Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding ° Ontvankelijkheidsvoorwaarden ° Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak ° Irrelevantie ° Grenzen
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Door representatieve werknemersorganen gevorderde gehele of gedeeltelijke opschorting van beschikking houdende goedkeuring, onder voorwaarden, van concentratie van ondernemingen ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Afweging van alle betrokken belangen ° Gevaar dat zonder noodzaak onomkeerbare situatie wordt geschapen, die tussenkomst van rechter in kort geding rechtvaardigt
(EEG-Verdrag, art. 185 en 186; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2; verordening nr. 4064/89 van de Raad)
3. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Gehele of gedeeltelijke opschorting van beschikking houdende goedkeuring, onder voorwaarden, van concentratie van ondernemingen ° Gerecht onvoldoende voorgelicht ° Partij om nadere inlichtingen gevraagd ° Opschorting toegestaan tot moment waarop rechter in kort geding, na kennisneming van verstrekte inlichtingen, uitspraak doet over vraag, of in beschikking gestelde voorwaarden zijn nagekomen
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Partijen
In zaak T-12/93 R,
Comité central d' entreprise de la société anonyme Vittel, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in boek IV van de Franse Code du travail,
en
Comité d' établissement de Pierval, het personeel vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in genoemde bepalingen,
gevestigd te Vittel (Frankrijk), vertegenwoordigd door F. Nativi, H. Rousseau en F. Bienaymé-Galaz, advocaten te Parijs, bijgestaan door A. May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, Grand-Rue 31,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. E. González Díaz, lid van haar juridische dienst, en G. de Bergues, nationaal deskundige, ter beschikking gesteld aan haar juridische dienst in het kader van de regeling voor gedetacheerde nationale deskundigen, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij N. Annecchino, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Commissie van 22 juli 1992 inzake een procedure op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (IV/M.190 ° Nestlé/Perrier) (PB 1989, L 356, blz. 1),
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten
1 Bij op 3 februari 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben het Comité central d' entreprise de la société anonyme Vittel, het Comité d' établissement de Pierval en de Fédération générale agroalimentaire CFDT krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 22 juli 1992 inzake een procedure op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad (IV/M.190 ° Nestlé/Perrier; hierna: "beschikking").
2 Bij op 2 maart 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben het Comité central d' entreprise de la société anonyme Vittel en het Comité d' établissement de Pierval (hierna: "verzoekers") voorts krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een verzoek ingediend tot, primair, opschorting van de tenuitvoerlegging van de litigieuze beschikking en, subsidiair, opschorting door het Gerecht van de beschikking waarbij de overdracht van Pierval wordt gelast, tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.
3 De Commissie heeft op 17 maart 1993 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend. Partijen zijn op 23 maart 1993 in hun mondelinge opmerkingen gehoord.
4 De belangrijkste feiten welke aan het geding voor het Gerecht ten grondslag liggen, zoals die uit de door partijen ingediende memories en mondelinge opmerkingen ter terechtzitting naar voren zijn gekomen, kunnen worden samengevat als volgt.
5 Op 25 februari 1992 deed de vennootschap Nestlé SA (hierna: "Nestlé") overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB 1989, L 395, blz. 1; hierna: "verordening nr. 4064/89") bij de Commissie aanmelding van een openbaar bod op de aandelen van de vennootschap Source Perrier SA (hierna: "Perrier"). Na bestudering van de aanmelding besloot de Commissie op 25 maart 1992 overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub c, van verordening nr. 4064/89 de procedure in te leiden, op grond dat ernstige twijfel bestond over de verenigbaarheid van de aangemelde concentratie met de gemeenschappelijke markt.
6 Op 22 juli 1992 gaf de Commissie, gezien met name de door Nestlé tegenover haar aangegane verbintenissen, een beschikking waarbij de concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt werd verklaard. Aan de beschikking waren voorwaarden en verplichtingen verbonden om te zorgen dat Nestlé de aangegane verbintenissen zou nakomen. De beschikking stelt onder meer als voorwaarde, dat Nestlé aan een door de Commissie goed te keuren concurrent en binnen een in de beschikking vastgestelde termijn de handelsmerken en bronnen van Vichy, Thonon, Pierval, Saint-Yorre en een aantal andere plaatselijke bronnen moet verkopen, alsmede de bij die bronnen behorende bottelcapaciteiten.
7 Op 26 januari 1993 meldde Nestlé bij de Commissie een koper aan, namelijk de voorheen reeds in de drankensector actieve Castel Groep. Deze koper verklaarde geïnteresseerd te zijn in de overname van drie van de grote bronnen welke Nestlé had toegezegd te verkopen (Vichy, Thonon, Saint-Yorre), alsmede van een aantal minder belangrijke bronnen. Aangezien de Commissie van mening was, dat deze overdracht niet helemaal voldeed aan de formulering van de beschikking, sloten Nestlé en de Castel Groep op 18 februari 1993 een nieuw akkoord voor de overdracht, naast de reeds genoemde bronnen, van de bron van Pierval.
8 Op 3 maart 1993 gaf de Commissie een perscommuniqué uit waarin zij liet weten, dat het voorstel tot overname door de Castel Groep een doorslaggevend bestanddeel vormde bij de voldoening aan het pakket gestelde voorwaarden, en waarin zij aankondigde deze zaak te zullen afhandelen zodra de belemmeringen voor de daadwerkelijke overdracht van de bronnen zouden zijn opgeheven, met name wat betreft de overdracht aan de Castel Groep van de exploitatierechten van Vichy en Thonon, in bezit van de Franse Staat respectievelijk van de gemeente Thonon-les-Bains.
In rechte
9 Volgens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag juncto artikel 4 van het besluit van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling gelasten of de noodzakelijke voorlopige maatregelen voorschrijven.
10 Krachtens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dienen verzoeken tot verkrijging van voorlopige maatregelen bedoeld in de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag een duidelijke omschrijving te bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisende karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. De gevraagde maatregelen moeten van voorlopige aard zijn in die zin, dat zij niet mogen prejudiciëren op de in de hoofdzaak te geven beslissing (zie laatstelijk beschikking van de president van het Gerecht van 19 februari 1993, gevoegde zaken T-7/93 R en T-9/93 R, Langnese-Iglo en Schoeller, Jurispr. 1993, blz. II-131).
Argumenten van partijen
11 Verzoekers zijn van mening, dat de omstandigheden op grond waarvan de verlangde voorlopige voorzieningen rechtens kunnen worden toegekend, in de onderhavige zaak aanwezig zijn.
12 Wat de spoedeisendheid van het verzoek betreft, betogen verzoekers, dat de overdracht van Pierval hun een onafwendbare, ernstige en onherstelbare schade zal berokkenen, welke rechtstreeks verband houdt met de bestreden beschikking. Door de overdracht van de activa van Pierval worden de werknemers van deze vestiging in het bijzonder en die van de vennootschap Vittel in het algemeen, ernstig in hun belang getroffen, omdat de overdracht afbreuk doet aan hun recht op behoud van het ondernemingsvermogen, vooral nu in casu de financiële tegenprestatie voor deze overdracht bespottelijk is. Bovendien kunnen de werknemers van Pierval wegens de overdracht niet meer de aanzienlijke sociale voordelen genieten welke hun zijn toegekend hetzij op grond van een individueel contract, hetzij op grond van de collectieve overeenkomst bij Vittel. Een dergelijke schade is onherstelbaar, voor zover de eventuele overdracht rechtsgevolgen zal hebben die ondanks opschortende of ontbindende voorwaarden niet ongedaan zijn te maken. Deze schade is het rechtstreeks gevolg van de beschikking van de Commissie, waarin, als voorwaarde voor de verklaring van verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van de concentratie van Nestlé en Perrier, de overdracht van verschillende bronnen, waaronder Pierval, is opgelegd.
13 Wat betreft de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de verlangde maatregel aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, verwijzen verzoekers naar de middelen en argumenten in hun verzoekschrift in de hoofdzaak, waarin zij de Commissie verwijten:
° te hebben gehandeld in strijd met verordening nr. 4064/89, door artikel 2, lid 3, toe te passen op een overwegend oligopolistische markt;
° rechtens te hebben gedwaald door in haar beschikking niet uit te gaan van de noodzaak een reeds tevoren bestaande mededingingssituatie te handhaven, doch naar middelen te zoeken om de mededinging verder te ontwikkelen;
° buiten haar bevoegdheden te zijn getreden;
° feitelijk te hebben gedwaald door aan de goedkeuring van de aangemelde concentratie onmogelijk te verwezenlijken voorwaarden te verbinden, zoals de overdracht van bepaalde handelsmerken en bronnen, waaronder Thonon en Vichy, die noch tot de activa van Perrier, noch tot die van Nestlé behoren; en
° misbruik van bevoegdheid te hebben gemaakt door zich het recht voor te behouden haar beschikking te herroepen en aldus de voorgenomen concentratie onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt te verklaren, op grond van een voorwaarde die niet te verwezenlijken is.
14 De Commissie is van oordeel, dat het beroep in de hoofdzaak kennelijk niet-ontvankelijk is en dat uit het verzoek in kort geding hoe dan ook geen omstandigheden zijn af te leiden waaruit het spoedeisend karakter blijkt, noch middelen, feitelijk en rechtens, op grond waarvan de gevorderde maatregelen aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomen.
15 Met betrekking tot de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak betoogt de Commissie, dat waar verzoekers zich niet hebben beroepen op de procedurerechten krachtens verordening nr. 4064/89, zij door de bestreden beschikking niet individueel kunnen zijn geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag. Mitsdien moet het onderhavige verzoek in kort geding niet-ontvankelijk worden verklaard. Hieraan wordt niet afgedaan door de beschikking van de president van het Gerecht van 15 december 1992 (zaak T-96/92, CCE Grandes Sources e.a., Jurispr. 1992, blz. II-2579), waarin deze heeft geoordeeld dat grondig moet worden onderzocht, in hoeverre de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van een onderneming die betrokken is bij een concentratie, kunnen beschikken over een beroepsmiddel ter bescherming van hun rechtmatige belangen, en dat bijgevolg de rechter in kort geding niet tot de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep kan concluderen. Volgens de Commissie voldoet immers geen van beide verzoekers in de onderhavige zaak, anders dan verzoekers in de zaak CCE Grandes Sources e.a., aan de zo niet wezenlijke dan toch onmisbare voorwaarde van deelneming aan de in de verordening bedoelde procedure.
16 Wat de spoedeisendheid van de zaak betreft, is de Commissie van oordeel, dat verzoekers niet hebben aangetoond dat zij door de beschikking een zekere en dreigende schade zullen lijden. Met name is niet aangetoond, in hoeverre de overdracht van Pierval door Nestlé noodzakelijkerwijs tot een verzwakking van Vittel zou leiden, aangezien de capaciteit van deze onderneming thans binnen het geheel van de Nestlé Groep komt te vallen, waartoe zij sinds 1987 behoort. De onderneming kan slechts versterkt uit de concentratie te voorschijn komen, daar Nestlé anders Perrier niet zou hebben overgenomen. Bovendien, als de overdrachtsprijs van Pierval niet in overeenstemming zou zijn met wat in Frankrijk gebruikelijk is, zoals verzoekers lijken te betogen, zou het aan verzoekers staan om de zaak voor te leggen aan de bevoegde nationale rechters.
17 De Commissie overweegt verder, dat de overdracht van een deel van het vermogen van een onderneming op zichzelf slechts schade aan de werknemers kan berokkenen, indien de overdracht er noodzakelijkerwijs toe zou leiden, dat een voor hen specifiek belang in gevaar komt, zoals het verlies van hun arbeidsplaats, hetgeen in casu niet het geval is. Wat betreft het argument van de schade die met name werknemers van Pierval van de overdracht zouden ondervinden, benadrukt de Commissie, dat niet vaststaat dat door de overdracht van de onderneming noodzakelijkerwijs de collectieve overeenkomst ter discussie komt te staan, en dat een dergelijke overeenkomst in ieder geval van kracht blijft gedurende een jaar of tot aan de inwerkingtreding van een nieuwe overeenkomst, met dien verstande dat, indien in het jaar volgende op de overdracht niets wordt overeengekomen, de werknemers de individuele voordelen behouden die zij hebben verkregen op grond van hetgeen vóór de overdracht was overeengekomen. Bovendien hadden de collectieve overeenkomsten ook heel wel door de directie van Vittel kunnen zijn opgezegd, indien de vestiging van Pierval niet zou zijn verkocht. Derhalve is, aldus de Commissie, de opzegging van deze overeenkomsten niet een noodzakelijk gevolg van de overdracht van Pierval en is de schade voor de werknemers van deze onderneming dus noch zeker, noch dreigend.
18 De Commissie betwist de aanwezigheid van een causaal verband tussen de vermeende schade en de beschikking; bovendien, zo het Gerecht al van oordeel mocht zijn dat verzoekers de omstandigheden waaruit de spoedeisendheid van de zaak zou blijken, hebben aangetoond, zou de afweging van de wederzijdse belangen van partijen toch moeten leiden tot afwijzing van het verzoek om voorlopige maatregelen, aangezien deze maatregelen niet slechts hun eigen belangen raken, maar ook die van de Nestlé Groep en de toekomstige eigenaar van Pierval, beide geen partijen in geding.
19 Wat de "fumus boni juris" betreft, is de Commissie van mening, dat de door verzoekers aangevoerde argumenten voor nietigverklaring van de beschikking niet ontvankelijk zijn, althans ongegrond. Met een gedetailleerde analyse van elk van de middelen en argumenten van verzoekers merkt verweerster op, dat het antwoord op het merendeel van de middelen en argumenten kan worden gevonden in verordening nr. 4064/89 of in de formulering van de beschikking zelf. Wat meer in het bijzonder de grief betreft, dat de beschikking van de Commissie berust op dwaling ten aanzien van de feiten, daar noch de bron van Thonon, noch die van Vichy toebehoren aan Nestlé, meent de Commissie dat verzoekers geen belang hebben bij hun actie, want indien zou blijken dat de gestelde voorwaarden onmogelijk te verwezenlijken zijn, zou de aangemelde concentratie onverenigbaar zijn verklaard, hetgeen de verkoop van Pierval overbodig zou maken. Overigens kan verweerster niet verantwoordelijk worden gesteld voor het geval dat de betreffende voorwaarde niet te verwezenlijken is, daar immers de verkoop van die bronnen door Nestlé is voorgesteld en deze op geen enkel moment heeft aangegeven dat genoemde bronnen haar niet toebehoorden. De voorwaarde kan hoe dan ook niet worden geacht onmogelijk te verwezenlijken te zijn, daar Nestlé afstand van haar exploitatierechten kan doen en de instanties, bevoegd om deze rechten te verlenen, er alle belang bij hebben dat de bronnen Thonon en Vichy door een nieuwe onderneming worden geëxploiteerd, zoals overigens ook blijkt uit de lopende onderhandelingen tussen genoemde instanties en de Castel Groep.
Beoordeling door de rechter in kort geding
A ° De kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak
20 Volgens vaste rechtspraak "dient de rechter in kort geding, indien gesteld is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, vast te stellen of op grond van bepaalde elementen voorshands met een zekere mate van waarschijnlijkheid tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd" (zie laatstelijk de beschikking CCE Grandes Sources e.a., reeds aangehaald).
21 Dienaangaande zij in herinnering gebracht, dat degenen die niet de adressaten van een beschikking zijn, slechts kunnen stellen dat zij erdoor worden geraakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arrest Hof van 22 oktober 1986, zaak 75/84, Metro, Jurispr. 1986, blz. 3021).
22 Zoals de president van het Gerecht in de beschikking CCE Grandes Sources e.a. (reeds aangehaald) heeft overwogen, blijkt uit de rechtspraak van het Hof betreffende de procesbevoegdheid van derden, zowel op het gebied van mededinging en overheidssteun als op het gebied van dumping en subsidies (zie arresten Hof van 25 oktober 1977, zaak 26/76, Metro, Jurispr. 1977, blz. 1875; 4 oktober 1983, zaak 191/82, Fediol, Jurispr. 1983, blz. 2913, en 28 januari 1986, zaak 169/84, Cofaz, Jurispr. 1986, blz. 391), dat de noodzaak om rechtmatige belangen te beschermen, een beslissend criterium kan zijn bij de beoordeling of een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die de kwalificaties bezit om opmerkingen in te dienen in het kader van een administratieve procedure, kan worden geacht op soortgelijke wijze als een adressaat door een beschikking rechtstreeks en individueel te zijn geraakt.
23 In casu zij erop gewezen, dat anders dan de desbetreffende bepalingen van de verordeningen inzake de procedures betreffende de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag, artikel 18, lid 4, van verordening nr. 4064/89 uitdrukkelijk aan de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van de betrokken ondernemingen het recht toekent te worden gehoord, op dezelfde voet als andere natuurlijke of rechtspersonen.
24 Het is weliswaar juist dat verzoekers niet hebben verzocht te worden gehoord tijdens de administratieve procedure, zoals de Commissie heeft opgemerkt, doch anderzijds is de overdracht van een bepaald aantal bronnen, waaronder Pierval, onmiskenbaar pas in een zeer laat stadium van de procedure aan de orde gesteld. Overigens is niet betwist dat verzoekers pas na de vaststelling van de beschikking van 22 juli 1992 kennis hebben gekregen van de overdracht. Mitsdien kan verzoekers in principe niet worden verweten dat zij niet hebben verzocht te worden gehoord, nu zij op het eerste gezicht niet konden vermoeden dat de vergunning voor de concentratie afhankelijk zou worden gesteld van een aantal voorwaarden, waaronder de overdracht van Pierval.
25 Onder deze omstandigheden lijkt een grondig onderzoek noodzakelijk van de vraag, in hoeverre de erkende vertegenwoordigers van de werknemers van een onderneming waarvan de overdracht een voorwaarde vormt voor goedkeuring van een concentratie, kunnen beschikken over een beroepsmiddel om hun rechtmatige belangen te beschermen.
26 Uit het voorgaande volgt dat de rechter in kort geding in dit stadium niet kan concluderen tot de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring van de litigieuze beschikking.
B ° Het verzoek om voorlopige maatregelen
27 Er zij aan herinnerd, dat het onderhavige verzoek in kort geding primair strekt tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking waarbij de Commissie de overname van Perrier door Nestlé heeft goedgekeurd en, subsidiair, tot opschorting van de beschikking waarbij de overdracht van Pierval wordt gelast, tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.
28 Vooraf zij met betrekking tot het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking opgemerkt, dat de president van het Gerecht in de beschikking CCE Grandes Sources e.a. (reeds aangehaald) heeft verklaard, dat een dergelijke opschorting erop neerkomt, dat de goedkeuring door de Commissie van de aangemelde concentratie en derhalve de uitoefening van het stemrecht van Nestlé in de groep Perrier voor de gehele duur van de contentieuze procedure wordt geschorst, hetgeen de werking van de ondernemingen van de groep ernstig zou kunnen belemmeren.
29 Wat betreft het verzoek om voorlopige maatregelen, strekkende tot opschorting van de beschikking waarbij de overdracht van Pierval wordt gelast, tot de eindbeslissing in de bodemprocedure, zij erop gewezen, dat de Commissie volgens haar eigen verklaringen (zie perscommuniqué van 3 maart 1993, reeds aangehaald, punt 8) "de zaak zou afhandelen, zodra de belemmeringen voor de daadwerkelijke overdracht zouden zijn opgeheven, met name wat betreft de overdracht aan de Castel Groep van de exploitatierechten van Vichy en Thonon door de Franse Staat en de gemeente Thonon-les-Bains". Hieruit volgt, dat de nakoming van de voorwaarden waaraan de goedkeuring van de aangemelde concentratie was onderworpen, nog afhangt van de standpuntbepaling van de Franse Staat en de gemeente Thonon-les-Bains.
30 Gezien deze situatie feitelijk en rechtens, moet de rechter in kort geding niet alleen enerzijds het belang van verzoekers en anderzijds het belang van de Commissie om een daadwerkelijke mededinging te herstellen, maar ook de belangen van derden, zoals Nestlé en Castel, in dier voege tegen elkaar afwegen, dat geen onomkeerbare situatie in het leven wordt geroepen en dat ernstige en onherstelbare schade voor een der partijen in het geding, voor een derde, of voor het openbaar belang wordt vermeden (zie beschikking CCE Grandes Sources e.a.).
31 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat los van de vraag of de overdracht van een deel van het vermogen van een onderneming ernstige en onherstelbare schade kan berokkenen aan haar werknemers, een dergelijke overdracht in de regel, naar de Commissie op de hoorzitting heeft erkend, onomkeerbare juridische en economische gevolgen met zich meebrengt. Al behoeft de enkele onomkeerbaarheid van een situatie nog niet noodzakelijkerwijs te leiden tot ernstige en onherstelbare schade voor verzoekers, toch behoort de rechter in kort geding in de onderhavige omstandigheden het onomkeerbare karakter in aanmerking te nemen van de gevolgen welke de overdracht van Pierval teweeg zou kunnen brengen, vooral nu blijkt dat de vervulling van alle voorwaarden waaraan de goedkeuring van de concentratie luidens de beschikking is onderworpen, nog afhangt van het akkoord van lichamen die geen partij zijn in het onderhavige geding, te weten de Franse Staat en de gemeente Thonon-les-Bains. Immers, vermeden moet worden, dat aan de voorwaarde betreffende de overdracht van de activa van Pierval uitvoering wordt gegeven, voordat in voldoende mate is aangetoond dat het geheel van de andere voorwaarden in de beschikking inderdaad te verwezenlijken is, en de overdracht dus nadien overbodig zou blijken.
32 Aan deze conclusie kan in dit stadium niet worden afgedaan door het argument van de Commissie, dat verzoekers er geen belang bij hadden de zaak aanhangig te maken, voor zover de eventuele vaststelling dat bedoelde voorwaarden onmogelijk te verwezenlijken zijn, zou leiden tot een verklaring van onverenigbaarheid van de concentratie en, derhalve, de verkoop van Pierval overbodig zou maken. Feitelijk gaat dit argument ervan uit, dat de overdracht van Pierval in geen geval zal plaatsvinden vóór een dergelijke vaststelling. Nergens uit de beschikking blijkt echter dat de overdracht van bepaalde activa, in elk geval die van Pierval, pas zal plaatsvinden wanneer aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. In feite beperkt de beschikking zich tot de verklaring (punt 136): "Nestlé agrees to sell the assets concerned by (...) Nestlé shall be deemed to have complied with this obligation if, by (...), it has entered into a binding contract for the sale of the divestiture assets to a purchaser approved by the Commission, provided that such sale is completed within a time limit agreed to by the Commission." ["Nestlé verplicht zich de betrokken activa uiterlijk op (...) te verkopen. Nestlé wordt geacht aan deze verplichting te hebben voldaan indien zij uiterlijk op (...) een bindende overeenkomst voor de verkoop van de af te stoten activa heeft gesloten met een door de Commissie goedgekeurde koper, mits deze verkoop binnen een door de Commissie goedgekeurde termijn wordt voltooid."]
33 Onder deze omstandigheden, en om te voorkomen dat voor partijen in het geding of voor derde betrokkenen een onomkeerbare situatie ontstaat, lijkt het gerechtvaardigd, bij wijze van voorlopige maatregelen de Commissie te gelasten het Gerecht, zodra zij in het bezit is van de desbetreffende gegevens, ervan in kennis te stellen, dat alle voorwaarden betreffende de overdracht van de activa, bedoeld in de beschikking, zijn vervuld en in het bijzonder dat de beletsels voor de overdracht van de exploitatierechten van Vichy en Thonon uit de weg zijn geruimd. Bovendien zal bij wijze van conservatoire maatregel de tenuitvoerlegging van de beschikking waarin de Commissie de verklaring van verenigbaarheid van de aangemelde concentratie afhankelijk stelt van de voorwaarde betreffende de overdracht van Pierval, moeten worden opgeschort, totdat de rechter in kort geding met inachtneming van de hem door de Commissie verstrekte inlichtingen uitspraak doet.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Zodra de Commissie in het bezit is van de desbetreffende gegevens, zal zij het Gerecht ervan in kennis stellen, dat alle voorwaarden betreffende de overdracht van de activa, bedoeld in haar beschikking van 22 juli 1992 inzake een procedure op grond van verordening (EEG) nr. 4064/89 van de Raad betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (IV/M.190 ° Nestlé/Perrier), zijn vervuld en in het bijzonder dat de beletsels voor de overdracht van de exploitatierechten van Vichy en Thonon uit de weg zijn geruimd.
2) De tenuitvoerlegging van bovengenoemde beschikking van de Commissie wordt, voor zover daarin de overdracht van Pierval wordt gelast, opgeschort totdat de rechter in kort geding met inachtneming van de hem door de Commissie krachtens punt 1 van dit dictum verstrekte inlichtingen uitspraak doet op het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging.
Luxemburg, 2 april 1993.
Full & Egal Universal Law Academy