemeenschap vervalst. Tot staving van het middel inzake schending van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (hierna: "GATT") voeren verzoeksters aan, dat de uit de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 404/93 voortvloeiende invoerbeperkingen in strijd zijn met de regels van het GATT. Aangaande het middel inzake schending van de vierde Overeenkomst van Lomé betogen verzoeksters, zakelijk weergegeven, dat verordening nr. 404/93 de artikelen 168 en 169 van deze overeenkomst schendt.
76 Volgens de Raad en de Commissie heeft het Hof al deze argumenten reeds afgewezen in de reeds aangehaalde arresten Duitsland/Raad en Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a.
Beoordeling door het Gerecht
77 Het Gerecht herinnert eraan, dat het middel inzake schending van de bepalingen betreffende de procedure tot vaststelling van verordening nr. 404/93 reeds is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 27-43); dat het middel inzake schending van artikel 190 van het Verdrag is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. (r.o. 12-18); dat het middel inzake schending van het bananenprotocol is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 113-118); dat het middel inzake de keuze van een onjuiste rechtsgrondslag is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 53-57); dat het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 88-97); dat het middel inzake schending van het eigendomsrecht is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 77-79); dat het middel inzake schending van de mededingingsregels is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 58-62); dat het middel inzake schending van de regels van het GATT is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 103-112) en dat het middel inzake schending van de vierde Overeenkomst van Lomé is afgewezen in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad (r.o. 100-102).
78 Het Gerecht stelt vast, dat om dezelfde redenen als die welke het Hof in de reeds aangehaalde arresten Duitsland/Raad en Atlanta Fruchthandelsgesellschaft e.a. heeft genoemd en die hierboven in rechtsoverweging 77 zijn overgenomen, al deze middelen ongegrond moeten worden verklaard.
Het middel inzake misbruik van bevoegdheid
Argumenten van partijen
79 Verzoeksters betogen, dat de bij verordening nr. 404/93 tot stand gebrachte invoerregeling tot doel heeft, de producenten die ACS-bananen afzetten, een "behoorlijk inkomen" te verzekeren, maar dat dit doel niet kan worden nagestreefd op basis van artikel 43, lid 2, van het Verdrag. Bovendien houdt de verdeling van het tariefcontingent waarin deze regeling voorziet, geen logisch verband met het doel, de communautaire produktie en de verplichting tot aankoop van ACS-bananen te beschermen, maar is zij erop gericht, de importeurs van bananen uit de Gemeenschap en van ACS-bananen te bevoordelen. Zij leiden hieruit af, dat verordening nr. 404/93 in feite is vastgesteld ter verwezenlijking van andere doelen dan die welke daarin worden genoemd.
80 De Raad en de Commissie hebben niet omstandig geantwoord op dit middel. De Raad heeft er evenwel in algemene bewoordingen aan herinnerd, dat het Hof in het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad heeft geoordeeld, dat verordening nr. 404/93 in overeenstemming is met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de door de artikelen 39, 42 en 43 van het Verdrag getrokken grenzen niet overschrijdt. De Commissie heeft er in haar opmerkingen over de voortzetting van de procedure na het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad op gewezen, dat alle door verzoeksters tegen verordening nr. 404/93 aangevoerde middelen reeds door het Hof waren onderzocht.
Beoordeling door het Gerecht
81 Het Gerecht herinnert eraan, dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer een besluit, naar uit objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens blijkt, is genomen ter bereiking van andere doelen dan die welke daarin worden genoemd (arrest Hof van 11 juli 1990, zaak C-323/88, Sermes, Jurispr. 1990, blz. I-3027, r.o. 33). In het reeds aangehaalde arrest Duitsland/Raad heeft het Hof reeds geoordeeld, dat een ontwikkelingsbeleid ten gunste van de ACS-staten, zoals door de verordening wordt nagestreefd, volledig in overeenstemming is met de doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en dat de instellingen van de Gemeenschap in het kader van de uitvoering van het interne beleid, met name op het gebied van de landbouw, niet mogen voorbijgaan aan de internationale verplichtingen die de Gemeenschap op grond van de Overeenkomst van Lomé is aangegaan (r.o. 53-57). Verder zij eraan herinnerd, dat het Hof uitdrukkelijk heeft verklaard dat verordening nr. 404/93 de afzet van de produktie uit de Gemeenschap en de produktie van traditionele ACS-bananen beoogt te garanderen (r.o. 74).
82 Het Gerecht is derhalve van oordeel, dat verzoeksters op geen enkele wijze hebben aangetoond, dat de verordening andere dan de daarin genoemde doelstellingen beoogt te verwezenlijken, en dat dit middel derhalve ongegrond moet worden verklaard.
Slotsom
83 Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag, dat voor de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en de uitoefening van het recht op schadevergoeding een aantal voorwaarden moeten vervuld zijn, te weten onwettigheid van het aan de instellingen verweten gedrag, daadwerkelijke schade en het bestaan van een oorzakelijk verband tussen dit gedrag en de gestelde schade. Bovendien kan de Gemeenschap voor een normatieve handeling die economische beleidskeuzen impliceert, slechts aansprakelijk worden gesteld in geval van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel. In een normatief kader als het onderhavige kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld, indien de betrokken instelling de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk ernstig heeft miskend (zie het reeds aangehaalde arrest Mulder, r.o. 12).
84 Uit al het voorgaande volgt evenwel, dat verweerders geen enkele onwettigheid ten laste kan worden gelegd die de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap zou kunnen meebrengen. Bijgevolg dient het beroep te worden verworpen zonder dat behoeft te worden nagegaan, of de andere voorwaarden voor aansprakelijkheid van de Gemeenschap zijn vervuld.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
85 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld en de Raad en de Commissie een desbetreffende vordering hebben geformuleerd, dienen verzoeksters te worden verwezen in hun eigen kosten en in de kosten die de Raad en de Commissie in de onderhavige zaak zijn opgekomen, daaronder begrepen die welke op de procedure in kort geding zijn gevallen (zie hierboven, r.o. 16 en 18). Overeenkomstig artikel 87, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering dragen de Lid-Staten die in het geding zijn tussengekomen, hun eigen kosten.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Vierde kamer - uitgebreid),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in alle kosten die in de onderhavige zaak zijn opgekomen, daaronder begrepen die welke op de procedure in kort geding zijn gevallen.
3) Verstaat dat interveniënten hun eigen kosten zullen dragen.
Full & Egal Universal Law Academy