Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Voorwaarden ° "Fumus boni juris" ° Door tot aanstelling bevoegd gezag opgelegde tuchtmaatregel zwaarder dan door tuchtraad voorgestelde maatregel, ofschoon gebaseerd op dezelfde feitelijke beoordeling
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
2. Kort geding ° Opschorting van tenuitvoerlegging ° Voorwaarden ° Ernstige en onherstelbare schade ° Geldelijke schade ° Immateriële schade ° Afweging van alle betrokken belangen ° Tuchtmaatregel geruime tijd na verweten feiten
(EEG-Verdrag, art. 185; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting
1. Wat de opschorting van de tenuitvoerlegging van een besluit waarbij een ambtenaar een tuchtmaatregel wordt opgelegd betreft, wordt aan de voorwaarde van het bestaan van een "fumus boni juris" voldaan in een geval waarin het tot aanstelling bevoegd gezag, zonder de in het met redenen omkleed advies van de tuchtraad gegeven beoordeling van de feiten te betwisten, een zwaardere sanctie oplegt dan door de tuchtraad is voorgesteld, en waarin de kwalificatie die het tot aanstelling bevoegd gezag in het bestreden besluit van de feiten geeft, op het eerste gezicht en zonder op enigerlei wijze vooruit te lopen op de wettigheid of de onwettigheid ervan, voor de rechter in kort geding ernstige twijfel wekt.
2. Wat de voorwaarde voor de toewijzing van de opschorting van de tenuitvoerlegging betreft die verband houdt met het risico van ernstige en onherstelbare schade voor degene die om die opschorting verzoekt, een zuiver geldelijke schade kan in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs als moeilijk herstelbaar worden beschouwd wanneer zij later financieel kan worden vergoed. De rechter in kort geding moet echter, rekening houdend met het belang van de instelling bij de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling, de bijzondere omstandigheden van het geval onderzoeken en op basis hiervan beoordelen, of de verzoeker schade lijdt die, zelfs ingeval de handeling in het kader van de hoofdzaak nietig wordt verklaard, niet kan worden vergoed.
Een vermindering van het maandinkomen van ongeveer 12 %, die de ambtenaar ondervindt als gevolg van zijn terugzetting, kan niet worden beschouwd als een ernstige of onherstelbare schade, aangezien de verzoeker, indien het beroep in de hoofdzaak gegrond wordt geacht, het uit de terugzetting voortvloeiende verschil in bezoldiging zal ontvangen.
Wat daarentegen de schade betreft, voortvloeiende uit de aantasting van de waardigheid en de serieuze instelling ten aanzien van het beroep van de ambtenaar alsmede uit de verslechtering van zijn psychische toestand, moet worden erkend, dat aangezien het tot aanstelling bevoegd gezag, dat weliswaar niet gehouden is aan enige verjaringstermijn, meer dan vijf jaar na een door hem als uitermate ernstig aangemerkte fout en waarvan het meer dan vier jaar vóór de inleiding van de tuchtprocedure kennis had genomen, een sanctie heeft opgelegd, de belangen van de ambtenaar zwaarder lijken te wegen, indien men deze afweegt tegen de belangen van de instelling die hem de sanctie heeft opgelegd.
Partijen
In zaak T-21/93 R,
C. A. Camarinha Lobão Peixoto, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Thomati, advocaat te Lissabon, Rua do Alecrim 46 S/L,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. M. Alves Vieira, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het besluit van 27 november 1992, waarbij de Commissie verzoeker bij wege van tuchtmaatregel als bedoeld in artikel 86, lid 2, sub e, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, heeft teruggezet in rang,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest
De feiten en de procedure
1 Bij een op 1 maart 1993 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft verzoeker krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut een beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van het besluit van 27 november 1992, waarbij de Commissie hem bij wege van tuchtmaatregel als bedoeld in artikel 86, lid 2, sub e, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: "Statuut") heeft teruggezet in rang.
2 Bij een op diezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte heeft verzoeker krachtens artikel 91, lid 4, van het Statuut een verzoek ingediend om bij wege van voorlopige maatregel opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te verkrijgen.
3 De Commissie heeft op 12 maart 1993 schriftelijke opmerkingen ingediend. Op 18 maart 1993 hebben partijen hun mondelinge toelichting gegeven.
4 Bij beschikking van 19 maart 1993 heeft de president van het Gerecht de Commissie gelast het Gerecht een kopie van het dossier betreffende de jegens verzoeker gevoerde tuchtprocedure over te leggen.
5 Alvorens de gegrondheid van het onderhavige verzoek om voorlopige maatregelen te onderzoeken, moet een korte uiteenzetting worden gegeven van de feiten van het geding, zoals deze blijken uit de door partijen ingediende memories, de door hen verstrekte mondelinge uitleg en het dossier betreffende de tuchtprocedure.
6 Eind oktober 1987 vroeg en verkreeg verzoeker, op dat moment ambtenaar op proef bij de Commissie, een aantal dagen vakantie om naar Portugal te gaan teneinde daar een dringend persoonlijk probleem te regelen. Dit probleem hield verband met de gestelde deelneming van verzoeker aan het misdrijf van handel in verdovende middelen.
7 Onmiddellijk na zijn aankomst te Lissabon op 2 november 1987 raadpleegde verzoeker een arts. Deze gaf hem een attest af waarin hij verklaarde, dat verzoeker voor onbepaalde tijd niet in staat was te werken. De echtgenote van verzoeker zond het betrokken attest naar de Commissie, wier diensten het op 12 november 1987 ontvingen.
8 In de namiddag van 2 november 1987 meldde verzoeker zich bij de opsporingsdienst en werd hij op grond van een op diezelfde dag door de rechter van het Tribunal de Instruçao Criminal de Lisboa afgegeven arrestatiebevel in hechtenis genomen. De volgende ochtend verscheen verzoeker voor de rechter van dit Tribunal, die, van oordeel dat hij over voldoende aanwijzingen beschikte om hem deelneming aan het misdrijf van handel in verdovende middelen ten laste te leggen, zijn voorlopige hechtenis in afzondering gelastte. Verzoeker werd ongeveer drie weken in afzondering gehouden. Het dossier werd naar de opsporingsdienst teruggestuurd met de volgende vermelding: "dat de afdeling onderzoek onverwijld moet nagaan, of de verdachte betrokken is bij de betrokken feiten of bij andere feiten die tot eerstgenoemde feiten hebben geleid, en binnen bovengenoemde termijn [acht dagen] bericht moet geven van de voorlopige hechtenis in afzondering van de verdachte, aangezien deze in dienst is bij een instelling van de EEG en voortzetting van de huidige situatie zonder absolute noodzaak onherstelbare schade [kan] veroorzaken".
9 Daar verzoeker lange tijd niet kwam opdagen, zond de Commissie op 18 december 1987 een telegram naar zijn woonplaats te Sacavém, waarin zij hem verzocht zich voor een medische controle te Lissabon te melden. Verzoeker, die zich nog steeds in voorlopige hechtenis bevond, daagde niet op.
10 Op 12 januari 1988 verzocht verzoekers advocaat het Tribunal de Instruçao Criminal de Commissie ervan op de hoogte te brengen, dat zijn mandant zich in voorlopige hechtenis bevond. Deze informatie werd het voorlichtingsbureau van de Commissie te Lissabon op 22 januari 1988 verstrekt.
11 Bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 24 februari 1988 werd verzoeker krachtens artikel 88 van het Statuut geschorst. Van oordeel, dat de voorlopige hechtenis niet gerechtvaardigd was, gelastte de rechter van het Tribunal de Instruçao Criminal op 26 maart 1988, dat verzoeker onverwijld in vrijheid moest worden gesteld met de verplichting zich gedurende een periode van zes maanden elke eerste werkdag van de maand bij de ambassade of de diplomatieke vertegenwoordiging van Portugal in zijn plaats van tewerkstelling te melden. Bij besluit van 8 april 1988 beëindigde het tot aanstelling bevoegd gezag verzoekers schorsing met ingang van 5 april van datzelfde jaar.
12 Bij vonnis van de Vierde kamer van het Tribunal Criminal de Lisboa van 14 mei 1990 werd verzoeker veroordeeld tot vier maanden hechtenis en een geldboete van 100 000 ESC wegens het met "onopzettelijke nalatigheid" deelnemen aan het misdrijf van handel in verdovende middelen. Aangezien verzoeker reeds vier maanden in hechtenis was geweest, werd hij in vrijheid gesteld.
13 Op 30 maart 1992 besloot het tot aanstelling bevoegd gezag een tuchtprocedure tegen verzoeker in te leiden, op grond dat deze een valse verklaring had afgelegd, door zijn afwezigheid van de dienst door middel van een medisch attest te rechtvaardigen met gezondheidsredenen, terwijl hij zich in werkelijkheid op bevel van de rechter van het Tribunal de Instrução Criminal in hechtenis bevond.
14 Op 2 oktober 1992 bracht de tuchtraad een met redenen omkleed advies uit waarin hij voorstelde, verzoeker bij wege van tuchtmaatregel als bedoeld in artikel 86, lid 2, sub b, van het Statuut een berisping te geven. De tuchtraad achtte het niet bewezen, dat het medisch attest aan de Commissie was gezonden nadat verzoeker in hechtenis was genomen, en achtte het daarom niet mogelijk hem te beschuldigen van het afleggen van een valse verklaring. Omdat hij tussen 18 december 1987 en 22 januari 1988 niet had voldaan aan de verplichting de instelling op de hoogte te stellen van de redenen voor zijn afwezigheid, was verzoeker zijn statutaire verplichtingen, in het bijzonder die van artikel 59, lid 1, tweede alinea, van het Statuut, echter niet nagekomen.
15 Bij besluit van 27 november 1992 oordeelde het tot aanstelling bevoegd gezag, dat verzoeker door het afleggen van een valse verklaring een disciplinaire fout had begaan, en zette het hem bij wege van tuchtmaatregel met ingang van 1 december 1992 van de rang B 3, salaristrap 5, terug naar de rang B 4, salaristrap 5. In zijn besluit oordeelde het tot aanstelling bevoegd gezag, dat verzoeker op het moment dat het medisch attest voor verzending naar de Commissie werd klaargemaakt, had moeten beseffen, dat zijn afwezigheid, die misschien langer zou duren dan het hem verleende verlof, niet op gezondheidsredenen berustte, en dat hij de instelling opzettelijk niet de werkelijke redenen voor zijn afwezigheid had meegedeeld. Het tot aanstelling bevoegd gezag was voorts van oordeel, dat verzoeker na afloop van de afzondering de Commissie ervan op de hoogte had moeten stellen, dat het medisch attest niet overeenkwam met de werkelijkheid, of zich er althans van had moeten vergewissen, dat de politie de Commissie daadwerkelijk op de hoogte had gesteld van zijn hechtenis. Ofschoon verzoeker op 18 december 1987 had vernomen, dat de Portugese autoriteiten de Commissie niet op de hoogte hadden gesteld van zijn hechtenis, heeft hij pas op 12 januari 1988 gereageerd en heeft hij de Commissie dus opzettelijk doen geloven, dat hij om gezondheidsredenen afwezig was. Het tot aanstelling bevoegd gezag voegde daaraan toe, dat verzoeker het schorsingsbesluit van 24 februari 1988, waarin hij er reeds van werd beschuldigd opzettelijk te hebben verzwegen, dat zijn afwezigheid niet op gezondheidsredenen berustte, heeft ondertekend en nooit heeft betwist. Dit feit ° waarmee de tuchtraad geen rekening heeft gehouden in zijn met redenen omkleed advies ° impliceert, dat de niet-nakoming van de verplichting om de instelling op de hoogte te stellen, niet beperkt kan worden tot de periode van 12 december 1987 tot 12 januari 1988.
In rechte
16 Volgens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag heeft een bij het Gerecht ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Gerecht kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten of de noodzakelijke voorlopige maatregelen voorschrijven.
17 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht staat het aan de verzoekende partij, een duidelijke omschrijving te geven van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede van de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
Argumenten van partijen
18 Verzoeker stelt, dat hij door de hem opgelegde tuchtmaatregel van terugzetting in de rang, afgezien van het financiële nadeel en de gevolgen voor zijn loopbaan, tegenover zijn collega' s en hiërarchieke meerderen diep is vernederd, hetgeen hem niet alleen materiële, maar ook psychologische problemen heeft bezorgd. Zijn financiële nadeel wordt niet alleen veroorzaakt door het feit dat hij als rechtstreeks gevolg van de tuchtmaatregel van terugzetting in rang minder bezoldiging ontvangt, maar eveneens door het feit dat hij, in tegenstelling tot al zijn collega' s, niet is voorgedragen voor bevordering naar een hogere rang.
19 Ofschoon geen enkel bewijs voorligt van de valse verklaringen waarvan hij in de loop van de tuchtprocedure is beschuldigd, zal in de periode tot aan de uitspraak van Gerecht over het in de hoofdzaak ingestelde beroep tot nietigverklaring zijn toch al erg aangetaste psychische toestand nog verslechteren, omdat niet alleen zijn gezinsleven en zijn financiële positie in geding zijn, maar eveneens zijn waardigheid en serieuze instelling ten aanzien van zijn beroep.
20 Doordat het bestreden besluit afwijkt van de relevante bewijsstukken en is gebaseerd op overwegingen die het in het kader van de tuchtprocedure geleverde bewijs tegenspreken, vertoont dit besluit niet alleen een motiveringsgebrek, maar is het eveneens in strijd met de wet.
21 De Commissie stelt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Gerecht, dat de door verzoeker aangevoerde financiële schade geen dermate ernstige of onherstelbare schade vormt, dat zij de gevraagde voorlopige maatregelen kan rechtvaardigen, aangezien verzoeker, indien het beroep in de hoofdzaak slaagt, het uit zijn terugzetting in rang voortvloeiende verschil in bezoldiging zal ontvangen. Het nadeel dat verzoeker heeft geleden door het feit dat hij niet is bevorderd, heeft niets te maken met het bestreden besluit, en de Commissie beklemtoont dienaangaande, dat aangezien verzoeker nooit een klacht heeft ingediend of een beroep heeft ingesteld tegen zijn niet-bevordering, hij het financiële nadeel daarvan, thans niet kan aanvoeren.
22 Voorts is de Commissie van mening, dat geen van de door verzoeker in zijn beroep in de hoofdzaak aangevoerde middelen gegrond is. Het besluit vermeldt op uitputtende wijze de gronden, feitelijk en rechtens, waarop het tot aanstelling bevoegd gezag de tuchtmaatregel van terugzetting in rang heeft getroffen. Ook bevat het besluit de redenen waarom het tot aanstelling bevoegd gezag het advies van de tuchtraad niet heeft gevolgd en jegens verzoeker, gezien de buitengewone ernst van de feiten waarvan deze werd beschuldigd, een zwaardere tuchtmaatregel heeft getroffen dan de tuchtraad had voorgesteld.
Het bestaan van een "fumus boni juris"
23 Blijkens de stukken had de tuchtraad een lichtere tuchtmaatregel voorgesteld dan die welke het tot aanstelling bevoegd gezag heeft getroffen, omdat de raad het niet bewezen achtte, dat het medisch attest aan de Commissie was gezonden nadat verzoeker op 2 november 1987 in hechtenis was genomen, en derhalve van mening was, dat verzoeker niet kon worden verweten een valse verklaring te hebben afgelegd. In zijn besluit wijkt het tot aanstelling bevoegd gezag, zonder de in het met redenen omkleed advies van de tuchtraad gegeven beoordeling van de feiten te betwisten, af van diens uitlegging. Daartoe beroept het zich in wezen op het feit dat verzoeker, enerzijds, op het moment dat het medisch attest voor verzending naar de Commissie werd klaargemaakt, had moeten beseffen, dat zijn afwezigheid, die misschien langer zou duren dan het hem verleende verlof, niet op gezondheidsredenen berustte, en, anderzijds, het schorsingsbesluit van 24 februari 1988, waarin hij er reeds van werd beschuldigd te hebben willen verzwijgen dat hij niet om gezondheidsredenen afwezig was, niet heeft ondertekend en nooit heeft betwist.
24 De kwalificatie die het tot aanstelling bevoegd gezag in het bestreden besluit van de feiten geeft, wekt op het eerste gezicht ° zonder in dit stadium op enigerlei wijze vooruit te lopen op de wettigheid of onwettigheid ervan ° ernstige twijfel.
25 Op basis van de gegevens waarover de rechter in kort geding beschikt, kan uit de stukken immers geenszins worden afgeleid, dat verzoeker wist of had moeten weten, dat hij onmiddellijk nadat hij zich op 2 november 1987 vrijwillig bij de opsporingsdienst had gemeld, zou worden gearresteerd, te meer daar de tenlastelegging en het arrestatiebevel ook van 2 november 1987 dateren. Voorts kan geen conclusie worden getrokken uit het feit dat verzoeker het schorsingsbesluit niet heeft betwist, aangezien de schorsing is opgeheven vóór het verstrijken van de termijn voor betwisting.
26 Uit de in rechtsoverweging 8 genoemde beschikking van de onderzoeksrechter blijkt bovendien, dat deze de opsporingsdienst heeft gelast te laten weten dat verzoeker zich in hechtenis en afzondering bevond. Het klinkt derhalve plausibel, dat verzoeker ervan overtuigd was, dat de Commissie deze informatie had gekregen, en dat hij pas op 18 december 1987, de datum van het telegram waarin verzoeker voor een medische controle werd opgeroepen, besefte dat de zaak in werkelijkheid anders lag. Gelet op het feit dat verzoeker zich in voorlopige hechtenis bevond en op het rechterlijk reces aan het einde van het jaar, kan uit de circa drie weken die zijn verstreken vooraleer verzoekers advocaat het Tribunal vroeg de Commissie mede te delen, dat verzoeker zich in hechtenis bevond, niet worden afgeleid, dat verzoeker de Commissie de ware redenen voor zijn afwezigheid opzettelijk heeft willen verzwijgen.
27 Uit het voorgaande volgt, dat de aan de rechter in kort geding verstrekte gegevens in het huidige stadium van de procedure een gedegen basis kunnen vormen voor de argumenten die verzoeker tot staving van zijn beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit heeft aangevoerd.
Het gevaar voor ernstige en onherstelbare schade
28 Volgens vaste rechtspraak (zie laatstelijk de beschikking van de president van het Gerecht van 23 maart 1993, zaak T-115/92, Hogan, Jurispr. 1993, blz. II-339) kan zuiver geldelijke schade in beginsel niet als onherstelbaar of zelfs als moeilijk herstelbaar worden beschouwd wanneer zij later financieel kan worden vergoed. De rechter in kort geding moet echter, rekening houdend met het belang van de instelling bij de tenuitvoerlegging van het besluit, aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het geval onderzoeken of het bestreden besluit verzoeker een schade berokkent, die zelfs ingeval van nietigverklaring van het besluit in het kader van de hoofdzaak niet kan worden vergoed.
29 Dienaangaande zij in de eerste plaats beklemtoond, dat verzoeker naar zijn zeggen door de terugzetting in rang ongeveer 12 % van zijn maandelijks inkomen heeft verloren. Een financieel nadeel van deze omvang vormt, ondanks de problemen die daaruit kunnen voortvloeien, geen ernstige of onherstelbare schade, aangezien verzoeker, indien het beroep in de hoofdzaak gegrond wordt geacht, het uit de terugzetting voortvloeiende verschil in bezoldiging zal ontvangen.
30 In de tweede plaats zij opgemerkt, dat verzoeker stelt financiële schade te hebben geleden door het feit dat hij in 1992 niet is bevorderd. Volgens verzoeker had hij, net als al zijn collega' s, in 1991 met ingang van januari 1992 moeten worden bevorderd. Blijkens de stukken is het besluit om verzoeker niet te bevorderen in elk geval niet alleen vóór de jegens hem getroffen tuchtmaatregel genomen, maar zelfs vóór de tuchtprocedure werd ingeleid, zodat de gestelde schade op geen enkele wijze verband kan houden met het bestreden besluit.
31 Ten slotte stelt verzoeker schade te hebben geleden doordat zijn waardigheid en serieuze instelling ten aanzien van zijn beroep zijn aangetast, en doordat zijn psychische toestand is verslechterd door de diepe vernedering die hij tegenover zijn collega' s en hiërarchieke meerdere heeft ondergaan.
32 Dienaangaande zij beklemtoond, dat de met tuchtmaatregelen bestrafbare fout van het afleggen van valse verklaringen, die ten grondslag lag aan de op 30 maart 1992 tegen verzoeker ingeleide tuchtprocedure en aan de jegens hem getroffen tuchtmaatregel van terugzetting in rang, plaatsvond in november 1987 en althans sinds 22 januari 1988 bekend was aan het tot aanstelling bevoegd gezag. Er zijn dus meer dan vier jaar en twee maanden verstreken tussen het bekend worden van de fout en het inleiden van de tuchtprocedure.
33 Tijdens die periode is verzoeker gedurende ongeveer vijf maanden, van november 1987 tot maart 1988, in voorlopige hechtenis geweest, waarna hij, zoals hierboven aangegeven, is veroordeeld wegens het met "onopzettelijke nalatigheid" deelnemen aan het misdrijf van handel in verdovende middelen en vervolgens in vrijheid is gesteld, omdat hij de hem opgelegde straf reeds in de vorm van voorlopige hechtenis had uitgezeten.
34 Tijdens die periode is verzoeker ook met ingang van 1 november 1988 als ambtenaar in vaste dienst van de Commissie aangesteld in de rang B 3, op basis van een beoordeling aan het einde van de proeftijd ° die was verlengd om rekening te houden met de duur van zijn afwezigheid wegens hechtenis ° waarin hij uitmuntende beoordelingen van zijn hiërarchieke meerderen had gekregen. Sindsdien is verzoeker steeds werkzaam geweest in het directoraat-generaal Douane en indirecte belastingen (DG XXI) van de Commissie.
35 De statutaire bepalingen inzake de voor gemeenschapsambtenaren geldende tuchtregeling, opgenomen in de artikelen 86 tot en met 89 en in bijlage IX bij het Statuut, bevatten weliswaar geen termijn voor het inleiden van tuchtprocedures tegen ambtenaren die ervan worden verdacht hun statutaire verplichtingen niet te zijn nagekomen, doch dit betekent niet, dat de rechter in kort geding geen rekening moet houden met het tijdsverloop tussen het bekend worden van de fout en de inleiding van de betrokken tuchtprocedure, vooral in het kader van een procedure die de opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit beoogt.
36 Uit het voorgaande volgt, dat de belangen van partijen zorgvuldig moeten worden afgewogen.
37 Vaststaat, dat het bestreden besluit verzoeker straft voor een als uitermate ernstig aangemerkte disciplinaire fout, die meer dan vijf jaar geleden werd begaan en die op het moment dat de tuchtprocedure werd ingeleid, het tot aanstelling bevoegd gezag reeds meer dan vier jaar bekend was. Aangezien volgens artikel 91, lid 4, van het Statuut de procedure ten principale wordt opgeschort totdat een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht wordt genomen, zullen de gevolgen van de bestreden handeling nog lang kunnen duren, namelijk tot de eindbeslissing van het Gerecht. Dit kan voor verzoeker aanzienlijke gevolgen hebben, omdat zijn waardigheid en serieuze instelling ten aanzien van zijn beroep in het geding zijn gebracht en omdat het kan bijdragen tot de verslechtering van zijn psychische toestand.
38 Vaststaat dat, aangezien het om een niet-financieel nadeel gaat, het voor de rechter in kort geding moeilijk is om in het kader van een verzoek om voorlopige maatregelen het onherstelbare of moeilijk te vergoeden karakter van dit nadeel te beoordelen. Gelet op de lange periode die is verstreken sinds de aan verzoeker verweten disciplinaire fout, kan opschorting van de tenuitvoerlegging van de tuchtmaatregel tot aan de uitspraak van het Gerecht over het beroep in de hoofdzaak, de organisatie van de diensten van de verwerende instelling op geen enkele wijze schaden. Gezien de geringe hoogte van het in geding zijnde bedrag en het feit dat dit gemakkelijk kan worden gerecupereerd indien het Gerecht het beroep in de hoofdzaak verwerpt, levert deze opschorting evenmin gevaar van schade voor de Commissie op (zie beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 3 juli 1984, zaak 141/84 R, De Compte, Jurispr. 1984, blz. 2575).
39 Uit het voorgaande volgt, dat met name gelet op de middelen, feitelijk en rechtens, die verzoeker tot staving van de gegrondheid van zijn beroep in de hoofdzaak heeft aangevoerd, de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit moet worden opgeschort tot de datum waarop het Gerecht in deze zaak zijn eindarrest wijst.
Dictum
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) De tenuitvoerlegging van het besluit van 27 november 1992, waarbij verzoeker bij wege van tuchtmaatregel is teruggezet in de rang B 4, salaristrap 5, wordt opgeschort tot de datum waarop het Gerecht in deze zaak zijn eindarrest wijst.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 5 april 1993.
Full & Egal Universal Law Academy