Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Ambtenaren ° Beroep ° Voorafgaande administratieve klacht ° Begrip ° Kwalificatie ter beoordeling van rechter
(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2)
2. Ambtenaren ° Beroep ° Bezwarend besluit ° Begrip ° Voorbereidende handeling ° Besluit om zonder afwijzing van reeds ingeschreven sollicitaties over te gaan van procedure van artikel 29, lid 1, van Statuut tot die van lid 2 om in ambt te voorzien
(Ambtenarenstatuut, art. 29 en 90)
3. Ambtenaren ° Vacature ° Overgang van interne voorzieningsprocedure tot aanwervingsprocedure die openstaat voor externe sollicitaties ° Toelaatbaarheid ° Noodzaak van overeenstemming tussen voorwaarden van kennisgeving van vacature en die van kennisgeving van aanwerving in geval van gelijktijdig onderzoek van alle sollicitaties naar aanleiding van beide kennisgevingen
(Ambtenarenstatuut, art. 29)
4. Ambtenaren ° Beroep ° Middelen ° Misbruik van bevoegdheid ° Begrip
5. Ambtenaren ° Aanwerving ° Toepassing van artikel 29, lid 2, van Statuut ° Keuze tussen sollicitanten ° Beoordelingsvrijheid van tot aanstelling bevoegd gezag ° Rechterlijke toetsing ° Grenzen
(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 2)
6. Ambtenaren ° Aanwerving ° Criteria ° Geografische spreiding ° Persoonlijke verdiensten van kandidaten ° Afweging
(Ambtenarenstatuut, art. 7 en 27)
7. Ambtenaren ° Aanwerving ° Toepassing van artikel 29, lid 2, van Statuut ° Strikte uitlegging ° Overgang van groep voor talendienst naar categorie A ° Toelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 29, leden 1 en 2, en 45, lid 2)
8. Ambtenaren ° Bezwarend besluit ° Afwijzing van sollicitatie ° Verplichting tot motivering uiterlijk bij afwijzing van klacht ° Niet-inachtneming ° Regularisatie tijdens contentieuze procedure ° Ontoelaatbaarheid
(Ambtenarenstatuut, art. 25, tweede alinea, en 90, lid 2)
9. Ambtenaren ° Beroep ° Volledige rechtsmacht van Gerecht ° Onwettigheid, wegens motiveringsgebrek, van afwijzing van sollicitatie ° Nietigverklaring te strenge sanctie ° Vergoeding, door toekenning van schadevergoeding, van door dienstfout veroorzaakte morele schade
(Ambtenarenstatuut, art. 91, lid 1)
Samenvatting
1. De exacte kwalificatie van een brief of nota behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht en is niet afhankelijk van de wil van partijen. Als klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut wordt beschouwd de brief waarin een ambtenaar weliswaar niet uitdrukkelijk de intrekking van een besluit vraagt, doch waaruit duidelijk blijkt, dat hij langs minnelijke weg genoegdoening tracht te verkrijgen of een brief waarin de verzoeker duidelijk zijn intentie aangeeft om het bezwarende besluit aan te vechten.
2. Als handelingen of besluiten die het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring kunnen vormen, zijn enkel te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen teweegbrengen en de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen aantasten, doordat zij een duidelijke wijziging van zijn rechtspositie inhouden. Dit is niet het geval voor het ten aanzien van een ambtenaar die heeft gesolliciteerd naar een vacant ambt in het stadium van de voorziening daarin volgens de procedure van artikel 29, lid 1, van het Statuut, genomen besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, waarin zijn sollicitatie nog steeds in aanmerking zal worden genomen. Dit besluit vormt slechts een voorbereidende handeling, die de rechtspositie van de belanghebbende niet onmiddellijk aantast en waartegen hij geen conclusies tot nietigverklaring kan richten.
3. Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag, waar het de voorziening in een ambt betreft, gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om in het belang van de dienst zijn keuzemogelijkheden te verruimen en besluit om van een interne aanwervingsprocedure over te gaan tot een aanwervingsprocedure die openstaat voor externe sollicitaties, en tegelijkertijd besluit, dat degenen die een sollicitatie hebben ingediend in het kader van de eerste procedure, automatisch in aanmerking worden genomen in het kader van de tweede procedure, dient het te verzekeren, dat er overeenstemming bestaat tussen de voorwaarden die in de beide procedures worden geëist. Zouden de instellingen de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase van de voorziening in een ambt namelijk kunnen wijzigen, met name door ze te verzachten, dan zouden zij immers in feite de vrije hand hebben om externe aanwervingsprocedures te organiseren zonder interne sollicitaties te moeten onderzoeken.
4. Het begrip misbruik van bevoegdheid heeft een welbepaalde inhoud en heeft betrekking op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend. Bij een besluit is slechts sprake van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van een ander doel dan wordt aangevoerd.
5. Wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag met gebruikmaking van de door artikel 29, lid 2, van het Statuut geboden mogelijkheid voorziet in een ambt van de rang A 2, beschikt het bij de vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten en bij de beoordeling van het dienstbelang over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Gerecht dient zich bij zijn toezicht te beperken tot de vraag, of de administratie, gelet op de gegevens waarop zij haar oordeel heeft gebaseerd, aan het einde van een regelmatige procedure binnen redelijke grenzen is gebleven en haar bevoegdheid niet kennelijk verkeerd of oneigenlijk heeft gebruikt. Voorts moet het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer het de verdiensten van sollicitanten vergelijkt, alle kwalificaties van iedere sollicitant die de vereiste kwalificaties bezit beoordelen met inachtneming van de voor het vacante ambt gewenste kwalificaties.
6. Bij de aanstelling in een ambt mag het tot aanstelling bevoegd gezag voorrang geven aan het nationaliteitscriterium teneinde een evenwichtige geografische spreiding te handhaven of te herstellen, mits een onderlinge vergelijking van de sollicitaties uitwijst, dat de kwalificaties van twee of meer sollicitanten duidelijk gelijkwaardig zijn.
7. Artikel 29, lid 2, van het Statuut heeft een uitzonderingskarakter en moet daarom in enge zin worden uitgelegd. Een dergelijke enge uitlegging is echter enkel noodzakelijk met betrekking tot de voorwaarden die moeten worden vervuld, indien het tot aanstelling bevoegd gezag gebruik wil maken van de in die bepaling genoemde procedure. Zijn deze voorwaarden echter eenmaal vervuld, dan doet elke beperking van de sollicitaties die in het kader van deze procedure in overweging worden genomen, afbreuk aan haar doel.
De procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut vervangt daarom in alle opzichten de procedure van het vergelijkend onderzoek en de inleiding van deze procedure kan het tot aanstelling bevoegd gezag in geen geval beletten om sollicitaties van kandidaten die eventueel hadden kunnen deelnemen aan de procedure van het vergelijkend onderzoek, in overweging te nemen. Hieruit volgt, dat artikel 45, lid 2, van het Statuut, op grond waarvan de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie mogelijk is via een vergelijkend onderzoek, aldus moet worden uitgelegd, dat een dergelijke overgang eveneens mogelijk is, wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag in plaats van een procedure van vergelijkend onderzoek in te leiden, overeenkomstig de voorschriften de alternatieve procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut heeft ingeleid.
Een uitlegging volgens welke artikel 45, lid 2, van het Statuut tot gevolg zou hebben, dat de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie zelfs in het kader van een procedure uit hoofde van artikel 29, lid 2, van het Statuut verboden zou zijn, zou bovendien de ambtenaren van de instellingen kunnen benadelen ten opzichte van externe kandidaten, hetgeen afbreuk zou doen aan de beginselen waarop artikel 29 van het Statuut, dat in lid 1 op algemene wijze voorrang verleent aan kandidaten die reeds de hoedanigheid van ambtenaar bezitten, is gebaseerd.
8. Ook al is het tot aanstelling bevoegd gezag niet gehouden de benoemingsbesluiten na afloop van de op artikel 29, lid 2, van het Statuut gebaseerde procedure te motiveren, het dient wel zijn besluit tot afwijzing van een door een niet-benoemde kandidaat krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht met redenen te omkleden, waarbij de motivering van dit besluit tot afwijzing wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht. Het algehele ontbreken van een motivering van een besluit kan niet worden gedekt door toelichtingen die het tot aanstelling bevoegd gezag na het instellen van een beroep heeft verstrekt, omdat dergelijke toelichtingen in dit stadium niet meer hun functie vervullen, te weten, enerzijds, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om hem in staat te stellen te beoordelen of de afwijzing van zijn sollicitatie gegrond is, en of het zin heeft beroep bij het Gerecht in te stellen, en, anderzijds, het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.
9. De volledige rechtsmacht waarover het Gerecht in gedingen met een geldelijk karakter beschikt, omvat de bevoegdheid om zelfs indien een aan de voorschriften beantwoordende conclusie in die zin ontbreekt, de verwerende instelling te veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door haar dienstfout toegebrachte morele schade. Wanneer de nietigverklaring, wegens motiveringsgebrek, van het besluit houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie, en dientengevolge van het besluit houdende de benoeming van een andere kandidaat, een te zware sanctie voor de begane onregelmatigheid zou vormen, waarbij de rechten van deze derde buitengewoon zouden worden aangetast, vormt de toekenning van een schadeloosstelling de vorm van een vergoeding die het meest beantwoordt aan zowel de belangen van de verzoeker als aan het dienstbelang.
Partijen
In zaak T-586/93,
P. Kotzonis, ambtenaar van het Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel, vertegenwoordigd door O. Slusny en M. Slusny, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Rue Mathias Hardt 8-10,
verzoeker,
tegen
Economisch en Sociaal Comité van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Lagasse, advocaat te Brussel, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van de juridische dienst van de Commissie, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van, in de eerste plaats, het besluit van het Economisch en Sociaal Comité om via de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen te voorzien in het bij kennisgeving van vacature nr. 62/91 vacant verklaarde ambt, in de tweede plaats, van het besluit van het Economisch en Sociaal Comité tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar dit ambt en, in de derde plaats, van het besluit tot benoeming van B. tot directeur bij het secretariaat-generaal van het Economisch en Sociaal Comité,
wijst
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, D. P. M. Barrington en A. Saggio, rechters,
griffier: H. Jung
gezien de schriftelijke procedure en ten vervolge op de mondelinge behandeling van 24 november 1994,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
De aan het geding ten grondslag liggende feiten
1 Sinds 1 juni 1991 bezet verzoeker, als financieel controleur, een ambt van afdelingshoofd van de rang A 3 bij het Economisch en Sociaal Comité (hierna: "ESC"). Van 1981 tot en met 31 mei 1991 bezette hij in verschillende sectoren van de Rekenkamer op het gebied van de controle en het beheer van communautaire fondsen een ambt van afdelingshoofd van de rang A 3.
2 Bij op 23 oktober 1991 gepubliceerde kennisgeving van vacature van ambt nr. 62/91 (hierna: "kennisgeving van vacature") leidde het ESC de procedure in om te voorzien in het A 2-ambt van directeur bij het directoraat A Advieswerkzaamheden van het ESC. In de kennisgeving van vacature werden de volgende kwalificaties vereist:
"° Volledige academische studie of gelijkwaardige beroepservaring;
° ruime ervaring in het geven van leiding aan een belangrijke administratieve eenheid;
° grondige kennis van economische vraagstukken;
° grondige kennis van één van de officiële voertalen van de Europese Gemeenschappen en kennis van een andere voertaal van de Gemeenschappen; kennis van een derde taal is gewenst."
3 In de kennisgeving van vacature werd bovendien meegedeeld, dat het tot aanstelling bevoegd gezag eerst de mogelijkheden zou onderzoeken om door middel van bevordering of overplaatsing in het vacante ambt te voorzien, doch dat andere ambtenaren kenbaar konden maken, dat zij van plan waren om deel te nemen aan een intern vergelijkend onderzoek, dat eventueel in een latere fase van de aanwervingsprocedure zou worden georganiseerd. Ten slotte werd meegedeeld, dat het ambt eventueel elders in de personeelsformatie kon worden ingedeeld na een mogelijke reorganisatie van de diensten van het ESC in 1992.
4 Binnen de in de kennisgeving van vacature gestelde termijn dienden dertien ambtenaren van het ESC een sollicitatie in. De groep van sollicitanten telde één ambtenaar van de rang A 2 van het ESC, tien ambtenaren van de rang A 3 van het ESC, waaronder verzoeker, en twee ambtenaren van de rang LA 3 van het ESC, onder wie B., van Spaanse nationaliteit, die sinds zijn indiensttreding bij het ESC in 1989 hoofd van de Spaanse vertaalafdeling was.
5 Tijdens zijn 359e bijeenkomst op 26 november 1991 onderzocht het ESC-Bureau, het orgaan dat krachtens artikel 8 van zijn reglement van orde bevoegd is voor de interne organisatie en de werkwijze van het ESC (PB 1986, L 354, blz. 1), de sollicitaties voor het vacant verklaarde ambt. Aangaande de sollicitaties van de twee ambtenaren van de rang LA 3 en die van een van de ambtenaren van de rang A 3, die nog niet de krachtens artikel 45, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") vereiste minimumdiensttijd voor bevordering bezat, werd in de notulen opgetekend, dat zij in aanmerking zouden komen indien een intern vergelijkend onderzoek werd georganiseerd.
6 Tijdens zijn 361e bijeenkomst op 28 januari 1992 besloot het ESC-Bureau over te gaan tot de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut. Nadat de Raad op 24 maart 1992 overeenkomstig artikel 57 van het reglement van orde van het ESC met dit besluit had ingestemd, werd kennisgeving van aanwerving CES/62/91 (hierna: "kennisgeving van aanwerving") betreffende het betrokken ambt gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1992, C 73 A, blz. 1). Bij brief van 31 maart 1992 stelde de voorzitter van het ESC verzoeker op de hoogte van zijn besluit om deze aanwervingsprocedure in te leiden en deelde hij hem mee, dat zijn sollicitatie "in het kader van de procedure van artikel 29, lid 2, opnieuw (zou) worden onderzocht, tenzij hij anders beslist(e)". Binnen de in de kennisgeving van aanwerving gestelde termijn diende een honderdtal personen, die zowel binnen als buiten het ESC werkzaam waren, een sollicitatie in.
7 Blijkens het dossier wees het ESC-Bureau een uit zes leden bestaande ad hoc-groep aan, die hem behulpzaam moest zijn bij de selectieprocedure. Deze groep stelde na een eerste onderzoek van de sollicitatiedossiers vast, dat tachtig kandidaten niet aan de in de kennisgeving van aanwerving vereiste kwalificaties voldeden. Na een onderhoud met de sollicitanten selecteerde de ad hoc-groep zes kandidaten, die zij het meest gekwalificeerd achtte. Tot de zes geselecteerde kandidaten behoorden verzoeker, B. en V., afdelingshoofd van de rang A 3 van de directie Landbouw en Visserij van het ESC en van Spaanse nationaliteit. In een nota van 2 februari 1993 kwalificeerde verzoeker laatstgenoemde als "de kandidaat die geacht wordt de meeste kans te hebben om te worden gekozen".
8 Tijdens zijn 374e bijeenkomst op 23 februari 1993 besloot het ESC-Bureau bij geheime stemming de Raad overeenkomstig artikel 57 van het reglement van orde van het ESC voor te stellen, B. in de vacante post te benoemen. Dit voorstel werd de Raad voorgelegd bij brief van de voorzitter van het ESC van 25 februari 1993. Bij brief van de secretaris-generaal van het ESC van 1 maart 1993 werd de andere kandidaten vervolgens meegedeeld, dat aan hun sollicitatie geen gunstig gevolg was gegeven.
9 Bij besluit van de voorzitter van de Raad van 10 mei 1993 werd B. bevorderd tot de rang A 2 en met ingang van 1 mei 1993 benoemd tot directeur bij het secretariaat-generaal van het ESC. Dit besluit is gewijzigd bij een besluit van de voorzitter van de Raad van 30 juni 1993, waarbij B. met ingang van 1 juni 1993 tot directeur bij het secretariaat-generaal van het ESC werd benoemd.
10 Inmiddels had verzoeker op 25 mei 1993 langs de hiërarchieke weg een document ingediend met het opschrift "klacht tegen het Economisch en Sociaal Comité op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut", waarin hij schending van de artikelen 7, 25, 27, 29 en 45 van het Statuut stelde. Het ESC heeft dit document niet beantwoord binnen de termijn van vier maanden, voorzien in artikel 90, lid 2, tweede alinea, van het Statuut.
Procesverloop
11 Onder deze omstandigheden heeft verzoeker bij op 22 december 1993 ter griffie van het Gerecht ingeschreven verzoekschrift het onderhavige beroep ingesteld.
12 Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het Gerecht heeft partijen echter verzocht schriftelijk een aantal vragen te beantwoorden.
13 Ter terechtzitting van 24 november 1994 zijn partijen gehoord in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht.
Conclusies van partijen
14 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
° nietig te verklaren het besluit van het ESC-Bureau, waarin wordt meegedeeld dat zijn sollicitatie is afgewezen;
° nietig te verklaren het besluit van het ESC-Bureau om over te gaan tot de in artikel 29, lid 2, van het Statuut voorziene aanwervingsprocedure;
° nietig te verklaren het besluit tot benoeming van B. tot directeur bij het secretariaat-generaal van het ESC;
° verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure.
15 Het ESC concludeert dat het het Gerecht behage:
° het beroep niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren;
° bijgevolg het beroep te verwerpen, kosten rechtens.
De ontvankelijkheid van het beroep
Argumenten van partijen
16 Het ESC betoogt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het is gebaseerd op een klacht die zelf niet-ontvankelijk is. Tot staving van deze stelling voert het ESC in de eerste plaats aan, dat het op 25 mei 1993 ingediende document met het opschrift "klacht" geen enkel verzoek bevat en niet tegen een specifiek besluit, maar "tegen het Economisch en Sociaal Comité" is gericht.
17 In de tweede plaats stelt het ESC, dat het betrokken document, voor zover schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut als middel wordt aangevoerd, kennelijk is ingediend na het verstrijken van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut voorziene termijn van drie maanden.
18 Verzoeker betwist dat zijn klacht onduidelijk is, en beklemtoont dat deze noodzakelijkerwijs moest worden gericht tegen het ESC, als zijnde de aansprakelijke instelling.
19 Verzoeker is van mening, dat hij zijn klacht mocht indienen, zelfs voor zover schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut als middel werd aangevoerd, binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie, te weten vanaf 2 maart 1993, de datum waarop hij de brief van de secretaris-generaal van het ESC van 1 maart 1993 ontving.
Beoordeling door het Gerecht
20 Om te beginnen merkt het Gerecht op, dat het eerste middel van niet-ontvankelijkheid dat het ESC heeft aangevoerd, aldus moet worden uitgelegd, dat het document met het opschrift "klacht tegen het Economisch en Sociaal Comité op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut" geen klacht in de zin van die bepaling was, en dat de voorwaarde dat de aan de instelling van een beroep voorafgaande administratieve procedure regelmatig is verlopen, dus niet is vervuld.
21 In dit verband zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de exacte kwalificatie van een brief of nota tot de uitsluitende bevoegdheid van het Gerecht behoort en niet afhankelijk is van de wil van partijen. Het is eveneens vaste rechtspraak dat als klacht wordt beschouwd de brief waarin een ambtenaar weliswaar niet uitdrukkelijk de intrekking van het betrokken besluit vraagt, doch waaruit duidelijk blijkt dat hij langs minnelijke weg genoegdoening tracht te verkrijgen of een brief waarin de verzoeker duidelijk zijn intentie aangeeft om het bezwarende besluit aan te vechten (zie, bij voorbeeld, beschikking Gerecht van 15 juli 1993, zaak T-115/91, Hogan, Jurispr. 1993, blz. II-895, r.o. 36).
22 In casu stelt het Gerecht vast, dat uit het opschrift van het document, dat overeenkomstig artikel 90, lid 3, van het Statuut langs de hiërarchieke weg is ingediend, blijkt dat het om een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut gaat.
23 Voorts blijkt ook uit de inhoud van dit document, dat verzoeker bezwaar maakt tegen het besluit waarbij B. tot directeur bij het secretariaat-generaal van het ESC wordt benoemd, alsmede tegen het besluit waarbij zijn eigen sollicitatie wordt afgewezen. Zo betoogt verzoeker onder meer, dat deze besluiten zijn genomen in strijd met de artikelen 7, 25, 27, 29 en 45 van het Statuut, hetgeen alleen aldus kan worden opgevat, dat verzoeker, ofschoon hij dit niet uitdrukkelijk doet, verzocht dat deze besluiten worden ingetrokken.
24 Aangezien de besluiten, bedoeld in het document dat verzoeker op 25 mei 1993 heeft ingediend, zijn rechtspositie rechtstreeks en onmiddellijk hebben beïnvloed en daarmee voor hem bezwarende besluiten waren, concludeert het Gerecht, dat dit document, gelijk verzoeker stelt, inderdaad een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut was.
25 Wat het tweede middel van niet-ontvankelijkheid van het ESC betreft, volgens hetwelk de klacht is ingediend na afloop van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut voorziene termijn, zij opgemerkt, dat dit middel, gelijk het ESC zelf erkent, slechts betrekking heeft op het onderdeel van de klacht dat is gebaseerd op een schending van artikel 29, lid 1, van het Statuut. Zonder dat in de context van de klacht als zodanig behoeft te worden onderzocht, of deze, voor zover zij een vermeende schending van artikel 29, lid 1, stelt, te laat is ingediend, zij vastgesteld, dat een dergelijke gedeeltelijke tardiviteit in geen geval de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot gevolg kan hebben.
De ontvankelijkheid van de conclusies tot nietigverklaring van het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut
26 Het ESC stelt, dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover het strekt tot nietigverklaring van het besluit van het ESC-Bureau van 28 januari 1992 om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, aangezien verzoeker niet binnen de gestelde termijn bij het ESC een klacht tegen dat besluit heeft ingediend.
27 Volgens verzoeker was hij destijds niet verplicht een klacht tegen dat besluit in te dienen.
28 Het Gerecht herinnert om te beginnen aan de vaste rechtspraak, dat als handelingen of besluiten die het voorwerp van een beroep tot nietigverklaring kunnen vormen, enkel zijn te beschouwen maatregelen die bindende rechtsgevolgen teweeg brengen en de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk kunnen aantasten, doordat zij een duidelijke wijziging van zijn rechtspositie inhouden (zie arrest Gerecht van 15 juni 1994, zaak T-6/93, Pérez Jiménez, JurAmbt. 1994, blz. II-497, r.o. 34).
29 Overigens zij eraan herinnerd, dat in het kader van een ambtenarenberoep de voorbereidende handelingen van een besluit geen bezwarende besluiten vormen in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut en dus alleen incidenteel in een beroep tegen de vernietigbare handelingen kunnen worden betwist (zie, laatstelijk, arrest Pérez Jiménez, reeds aangehaald).
30 In de onderhavige zaak heeft het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut verzoeker niet uitgesloten van deelneming aan die procedure, aangezien de secretaris-generaal hem bij brief van 31 maart 1992 heeft meegedeeld, dat zijn sollicitatie in aanmerking zou worden genomen, zodat het zijn rechtspositie niet onmiddellijk heeft aangetast. Hieruit volgt, dat verzoeker destijds geen klacht tegen dat besluit hoefde in te dienen.
31 Het is evenwel vaste rechtspraak, dat de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van een beroep, vastgelegd in de artikelen 90 en 91 van het Statuut, van openbare orde zijn en dat de gemeenschapsrechter deze derhalve ambtshalve kan onderzoeken (zie, bij voorbeeld, beschikking Gerecht van 11 mei 1992, zaak T-34/91, Whitehead, Jurispr. 1992, blz. II-1723, en arrest Gerecht van 6 december 1990, zaak T-130/89, B., Jurispr. 1990, blz. II-761). Onder deze omstandigheden en ofschoon het ESC op dit punt niet een middel van niet-ontvankelijkheid heeft aangevoerd, is het Gerecht van oordeel, dat de conclusies, strekkende tot nietigverklaring van het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 1, niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat zij zijn gericht tegen een voorbereidende handeling, die ten aanzien van verzoeker geen bezwarend besluit vormt (zie, in dezelfde zin, arrest B., reeds aangehaald).
32 Het Gerecht voegt hieraan toe, dat het feit dat deze conclusies niet-ontvankelijk worden verklaard, niet belet dat verzoeker zijn conclusies tegen de vernietigbare handelingen staaft met de eventuele onregelmatigheid van het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut (zie r.o. 29 hierboven).
Ten gronde
33 Verzoeker voert vijf middelen aan: 1) schending van artikel 29 van het Statuut, 2) schending van de verplichting om de sollicitaties onderling te vergelijken, 3) misbruik van bevoegdheid of van procedure en schending van de artikelen 7 en 27 van het Statuut, 4) schending van artikel 45 van het Statuut, en, ten slotte, 5) schending van artikel 25 van het Statuut.
Het middel: schending van artikel 29 van het Statuut
34 In het kader van dit middel betoogt verzoeker in wezen, dat het ESC verplicht was de verschillende in artikel 29, lid 1, van het Statuut opgesomde stadia van de procedure te volgen, dat de kennisgeving van aanwerving onregelmatig was, omdat de tekst hiervan niet overeenkwam met die van de kennisgeving van vacature, en dat het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut niet gerechtvaardigd was.
35 Het ESC betwist de ontvankelijkheid van dit middel, voor zover het is ontleend aan de onregelmatigheid van de kennisgeving van aanwerving, op grond dat verzoeker geen belang heeft zich hierop te beroepen. Het ESC verklaart voorts, dat verzoeker hiertegen in elk geval binnen drie maanden na de bekendmaking van de kennisgeving van aanwerving een klacht had moeten indienen.
36 Onder de gegeven omstandigheden acht het Gerecht het echter juist, eerst het middel ten gronde te onderzoeken.
Argumenten van partijen
37 Verzoeker betoogt, dat de verschillende, in artikel 29, lid 1, van het Statuut opgesomde stadia van de procedure in de aangegeven volgorde moeten worden gevolgd, en dat het ESC deze verplichting niet is nagekomen.
38 Voorts merkt hij op, dat de kennisgeving van aanwerving niet betrekking had op een bepaald ambt, maar op de aanwerving van een directeur zonder meer. De in de kennisgeving van vacature omschreven taken betroffen echter een ambt van directeur bij het directoraat A Advieswerkzaamheden. In dit verband beklemtoont verzoeker, dat B. uiteindelijk in een ambt van directeur bij het directoraat Communicatie is tewerkgesteld, met volstrekt andere taken dan die van een directeur van directoraat A Advieswerkzaamheden. Het ESC is daarmee getreden buiten het wettigheidskader dat het zichzelf heeft gesteld. Tot staving van zijn stelling dat artikel 29 van het Statuut dus is geschonden, beroept verzoeker zich op het arrest van het Hof van 7 februari 1990 (zaak C-343/87, Culin, Jurispr. 1990, blz. I-225) en het arrest van het Gerecht van 3 maart 1993 (zaak T-58/91, Booss en Fischer, Jurispr. 1993, blz. II-147, inzonderheid r.o. 72).
39 Aangaande het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, stelt verzoeker verder, dat het ESC-Bureau reeds over voldoende kandidaten beschikte om in het kader van de bevorderings- of overplaatsingsprocedure een keuze te kunnen maken, aangezien zich onder de dertien sollicitanten één directeur en twaalf afdelingshoofden bevonden.
40 Zich baserend op de bewoordingen van artikel 29, lid 2, van het Statuut en op het arrest van het Gerecht van 23 februari 1994 (gevoegde zaken T-18/92 en T-68/92, Coussios, JurAmbt. 1994, blz. II-171, r.o. 58), betwist het ESC verzoekers uitlegging, dat de verschillende, in artikel 29, lid 1, van het Statuut genoemde stadia van de procedure in de aangegeven volgorde moeten worden gevolgd.
41 Wat verzoekers bewering betreft dat de kennisgeving van aanwerving niet betrekking had op een bepaald ambt, stelt het ESC, dat deze kennisgeving volledig overeenstemde met de kennisgeving van vacature. Bovendien zou de tewerkstelling van B. in een ambt van directeur van het directoraat Communicatie slechts te wijten zijn aan een reorganisatie van de diensten van het ESC, een mogelijkheid die zowel in de kennisgeving van vacature als in de kennisgeving van aanwerving uitdrukkelijk was voorzien.
42 Het ESC verklaart voorts, dat het ESC-Bureau het, gezien het hoge niveau van de vacante post en het feit dat naar aanleiding van de bekendmaking van de kennisgeving van vacature slechts dertien ambtenaren hadden gesolliciteerd, onontbeerlijk heeft geoordeeld om over zoveel mogelijk sollicitaties te beschikken, met inbegrip van sollicitaties van buiten het ESC.
Beoordeling door het Gerecht
43 Het is vaste rechtspraak dat door het gebruik van de term "mogelijkheden" in artikel 29 van het Statuut duidelijk is uitgedrukt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag niet absoluut verplicht is genoemde maatregelen te nemen, doch uitsluitend voor elk geval dient na te gaan of deze maatregelen kunnen leiden tot de benoeming van een persoon die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet (zie, laatstelijk, arrest Coussios, reeds aangehaald, r.o. 98). Hieruit volgt, dat verzoekers betoog dat het ESC de verschillende, in artikel 29, lid 1, van het Statuut opgesomde stadia van de procedure in de aangegeven volgorde had moeten volgen, ongegrond is.
44 Met betrekking tot de wettigheid van het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, herinnert het Gerecht eraan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag volgens vaste rechtspraak niet verplicht is een ingeleide aanwervingsprocedure ten einde te voeren, doch dat het over een discretionaire bevoegdheid beschikt om zijn keuzemogelijkheden in het belang van de dienst te verruimen (zie, laatstelijk, arrest Gerecht van 14 februari 1990, zaak T-38/89, Hochbaum, Jurispr. 1990, blz. II-43, r.o. 15). Het Gerecht stelt vervolgens vast, dat verzoeker in de onderhavige zaak geen enkel feit heeft aangevoerd waarmee wordt aangetoond, dat het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut niet is genomen om de keuzemogelijkheden van het tot aanstelling bevoegd gezag te verruimen of dat het oordeel van dit gezag dat die verruiming wenselijk was, op een dwaling ten aanzien van het recht of de feiten berustte. Het Gerecht beklemtoont in dit verband, dat het feit dat dertien kandidaten, onder wie een directeur en twaalf afdelingshoofden, in het kader van de bevorderings- of overplaatsingsprocedure een sollicitatie hadden ingediend, nog niet noodzakelijkerwijs betekent, dat het tot aanstelling bevoegd gezag reeds over voldoende keuzemogelijkheden beschikte.
45 Wat de redactie van de aankondiging van aanwerving betreft zij opgemerkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt bij de vergelijking van de kwalificaties van de kandidaten, doch dat het deze bevoegdheid niettemin moet uitoefenen binnen het kader dat het zichzelf met de kennisgeving van vacature heeft gesteld (zie, bij voorbeeld, de arresten Culin, reeds aangehaald, r.o. 19, en Booss en Fischer, reeds aangehaald, r.o. 72). Indien het tot aanstelling bevoegd gezag, zoals in deze zaak, besluit om van een interne aanwervingsprocedure over te gaan tot een aanwervingsprocedure die openstaat voor externe sollicitaties, en tegelijkertijd besluit, dat degenen die een sollicitatie hebben ingediend in de interne aanwervingsprocedure, automatisch in aanmerking worden genomen in het kader van de aanwervingsprocedure die openstaat voor externe sollicitaties, moet het beginsel worden toegepast dat de voorwaarden in de kennisgeving van vacature moeten overeenstemmen met die in de kennisgeving van aanwerving. Zouden de instellingen de toelatingsvoorwaarden van de ene tot de andere fase van de procedure namelijk kunnen wijzigen, met name door ze te verzachten, dan zouden zij immers, gelijk het Hof reeds heeft geoordeeld, in feite de vrije hand hebben om externe aanwervingsprocedures te organiseren zonder interne sollicitaties te moeten onderzoeken (arrest van 28 februari 1989, gevoegde zaken 341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86, 266/86, 222/87 en 232/87, Van der Stijl en Cullington, Jurispr. 1989, blz. 511, r.o. 52).
46 In casu bestaat het waargenomen verschil tussen de beide kennisgevingen echter hierin, dat de kennisgeving van aanwerving niet vermeldt dat het vacante ambt een ambt van directeur bij het directoraat A Advieswerkzaamheden is. Aangezien de vereiste kwalificaties dezelfde zijn gebleven, is het Gerecht van oordeel, dat een dergelijk verschil geen invloed kan hebben op het verloop van de aanwervingsprocedure of op het uiteindelijke benoemingsbesluit.
47 Het Gerecht merkt voorts op, dat in de kennisgeving van vacature uitdrukkelijk wordt vermeld, dat het vacante ambt elders kan worden ingedeeld. Onder deze omstandigheden kan het verzuim om in de kennisgeving van aanwerving precies aan te geven waar de nieuwe directeur zou worden tewerkgesteld, in elk geval niet worden beschouwd als een wijziging van de voorwaarden van de kennisgeving van vacature.
48 Mitsdien moet dit middel, zo het al ontvankelijk is, in elk geval worden afgewezen.
Het middel: schending van de verplichting om de sollicitaties onderling te vergelijken
Argumenten van partijen
49 Volgens verzoeker heeft geen onderlinge vergelijking van de verdiensten van de kandidaten plaatsgevonden. In deze context betwist verzoeker, dat de brief van de voorzitter van het ESC van 27 januari 1993, waarbij hij de leden van het ESC-Bureau meedeelde, dat het hun vrijstond de sollicitatieformulieren en -dossiers te raadplegen en hij hun een tweede exemplaar van het vertrouwelijke stuk deed toekomen, dat was opgesteld door de met de voorselectie belaste ad hoc-groep, gelijk het ESC stelt, aantoont dat een dergelijke onderlinge vergelijking heeft plaatsgevonden. Onder verwijzing naar de uitlegging van artikel 45 van het Statuut in het arrest van het Gerecht van 30 januari 1992 (zaak T-25/90, Schoenherr, Jurispr. 1992, blz. II-63) en het arrest van het Hof van 9 december 1993 (zaak C-115/92, Volger, Jurispr. 1993, blz. I-6549), verzoekt hij het Gerecht het ESC te gelasten deze stukken over te leggen.
50 Tot slot stelt verzoeker, dat het besluit om over te gaan tot de aanwervingsprocedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut is genomen zonder het bij artikel 45 van het Statuut vereiste voorafgaande onderzoek van de persoonsdossiers en de beoordelingsrapporten van de sollicitanten, die reeds een sollicitatie hadden ingediend. Bovendien zou op dat moment zelfs geen beoordelingsrapport betreffende B. hebben bestaan.
51 Het ESC verwijst naar het feit, dat het besluit om B. in het vacante ambt te benoemen is genomen na een procedure, waarvan de duur nu juist getuigt van de zorg van het ESC om de sollicitaties minutieus te vergelijken. Eveneens onder verwijzing naar bovengenoemde brief van de voorzitter van het ESC van 27 januari 1993 stelt het ESC, dat deze brief aantoont dat alle daarin genoemde stukken door het ESC-Bureau in aanmerking zijn genomen.
52 Voorts beklemtoont het ESC, dat zelfs indien het waar is dat op het moment waarop werd besloten om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, geen beoordelingsrapport betreffende B. beschikbaar was, deze omstandigheid geen invloed heeft gehad, aangezien artikel 45 van het Statuut enkel geldt in het kader van de bevorderingsprocedure.
Beoordeling door het Gerecht
53 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat verzoeker geen enkel gegeven heeft aangevoerd, dat aantoont dat het besluit om over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut is genomen zonder voorafgaande onderlinge vergelijking van de reeds ingediende sollicitaties, noch dat het eindbesluit om B. in het vacante ambt te benoemen is genomen zonder dat een dergelijke vergelijking had plaatsgevonden. Integendeel, gelijk het ESC heeft gesteld, blijkt uit de stukken, dat het ESC-Bureau over alle persoonsdossiers van de twintig voorgeselecteerde kandidaten beschikte, alsook over het rapport van de met de voorselectie belaste ad hoc-groep, dat de resultaten van de door de groep uitgevoerde onderlinge vergelijking van alle in het kader van de procedure krachtens artikel 29, lid 2, van het Statuut ingediende sollicitaties bevatte.
54 Het Gerecht voegt hieraan toe, dat er geen aanleiding bestaat het ESC te gelasten de persoonsdossiers van alle kandidaten over te leggen, aangezien deze dossiers niet relevant zijn voor de vraag, of de sollicitaties zijn vergeleken.
55 Aangezien vaststaat, dat de sollicitatie van B. niet in aanmerking kon worden genomen in het kader van de bevorderings- of overplaatsingsprocedure, moet worden vastgesteld, dat het feit dat het ESC-Bureau op dat moment niet over zijn beoordelingsrapport beschikte, geen enkele invloed kan hebben gehad op het verloop van de aanwervingsprocedure.
56 Mitsdien is het middel ongegrond.
Het middel: misbruik van bevoegdheid of procedure en schending van de artikelen 7 en 27 van het Statuut
Argumenten van partijen
57 Dit middel valt uiteen in meerdere onderdelen. In het eerste onderdeel van het middel stelt verzoeker, dat het ESC de artikelen 7 en 27 van het Statuut heeft geschonden, door het vacante ambt voor te behouden aan een onderdaan van een bepaalde Lid-Staat, te weten een Spaans onderdaan. In dit verband verklaart hij, dat de vroegere voorzitter van het ESC bij zijn indiensttreding bij het ESC heeft beloofd, dat een ambt van directeur van de rang A 2 zou worden toegewezen aan een Spaans ambtenaar. Volgens verzoeker heeft deze belofte van de voorzitter van het ESC de gehele aanwervingsprocedure gedomineerd en had deze procedure enkel tot doel, ervoor te zorgen dat een Spaans ambtenaar werd benoemd. Een Spaans ambtenaar zou volgens hem bij de eindstemming uitdrukkelijk hebben verklaard, dat "de post van directeur bestemd was voor een Spaans ambtenaar en dat geen andere kandidaat dan een Spaans ambtenaar kon worden benoemd".
58 In repliek voegt verzoeker hieraan toe, dat de Spaanse ambtenaar die de vroegere voorzitter van het ESC voor een ambt van directeur had aangewezen, B. Y. V. was. De met de voorselectie belaste ad hoc-groep had de sollicitatie van B. Y. V. echter niet aanvaard. Om zich toch aan de belofte van de voormalige voorzitter van het ESC te houden, zou de ad hoc-groep onder de laatste zes sollicitanten twee Spaanse ambtenaren hebben gekozen, in weerwil van het feit dat zij tot de ambtenaren van de rang A 3 behoorden die het laatst in dienst waren getreden.
59 Verzoeker geeft de namen van getuigen die volgens hem zijn verklaringen zouden kunnen bevestigen. Tevens verwijst hij naar correspondentie uit 1989 en 1990 tussen het ESC en een aantal Spaanse hooggeplaatste personen, waaruit zijns inziens blijkt, dat zij hebben bemiddeld om voor Spaanse ambtenaren een ambt van de rang A 2 te verkrijgen.
60 Uitgaande van deze gegevens en onder verwijzing naar de arresten van het Hof van 4 maart 1964 (zaak 15/63, Lassalle, Jurispr. 1964, blz. 103) en 30 juni 1983 (zaak 85/82, Schloh, Jurispr. 1983, blz. 2105) stelt verzoeker misbruik van bevoegdheid door het ESC.
61 In het tweede onderdeel van het middel betoogt verzoeker, dat de met de voorselectie belaste ad hoc-groep taken heeft uitgeoefend en beslissingen heeft genomen die krachtens artikel 57 van het reglement van orde van het ESC tot de bevoegdheid van de Raad behoorden. Voorts betwist hij, dat het ESC-Bureau zelf alle besluiten heeft genomen die tijdens de gehele duur van de benoemingsprocedure dienden te worden genomen.
62 In het derde onderdeel van het middel stelt verzoeker, dat de benoeming van B. in het vacante ambt in geen enkel opzicht gerechtvaardigd was en dat het ESC-Bureau geen rekening heeft gehouden met zijn kundigheden en ervaring in vergelijking met die van B. Zijns inziens voldeed hij aan de voorwaarden in de kennisgevingen van vacature en aanwerving en beschikte hij ontegenzeglijk over betere kwalificaties dan B. In dit verband merkt hij op, dat B. ongeveer acht jaar jonger is dan hij en dat hij vroeger diplomaat was. Bovendien zou B. geen grondige kennis van economische vraagstukken bezitten, een voorwaarde die zowel in de kennisgeving van vacature als in die van aanwerving uitdrukkelijk wordt gesteld.
63 Ten slotte betwist verzoeker, dat het ESC rekening mocht houden met het feit dat het ambt als gevolg van een mogelijke reorganisatie van de diensten van het ESC eventueel elders in de personeelsformatie zou worden ingedeeld, aangezien deze mogelijkheid niet werd vermeld in de Spaanse versie van de kennisgeving van aanwerving. Voorts betwist hij, dat een dergelijke reorganisatie heeft plaatsgevonden.
64 In het vierde onderdeel verklaart verzoeker, dat het besluit van het ESC-Bureau om de Raad voor te stellen om B. in het betrokken ambt van directeur te benoemen, is genomen zonder dat de leden van het Bureau rekening hebben gehouden met de taken waarmee de nieuwe directeur zou worden belast.
65 In het vijfde onderdeel van het middel ten slotte stelt verzoeker, dat er sprake is geweest van een "constructie", teneinde zonder toepassing van precieze en duidelijke criteria een Spaans ambtenaar te kunnen benoemen, hetgeen zijns inziens wordt aangetoond door het feit dat de Raad B. eerst tot het betrokken ambt van directeur heeft bevorderd en dit besluit vervolgens heeft vervangen door een zogenoemde benoeming.
66 Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, betoogt het ESC, dat verzoekers stelling dat B.' s benoeming het resultaat is van misbruik van bevoegdheid, op loutere beweringen van verzoeker berust. In het bijzonder kan zijns inziens de correspondentie tussen het ESC en diverse Spaanse hooggeplaatste personen niet worden beschouwd als een aanwijzing voor een dergelijk misbruik.
67 Verzoekers stellingen worden volgens het ESC bovendien weerlegd door het feit, dat B. Y. V. door de ad hoc-groep niet is geselecteerd uit de zes sollicitanten die het meest gekwalificeerd werden geacht, ook al had de voormalig voorzitter van het ESC volgens verzoeker besloten om hem te kiezen.
68 Ten slotte herinnert het ESC eraan, dat uit de rechtspraak van het Hof in elk geval blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer een onderlinge vergelijking aantoont dat de verdiensten van de kandidaten nagenoeg gelijk zijn, de nationaliteit de rol van het voorkeurscriterium mag toebedelen. Daar komt bij, dat het tot aanstelling bevoegd gezag ten aanzien van ambtenaren van de rang A 1 en A 2 over een grotere keuzevrijheid beschikt dan ten aanzien van ambtenaren van lagere rangen.
69 Aangaande het tweede onderdeel van het middel stelt het ESC, dat genoemde groep enkel het overleg van het ESC-Bureau heeft voorbereid en het bestrijdt daarom, dat deze groep bevoegdheden zijn toegewezen, die aan de Raad toekwamen.
70 Wat het derde onderdeel van het middel betreft, betoogt het ESC, dat het besluit tot benoeming van B. is genomen op basis van een onderlinge vergelijking van de verschillende sollicitaties, en dat het ESC-Bureau rekening heeft gehouden met de bekwaamheden en ervaring van alle sollicitanten.
71 Aangaande het vierde onderdeel van het middel beklemtoont het ESC, dat het besluit tot voorziening in het ambt van directeur juist naar de bijeenkomst van het ESC-Bureau van 23 februari 1993 is verdaagd, teneinde rekening te houden met de vereisten van het nieuwe organisatieschema.
72 Wat ten slotte het vijfde onderdeel van het middel betreft, verklaart het ESC, dat de Raad met zijn besluit van 30 juni 1993 enkel een fout in het besluit van 10 mei 1993 heeft gecorrigeerd.
Beoordeling door het Gerecht
73 Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat het begrip misbruik van bevoegdheid een welbepaalde inhoud heeft en betrekking heeft op het geval dat een administratief gezag zijn bevoegdheden heeft gebruikt met een ander doel dan dat waarvoor zij zijn verleend, alsmede dat het vaste rechtspraak is, dat bij een besluit slechts sprake is van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan, dat het is genomen ter bereiking van een ander doel dan wordt aangevoerd (arrest Gerecht van 16 december 1993, zaak T-80/92, Turner, Jurispr. 1993, blz. II-1465, r.o. 70).
74 De aanwijzingen die verzoeker in deze zaak aanvoert tot staving van zijn stelling, dat B.' s benoeming het resultaat is van misbruik van bevoegdheid, zijn echter niet ter zake dienend.
75 In de eerste plaats kon namelijk, zo de voormalig voorzitter van het ESC B. Y. V., als Spaans ambtenaar, al in de nabije toekomst een ambt van de rang A 2 had toegezegd, een dergelijke belofte de leden van het ESC-Bureau immers niet binden. Bovendien stelt het Gerecht vast, dat B. Y. V. zelfs niet is gekozen uit de zes sollicitanten die de ad hoc-groep het meest gekwalificeerd achtte, hetgeen aantoont, dat een eventuele belofte van de voormalig voorzitter van het ESC in elk geval geen invloed heeft gehad op het verloop van de aanwervingsprocedure.
76 In de tweede plaats bevat de door verzoeker genoemde correspondentie geen enkel gegeven waaruit blijkt, dat ten aanzien van het besluit tot benoeming van B. sprake is van misbruik van bevoegdheid. Bovendien dateert de correspondentie van vóór de inleiding van de sollicitatieprocedure.
77 In de derde plaats heeft onderzoek van het dossier geen enkel gegeven aan het licht gebracht, op grond waarvan kan worden verklaard dat de met de voorselectie belaste ad hoc-groep, gelijk verzoeker stelt, taken heeft uitgeoefend die krachtens artikel 57 van het reglement van orde van het ESC tot de bevoegdheid van de Raad behoren. Gelijk het Hof reeds heeft geoordeeld, moet deze bepaling immers aldus worden uitgelegd, dat zij het ESC niet belet, de benoemingsprocedure af te wikkelen met stilzwijgende goedkeuring van de Raad en de Commissie, die overigens hebben meegewerkt aan het besluit waarmee deze procedure is afgesloten (arrest van 20 juni 1987, zaak 307/85, Gavanas, Jurispr. 1987, blz. 2435, r.o. 17-20). Bovendien merkt het Gerecht op, dat de met de voorselectie belaste ad hoc-groep blijkens het dossier enkel tot taak had, het ESC-Bureau bij te staan tijdens de voorbereidende fase van zijn eindbesluit. Welnu, volgens vaste rechtspraak mag het tot aanstelling bevoegd gezag tijdens de voorbereidende fase van zijn besluiten een raadgevende instantie inschakelen, waarvan het de samenstelling en verantwoordelijkheden vrij kan regelen (zie, laatstelijk, arrest Gerecht van 25 februari 1992, zaak T-11/91, Schloh, Jurispr. 1992, blz. II-203, r.o. 47).
78 In de vierde plaats heeft verzoeker gesteld, dat het ESC-Bureau geen rekening heeft gehouden met de taken waarmee de nieuwe directeur zou worden belast, terwijl uit de notulen van de bijeenkomst van het ESC-Bureau van 26 januari 1993 uitdrukkelijk blijkt, dat het eindbesluit van het Bureau nu juist naar een latere datum is verdaagd, teneinde rekening te houden met de taken die de nieuwe directeur na de reorganisatie van de diensten van het ESC diende te vervullen. Deze bewering mist daarom eveneens iedere grondslag. Dienaangaande stelt het Gerecht overigens vast, dat blijkens de organisatieschema' s van de diensten van het ESC van januari 1992 en juni 1993 een dergelijke reorganisatie, gelijk het ESC stelt, wel degelijk heeft plaatsgevonden. Aangaande het feit dat de mogelijkheid van een andere tewerkstelling na een reorganisatie van de diensten niet is vermeld in de Spaanse versie van de aankondiging van aanwerving, volstaat de vaststelling, dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij er belang bij heeft om zich over dit verzuim te beklagen. Voor verzoeker, die van Griekse nationaliteit is en zijn sollicitatie had ingediend op basis van de voorafgaande kennisgeving van vacature, is dit immers niet een hem persoonlijk betreffende grief, waarop hij zich rechtsgeldig kan beroepen (zie, in diezelfde zin, arrest Hof van 30 juni 1983, Schloh, reeds aangehaald, r.o. 14, en arrest Gerecht van 9 februari 1994, zaak T-3/92, Latham, JurAmbt. 1994, blz. II-83, r.o. 53).
79 In de vijfde plaats ten slotte stelt het Gerecht vast, dat er geen enkele reden is om eraan te twijfelen, dat het besluit van de Raad van 30 juni 1993, waarbij het eerdere besluit van 10 mei 1993 werd gewijzigd en B. tot directeur van de rang A 2 werd benoemd, in plaats van te worden bevorderd, een ander doel heeft gehad dan het corrigeren van een redactionele fout, gelijk het ESC heeft gesteld.
80 In dit stadium van de redenering dient het Gerecht verzoekers argumenten betreffende de in de kennisgeving van aanwerving vereiste kwalificaties te onderzoeken.
81 Gelet op het feit dat het vacante ambt een ambt van de rang A 2 was, herinnert het Gerecht eraan, dat volgens vaste rechtspraak het tot aanstelling bevoegd gezag bij de vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten naar een dergelijk ambt met grote verantwoordelijkheid en bij de beoordeling van het dienstbelang over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt. Het Gerecht dient zich bij zijn toezicht derhalve te beperken tot de vraag, of de administratie, gelet op de gegevens waarop zij haar oordeel heeft gebaseerd, aan het einde van een regelmatige procedure binnen redelijke grenzen is gebleven en haar bevoegdheid niet kennelijk verkeerd of oneigenlijk heeft gebruikt (zie, bij voorbeeld, arrest Gerecht van 13 december 1990, zaak T-20/89, Moritz, Jurispr. 1990, blz. II-769, r.o. 29).
82 Voorts herinnert het Gerecht eraan, dat het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer het de verdiensten van sollicitanten vergelijkt, alle kwalificaties van iedere sollicitant die de vereiste kwalificaties bezit, moet beoordelen met inachtneming van de voor het vacante ambt gewenste kwalificaties. Dienaangaande beklemtoont het Gerecht, dat het ESC-Bureau rekening mocht houden met de gevolgen die de reorganisatie van de diensten van het ESC zou kunnen hebben voor de taken die de nieuwe directeur diende uit te oefenen, te meer daar de mogelijkheid van een dergelijke reorganisatie zowel in de kennisgeving van vacature als in de kennisgeving van aanwerving was vermeld.
83 Gelet op deze beginselen is het Gerecht van oordeel, dat na onderzoek van het dossier niet is gebleken van gegevens op grond waarvan kan worden geconcludeerd, dat bij de beoordeling van de verdiensten van de sollicitanten gedwaald is ten aanzien van de feiten op het recht.
84 Wat de vraag betreft, of B. over een "grondige kennis van economische vraagstukken beschikte", merkt het Gerecht namelijk op, dat uit de door het ESC in antwoord op een vraag van het Gerecht overgelegde stukken blijkt, dat de beoordeling van het ESC-Bureau dat B. gedurende zijn studies en beroepsleven de vereiste kennis had opgedaan, niet kan worden geacht op een rechtsdwaling of feitelijke dwaling te berusten.
85 Gelet op alle hierboven uiteengezette omstandigheden en overwegingen stelt het Gerecht vast, dat verzoeker het Gerecht geen enkele objectieve en relevante aanwijzing voor een misbruik van bevoegdheid door verweerder heeft gegeven. Mitsdien is het Gerecht van oordeel, dat de door verzoeker genoemde getuigen niet behoeven te worden gehoord.
86 In dit verband beklemtoont het Gerecht, dat, gelijk het ESC heeft gesteld, het tot aanstelling bevoegd gezag volgens vaste rechtspraak voorrang mag geven aan het nationaliteitscriterium, teneinde een evenwichtige geografische spreiding te handhaven of te herstellen, mits een onderlinge vergelijking van de sollicitaties uitwijst, dat de kwalificaties van twee of meer sollicitanten duidelijk gelijkwaardig zijn (zie, onder meer, arrest Hof van 30 juni 1983, Schloh, reeds aangehaald, r.o. 26). Mede om deze reden acht het Gerecht het onnodig de door verzoeker genoemde getuigen te horen.
87 Mitsdien moet dit middel worden afgewezen.
Het middel: schending van artikel 45, lid 2, van het Statuut
Argumenten van partijen
88 Volgens verzoeker is artikel 45, lid 2, van het Statuut geschonden, aangezien uit dit artikel volgt, dat B. alleen na een vergelijkend onderzoek van de groep voor de talendienst naar de categorie A kon overgaan, en in deze zaak geen vergelijkend onderzoek is georganiseerd. Hij voegt hieraan toe, dat verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 3947/92 van de Raad van 21 december 1992 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 1992, L 404, blz. 1; hierna: "verordening nr. 3947/92") weliswaar regels bevat die een afwijking op artikel 45, lid 2, van het Statuut mogelijk maken, doch dat het ESC destijds nog geen uitvoeringsbepalingen had vastgesteld.
89 Aangaande de verklaring van het ESC, dat artikel 45, lid 2, van het Statuut niet van toepassing is in het kader van de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut, betoogt verzoeker, dat de algemene regels betreffende de loopbaan van de ambtenaar, waartoe ook artikel 45, lid 2, van het Statuut behoort, eveneens in het kader van een dergelijke procedure moeten worden geëerbiedigd.
90 Volgens het ESC is artikel 45, lid 2, van het Statuut niet van toepassing in het kader van een aanwervingsprocedure uit hoofde van artikel 29, lid 2, van het Statuut. Deze procedure zou namelijk juist tot doel hebben, de keuzemogelijkheden van het tot aanstelling bevoegd gezag zoveel mogelijk te verruimen. Aangezien de gevolgde procedure openstond voor externe sollicitanten, diende zij a fortiori open te staan voor interne kandidaten die tot een andere groep behoorden.
Beoordeling door het Gerecht
91 Het Gerecht herinnert er om te beginnen aan, dat op grond van artikel 45, lid 2, van het Statuut, "de overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie alleen kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek". In dit verband beklemtoont het Gerecht, dat de leden 3 en 4 van dit artikel, die zijn toegevoegd bij verordening nr. 3947/92 en de mogelijkheid bieden om van de bepalingen van lid 2 af te wijken, zonder enige twijfel niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak.
92 Wat de uitlegging van artikel 45, lid 2, van het Statuut betreft, heeft het Hof in zijn arrest van 5 december 1974 (zaak 176/73, Van Belle, Jurispr. 1974, blz. 1361) geoordeeld dat dit lid een fundamentele regel bevat die aansluit bij de geleding van het communautaire ambtenarenapparaat in verschillende categorieën, waarvoor onderscheiden kwalificaties vereist zijn, en dat artikel 29, lid 2, van het Statuut wegens zijn uitzonderingskarakter in enge zin moet worden uitgelegd en geen voorrang kan hebben boven de algemeen en onvoorwaardelijk gestelde regel van artikel 45, lid 2. Er zij aan herinnerd, dat deze zaak betrekking had op de benoeming van een voormalig B 1-ambtenaar in een ambt van de rang A 6. Volgens de verwerende instelling had deze benoeming plaatsgevonden na afloop van een op artikel 29, lid 2, gebaseerde procedure, die in buitengewone gevallen kan worden gevolgd voor ambten waarvoor bijzondere kundigheden zijn vereist. Het Hof vernietigde de aldus tot stand gekomen benoeming, op grond dat artikel 45, lid 2, van het Statuut de overgang naar een hogere categorie alleen mogelijk maakt na een vergelijkend onderzoek. Het Gerecht is echter van oordeel, dat deze rechtspraak opnieuw onderzocht moet worden.
93 Dienaangaande beklemtoont het Gerecht in de eerste plaats, dat de gewone procedures waarmee de gemeenschapsinstellingen kunnen voorzien in vacante ambten, op grond van artikel 29, lid 1, van het Statuut zijn: de bevordering, de overplaatsing, de organisatie van een vergelijkend onderzoek binnen de instelling en, ten slotte, de overgang van ambtenaren van andere instellingen der Gemeenschappen. Uit genoemd lid blijkt eveneens, dat het tot aanstelling bevoegd gezag pas nadat het in elk geval heeft onderzocht, of bovengenoemde mogelijkheden kunnen leiden tot de benoeming van een persoon die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet, de procedure van een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide mag inleiden. Het Gerecht concludeert hieruit, dat het ingevolge artikel 45, lid 2, van het Statuut, dat bepaalt dat de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie slechts kan plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek, uitgesloten is dat een dergelijke overgang kan geschieden door middel van de andere in artikel 29, lid 1, van het Statuut genoemde mogelijkheden om in een vacature te voorzien.
94 In de tweede plaats wijst het Gerecht erop, dat op grond van artikel 29, lid 2, van het Statuut "voor het aanwerven van ambtenaren in de rangen A 1 en A 2, door het tot aanstelling bevoegd gezag een andere procedure kan worden gevolgd dan die van het vergelijkend onderzoek". Hieruit volgt, dat de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut in voorkomend geval de procedure van het vergelijkend onderzoek kan vervangen. Niettemin moeten de instellingen, alvorens over te gaan tot de procedure van artikel 29, lid 2, overeenkomstig het beginsel van goed bestuur in elk geval beoordelen, of de in lid 1 van dit artikel genoemde aanwervingsprocedures kunnen leiden tot de benoeming van een persoon die uit een oogpunt van bekwaamheid, prestatievermogen en onkreukbaarheid aan de hoogste eisen voldoet.
95 In de derde plaats beklemtoont het Gerecht, dat uit artikel 28, sub d, van het Statuut volgt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag de procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut zelfs kan openstellen voor sollicitanten van buiten de gemeenschapsinstellingen die niet zijn geslaagd voor een vergelijkend onderzoek. Het Gerecht is van mening, dat hieruit volgt, dat artikel 29, lid 2, tot doel heeft het tot aanstelling bevoegd gezag, wanneer daaraan behoefte bestaat, de mogelijkheid te bieden over het grootst mogelijke aantal sollicitaties te beschikken die in overweging worden genomen voor de aanwerving van ambtenaren van de rang A 1 en A 2 of, in buitengewone gevallen, voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden zijn vereist.
96 Tot slot wijst het Gerecht erop, dat zowel het Hof als het Gerecht recentelijk heeft geoordeeld, dat de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie alleen kan geschieden op grond van een vergelijkend onderzoek (arresten Hof van 21 oktober 1986, gevoegde zaken 269/84 en 292/84, Fabbro, Jurispr. 1986, blz. 2983, en 9 juli 1987, zaak 279/85, Misset, Jurispr. 1987, blz. 3187, en arrest Gerecht van 9 oktober 1992, zaak T-50/91, De Persio, Jurispr. 1992, blz. II-2365). Zij hebben zich echter niet uitgesproken over de vraag, of de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie kan plaatsvinden op basis van een procedure uit hoofde van artikel 29, lid 2.
97 Gelet op de voorgaande overwegingen, is het Gerecht van mening dat artikel 29, lid 2, van het Statuut stellig een uitzonderingskarakter heeft en daarom in enge zin moet worden uitgelegd, gelijk het Hof reeds oordeelde in het arrest Van Belle (reeds aangehaald). Het Gerecht acht een dergelijke enge uitlegging echter enkel noodzakelijk met betrekking tot de voorwaarden die moeten worden vervuld, indien het tot aanstelling bevoegd gezag gebruik wil maken van de in die bepaling genoemde procedure. Zijn deze voorwaarden echter eenmaal vervuld, dan doet elke beperking van de sollicitaties die in het kader van deze procedure in overweging worden genomen, afbreuk aan haar doel, zoals hierboven omschreven.
98 Derhalve is het Gerecht van oordeel, dat artikel 29, gelezen in zijn geheel, aldus moet worden uitgelegd, dat de buitengewone procedure van lid 2 van dit artikel in alle opzichten de procedure van het vergelijkend onderzoek vervangt, en dat de inleiding van deze procedure het tot aanstelling bevoegd gezag in geen geval kan beletten, om sollicitaties van kandidaten die eventueel hadden kunnen deelnemen aan de procedure van het vergelijkend onderzoek, in overweging te nemen. Hieruit volgt, dat artikel 45, lid 2, van het Statuut, op grond waarvan de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie mogelijk is via een vergelijkend onderzoek, aldus moet worden uitgelegd, dat een dergelijke overgang eveneens mogelijk is, wanneer het tot aanstelling bevoegd gezag in plaats van een procedure van vergelijkend onderzoek in te leiden, overeenkomstig de voorschriften de alternatieve procedure van artikel 29, lid 2, van het Statuut heeft ingeleid.
99 Voorts stelt het Gerecht vast, dat een uitlegging volgens welke artikel 45, lid 2, van het Statuut tot gevolg zou hebben, dat de overgang van een groep of categorie naar een andere groep of categorie zelfs in het kader van een procedure uit hoofde van artikel 29, lid 2, van het Statuut verboden zou zijn, de ambtenaren van de instellingen zou kunnen benadelen ten opzichte van externe kandidaten. Een dergelijke ongunstige behandeling zou evenwel afbreuk doen aan de beginselen waarop artikel 29 van het Statuut, dat in lid 1 op algemene wijze voorrang verleent aan kandidaten die reeds de hoedanigheid van ambtenaar bezitten, is gebaseerd. Het Gerecht acht een dergelijke uitlegging daarom onaanvaardbaar.
100 Uit een en ander volgt, dat dit middel eveneens moet worden afgewezen.
Het middel: schending van artikel 25 van het Statuut
Argumenten van partijen
101 Volgens verzoeker is artikel 25 van het Statuut geschonden, omdat de brief van de secretaris-generaal van het ESC van 1 maart 1993, waarbij zijn sollicitatie werd afgewezen, niet is gemotiveerd.
102 Het ESC stelt, dat het besluit tot benoeming van B. in de vacante post het enige formele besluit is. Het betwist daarom, dat artikel 25 van het Statuut is geschonden, doordat de brief waarbij verzoekers sollicitatie werd afgewezen, niet is gemotiveerd. Voorts betoogt het ESC, dat artikel 25 van het Statuut enkel geldt voor besluiten waardoor ambtenaren in hun rechten worden geschaad en dat het recht om na afloop van een op artikel 29, lid 2, gebaseerde aanwervingsprocedure te worden benoemd, niet een van deze rechten is.
103 Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van 6 juli 1993 (zaak C-242/90 P, Albani e.a., Jurispr. 1993, blz. I-3839) en van het Gerecht (Coussios, reeds aangehaald) verklaart het ESC ten slotte, dat de nietigverklaring van het besluit tot benoeming van B. in het betrokken ambt van directeur in elk geval een te zware sanctie zou vormen voor de begane onregelmatigheid.
Beoordeling door het Gerecht
104 Het Gerecht stelt om te beginnen vast, dat de brief van de secretaris-generaal van het ESC van 1 maart 1993, waarbij verzoeker op de hoogte werd gesteld van de afwijzing van zijn sollicitatie, geen enkele motivering voor de afwijzing gaf. Verder stelt het Gerecht vast, dat verzoeker vóór de instelling van het beroep voor het Gerecht geen gemotiveerd besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie heeft ontvangen, terwijl het uitblijven van een antwoord op zijn klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut geldt als een stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht.
105 Volgens vaste rechtspraak is het tot aanstelling bevoegd gezag niet gehouden bevorderingsbesluiten tegenover niet-bevorderde kandidaten te motiveren, maar dient het zijn besluit tot afwijzing van een door een niet-bevorderde kandidaat krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht met redenen te omkleden, waarbij de motivering van dit besluit tot afwijzing wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht (zie, bij voorbeeld, arrest Coussios, reeds aangehaald, r.o. 69). Deze rechtspraak geldt eveneens in het geval van een benoemingsbesluit dat is genomen na afloop van een op artikel 29, lid 2, van het Statuut gebaseerde procedure (zie, in diezelfde zin, arrest Gerecht van 13 december 1990, gevoegde zaken T-160/89 en T-161/89, Kalavros, Jurispr. 1990, blz. II-871). Gelijk het Gerecht reeds oordeelde in het arrest Coussios, kan het algehele ontbreken van een motivering van een besluit niet worden gedekt door toelichtingen die het tot aanstelling bevoegd gezag na het instellen van een beroep heeft verstrekt, omdat dergelijke toelichtingen in dit stadium niet meer hun functie vervullen, te weten, enerzijds de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om hem in staat te stellen te beoordelen of de afwijzing van zijn sollicitatie gegrond is, en of het zin heeft beroep bij het Gerecht in te stellen, en, anderzijds, het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen.
106 Het middel, ontleend aan het ontbreken van een motivering van de afwijzing van verzoekers sollicitatie, is daarom gegrond.
107 Het Gerecht dient echter te onderzoeken, welke gevolgen in casu moeten worden verbonden aan de schending van de verplichting om de afwijzing van verzoekers sollicitatie te motiveren. Volgens vaste rechtspraak moet in dat verband niet alleen rekening worden gehouden met de belangen van de verzoekers die het slachtoffer van een onregelmatigheid zijn, maar eveneens met de belangen van derden wier gewettigd vertrouwen kan worden geschonden, indien de conclusies tot nietigverklaring slagen (zie, laatstelijk, arrest Coussios, reeds aangehaald). Dit is de reden waarom het Gerecht partijen ter terechtzitting heeft gevraagd of zij, wanneer het Gerecht tot de conclusie mocht komen, dat alleen het middel, ontleend aan het motiveringsgebrek, moet slagen, tot overeenstemming kunnen komen over de sanctie die aan de begane onregelmatigheid moet worden verbonden.
108 Nu partijen het over een dergelijke sanctie niet eens zijn geworden, herinnert het Gerecht eraan, dat het, gelet op zijn volledige rechtsmacht in gedingen met een geldelijk karakter, zelfs indien een aan de voorschriften beantwoordende conclusie in die zin ontbreekt, de verwerende instelling toch kan veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de door haar dienstfout toegebrachte morele schade (zie, onder meer, arrest Hof van 5 juni 1980, zaak 24/79, Oberthuer, Jurispr. 1980, blz. 1743, r.o. 14). Het Gerecht is van oordeel, dat de nietigverklaring, wegens motiveringsgebrek, van het besluit, houdende afwijzing van verzoekers sollicitatie, en dientengevolge van het besluit, houdende de benoeming van B. tot directeur bij het secretariaat-generaal van het ESC, in dit geval een te zware sanctie voor de begane onregelmatigheid zou vormen, waarbij de rechten van laatstgenoemde onevenredig zouden worden aangetast, en dat de toekenning van een schadeloosstelling de vorm van een vergoeding is die het meest beantwoordt aan zowel de belangen van verzoeker als aan het dienstbelang.
109 Bij de raming van de geleden schade moet in overweging worden genomen, dat verzoeker gedwongen was een procedure in rechte in te leiden om de motivering van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie te achterhalen. Onder deze omstandigheden is het Gerecht, op grond van een schadebegroting ex aequo et bono, van oordeel, dat een bedrag van 2 000 ECU een redelijke schadeloosstelling voor verzoeker vormt (zie eveneens arrest Coussios, reeds aangehaald, r.o. 108).
Beslissing inzake de kosten
Kosten
110 Ingevolge artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien dit is gevorderd. Weliswaar is verzoeker in het ongelijk gesteld, doch hij was gedwongen het onderhavige beroep in te stellen teneinde de motivering van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie te achterhalen, zodat het Gerecht van oordeel is dat het ESC, dat op één punt in het ongelijk is gesteld, naast zijn eigen kosten, de helft van verzoekers kosten dient te dragen.
Dictum
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Tweede kamer),
rechtdoende:
1) Veroordeelt het Economisch en Sociaal Comité, aan verzoeker een bedrag van 2 000 ECU aan schadevergoeding te betalen wegens een dienstfout.
2) Verwerpt het beroep voor het overige.
3) Verwijst het Economisch en Sociaal Comité in zijn eigen kosten, alsmede in de helft van verzoekers kosten. Verzoeker zal de andere helft van zijn eigen kosten dragen.
Full & Egal Universal Law Academy