Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
1 Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen - Verordening betreffende forfaitair vergoedingsvoorstel ten behoeve van melkproducenten die schade hebben geleden ten gevolge van niet-toekenning van referentiehoeveelheid - Uitsluiting
(EG-Verdrag, art. 173; verordening nr. 2187/93 van de Raad)
2 Beroep tot schadevergoeding - Verjaringstermijn - Aanvang - Aansprakelijkheid uit hoofde van verordening nr. 857/84, waarin geen referentiehoeveelheid wordt toegekend aan melkproducenten die verbintenis tot niet-levering zijn aangegaan - In aanmerking te nemen datum
(EG-Verdrag, art. 178 en 215; 's Hofs Statuut-EEG, art. 43; verordeningen nrs. 1078/77 en 857/84 van de Raad)
3 Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelproducten - Extra heffing op melk - Toekenning van referentiehoeveelheden die van heffing zijn vrijgesteld - Producenten die hun leveringen hebben opgeschort op grond van regeling betreffende niet-leverings- of omschakelingpremies en aan wie bijgevolg referentiehoeveelheid is geweigerd - Forfaitair vergoedingsvoorstel krachtens verordening nr. 2187/93 - Niet-aanvaarding van voorstel binnen gestelde termijn - Verlies van uit verordening voortvloeiende rechten
(EG-Verdrag, art. 215; verordening nr. 2187/93 van de Raad)
Samenvatting
4 Enkel handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanzienlijk wijzigen, zijn vatbaar voor beroep tot nietigverklaring.
Verordening nr. 2187/93 is niet een handeling waartegen kan worden opgekomen door de producenten van melk of zuivelproducten die ten gevolge van de niet-toewijzing van een referentiehoeveelheid hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, voor zover zij voorziet in een forfaitair vergoedingsvoorstel aan de betrokken producenten waarvan de aanvaarding een keuze blijft die aan hun beoordeling wordt overgelaten, en voor zover voor deze producenten, indien zij het voorstel niet aannemen, de situatie precies dezelfde blijft als wanneer de in geding zijnde verordening niet was vastgesteld, daar zij het recht behouden, een beroep tot schadevergoeding krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag in te stellen.
5 De in artikel 43 van 's Hofs Statuut vastgestelde verjaringstermijn die geldt voor acties tegen de Gemeenschap ter zake van niet-contractuele aansprakelijkheid, kan niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan, met dien verstande dat de onwettigverklaring van de handeling waardoor de schade is veroorzaakt, niet een van die voorwaarden is. Ten aanzien van de schade die de producenten van melk of zuivelproducten hebben geleden, doordat hun ten gevolge van door hen uit hoofde van verordening nr. 1078/77 aangegane verbintenissen tot niet-levering of omschakeling, gelet op verordening nr. 857/84, geen referentiehoeveelheid kon worden toegekend, zodat zij geen van de extra heffing vrijgestelde hoeveelheid melk konden leveren, is de verjaringstermijn ingegaan op de dag waarop zij na afloop van de niet-leveringsverbintenissen de melklevering niet hebben kunnen hervatten omdat hun een referentiehoeveelheid was geweigerd. Aangezien voorts die schade niet in één keer is veroorzaakt, doch dagelijks opnieuw is ontstaan, strekt de verjaring van artikel 43 van 's Hofs Statuut zich op basis van de datum van de stuitingshandeling uit over de periode die meer dan vijf jaar vóór die datum is gelegen, zonder dat zij de tijdens latere perioden ontstane rechten beïnvloedt.
6 Verordening nr. 2187/93 inzake een forfaitair vergoedingsvoorstel aan de producenten van melk of zuivelproducten die een niet-leveringsverbintenis zijn aangegaan en die wegens de daaruit voortvloeiende niet-toewijzing van een referentiehoeveelheid hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, bevat strikte bepalingen betreffende de aanvaarding van dit vergoedingsvoorstel. De producenten die een dergelijk voorstel niet binnen de gestelde termijn hebben aanvaard, doch een beroep op grond van artikel 215 van het Verdrag hebben voortgezet, kunnen ter verkrijging van een vergoeding van de concreet geleden schade, niet eveneens aanspraak blijven maken op de forfaitaire vergoeding, aangezien de instellingen niet meer door dit voorstel gebonden zijn.
Partijen
In zaak T-554/93,
A. Th. E. Saint en Chr. Murray, wonende respectievelijk te Penrhos, Gwent (Verenigd Koninkrijk), en te Naas, Kildare (Ierland), vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, advocaat te Amsterdam, en H. J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage, geïnstrueerd door Burges Salmon, Solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Frieden, advocaat aldaar, Avenue Guillaume 62,
verzoekers,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Brautigam, juridisch adviseur, en M. Bishop, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij B. Eynard, directeur-generaal van de directie juridische zaken van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Rozet, juridisch adviseur, en X. Lewis, lid van haar juridische dienst, vervolgens door G. Rozet en Chr. Docksey, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij C. Gómez de la Cruz, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
betreffende een beroep krachtens artikel 173 EEG-Verdrag, strekkende tot nietigverklaring van de artikelen 8, lid 2, sub a, en 14, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB 1993, L 196, blz. 6), en een beroep krachtens de artikelen 178 en 215 EEG-Verdrag, strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekers hebben geleden, omdat zij geen melk hebben kunnen leveren ingevolge verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13), zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 (PB 1984, L 132, blz. 11),
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
(Eerste kamer - uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Saggio, president, C. W. Bellamy, A. Kalogeropoulos, V. Tiili en R. M. Moura Ramos, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de stukken en na de mondelinge behandeling op 21 mei 1996,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Feiten en wettelijk kader
1 Ter beperking van de overproductie van melk in de Gemeenschap stelde de Raad in 1977 verordening (EEG) nr. 1078/77 van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (PB 1977, L 131, blz. 1) vast. Deze verordening kende een premie toe aan producenten die gedurende een periode van vijf jaar een verbintenis tot niet-levering van melk of omschakeling van de veestapel aangingen.
2 Verzoekers, melkproducenten in het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gingen dergelijke verbintenissen aan, welke afliepen op 11 maart 1984, respectievelijk 13 mei 1985.
3 Om een hardnekkige overproductie tegen te gaan, stelde de Raad in 1984 verordening (EEG) nr. 856/84 van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 10) vast, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1968, L 148, blz. 13). Bij het nieuwe artikel 5 quater van laatstgenoemde verordening is een "extra heffing" ingesteld op de door producenten geleverde hoeveelheden melk die een bepaalde "referentiehoeveelheid" overschrijden.
4 Bij verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1984, L 90, blz. 13; hierna: "verordening nr. 857/84"), is de referentiehoeveelheid voor elke producent vastgesteld op basis van de in een referentiejaar geleverde productie, te weten het kalenderjaar 1981, behoudens de mogelijkheid voor de Lid-Staten om het kalenderjaar 1982 of 1983 te kiezen. Deze verordening is aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB 1984, L 132, blz. 11; hierna: "verordening nr. 1371/84").
5 Verzoekers' verbintenissen tot niet-levering of omschakeling betroffen deze referentiejaren. Daar zij in die jaren geen melk hadden geproduceerd, kon hun geen referentiehoeveelheid worden toegewezen en konden zij dus geen van de extra heffing vrijgestelde hoeveelheid melk leveren.
6 Bij arresten van 28 april 1988 (zaak 120/86, Mulder, Jurispr. 1988, blz. 2321; hierna: "arrest Mulder I", en zaak 170/86, Von Deetzen, Jurispr. 1988, blz. 2355) verklaarde het Hof verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84, ongeldig wegens schending van het vertrouwensbeginsel.
7 Ter uitvoering van deze arresten stelde de Raad verordening (EEG) nr. 764/89 van 20 maart 1989 vast, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1989, L 84, blz. 2; hierna: "verordening nr. 764/89"). Ingevolge deze wijzigingsverordening kregen de producenten die een verbintenis tot niet-levering of omschakeling waren aangegaan, een zogenoemde "specifieke" referentiehoeveelheid. Deze producenten worden ook wel "SLOM I"-producenten genoemd.
8 Voor de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid golden een aantal voorwaarden. Sommige van deze voorwaarden zijn door het Hof ongeldig verklaard bij arresten van 11 december 1990 (zaak C-189/89, Spagl, Jurispr. 1990, blz. I-4539, en zaak C-217/89, Pastätter, Jurispr. 1990, blz. I-4585).
9 Naar aanleiding van deze arresten stelde de Raad verordening (EEG) nr. 1639/91 van 13 juni 1991 vast, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 857/84 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (PB 1991, L 150, blz. 35; hierna: "verordening nr. 1639/91"), waarbij aan de betrokken producenten, ook wel "SLOM II"-producenten genoemd, een specifieke referentiehoeveelheid is toegekend.
10 Een van de producenten die het beroep hadden ingesteld dat tot de ongeldigverklaring van verordening nr. 857/84 heeft geleid, had intussen tezamen met andere producenten tegen de Raad en de Commissie een vordering ingesteld tot vergoeding van de schade die zij hadden geleden doordat hun ingevolge deze verordening geen referentiehoeveelheid was toegewezen.
11 Bij arrest van 19 mei 1992 (gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90, Mulder e.a., Jurispr. 1992, blz. I-3061; hierna: "arrest Mulder II" of "zaak Mulder II") stelde het Hof de Gemeenschap aansprakelijk voor deze schade. Het stelde een termijn van een jaar waarbinnen partijen het eens dienden te worden over het bedrag van de schadevergoeding. Daar partijen geen overeenstemming hebben bereikt, is de procedure heropend om het Hof in staat te stellen in het eindarrest de criteria ter bepaling van de schade vast te stellen.
12 Uit het arrest Mulder II volgt, dat iedere producent die enkel ten gevolge van zijn verbintenis tot niet-levering of omschakeling geen melk heeft kunnen leveren, in beginsel recht op vergoeding van zijn schade heeft.
13 Gelet op het grote aantal betrokken producenten en de moeilijkheid om in individuele gevallen tot overeenstemming over een regeling te komen, hebben de Raad en de Commissie op 5 augustus 1992 mededeling 92/C 198/04 bekendgemaakt (PB 1992, C 198, blz. 4; hierna "mededeling" of "mededeling van 5 augustus"). Na daarin te hebben gewezen op de gevolgen van het arrest Mulder II, hebben de instellingen te kennen gegeven, dat zij met het oog op de volledige uitvoering van dat arrest voornemens waren, praktische modaliteiten voor de vergoeding van de betrokken producenten vast te stellen. In afwachting daarvan zijn de instellingen jegens iedere tot schadevergoeding gerechtigde producent de verbintenis aangegaan, geen beroep te doen op verjaring op grond van artikel 43 van 's Hofs Statuut-EEG. De verbintenis was echter gekoppeld aan de voorwaarde, dat het recht op schadevergoeding nog niet was verjaard op de datum van bekendmaking van de mededeling of op de datum waarop de producent zich tot een van de instellingen had gewend. Ten slotte verzekerden de instellingen de producenten, dat zij geen nadeel zouden ondervinden wanneer zij zich niet kenbaar maakten tussen de datum van de bekendmaking en die van de vaststelling van de praktische modaliteiten voor de vergoeding.
14 Ten vervolge op de mededeling van 5 augustus stelde de Raad verordening (EEG) nr. 2187/93 van 22 juli 1993 vast, inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen (PB 1993, L 196, blz. 6; hierna: "verordening nr. 2187/93"). Deze verordening voorziet in een forfaitair vergoedingsvoorstel aan de producenten die specifieke referentiehoeveelheden onder de in de verordening nr. 764/89 of verordening nr. 1639/91 bedoelde voorwaarden hebben gekregen.
15 Artikel 8 van verordening nr. 2187/93 bepaalt, dat de vergoeding slechts wordt toegekend voor de periode waarvoor het recht op de vergoeding niet is verjaard. De stuitingsdatum van de in artikel 43 van 's Hofs Statuut voorziene verjaringstermijn van vijf jaar is de datum van de aan een van de instellingen van de Gemeenschap toegezonden aanvraag of de datum van inschrijving van een beroep bij het Hof, dan wel uiterlijk 5 augustus 1992, de datum van bekendmaking van voornoemde mededeling (artikel 8, lid 2, sub a). De vergoedingsperiode begint vijf jaar vóór de datum waarop de verjaring wordt gestuit en eindigt op het tijdstip waarop de producent krachtens verordening nr. 764/89 of nr. 1639/91 een specifieke referentiehoeveelheid heeft gekregen.
16 Volgens artikel 14, vierde alinea, van verordening nr. 2187/93 houdt aanvaarding van het voorstel in, dat wordt afgezien van iedere verdere vordering tegen de instellingen van de Gemeenschap met betrekking tot de betrokken schade.
Procesverloop en conclusies van partijen
17 Bij op 29 oktober 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben M. Aharn en 588 andere verzoekers, onder wie A. Th. E. Saint en Chr. Murray, verzocht om nietigverklaring van de artikelen 8, lid 2, sub a, en 14, vierde alinea, van verordening nr. 2187/93, alsmede om veroordeling van de Gemeenschap tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden doordat zij hun activiteit ingevolge verordening nr. 857/84, zoals aangevuld bij verordening nr. 1371/84, niet hebben kunnen uitoefenen.
18 Op 22 december 1993 hebben Abbott Trust en 314 andere verzoekers in kort geding een verzoek om voorlopige maatregelen ingediend, strekkende tot opschorting van de toepassing van artikel 14, derde alinea, van verordening nr. 2187/93 voor een periode van drie weken na de datum waarop een beschikking zou worden gegeven in de zaak Jones e.a. (T-555/93 R), waarin werd verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr. 2187/93, inzonderheid van de artikelen 8 en 14, vierde alinea, of voor een periode van twee maanden na ontvangst van het in deze verordening bedoelde vergoedingsvoorstel, indien deze termijn later zou verstrijken. Bij beschikking van 12 januari 1994 (zaak T-554/93 R, Abbott Trust e.a., Jurispr. 1994, blz. II-1) heeft de rechter in kort geding dit verzoek toegewezen. In de procedure in kort geding in zaak T-555/93 R (Jones e.a.) heeft de president van het Gerecht op 1 februari 1994 een afwijzende beschikking gegeven (gevoegde zaken T-278/93 R, T-555/93 R, T-280/93 R en T-541/93 R, Jones e.a., Jurispr. 1994, blz. II-11).
19 Op 27 respectievelijk 25 januari 1994 hebben de bevoegde nationale instanties Saint en Murray namens en voor rekening van de Raad en de Commissie vergoedingsvoorstellen gedaan in het kader van verordening nr. 2187/93.
20 Bij beschikking van 30 augustus 1994 is de Commissie, verweerster uitsluitend met betrekking tot het beroep tot schadevergoeding, in het kader van het beroep tot nietigverklaring toegelaten tot interventie ter ondersteuning van de conclusies van de Raad.
21 Daar verzoekers, met uitzondering van Saint en Murray, afstand van instantie hebben gedaan, is de zaak, wat hen betreft, bij beschikkingen van 8 juni (586 verzoekers) en 10 november 1995 (1 verzoeker) doorgehaald in het register van het Gerecht.
22 Het Gerecht (Eerste kamer - uitgebreid) heeft, op rapport van de rechter-rapporteur, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 21 mei 1996.
23 Verzoekers concluderen dat het het Gerecht behage:
- de artikelen 8, lid 2, sub a, en 14, vierde alinea, van verordening nr. 2187/93 nietig te verklaren;
- de Gemeenschap te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 18 403 ECU aan Saint en van 9 342,497 ECU aan Murray met interessen op de voet van 8 % 's jaars vanaf 19 mei 1992, berekend overeenkomstig de methode van de artikelen 6 en 11 van verordening nr. 2187/93 en wel voor de gehele periode waarin zij geen melk hebben kunnen leveren;
- subsidiair, de Gemeenschap te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 6 658 ECU aan Saint en 4 306,626 ECU aan Murray, welke bedragen zijn berekend overeenkomstig verordening nr. 2187/93, doch enkel voor de daarin bedoelde periode;
- verweerders te verwijzen in de kosten.
24 De Raad, verweerder, concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beroepen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;
- verzoekers te verwijzen in de kosten.
25 De Commissie, interveniënte ter ondersteuning van de conclusies van de Raad in het beroep tot nietigverklaring en verweerster in het beroep tot schadevergoeding, concludeert dat het het Gerecht behage:
- de beroepen tot nietigverklaring en tot schadevergoeding niet-ontvankelijk of, subsidiair, ongegrond te verklaren;
- verzoekers te verwijzen in de kosten van de procedure.
De conclusies tot nietigverklaring
26 Verzoekers voeren drie middelen tot nietigverklaring aan: schending van artikel 43 van 's Hofs Statuut; schending van het vertrouwensbeginsel en schending van het gelijkheidsbeginsel.
27 De Raad, ondersteund door de Commissie, interveniënte, werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de conclusies tot nietigverklaring op en bestrijdt hoe dan ook de aangevoerde middelen.
De ontvankelijkheid
28 De Raad werpt twee middelen van niet-ontvankelijkheid op. Met het eerste middel stelt hij, dat verzoekers door verordening nr. 2187/93 niet rechtstreeks en individueel worden geraakt. Met het tweede middel betoogt hij, dat deze verordening niet in rechte kan worden aangevochten door de producenten, als personen aan wie een vergoedingsvoorstel is gedaan.
29 In haar opmerkingen als interveniënte, ondersteunt de Commissie de conclusies van de Raad, zonder evenwel daarnaast eigen middelen aan te voeren.
30 Naar het oordeel van het Gerecht moet eerst het tweede middel van niet-ontvankelijkheid worden onderzocht, daar de gevolgen van de bestreden handeling logischerwijs moeten worden onderzocht vóór de vraag, of die handeling verzoekers rechtstreeks en individueel raakt.
De gevolgen van de bestreden handeling - Argumenten van partijen
31 De Raad, ondersteund door de Commissie, verklaart, dat verordening nr. 2187/93 niet een handeling is die vatbaar is voor toetsing door de rechter. Zij zou geen dwingende werking hebben, aangezien zij de rechtspositie van de producenten niet zonder hun instemming wijzigt.
32 De Commissie voegt eraan toe, dat voor de oplossing van een niet dwingend schikkingsvoorstel aan de SLOM-producenten, bij wege van een verordening, is gekozen, omdat moeilijk met elke producent over een individuele schikking kan worden onderhandeld. Onder verwijzing naar de beschikking van het Hof van 17 mei 1989 (zaak 151/88, Italië/Commissie, Jurispr. 1989, blz. 1255) en het arrest van het Gerecht van 13 december 1990 (zaak T-116/89, Prodifarma, Jurispr. 1990, blz. II-843) verklaart zij, dat er geen enkele juridische verplichting bestaat om het voorstel te aanvaarden. Zolang het voorstel niet is aangenomen, heeft het geen gevolg voor het verdere verloop van de reeds ingestelde rechtsvorderingen.
33 De elementen van dit voorstel hadden ook kunnen staan in een schikkingsvoorstel dat door de Gemeenschap rechtstreeks aan elke producent was gedaan. De verordening belichaamt slechts het voorstel. Zij geeft uitsluitend de methode aan, die de Gemeenschap heeft toegezegd te volgen, indien het voorstel wordt aangenomen (beschikking Hof van 8 maart 1991, zaken C-66/91 en C-66/91 R, Emerald Meats, Jurispr. 1991, blz. I-1143). De vorm van de verordening was gekozen, omdat zij garant staat voor de oprechtheid van de stappen van de instellingen. De enige dwingende bepalingen van de verordening, te weten de bepalingen inzake de instanties die bevoegd zijn om namens de Gemeenschap te handelen, en die betreffende de financiële gevolgen van de aanvaarding van het voorstel, worden in het beroep niet aan de orde gesteld.
34 Tot slot verklaart de Commissie, dat volgens vaste rechtspraak (arrest Hof van 31 maart 1971, zaak 22/70, Commissie/Raad, Jurispr. 1971, blz. 263) de inhoud van een handeling en niet haar vorm bepalend is voor de vraag, of zij vatbaar is voor beroep. Bij onderzoek van verordening nr. 2187/93 blijkt, dat het daarin neergelegde voorstel niet verschilt van elk ander schikkingsvoorstel dat een instelling rechtstreeks aan een producent doet. Daar de voorwaarden voor een dergelijk voorstel niet vatbaar zijn voor beroep, geldt hetzelfde voor de bepalingen van genoemde verordening die een zelfde karakter hebben.
35 Volgens verzoekers kunnen, gelet op de omstandigheden, de meeste SLOM-producenten het krachtens verordening nr. 2187/93 gedane voorstel slechts aanvaarden. De Commissie zou zelf hebben erkend, dat een verordening vatbaar is voor beroep indien daarbij een dwingende schikking, zonder enige keuzemogelijkheid, wordt opgelegd. In die omstandigheden is het beroep ontvankelijk.
- Beoordeling door het Gerecht
36 Enkel handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen, welke de belangen van de verzoeker kunnen aantasten doordat zij diens rechtspositie aanzienlijk wijzigen, zijn vatbaar voor beroep tot nietigverklaring (arrest Hof van 11 november 1981, zaak 60/81, IBM, Jurispr. 1981, blz. 2639, r.o. 9; beschikkingen Gerecht van 30 november 1992, zaak T-36/92, SFEI e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2479, r.o. 38, en 21 oktober 1993, zaken T-492/93 en T-492/93 R, Nutral, Jurispr. 1993, blz. II-1023, r.o. 24; arrest Gerecht van 22 oktober 1996, zaak T-154/94, CSF en CSME, Jurispr. 1996, blz. II-1377, r.o. 37).
37 In casu blijkt duidelijk uit de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2187/93, gelezen in samenhang met de artikelen 1, 8 en 14 daarvan, dat deze verordening een stelsel van vergoedingsvoorstellen ten behoeve van de SLOM I- en SLOM II-producenten invoert. Immers, de vierde overweging van de considerans en de artikelen 8 en 14 bezigen de term "voorstel", de formuleringen "de vergoeding wordt slechts toegekend (...)", "de vergoeding wordt toegekend", alsmede de uitdrukking "vergoedingsvoorstel". Uit de vierde overweging van de considerans en in het bijzonder uit artikel 11 van de bestreden verordening blijkt eveneens, dat de voorstellen een forfaitair karakter hebben, voor zover de bedragen ervan worden berekend zonder dat rekening wordt gehouden met de feitelijk geleden schade, of met de bijzonderheden van de situatie van iedere producent. De producenten beschikken over een termijn van twee maanden om het voorstel aan te nemen. Aanvaarding van het voorstel houdt in, dat wordt afgezien van iedere verdere vordering tegen de instellingen met betrekking tot het geleden nadeel (artikel 14, vierde alinea). Wanneer daarentegen het voorstel niet wordt aangenomen, zijn de instellingen er niet meer door gebonden (artikel 14, derde alinea, van de verordening), doch behouden de producenten de mogelijkheid om een schadevordering tegen de Gemeenschap in te stellen.
38 Gelijk de Raad verklaart, blijkt verordening nr. 2187/93 derhalve enkel te bepalen, dat de melkproducenten die ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84 schade hebben geleden, een vergoedingsvoorstel wordt gedaan voor de overeenkomstig artikel 8 van verordening nr. 2187/93 vastgestelde periode. Meer bepaald staan de regels betreffende dit forfaitaire voorstel deze producenten toe, een aanvraag om een voorstel in te dienen en gunnen zij hun een termijn van twee maanden om het hun gedane voorstel aan te nemen. Uiteraard heeft aanvaarding van het voorstel een aantal consequenties, voor zover daarmee wordt afgezien van iedere verdere vordering tegen de instellingen. Aanvaarding blijft evenwel een keuze die aan de beoordeling van de producenten wordt overgelaten.
39 Indien de producent het voorstel niet aanneemt, blijft de situatie voor hem precies dezelfde als wanneer de in geding zijnde verordening niet was vastgesteld, voor zover hij het recht behoudt, een beroep tot schadevergoeding krachtens de artikelen 178 en 215 van het Verdrag in te stellen.
40 Uit de inhoud van de bestreden verordening blijkt derhalve, dat de Raad de producenten die recht hadden op schadevergoeding, eigenlijk een extra mogelijkheid heeft geboden om hun schade vergoed te krijgen. Gelijk is vermeld, beschikten de producenten reeds over de vordering tot schadevergoeding uit hoofde van de artikelen 178 en 215 van het Verdrag. Daar het aantal betrokken producenten (zie r.o. 13, supra) volgens de overwegingen van de considerans van verordening nr. 2187/93 eraan in de weg staat, dat rekening wordt gehouden met elke individuele situatie, biedt de bestreden handeling hun de mogelijkheid de vergoeding waarop zij recht hebben, te verkrijgen zonder een beroep tot schadevergoeding te moeten instellen.
41 Verordening nr. 2187/93 heeft derhalve ten aanzien van de producenten het karakter van een schikkingsvoorstel, waarvan de aanvaarding facultatief is, en vormt een alternatief voor de beslechting van het geschil door de rechter. De rechtspositie van de betrokken producenten wordt niet ongunstig beïnvloed, voor zover de bestreden handeling hun rechten niet beperkt. Integendeel, zij biedt enkel een extra mogelijkheid om schadevergoeding te verkrijgen.
42 In het bijzonder vorderen verzoekers nietigverklaring van de artikelen 8 en 14 van verordening nr. 2187/93. Deze artikelen bepalen evenwel enkel, voor welke periode een vergoeding wordt voorgesteld, en zij stellen vast welke gevolgen aanvaarding van het voorstel heeft. Daar aanvaarding facultatief is, hangt het af van de wil van iedere producent tot wie een schikkingsvoorstel is gericht, of deze bepalingen rechtsgevolgen in het leven roepen.
43 Mede gelet op hetgeen is beslist ter zake van handelingen waarin slechts een voornemen van een instelling tot uitdrukking komt (arrest Hof van 27 september 1988, zaak 114/86, Verenigd Koninkrijk/Commissie, Jurispr. 1988, blz. 5289, r.o. 12 en 13), is het Gerecht in deze omstandigheden van oordeel, dat verordening nr. 2187/93, voor zover zij voorziet in een voorstel aan de producenten, niet een handeling is waartegen de producenten in het kader van een beroep tot nietigverklaring kunnen opkomen.
44 Hieraan moet worden toegevoegd, dat behalve het vergoedingsvoorstel en de daarvoor geldende voorwaarden, verordening nr. 2187/93 geen enkel rechtsgevolg jegens de producenten teweegbrengt. De bepalingen van de verordening die geen betrekking hebben op het vergoedingsvoorstel en de voorwaarden daarvan, gelden namelijk enkel voor de nationale instanties.
45 Mitsdien moeten de conclusies tot nietigverklaring niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat het eerste middel van niet-ontvankelijkheid behoeft te worden onderzocht.
De conclusies tot schadevergoeding
46 Primair concluderen verzoekers, dat de Gemeenschap op grond van artikel 215 van het Verdrag wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade die zij stellen te hebben geleden. Deze schade wordt op basis van de berekeningsmethode als neergelegd in verordening nr. 2187/93 berekend voor de gehele periode gedurende welke zij geen melk hebben kunnen produceren, en niet enkel voor de door deze verordening in aanmerking genomen periode. Saint vordert een bedrag van 18 403 ECU aan schadevergoeding en Murray een bedrag van 9 342,497 ECU, met interessen op de voet van 8 % 's jaars vanaf de datum van uitspraak van het arrest Mulder II.
47 Subsidiair vorderen verzoekers, dat de Gemeenschap wordt veroordeeld tot betaling van de vergoeding die zou worden verkregen door toepassing van verordening nr. 2187/93, zoals zij is vastgesteld.
48 De instellingen werpen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van de conclusies tot schadevergoeding op.
49 In repliek wijzigt Saint het bedrag van de gevorderde schadevergoeding met een beroep op een fout in de toepassing van de berekeningsfactoren in verordening nr. 2187/93. Hij voert zijn primaire vordering op tot 30 686 ECU en zijn subsidiaire vordering tot 12 052,12 UKL. Murray voert zijn subsidiaire vordering op tot 4 724,27 IRL.
50 Met een beroep op deskundigenrapporten verklaren beide verzoekers, dat hun reële schade hoger is dan de gevorderde vergoedingen. De schade van Saint zou 43 301 UKL bedragen en die van Murray 17 781 IRL.
De ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
51 De Raad stelt, dat de vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zijn, omdat zij niet stroken met de vereisten van het Reglement voor de procesvoering. In het kader van een beroep tot schadevergoeding moet de verzoeker in zijn verzoekschrift het bedrag van de geleden schade preciseren en de desbetreffende bewijzen bijvoegen. In casu zouden verzoekers ook de vervangende inkomsten moeten opgeven, die zij hebben behaald in de periode waarin zij geen melk hebben kunnen leveren.
52 Volgens de Commissie moeten verzoekers aantonen, dat er een causaal verband bestaat tussen de handeling van de instellingen en de geleden schade. Zij hebben evenwel enkel elementen aangegeven die zijn gebaseerd op verordening nr. 2187/93. Hun vorderingen zijn niet-ontvankelijk (arrest Gerecht van 10 juli 1990, zaak T-64/89, Automec, Jurispr. 1990, blz. II-367, r.o. 73-76), voor zover daarin niet de bijzondere omstandigheden worden vermeld, waardoor de werkelijk geleden schade niet kan worden bepaald. Bovendien zijn de bedragen van de in repliek gestelde schade gebaseerd op eigen berekeningen van verzoekers, die overigens niet nader hebben verklaard, welke methode zij hebben gevolgd.
53 Verzoekers betwisten het door de Raad en de Commissie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid. Zij zijn van mening, dat hun verzoekschrift voldoet aan de vereisten van artikel 44 van het Reglement voor de procesvoering, voor zover het een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevat. Tot staving van hun memorie in repliek leggen zij nieuw bewijsmateriaal over, onder meer deskundigenrapporten.
Beoordeling door het Gerecht
54 Ingevolge artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten.
55 In casu kan de vraag of het verzoekschrift aan de vereisten van deze bepaling voldoet, niet los van het specifieke kader van de geschillen betreffende melkquota worden bezien. Het verzoekschrift strekt immers tot vergoeding van de schade die verzoekers als melkproducent hebben geleden ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84.
56 Blijkens de processtukken hebben verzoekers, hangende het geding, op 27 en 25 januari 1994 van de bevoegde nationale instanties namens en voor rekening van de Raad en de Commissie een vergoedingsvoorstel ontvangen in het kader van verordening nr. 2187/93. Met deze handeling wil de Gemeenschap de producenten vergoeden die voldoen aan de in het arrest Mulder II omschreven voorwaarden (zie r.o. 13 en 14, supra). Zonder vooruit te lopen op de vraag of de in geding zijnde verordening van toepassing is op de wijze die door verzoekers is aangegeven, een vraag die de grond van de zaak betreft, moet in dit stadium van de redenering derhalve worden vastgesteld, dat de instellingen hebben erkend dat, wat verzoekers betreft, voldaan is aan de voorwaarden die in de verordening worden gesteld, dat wil zeggen een schade ten gevolge van het feit dat de Gemeenschap hen onrechtmatig heeft belet melk te leveren.
57 In dit verband volstaat het feit dat in het verzoekschrift een schade wordt gesteld die te wijten is aan een handeling van de instellingen, om te voldoen aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering, gelet op het vergoedingsvoorstel dat namens en voor rekening van verweerders aan verzoekers is gedaan. De beknoptheid van het verzoekschrift heeft de Raad en de Commissie overigens niet belet, hun belangen doeltreffend te verdedigen.
58 In hetzelfde verband kunnen de aangevoerde rechtsmiddelen zeer summier in het verzoekschrift worden vermeld, mits de verzoeker, zoals in casu het geval was (zie r.o. 101, supra), in de loop van de procedure alle noodzakelijke nadere gegevens verstrekt (arrest Hof van 14 mei 1975, zaak 74/74, CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533, r.o. 4), in het bijzonder door middel van deskundigenrapporten.
59 Hieruit volgt, dat in de onderhavige zaak het verzoekschrift voldoende gegevens bevat om te voldoen aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering en dat derhalve de conclusies tot schadevergoeding ontvankelijk zijn.
60 Gelet op verzoekers' primaire en subsidiaire conclusies moet derhalve achtereenvolgens worden onderzocht, of en in hoeverre er een recht op schadevergoeding op grond van artikel 215 van het Verdrag bestaat, vervolgens of er een recht op schadevergoeding specifiek op grond van verordening nr. 2187/93 bestaat en ten slotte, hoe hoog de schadevergoeding dient te zijn.
Bestaan en omvang van een recht op schadevergoeding op grond van artikel 215 van het Verdrag
Bestaan van een recht op schadevergoeding
61 Verzoekers stellen schade die zij hebben geleden gedurende de gehele periode waarin zij geen melk hebben kunnen leveren ingevolge verordening nr. 857/84.
62 Verweerders betwisten, dat de gestelde schade reëel is.
63 Met betrekking tot de vorderingen tot schadevergoeding stelt het Gerecht vast, dat uit het arrest Mulder II volgt, dat de aansprakelijkheid van de Gemeenschap geldt ten aanzien van iedere producent die vergoedbare schade heeft geleden, doordat zij geen melk hebben kunnen leveren ingevolge verordening nr. 857/84, gelijk de instellingen in hun mededeling van 5 augustus (punten 1 en 3) hebben erkend.
64 Blijkens de door verweerders niet betwiste processtukken, verkeren verzoekers in de situatie van de in deze mededeling bedoelde producenten. In het kader van verordening nr. 1078/77 zijn zij een niet-leveringsverbintenis aangegaan en ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84 hebben zij na afloop van deze verbintenissen de melklevering niet kunnen hervatten.
65 De bevoegde nationale instanties hebben hun overigens op 27 respectievelijk 25 januari 1994 namens en voor rekening van de Raad en de Commissie en ingevolge verordening nr. 2187/93 een voorstel tot vergoeding van hun schade gedaan.
66 Bijgevolg hebben verzoekers er recht op, dat hun schade door verweerders wordt vergoed.
67 Vóór de vaststelling van het bedrag van de vergoeding moet evenwel eerst de omvang van het recht op schadevergoeding worden bepaald, in het bijzonder de periode waarvoor vergoeding verschuldigd is. Derhalve moet worden onderzocht, of en in hoeverre verzoekers' vorderingen zijn verjaard. Daartoe zal het Gerecht rekening houden met de argumenten die partijen dienaangaande in het kader van de conclusies tot nietigverklaring hebben aangevoerd.
De verjaring
- Argumenten van partijen
68 Verzoekers stellen, dat de verjaringstermijn van artikel 43 van 's Hofs Statuut pas is ingegaan na 28 april 1988, de datum van de uitspraak van het arrest Mulder I, waarbij verordening nr. 857/84 ongeldig is verklaard. Hun rechten zouden dus niet zijn verjaard.
69 Zij beroepen zich op de rechtspraak van het Hof (onder meer arresten van 27 januari 1982, gevoegde zaken 256/80, 257/80, 265/80, 267/80 en 5/81, Birra Wührer e.a., Jurispr. 1982, blz. 85; hierna: "arrest Birra Wührer I", en 13 november 1984, gevoegde zaken 256/80, 257/80, 265/80, 267/80, 5/81, 51/81 en 282/82, Birra Wührer e.a., Jurispr. 1984, blz. 3693; hierna: "arrest Birra Wührer II"), volgens welke de verjaringstermijn in beginsel niet kan ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan. Volgens hen sluit deze rechtspraak evenwel niet uit, dat de verjaringstermijn kan ingaan nadat de schade is ontstaan. Uit recente rechtspraak van het Hof blijkt huns inziens, dat in bepaalde omstandigheden de verjaringstermijn nogal lang na het tijdstip waarop de schade zich heeft geconcretiseerd, kan ingaan. In het arrest van 7 november 1985 (zaak 145/83, Adams, Jurispr. 1985, blz. 3539; hierna: "arrest Adams") heeft het Hof verklaard, dat de verjaringstermijn niet kan worden tegengeworpen aan degene die niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de schade heeft doen ontstaan, en daardoor zijn vordering niet vóór het verstrijken van die termijn heeft kunnen instellen.
70 Volgens verzoekers moet ervan worden uitgegaan, dat een gemeenschapsverordening, zoals die welke de SLOM-producenten heeft belet de melkproductie te hervatten, wettig en verbindend is, zolang het Hof niet heeft vastgesteld dat zij onwettig is. Bijgevolg zou eerst op de datum van het arrest Mulder I zijn voldaan aan alle vereisten die gelden voor de schadevergoedingsplicht. De personen die schade hebben geleden als gevolg van de onwettigheid van verordening nr. 857/84, wisten dus pas op die datum dat alle elementen voorhanden waren om een beroep tot schadevergoeding tegen de Gemeenschap te kunnen instellen.
71 Verzoekers zijn van mening, dat de Raad aan dit betoog niet kan tegenwerpen, dat het arrest Mulder I terugwerkende kracht heeft tot de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 857/84. Zij wijzen erop, dat de Raad ondanks de werking ex tunc van dit arrest een handeling voor de uitvoering van dit arrest moest vaststellen, hetgeen hij pas een jaar later heeft gedaan.
72 Volgens verzoekers kan niet worden gesteld, zoals verweerders doen, dat de producenten beroep hadden moeten instellen om de verjaring te stuiten. Verzoekers hebben enkel geen beroep ingesteld, omdat zij zich hadden verlaten op de instellingen die, door aan verzoeker Heinemann in zaak Mulder II geen verjaring tegen te werpen, verzoekers hadden doen geloven, dat zij van die exceptie hadden afgezien.
73 De Raad stelt, dat het Hof in het arrest Birra Wührer II (r.o. 22) heeft gepreciseerd, dat de verjaring niet kan ingaan op de datum van inwerkingtreding van de handeling die een einde maakt aan de onwettigheid van een eerdere handeling. De door verzoekers verdedigde datum, namelijk die van het arrest Mulder I, komt dus evenmin in aanmerking. Deze datum zou namelijk slechts een variant zijn van de datum van inwerkingtreding van de verordeningen die een einde aan de onwettigheid van verordening nr. 857/84 hebben gemaakt. Volgens vaste rechtspraak (arrest Hof van 27 maart 1980, gevoegde zaken 66/79, 127/79 en 128/79, Salumi, Jurispr. 1980, blz. 1237) verduidelijkt een krachtens artikel 177 van het Verdrag gegeven arrest als het arrest Mulder I de rechtssituatie vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken communautaire handeling en niet uitsluitend vanaf de uitspraak van het arrest. Bijgevolg was het al vanaf de inwerkingtreding van verordening nr. 857/84 onwettig geweest om geen referentiehoeveelheden aan de betrokken producenten toe te wijzen.
74 De Raad verklaart, dat de situatie in casu sterk verschilt van die naar aanleiding waarvan het arrest Adams is gewezen. In laatstgenoemde zaak had de verzoeker vele jaren nadat de schade was ontstaan, dus na het verstrijken van de normale verjaringstermijn, kennis gekregen van de werkelijke oorzaak van zijn schade. In de onderhavige zaak wisten verzoekers daarentegen reeds op de datum van het einde van hun niet-leveringsverbintenis, dat zij geen melk konden leveren. Reeds op dat tijdstip waren zij op de hoogte van de oorzaak van de situatie, dat wil zeggen de niet-toewijzing van een referentiehoeveelheid door verordening nr. 857/84.
75 De Raad verklaart ten slotte, dat hij in de zaak Mulder II niet aan verzoeker Heinemann de verjaring heeft tegengeworpen, omdat deze verzoeker haar had gestuit door middel van een brief aan de instellingen voordat hij zijn beroep had ingesteld.
76 Concluderend stelt hij, dat de vordering van verzoekers met betrekking tot de vóór 5 augustus 1987 geleden schade, dat wil zeggen meer dan vijf jaar vóór de mededeling van 5 augustus, is verjaard.
77 Volgens de Commissie konden verzoekers een vordering instellen, zodra hun een referentiehoeveelheid was geweigerd. Aangezien het beroep tot schadevergoeding een zelfstandig rechtsmiddel is, hadden zij namelijk een dergelijk beroep mogen instellen, zonder te behoeven aantonen dat de betrokken wettelijke regeling ongeldig was (arrest Hof in de zaak CNTA, reeds aangehaald, en arresten Hof van 28 maart 1979, zaak 90/78, Granaria, Jurispr. 1979, blz. 1081, en 4 oktober 1979, gevoegde zaken 241/78, 242/78 en 245/78-250/78, DGV e.a., Jurispr. 1979, blz. 3017). De Commissie betwist verzoekers' verklaring, dat de producenten vóór de ongeldigverklaring van verordening nr. 857/84 niet wisten, dat zij een beroep wegens aansprakelijkheid konden instellen. Logisch doorgedacht, betekent dit argument dat niemand een beroep zal instellen, zolang een overheidsorgaan de schadeveroorzakende handeling niet eerst ongeldig heeft laten verklaren. Volgens vaste rechtspraak is voor het instellen van een schadevergoedingsactie niet vereist, dat de handeling eerst onwettig is verklaard (arrest Hof van 2 december 1971, zaak 5/71, Zuckerfabrik Schöppenstedt, Jurispr. 1971, blz. 975). De producenten moeten dus zelf nauwlettend toezien op de bescherming van hun rechten. Verzoekers zouden zijn teruggedeinsd voor de risico's die met de instelling van een beroep samenhangen, en deze aarzeling met het verstrijken van de tijd hebben moeten bekopen.
- Beoordeling door het Gerecht
78 Om vast te stellen in hoeverre de vorderingen zijn verjaard, moet eerst de datum van de intreding van de schade worden bepaald, en pas daarna de datum van de stuitingshandeling.
79 De verjaringstermijn van artikel 43 van 's Hofs Statuut kan niet ingaan voordat aan alle vereisten voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht is voldaan (arrest Birra Wührer I, r.o. 10).
80 In casu heeft het Gerecht reeds vastgesteld, dat wat verzoekers betreft aan deze voorwaarden is voldaan (zie r.o. 66, supra).
81 Anders dan verzoekers stellen, was de ongeldigverklaring van verordening nr. 857/84 niet een van de voorwaarden voor het ontstaan van de schadevergoedingsplicht. Daar het beroep tot schadevergoeding van artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag namelijk een zelfstandig rechtsmiddel ten opzichte van het beroep tot nietigverklaring is, is voor het instellen van het beroep tot schadevergoeding vereist, dat wordt vastgesteld dat de handeling waardoor de schade is veroorzaakt, onwettig is.
82 In casu is verzoekers' schade rechtstreeks veroorzaakt door een normatieve handeling, namelijk verordening nr. 857/84. De schade is dus ontstaan op de datum waarop verzoekers na afloop van hun niet-leveringsverbintenis de melklevering hadden kunnen hervatten, indien hun geen referentiehoeveelheden waren geweigerd. Op die datum was aan de voorwaarden voor een schadevorderingsactie tegen de Gemeenschap voldaan.
83 Verzoekers' argument, dat de Raad ondanks de werking ex tunc van het arrest waarbij verordening nr. 857/84 ongeldig is verklaard, een handeling ter uitvoering van dit arrest moest vaststellen, gaat niet op. Deze handeling heeft immers alleen betrekking op de hervatting van de melkproductie en raakt geenszins de kwestie van de schadevergoeding van de producenten.
84 Het arrest Adams kan niet met vrucht worden ingeroepen, voor zover de omstandigheden van die zaak anders lagen dan die van de onderhavige zaak. De verzoeker in het arrest Adams had schade geleden die hij redelijkerwijs aan een derde kon toeschrijven, en deze schade heeft zich voorgedaan in omstandigheden waarin hij niet werd geacht het bestaan van een aansprakelijkheid van de Gemeenschap te vermoeden. In een dergelijk geval moet inderdaad rekening worden gehouden met het tijdstip waarop de verzoeker kennis heeft gekregen van het feit dat de schade heeft veroorzaakt. Bijgevolg heeft het Hof beslist, dat de verjaringstermijn niet aan de gelaedeerde kan worden tegengeworpen, wanneer deze niet tijdig kennis heeft kunnen nemen van het feit dat de schade heeft doen ontstaan, en daardoor niet over een redelijke termijn heeft kunnen beschikken om daarop te reageren (arrest Adams, r.o. 50).
85 Gelijk de Raad en de Commissie hebben opgemerkt, volgt overigens uit het arrest Adams niet, dat de verjaringstermijn pas ingaat op het tijdstip waarop de gelaedeerde kennis heeft van de onwettigheid van de handeling. Wat het Hof heeft beklemtoond, is dat het van belang is dat de betrokkene weet welk feit de schade heeft veroorzaakt, doch niet dat het feit onwettig is. In casu kon er voor verzoekers op het tijdstip waarop hen werd belet melk te leveren, geen enkele twijfel over bestaan, dat dit het gevolg was van de toepassing van een normatieve handeling, namelijk verordening nr. 857/84.
86 Ten slotte kunnen verzoekers niet met succes aanvoeren, dat de Raad verzoeker Heinemann in de zaak Mulder II de verjaring niet heeft tegengeworpen. Immers, gelijk de Raad heeft verklaard, had de betrokken verzoeker in die zaak de verjaring vooraf gestuit door middel van een brief aan de instellingen.
87 Bijgevolg is de verjaringstermijn ingegaan op de dag waarop verzoekers na afloop van de niet-leveringsverbintenissen de melklevering niet hebben kunnen hervatten omdat hun geen referentiehoeveelheid werd toegewezen. Deze datum, die de dies a quo van de verjaring is, is voor Saint 1 april 1984, dat wil zeggen de dag van inwerkingtreding van verordening nr. 857/84, die gelegen is na het verstrijken van de niet-leveringsverbintenis van de betrokkene. Voor Murray is die datum 14 mei 1985, dus de dag volgende op het verstrijken van zijn verbintenis.
88 Ter bepaling van de verjaringsperiode moet worden vastgesteld, dat de schade die de Gemeenschap moet vergoeden, niet in één keer is veroorzaakt. Verzoekers zijn gedurende een bepaalde periode schade blijven lijden, namelijk zolang zij geen referentiehoeveelheid konden verkrijgen en dus geen melk konden leveren. Het gaat om een voortdurende schade, die dagelijks opnieuw is ontstaan. Het recht op een vergoeding heeft derhalve betrekking op achtereenvolgende perioden, die ingaan op elke dag waarop niet kon worden geleverd. Bijgevolg strekt de verjaring van artikel 43 van 's Hofs Statuut zich op basis van de datum van de stuitingshandeling uit over de periode die meer dan vijf jaar vóór die datum is gelegen, zonder dat zij de later ontstane rechten beïnvloedt.
89 Uit het voorgaande volgt, dat om te kunnen bepalen in hoeverre verzoekers' rechten zijn verjaard, moet worden vastgesteld op welke datum de verjaring is gestuit.
90 Ingevolge artikel 43 van 's Hofs Statuut is de verjaring door verzoekers gestuit op 29 oktober 1993, de datum waarop zij hun beroep hebben ingesteld. Ten vervolge op de erkenning door het Hof dat de producenten recht hebben op schadevergoeding (zie r.o. 13, supra), hebben de verwerende instellingen zich evenwel met hun mededeling van 5 augustus (punten 2 en 3) jegens de producenten die schade hebben geleden ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84, ertoe verbonden, tot het verstrijken van de termijn voor de indiening van de schadevorderingen, waarvan de praktische modaliteiten nadien zouden worden vastgesteld, geen beroep te doen op de verjaring van artikel 43 van 's Hofs Statuut.
91 Deze modaliteiten zijn vastgesteld bij verordening nr. 2187/93. Ingevolge artikel 10, lid 2, tweede alinea, van deze verordening is ten aanzien van de producenten die geen vergoedingsaanvraag overeenkomstig de verordening hebben ingediend, de periode waarvoor de instellingen zich ertoe hadden verbonden geen beroep te doen op verjaring, geëindigd op 30 september 1993. Uit het systeem van deze verordening volgt, dat voor de producenten die een dergelijke aanvraag hebben ingediend, deze zelfbeperking is geëindigd bij het verstrijken van de termijn voor aanvaarding van het naar aanleiding van deze aanvraag gedane vergoedingsvoorstel.
92 In casu hebben verzoekers vóór 30 september 1993 een vergoedingsaanvraag overeenkomstig verordening nr. 2187/93 ingediend, maar hebben zij hun beroep al op 29 oktober 1993 ingesteld, nog voordat hun een voorstel is gedaan. Daar de stuitingshandeling dus in oktober 1993 is verricht, kunnen de instellingen zich niet op verjaring beroepen voor de periode na 5 augustus 1992. Gelijk overigens blijkt uit de redenering van de Raad, moet derhalve laatstgenoemde datum en niet die van de stuitingshandeling in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de periode waarvoor eventueel vergoeding moet worden gegeven.
93 Deze periode omvat de vijf jaar vóór de datum van 5 augustus 1992 (zie in die zin arrest Birra Wührer II, r.o. 16). De periode waarvoor werkelijk schadevergoeding moet worden toegekend, is beperkt tot de periode tussen 5 augustus 1987 en 28 maart 1989, de dag vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 764/89 die, doordat op grond daarvan thans specifieke referentiehoeveelheden aan de SLOM I-producenten kunnen worden toegekend, een einde aan de door hen geleden schade heeft gemaakt.
94 Verzoekers' vorderingen zijn dus verjaard, wat de periode vóór 5 augustus 1987 betreft.
Bestaan van recht op schadevergoeding op grond van verordening nr. 2187/93
95 Tot staving van hun subsidiaire vorderingen verklaren verzoekers, dat het beginsel van goede trouw verlangt, dat zij in elk geval hun rechten op de in verordening nr. 2187/93 bedoelde schadevergoeding niet verliezen. Zij verwijzen hiervoor naar het bedrag in het hun gedane voorstel.
96 De Raad stelt, dat verzoekers, die hebben besloten om een beroep op grond van artikel 215 van het Verdrag in te stellen, de reële omvang van hun schade moeten bewijzen, en dat elke verwijzing naar het bedrag van een eventueel ingevolge verordening nr. 2187/93 gedaan voorstel in dit verband is uitgesloten.
97 De Commissie stelt eveneens, dat zodra verzoekers het hun gedane voorstel hebben geweigerd, zij moeten aantonen dat zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 215 van het Verdrag.
98 Dienaangaande zij vastgesteld, dat verordening nr. 2187/93 strikte bepalingen betreffende de aanvaarding van het daarin voorziene vergoedingsvoorstel bevat.
99 Daar verzoekers een dergelijk voorstel niet hebben aanvaard, hetgeen zij overigens niet hadden kunnen doen met doorzetting van hun beroep (artikel 14 van verordening nr. 2187/93), ontlenen zij geen enkel recht aan deze verordening, voor zover de instellingen niet meer door het voorstel gebonden zijn (zie r.o. 37, supra).
100 Mitsdien moeten verzoekers' subsidiaire conclusies worden afgewezen.
Het bedrag van de schadevergoeding
101 Verzoekers hebben vergoedingsaanvragen ingediend ten bedrage van respectievelijk 18 403 ECU voor Saint en 9 342,497 ECU voor Murray. Ook vorderen zij rente over het bedrag van de gevraagde schadevergoeding vanaf 19 mei 1992, de datum van het arrest Mulder II. In repliek werd het door Saint gevorderde bedrag gebracht op 30 686 ECU. Tot staving van hun vorderingen hebben verzoekers deskundigenrapporten overgelegd, volgens welke hun reële schade respectievelijk 43 301 UKL voor Saint en 17 781 IRL voor Murray zou bedragen.
102 Verweerders stellen, dat uit de door verzoekers overgelegde statistische reconstructie van de schade blijkt, dat zij, anders dan zij verklaren, geen schade hebben geleden ten gevolge van de niet-toewijzing van een referentiehoeveelheid. De Commissie in het bijzonder verwijt verzoekers, dat zij geen cijfers betreffende het reële bedrag van hun vervangende inkomsten hebben overgelegd, dat zij zich dienaangaande hebben gebaseerd op een onjuiste vergelijkingsbasis en in hun ramingen ten onrechte interessen hebben berekend, die betrekking hebben op een vóór het arrest Mulder II gelegen datum. Voorts betwist zij een aantal punten van de overgelegde deskundigenrapporten en verzoekt zij het Gerecht, geen rekening te houden met verzoekers' raming.
103 Opgemerkt zij, dat partijen zich nog niet specifiek hebben kunnen uitspreken over het bedrag van een vergoeding betreffende de door het Gerecht in aanmerking genomen periode, te weten van 5 augustus 1987 tot 28 maart 1989.
104 Het Gerecht is van oordeel, dat een buitengerechtelijke schikking van het geschil niet is uitgesloten. In het kader van verordening nr. 2187/93 hebben verweerders verzoekers immers op 27 respectievelijk 25 januari 1994 via de nationale bevoegde instanties forfaitaire vergoedingsvoorstellen gedaan. Verzoekers hebben van hun kant subsidiair gevorderd, dat de instellingen worden veroordeeld tot betaling van de aldus voorgestelde forfaitaire bedragen (zie r.o. 95-100, supra).
105 Mitsdien verzoekt het Gerecht partijen, de hoogte van de vergoeding voor de totale geleden schade met inachtneming van het onderhavig arrest binnen een termijn van twaalf maanden in gemeen overleg vast te stellen. Bij gebreke van overeenstemming zullen partijen binnen die termijn hun berekeningen aan het Gerecht voorleggen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
106 Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 105 is uiteengezet, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Eerste kamer - uitgebreid),
alvorens verder te beslissen:
1) Verklaart de conclusies tot nietigverklaring van de artikelen 8, lid 2, sub a, en 14, vierde alinea, van verordening (EEG) nr. 2187/93 van de Raad van 22 juli 1993 inzake het vergoedingsvoorstel aan bepaalde producenten van melk of zuivelprodukten die hun activiteit tijdelijk niet hebben kunnen uitoefenen, niet-ontvankelijk.
2) Verstaat dat verweerders gehouden zijn, de schade te vergoeden die verzoekers hebben geleden ten gevolge van de toepassing van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten, zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 ingestelde extra heffing, voor zover in deze verordeningen niet werd voorzien in de toekenning van een referentiehoeveelheid aan producenten die in het door de betrokken Lid-Staat gekozen referentiejaar geen melk hadden geleverd krachtens een verbintenis als bedoeld in verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand.
3) Verstaat dat de periode waarvoor verzoekers schadevergoeding moet worden toegekend voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van de toepassing van verordening nr. 857/84, begint op 5 augustus 1987 en eindigt op 28 maart 1989.
4) Verstaat dat partijen binnen twaalf maanden na het onderhavig arrest de in gemeen overleg vastgestelde bedragen die moeten worden betaald, aan het Gerecht zullen overleggen.
5) Verstaat dat partijen, indien zij niet tot overeenstemming kunnen komen, binnen dezelfde termijn hun berekeningen aan het Gerecht zullen doen toekomen.
6) Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.
Full & Egal Universal Law Academy